id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.683 Rolnummer: A. 247152/XII-10019 Zaak: Arrest 265683 - Dierenwelzijn - 06/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-06 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-06-18 06:28 Fiche Arrest nr 265.683 van 6 februari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.683 van 6 februari 2026 in de zaak A. 247.152/XII-10.019 In zake: J.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 27 januari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestemmingsbeslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn van 1 december 2025 waarbij een hond in volle eigendom wordt gegeven aan een erkend dierenasiel. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 28 januari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
- XII-10.019-1/9 De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jana Stevens, die loco advocaat Siegfried De Mulder verschijnt voor verzoekster en advocaat Niels Tritsmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 18 oktober 2025 doet de lokale politie – naar aanleiding van een interventie inzake huiselijke moeilijkheden – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot de hond van verzoekster. Aan verzoekster worden voorwaarden opgelegd, waaraan voldaan moet zijn tegen 27 oktober
- Op 30 oktober 2025 doet de lokale politie controle op het adres van verzoekster om na te gaan of deze voorwaarden werden nageleefd. Ze stelt vast dat dit niet het geval is. 3.
- Op 30 oktober 2025 wordt de hond van verzoekster bestuurlijk in beslag genomen. XII-10.019-2/9 3.
- Op 22 november 2025 wordt verzoekster strafrechtelijk verhoord. 3.
- Bij brief van 5 november 2025 wordt verzoekster uitgenodigd om haar schriftelijk verweer in te dienen betreffende een mogelijke bestemmingsbeslissing. De verwerende partij ontvangt geen schriftelijk verweer tegen de vooropgestelde datum. 3.
- Op 1 december 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om, met toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024, de hond in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar het dier op dat ogenblik verblijft. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- De hond is inmiddels door een derde “geadopteerd”. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Uiteenzetting van de exceptie
- In de nota met opmerkingen werpt de verwerende partij op dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. Beoordeling
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn, indien XII-10.019-3/9 de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoekster zet in het verzoekschrift uiteen dat haar hond al sinds 30 oktober 2025 in het asiel verblijft en dat de kans dat haar hond wordt geadopteerd of geëuthanaseerd bijzonder groot is. Eens de hond aan een derde zou worden overgedragen, zou deze overdacht in de feiten onomkeerbaar zijn. Zelfs een latere nietigverklaring van de bestreden beslissing zou haar nuttig effect dan grotendeels verliezen. Hetzelfde geldt in geval men de hond laat inslapen. Deze dreiging is volgens verzoekster reëel, daar uit de communicatie van de dienst Dierenwelzijn blijkt dat men dieren zo snel mogelijk wil herplaatsen. Verzoekster voert voorts aan dat zij wel degelijk heeft gereageerd op “de verzoeken” van de afdeling Dierenwelzijn, maar dat zij haar schriftelijke verklaring verkeerd heeft gefrankeerd en het beroep tot nietigverklaring aan de verkeerde instantie heeft bezorgd. Zij wijt deze vergissingen aan haar “gezegende” leeftijd, de taalbarrière XII-10.019-4/9 – verzoekster voert aan Franstalig te zijn –, het verdriet voor haar echtgenoot die zwaar ziek was en recent overleed en het gemis van haar hond. Bovendien voert verzoekster aan dat zij niet op de hoogte is van alle juridische formaliteiten die bij het aanvechten van de bestreden beslissing horen. Verzoekster wijst erop dat zij diligent heeft gehandeld, daar zij, toen zij kennis kreeg van haar vergissing, contact opnam met het CAW te Asse om haar te ondersteunen. Verzoekster benadrukt dat de schorsing voor haar levensnoodzakelijk is. Het beslag van de hond brengt haar een ernstig, onherroepelijk, persoonlijk nadeel toe, waardoor de zaak te spoedeisend is voor het afwachten van de behandeling ervan in het beroep tot nietigverklaring. Verzoekster licht toe dat dit nadeel niet louter moreel of emotioneel van aard is, maar bestaat in een concreet en definitief verlies van de eigendom en de affectieve band met het dier, die niet kunnen worden hersteld door een latere uitspraak ten gronde. Tot slot verwijst verzoekster naar de aangevoerde ernstige middelen. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een XII-10.019-5/9 uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- De toepassing van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan bovendien alleen worden aanvaard indien ook de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Dit impliceert dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-10.019-6/9
- Uit wat voorafgaat, volgt dat, wie meent in een geval te verkeren waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de bestreden beslissing moet worden bevolen, dienovereenkomstig moet handelen. Een verzoekende partij die zonder afdoende reden talmt met het instellen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geeft er blijk van die uiterst dringende noodzakelijkheid zelf niet ernstig te nemen.
