id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.680 Rolnummer: A. 241609/IX-10449 Zaak: Arrest 265680 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 180 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.680 van 6 februari 2026 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.680 van 6 februari 2026 in de zaak A. 241.609/IX-10.449 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Schütt kantoor houdend te 2018 Antwerpen Van Noortstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 25 januari 2024 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld. IX-10.449-1/19 De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Schütt, die verschijnt voor de verzoekende partij, en attaché Elizaveta Leonova, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Tot aan het bestreden besluit is verzoeker statutair ambtenaar van niveau A (attaché), tewerkgesteld bij de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van de FOD Financiën. 3.2. Naar aanleiding van berichtgeving in de media waarin wordt verwezen naar verzoeker en zijn hoedanigheid als ambtenaar in verband met verdenking van moord waarvoor hij wordt aangehouden, neemt de verwerende partij op 15 maart 2022 contact op met het parket. Op 16 maart 2022 deelt het parket mee dat lastens verzoeker een gerechtelijk onderzoek is gevorderd wegens verdenking van moord, dat een IX-10.449-2/19 onderzoeksrechter is aangesteld en dat verzoeker op 18 maart 2022 voor de raadkamer zal verschijnen. Op 18 maart 2022 deelt het parket mee dat de onderzoeksrechter geen toestemming verleent om aan de verwerende partij stukken uit het strafdossier mee te delen en op 21 maart 2022 bericht het parket dat verzoeker “een uitvoerige verklaring heeft afgelegd”, doch zonder de inhoud daarvan mee te delen. De feiten blijken te zijn gepleegd op 10 november 2020, een dag waarop verzoeker telewerk verrichtte. De verwerende partij heeft zich in de strafprocedure niet aangemeld als burgerlijke partij of als benadeelde. 3.3. Met een aangetekende brief van 22 maart 2022 wordt de tuchtprocedure opgestart en wordt verzoeker uitgenodigd voor een tuchtverhoor. Bij ordemaatregel van 25 april 2022 wordt verzoeker met ingang van 16 april 2022 geschorst. Ten gevolge van de aanhouding van verzoeker blijkt een fysieke hoorzitting door de hiërarchische meerdere niet mogelijk; verzoeker dient op 16 mei 2022 een schriftelijk verweer in, waarin hij onder meer het volgende voorbehoud formuleert: “Bij huidig schrijven wordt voorbehoud gemaakt om eventueel toch mondeling gehoord te worden teneinde verdere toelichting te verschaffen, vermits cliënt niet op alle eventuele grieven kan anticiperen. Tevens wordt bij huidig schrijven absoluut voorbehoud gemaakt voor de gebeurlijk door U op te leggen tuchtstraf. Immers, er is thans een gerechtelijk strafonderzoek lopende hetwelk per definitie geheim is. Dit betekent concreet dat cliënt niet (of geen) elementen uit het strafdossier kan naar voorbrengen hetwelk in zijn voordeel spelen, teneinde het geheim van het onderzoek niet te schaden. Zo zijn er mogelijkheden van schulduitsluitende rechtsgronden en strafuitsluitingsgronden, waarover pas kan gedebatteerd[…] worden wanneer het volledig gerechtelijk onderzoek is afgerond en de zaak ten gronde zal worden behandeld. Mocht U thans reeds, zonder kennis van het volledige strafdossier, het gebeurlijk motief en de correcte en concrete omstandigheden van de feiten, IX-10.449-3/19 toch een beslissing nemen hetwelk cliënt op enige manier schaadt en/of kan schaden, wordt bij huidig schrijven absoluut voorbehoud gemaakt om de door hem hierdoor geleden schade vergoed te zien.” 3.4. Na kennisname van dit verweer deelt de verwerende partij op 23 mei 2022 aan verzoekers raadsman mee dat de tuchtprocedure met toepassing van artikel 81 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ (hierna: het statuut) wordt “gestuit”. 