← België

Arrest 265704 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 10/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 Rolnummer: A. 241201/XII-9555 Zaak: Arrest 265704 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 10/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-12 Raadplegingen: 158 - laatst gezien 2026-06-18 06:30 Fiche Arrest nr 265.704 van 10 februari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 no lien 287668 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.704 van 10 februari 2026 in de zaak A. 241.201/XII-9555 In zake : de BV LIFE-CARE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Reniers kantoor houdend te 3600 Genk Jaarbeurslaan 19/31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: VZW DIENST 112 LOCHRISTI gevestigd te 9080 Lochristi Koning Albertlaan 21 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joyce Van Heetvelde kantoor houdend te 9000 Gent Citroenstraat 34 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van: “1. ‘het besluit van de gezondheidsinspecteurs namens de cluster West- en Oost- Vlaanderen dd. 9 mei 2023 waarbij onder meer: - Na analyse van de ontvangen dossiers volgende puntenweging wordt vastgesteld: Dienst Life Care krijgt 58,7 punten op een totaal van 90, wat 65.2% betekent, XII-9555-1/23 Dienst 112 Lochristi vzw krijgt 79 punten op een totaal van 90, wat 87,8% betekent. Hieruit volgt dat dienst 112 Lochristi VZW de hoogste puntenscore behaalt in de tweede ronde en aldus door de diensten van de GI West- en Oost-Vlaanderen voorgesteld wordt als de conventiehouder van het nieuwe middel in Gent Zuid. - Wordt aangegeven dat deze toewijzing positief werd geadviseerd door de bureauvergadering van de PCDGH Oost-Vlaanderen, in zitting samengekomen op donderdag 4 mei 2023. - Dit besluit gestuurd wordt naar de staf van FOD VVVL dienst dringende hulpverlening met de vraag dit te bekrachtigen en de conventie van start te laten gaan vanaf 1 september 2023’. 2. ‘De bekrachtiging dd. 23 november 2023 van de beslissing van toewijzing van de standplaats “aan een andere partij”’. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij het tussenarrest nr. 262.522 van 28 februari 2025 werd het debat heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee gelast de bevoegdheid van de stellers van de aangevochten beslissingen te onderzoeken in het kader van de door de verwerende en de tussenkomende partij opgeworpen excepties van laattijdigheid en gebrek aan belang. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inke Dedecker, die loco advocaat Geert Reiniers verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Daisy Daniels en advocaat Julien Jouve loco advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnen voor de verwerende partij XII-9555-2/23 en advocaat Mattias Van Schel, die loco advocaat Joyce Van Heetvelde verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 262.522 van 28 februari 2025. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van laattijdigheid wat de eerste bestreden beslissing betreft en exceptie van gebrek aan belang wat de tweede bestreden beslissing betreft Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het voorliggend beroep. Samengevat laat zij gelden dat: - de eerste bestreden beslissing van 9 mei 2023 een eenzijdige bestuurlijke rechtshandeling is die rechtsgevolgen doet ontstaan en dus aanvechtbaar was voor uw Raad; - gelet op het gegeven dat de beroepstermijn voor de Raad van State niet werd vermeld in de eerste bestreden beslissing, deze beslissing diende te worden aangevochten binnen een termijn van vier maanden en 60 dagen nadat deze beslissing ter kennis werd gebracht aan de verzoekende partij, zijnde ten laatste op 8 november 2023; XII-9555-3/23 - de eerste bestreden beslissing niet tijdig werd aangevochten en aldus definitief is, - aangezien de eerste bestreden beslissing definitief is, de verzoekende partij geen belang heeft bij het aanvechten van de tweede bestreden beslissing. Voornoemde argumentatie wordt als volgt toegelicht: “Het beroep dat bij uw Raad wordt ingeleid moet ontvankelijk zijn opdat uw Raad het op zijn inhoud zou beoordelen. De ontvankelijkheid van het verzoekschrift dat het beroep inleidt, raakt de openbare orde. De eenzijdige bestuurlijke rechtshandeling, die de rechtstoestand van de bestuurde wijzigt dan wel belet te worden gewijzigd, is aanvechtbaar voor uw Raad. Het moet dan over een rechtshandeling gaan die doelbewust wordt gesteld met het oog op het realiseren van bepaalde rechtsgevolgen of het vermijden van bepaalde rechtsgevolgen. In casu, worden er met de eerste bestreden beslissing inderdaad op definitieve wijze rechtsgevolgen gecreëerd voor de verzoekende partij. De beslissing is rechtstreeks en effectief griefhoudend voor de verzoekende partij gelet op de definitieve beoordeling van de kandidaturen van de verzoekende en tussenkomende partijen. De eerste bestreden beslissing diende niet meer te worden goedgekeurd, maar nog louter te worden bevestigd. De beoordeling ten aanzien van de verzoekende en tussenkomende partijen stond vast. De verzoekende partij kon de eerste bestreden beslissing wel degelijk aanvechten voor uw Raad. De beroepstermijn voor uw Raad, die eveneens de openbare orde raakt, bedraagt in beginsel 60 dagen en vangt aan nadat de bestreden beslissing werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, gaat de termijn in de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad. Krachtens artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de kennisgeving van een individuele rechtshandeling de beroepstermijn evenwel slechts lopen indien deze kennisgeving de beroepsmogelijkheid bij uw Raad vermeldt. Indien aan deze verplichting