- Te dezen stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 1 december
- Daar de verwerende partij in gebreke blijft om het bewijs van aangetekende zending bij het administratief dossier te voegen, valt niet na te gaan wanneer precies verzoekster van de bestreden beslissing kennis nam of kon nemen. Wel blijkt uit het administratief dossier dat verzoekster uiterlijk op 8 december 2025 kennis had van de bestreden beslissing. Op die datum richt zij immers een brief aan de verwerende partij – met vermelding van het dossiernummer van de bestreden beslissing – die volgens de poststempel en overeenkomstig wat verzoekster aanvoert, op 9 december 2025 werd verstuurd. Vervolgens wacht verzoekster tot 27 januari 2026 om een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen, waarmee zij bijna de volledige beroepstermijn uitput. Dit tijdsinterval van minstens 50 – maar mogelijk meer – dagen spreekt de uiterst dringende noodzakelijkheid tegen. Het laat zich des te minder verantwoorden in het licht van het concrete nadeel dat verzoekster laat gelden, met name het risico dat haar hond intussen wordt overgedragen aan een derde of wordt geëuthanaseerd.
- Voorst stelt de Raad van State vast dat verzoekster in haar verzoekschrift niet verklaart waarom zij bijna de volledige beroepstermijn heeft afgewacht om haar vordering in te dienen. Het argument van verzoekster dat zij wel degelijk heeft gereageerd, maar dat zij het beroep tot nietigverklaring verkeerdelijk bij de XII-10.019-7/9 afdeling Dierenwelzijn heeft ingediend, verantwoordt het gebrek aan diligentie niet. De bestreden beslissing bevat immers een afzonderlijke rubriek “mogelijkheden van beroep” waarin op een duidelijke en omstandige wijze wordt uiteengezet dat een beroep kan worden ingediend bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, alsook binnen welke termijn en met inachtneming van welke vormvereisten dit moet gebeuren. Ten overvloede verwijst de bestreden beslissing voor meer informatie naar de website van de Raad van State. Verzoekster was bijgevolg afdoende geïnformeerd dat het beroep niet bij de afdeling Dierenwelzijn, maar wel bij de Raad van State moest worden ingediend. Verzoekster voert ter verschoning voor haar vergissing haar “gezegende leeftijd”, alsook de “taalbarrière” aan. Ook deze argumenten overtuigen niet. Verzoekster is 56 jaar oud en zet niet uiteen waarom deze leeftijd haar zou beletten kennis te nemen van de op afdoende wijze vermelde beroepsmogelijkheid. Hoewel verzoekster mogelijk Franstalig is, zoals blijkt uit bepaalde door haar neergelegde stukken, blijkt uit het administratief dossier ook, eensdeels, dat zij in de uitnodiging om strafrechtelijk te worden verhoord, werd gewezen op haar rechten inzake de taal van de rechtspleging, en anderdeels, dat zij tijdens haar strafrechtelijk verhoor op 22 november 2025 heeft verklaard dat zij zich wenst uit te drukken in de Nederlandse taal. Uit dat verhoor blijkt dat zij de vragen die in het Nederlands werden gesteld goed heeft begrepen en er een relevant antwoord op heeft kunnen geven. Dat zij het Nederlands onvoldoende machtig zou zijn om in de bestreden beslissing de vermelding van de beroepsmogelijkheid goed te begrijpen, is bijgevolg ongeloofwaardig. Er kan weliswaar begrip worden opgebracht voor het argument dat verzoekster was overmand door verdriet wegens haar zwaar zieke echtgenoot die op 12 december 2025 is overleden, doch verzoekster toont niet aan waarom haar dat belette kennis te nemen van de juiste beroepsmogelijkheid vermeld in de bestreden beslissing. Verzoekster is immers – naar eigen zeggen – wel degelijk in staat gebleken om een “beroep tot nietigverklaring” in te dienen, alleen stuurde zij dit verkeerdelijk naar de afdeling Dierenwelzijn. XII-10.019-8/9 In de mate dat verzoekster aanvoert dat zij niet op de hoogte is van alle juridische formaliteiten die bij het aanvechten van de bestreden beslissing horen, faalt haar argumentatie evenzeer. Het weze herhaald dat de bestreden beslissing op exemplarische wijze de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State vermeldt en voor meer informatie doorverwijst naar de website van de Raad van State.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-10.019-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.683 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.