3.5. Op 23 januari 2023 verzoekt de verwerende partij het parket om “een kopie van het gerechtelijk dossier [te] bezorgen of alleszins een stuk waaruit blijkt dat betrokkene de misdaad heeft bekend”. Op 30 januari 2023 antwoordt het parket dat “[h]et stuk waaruit blijkt dat betrokkene de feiten heeft bekend” per post wordt toegezonden. Op 28 februari 2023 zendt de verwerende partij het aldus ontvangen proces-verbaal van verhoor van 15 maart 2022 aan verzoeker, samen met een uitnodiging voor een tweede hoorzitting op 16 maart 2023, hetzij door persoonlijk te verschijnen, hetzij middels een schriftelijk verweer. Na het verkrijgen van een uitstel dient verzoeker op 31 maart 2023 een nota in, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “In de eerste plaats wordt verwezen naar mijn uitvoerig schriftelijk standpunt dd. 16 mei 2022, hetwelk bij huidig schijven integraal wordt hernomen en waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen. De in dit schrijven aangehaalde argumenten zijn nog steeds van toepassing en actueel. […] Thans, gelet op het vooronderzoek, is er geen bewezenverklaring, laat staan een definitieve en in kracht van gewijsde genomen rechterlijke beslissing, zodoende bezwaarlijk een (definitieve) tuchtstraf kan opgelegd worden. Bovendien: uw stelling dat [verzoeker] de ‘moord’ op [het slachtoffer] zou hebben bekend en dit dus vaststaand is, is niet alleen juridisch niet correct (zie vermoeden van onschuld zelfs bij gebeurlijke bekentenis), doch is dit ook feitelijk volstrekt onjuist. Cliënt heeft de moord niet bekend. […] Of [verzoeker] al of niet schuldig geacht zou kunnen worden, is bovendien afhankelijk van te beoordelen rechtvaardigingsgronden, IX-10.449-4/19 schulduitsluitingsgronden en verschoningsgronden dewelke alleen door de rechter ten gronde kunnen beoordeeld worden. Bij huidig schrijven wordt zodoende absoluut voorbehoud gemaakt voor de gebeurlijk door U op te leggen tuchtstraf. […] Zo zijn er mogelijkheden van schulduitsluitende rechtsgronden en strafuitsluitingsgronden, waarover pas kan gedebatteerd worden wanneer het volledig gerechtelijk onderzoek is afgerond en de zaak ten gronde zal worden behandeld. Pas dan, na dit debat in rechte en ten gronde, zal er een definitieve beslissing zijn waarop gebeurlijk een tuchtvervolging zou kunnen voortvloeien.” 3.6. Op 17 april 2023 wordt verzoeker uitgenodigd voor een hoorzitting door het beheerscomité van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (“het beheerscomité”) op 16 mei 2023. Omdat verzoeker de gevangenis niet kan verlaten en omdat de tuchtrechtelijk vervolgende wel door een raadsman mag worden bijgestaan, maar niet vertegenwoordigd, wordt de hoorzitting uitgesteld naar 13 juni en vervolgens 4 juli 2023. Verzoeker dient op 3 juli 2023 een schriftelijk verweer in. Daarin vraagt hij dat de tuchtvervolging sine die wordt uitgesteld en betoogt hij in essentie dat de tuchtoverheid de afwikkeling van de strafprocedure moet afwachten, dat er in casu geen problemen rijzen wat de redelijke termijn betreft, dat het vermoeden van onschuld geldt en dat hij een onberispelijk tuchtrechtelijk verleden heeft. Voorts wordt de nota van 16 mei 2022 als herhaald beschouwd. Op 4 juli 2023 beslist het beheerscomité, samengevat, dat verzoekers bekentenis “precies en volledig” is, dat de materialiteit en de ernst van de feiten – het doden van het slachtoffer met een mes – duidelijk en bewezen zijn, dat die feiten een ernstige tuchtrechtelijke tekortkoming uitmaken en dat verzoeker aldus de waardigheid van zijn ambt onherstelbaar heeft beschadigd. Het beheerscomité beslist om de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege voor te stellen. IX-10.449-5/19 3.7. Op 7 juli 2023 brengt het parket een vordering uit die strekt tot de internering van verzoeker. 3.8. Op 31 juli 2023 stelt verzoeker tegen het voorstel van tuchtstraf een beroep in bij de raad van beroep inzake tuchtzaken (“de raad van beroep”). Verzoeker wordt uitgenodigd voor een hoorzitting op 10 oktober 2023. Verzoeker verschijnt in persoon, bijgestaan door zijn raadsman. Verzoeker legt een pleitnota neer, waarin onder meer wordt betoogd wat volgt: “Teneinde te remediëren aan de tekortkoming van het gevoerde tuchtonderzoek tot dusver, acht appellant het noodzakelijk dat er bijkomende informatie zou worden opgevraagd, alvorens enige beslissing te nemen of enig advies te formuleren nopens de desgevallend op te leggen tuchtsanctie. Meer bepaald komt het onontbeerlijk voor dat het verslag van het college van deskundigen-psychiaters zou worden bijgebracht. Inderdaad is appellant door een college van psychiaters, door de onderzoeksrechter gelast, onderzocht met het oog op het beoordelen van zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Nadat de onderzoeksrechter zijn onderzoek had voleindigd (hetgeen gebeurt aan de hand van een beschikking tot mededeling), heeft de procureur des Konings te Turnhout op 7 juli 2023 een vordering tot regeling rechtspleging – internering genomen […]. Met deze vordering heeft de procureur des Konings de raadkamer gevat met de volgende vordering: ‘te verklaren dat [verzoeker] de feiten onder de tenlastelegging gepleegd heeft, feiten dewelke de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt, vast te stellen dat [verzoeker] lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast, vast te stellen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten en dat het gevaar bestaat dat [verzoeker] door deze geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven pleegt die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt, de internering van [verzoeker] te bevelen, te bevelen dat de internering voorlopig zal plaatsvinden in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.’ IX-10.449-6/19 Wanneer gevat met een vordering tot internering, doet de raadkamer, die normaal als onderzoeksgerecht zetelt, uitspraak over de grond van de zaak, dus zetelend als vonnisgerecht. De zaak werd vastgesteld op de zitting van de raadkamer van 18 augustus 2023. Alsdan werd ze echter sine die verdaagd, omdat de burgerlijke partijen – en blijkbaar ook de procureur zelf – bijkomend onderzoek gevraagd hebben, in de vorm van vragen om verduidelijking aan de deskundigen- psychiaters. Door het voorleggen van de vordering van de procureur, toont appellant aan dat er serieuze aanwijzingen bestaan dat zijn psychische gezondheidstoestand op het moment van de feiten van die aard was dat hij niet als schuldbekwaam kan worden beschouwd, ook niet op tuchtgebied. Nadere – en essentiële – informatie hierover is te vinden in het verslag van het college van deskundigen-psychiaters, zonder hetwelk er niet over de voorliggende tuchtvordering kan worden geoordeeld.” 3.9. Op 11 januari 2024 verleent de raad van beroep advies. Blijkens dat advies heeft de raad van beroep, voorafgaand aan de beraadslaging, onder meer nog de volgende vragen gesteld: “Op de vraag of het Beheerscomité anders zou hebben geoordeeld indien [het] het stuk kende dat nu naar voor wordt gebracht houdende de vordering van de procureur des Konings tot de internering van de appellant antwoordt de vertegenwoordigster van de FOD Financiën dat het Beheerscomité altijd beslist op basis van stukken. Op de vraag of het Beheerscomité zal wachten op het verslag van het college van de psychiaters-deskundigen antwoorden de vertegenwoordigers van de betrokken FOD neen.” Het advies strekt ertoe dat verzoekers beroep ongegrond is en dat het ontslag van ambtswege de meest aangepaste tuchtstraf is. Met betrekking tot verzoekers schuld(on)bekwaamheid overweegt de raad van beroep: “De Raad van Beroep stelt vast dat het argument van de ontoerekeningsvatbaarheid van de appellant voor de feiten van de moord voor het eerst door de appellant wordt opgeworpen voor de Raad van Beroep, zodat het Beheerscomité op het ogenblik van [zijn] beslissing tot voorstel van tuchtstraf van 4 juli 2023 dit element helemaal niet kende. De Raad van Beroep is dan ook van oordeel dat het beheerscomité dan ook zorgvuldig [heeft] gehandeld bij het nemen van [zijn] beslissing bij het formuleren van [zijn] voorstel van tuchtstraf. Verder stelt de Raad van Beroep vast dat het nog helemaal niet zeker is dat de Raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout de internering van de appellant zal uitspreken voor de hem [ten IX-10.449-7/19 laste] gelegde feiten van moord op [het slachtoffer], waarvan er ernstige aanwijzingen voorliggen, gezien uit de debatten voor de Raad van Beroep is gebleken dat de burgerlijke partijen alsook de procureur des Konings aanvullend onderzoek hebben gevraagd aan het college van deskundigen. [Hoe dan ook] is de Raad van Beroep van oordeel dat het feit dat de appellant de feiten van 10 november 2020, namelijk de dag waarop hij [het slachtoffer] heeft vermoord zoals daarvan ernstige aanwijzingen blijken, heeft gepleegd op het tijdstip waarop hij telewerkte, […] hem weldegelijk toerekenbaar [maakt]. [Door] [d]e omstandigheid dat de appellant de feiten, zoals daarvan aanwijzingen zijn, pleegde op het moment dat hij telewerkte, heeft hij de Administratie verschalkt.” 3.10. Bij koninklijk besluit van 25 januari 2024 wordt aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd. Dat is het betreden besluit. Wat de schuld(on)bekwaamheid betreft, vermeldt het de volgende motieven: “Overwegende dat [verzoeker], tijdens zijn verdediging voor de voormelde Raad op 10 oktober 2023, voor het eerst opperde over een argument van ontoerekeningsvatbaarheid voor de ten laste gelegde feiten; dat hij voor het eerst stelde dat er aanwijzingen waren dat op het moment van de feiten hij niet in staat was om zijn daden te controleren en daartoe de vordering van de Procureur des Konings tot internering voorlegt; Overwegende dat het argument van de niet toerekenbaarheid nooit werd voorgelegd, noch voor het Beheerscomité van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, noch werd op geen enkel voorafgaand moment hiervan enigszins gewag gemaakt; Overwegende dat [verzoeker] reeds eerder de mogelijkheid had een verschoningsgrond in te roepen in de tuchtprocedure en dit te ondersteunen met een medisch attest of bewijs; dat de feiten zoals die bleken uit het door de procureur des Konings meegedeelde proces-verbaal van verhoor niet werden betwist en de toerekenbaarheid van de feiten aan [verzoeker] nooit ter discussie werd gesteld; dat aldus de bekentenis als voldoende element in overweging wordt genomen om het schuldig gedrag van de betrokkene vast te stellen; Overwegende dat [verzoeker] informatie kan geven aangaande zijn medische toestand zonder het geheim van het strafonderzoek te schenden; Overwegende dat bewijsstukken moeten worden geleverd voor de tuchtoverheid zelf; dat er met documenten en elementen die pas worden aangebracht in de beroepsprocedure geen rekening kan worden gehouden; dat men de tuchtoverheid niet kan verwijten niet te zijn ingegaan op wat haar niet werd voorgelegd; IX-10.449-8/19 Overwegende dat de feiten zich voordeden op 10 november 2020 en dat hij pas aangehouden werd op 15 maart 2022 en dat hij al die tijd is blijven werken en functioneren; Overwegende dat het een vordering betreft tot internering en het niet zeker is dat de internering zal worden uitgesproken, dat er aanvullend onderzoek werd gevraagd; dat het verslag ook niet werd voorgelegd; Overwegende dat de Raad van Beroep ook stelt dat het argument van de ontoerekeningsvatbaarheid van de appellant voor de feiten van de moord voor het eerst door de appellant wordt opgeworpen voor de Raad van Beroep, zodat het Beheerscomité op het ogenblik van haar beslissing tot voorstel van tuchtstraf van 4 juli 2023 dit element helemaal niet kende; Overwegende dat de Raad van Beroep gevolgd kan worden in [zijn] advies in die zin dat [hij] van oordeel is dat het feit dat appellant de feiten van 10 november 2020, namelijk de dag waarop hij [het slachtoffer] heeft vermoord zoals daarvan aanwijzingen blijken, heeft gepleegd op het tijdstip dat hij telewerk verrichtte, hem wel degelijk toerekenbaar zijn; dat de appellant de feiten, zoals daarvan aanwijzingen zijn, pleegde op het moment dat hij telewerkte, en bijgevolg de Administratie verschalkt heeft.” 3.11. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout van 29 maart 2024 (hierna ook: de beschikking van de raadkamer van 29 maart 2024) wordt verzoeker op vordering van het parket geïnterneerd, nadat de raadkamer oordeelde dat verzoeker de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en dat deze feiten als moord worden gekwalificeerd. Die beslissing is, bij gebrek aan hoger beroep, in kracht van gewijsde gegaan. Bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij van 14 augustus 2024 wordt verzoeker geplaatst in de afdeling ‘bescherming van de maatschappij’ van de strafinrichting te Turnhout, in afwachting van de mogelijkheid tot een passende residentiële opname. IX-10.449-9/19 IV. Onderzoek van de middelen A. Vooraf 4. Wat de gevolgen zijn van een vernietigingsarrest moet niet alleen in het licht van het dictum ervan worden uitgemaakt, maar mede in het licht van de vernietigingsmotieven. Die vernietigingsmotieven zijn de onwettigheden die in de aangevoerde en gegrond bevonden middelen werden vastgesteld. Deze onwettigheden mogen bij het overdoen van dezelfde beslissing niet opnieuw worden begaan, op straffe van schending van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest. Op die manier beperken ze de handelingsruimte waarover de overheid bij dit overdoen nog beschikt. Naargelang een middel – de daarin aangevoerde onwettigheid – deze handelingsruimte bij het overdoen méér beperkt, met andere woorden dit overdoen moeilijker of lastiger maakt, worden het middel en de op grond ervan uitgesproken vernietiging “ruimer” genoemd. Dat brengt de Raad van State ertoe de volgorde van de beoordeling van de middelen die verzoeker tegen de bestreden beslissing heeft aangevoerd, te laten afhangen van de vraag welk daarvan het ruimste rechtsherstel biedt. B. Vierde middel Standpunt van de partijen 5. Verzoeker beroept zich in een vierde middel op een schending van artikel 6, § 2, EVRM, artikel 81, § 5, van het statuut, het vermoeden van onschuld, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. IX-10.449-10/19 Verzoeker betoogt dat hij in de loop van de tuchtprocedure steeds erop heeft aangedrongen om de uitkomst van de strafprocedure af te wachten, een vraag waarop het beheerscomité niet is ingaan omdat het – ten onrechte – oordeelde dat het zelfs na een strafrechtelijke uitspraak “niet gebonden is door het moreel element” en die de raad van beroep en de Koning vervolgens – eveneens ten onrechte – opnieuw terzijde hebben geschoven. Die houding is volgens verzoeker onzorgvuldig omdat de tuchtoverheid (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.