niet is voldaan, neemt de beroepstermijn van 60 dagen pas aanvang vier maanden nadat de beslissing ter kennis werd gebracht aan de verzoekende partij. Gelet op het gegeven dat de beroepstermijn voor uw Raad niet werd vermeld in de eerste bestreden beslissing, diende deze beslissing te worden aangevochten binnen een termijn van vier maanden en 60 dagen nadat deze beslissing ter kennis werd gebracht van de verzoekende partij. Aangezien de eerste bestreden beslissing ter kennis werd gebracht van de verzoekende partij op 9 mei 2023, diende uiterlijk op 8 november 2023 een beroep te worden ingediend tegen deze beslissing. De verzoekende partij had reeds meer dan acht maanden kennis van de eerste bestreden beslissing van 9 mei 2023 op het moment dat zij huidig beroep inleidde. Zij wachtte aldus tot nadat de betrokken conventie in werking trad om een beroep in te dienen tegen de toekenning van de conventie aan de tussenkomende partij, terwijl zij reeds maandenlang wist dat de conventie aan de tussenkomende partij werd toegekend. Het beroep is dan ook onontvankelijk ratione temporis voor zover het de eerste bestreden beslissing betreft. Een beroep kan bij uw Raad daarnaast maar worden ingesteld door een ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 XII-9555-4/23 belanghebbende die persoonlijk en rechtstreeks een nadeel moet ondergaan door de bestreden beslissing en de gevraagde vernietiging moet die gevolgen ongedaan kunnen maken. De vernietiging van de bestreden beslissing moet de verzoekende partij een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Het komt aan de verzoekende partij toe om haar belang aan te tonen. Aangezien de eerste bestreden beslissing definitief is, heeft de verzoekende partij geen belang bij het aanvechten van de tweede bestreden beslissing. Immers volgt het nadeel van de verzoekende partij, dat zij de conventie niet krijgt toegekend en inkomsten misloopt, volledig uit de eerste bestreden beslissing. De nagestreefde vernietiging van de tweede bestreden beslissing kan het nadeel van de verzoekende partij op geen enkele manier verhelpen gelet op de definitieve beoordeling van de kandidaturen van de verzoekende en tussenkomende partijen, en de beslissing tot toekenning van de conventie aan de tussenkomende partij. Het beroep is dan ook onontvankelijk bij gebrek aan belang voor zover het de tweede bestreden beslissing betreft.” In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij haar argumentatie zoals uiteengezet in de memorie van antwoord. 5. De tussenkomende partij betwist in haar verzoekschrift tot tussenkomst eveneens de ontvankelijkheid van het voorliggend beroep. Samenvattend laat zij gelden: “De eerste bestreden beslissing dd. 9 mei 2023 kwam tot een toewijzing van de extra conventie Gent Zuid t.a.v. verzoekster in tussenkomst te besluiten, waaruit aldus impliciet doch ondubbelzinnig volgt dat de kandidatuur van verzoekende partij niet werd gekozen. Dit betreft een griefhoudende beslissing van definitieve aard in hoofde van de verzoekende partij, welke door verzoekende partij tegen uiterlijk 8 november 2023 middels een annulatieverzoek diende te worden bestreden. Door dit niet te doen, heeft deze beslissing dd. 9 mei 2023 een definitief karakter bekomen, en kan de toewijzing van de extra conventie aan verzoekster in tussenkomst niet meer ongedaan worden gemaakt. De vordering tot nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing is onontvankelijk ratione temporis en ingevolge gebrek aan actueel belang. De tweede bestreden beslissing dd. 23 november 2023 houdende bekrachtiging van voornoemde beslissing doet aan het definitief karakter van de toewijzingsbeslissing dd. 09 mei 2023 geen afbreuk, zodat de gebeurlijke vernietiging ervan op zich niet tot een meer gunstige rechtspositie ten voordele van verzoekende partij kan komen te leiden. De vordering tot nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing is onontvankelijk ingevolge gebrek aan het rechtens vereiste belang.” XII-9555-5/23 Haar standpunt verder toelichtend benadrukt de tussenkomende partij, wat de eerste bestreden beslissing betreft, dat deze beslissing, daterende van 9 mei 2023 als opschrift ‘extra conventie Gent Zuid, eindbeslissing en toewijzing’ draagt, zodat uit deze eerste beslissing uitdrukkelijk naar voorkomt dat de tussenkomende partij als best gerangschikte kandidaat werd aanzien, en de extra conventie Gent Zuid, naar de eigen bewoordingen van deze beslissing middels deze eindbeslissing aan haar werd toegewezen. De eerste bestreden beslissing betreft volgens de tussenkomende partij een beslissing waaruit in hoofde van de verzoekende partij op ondubbelzinnige wijze naar voor kwam dat haar kandidatuur om de extra conventie Gent Zuid toegewezen te krijgen, niet werd gekozen en deze aan de tussenkomende partij toekwam. Het betreft bijgevolg een beslissing welke in hoofde van de verzoekende partij onmiddellijk als grievend voorkomt, gezien deze definitieve rechtsgevolgen voor de verzoekende partij kent. Volgens de tussenkomende partij diende de verzoekende partij, teneinde haar eventuele rechten op toewijzing van de betrokken conventie Gent Zuid vooralsnog te trachten te vrijwaren, een verzoek tot nietigverklaring met betrekking tot deze beslissing, al dan niet gecombineerd met een vordering tot schorsing (wegen uiterst dringende noodzakelijkheid) in te dienen. De tussenkomende partij laat verder gelden dat de eerste bestreden beslissing middels afzonderlijke e-mails aan zowel de verzoekende partij als aan tussenkomende partij ter kennis werd gebracht en dat zelfs wanneer deze kennisgeving van de bestreden beslissing ten overstaan van de verzoekende partij op onvolkomen wijze zou hebben plaatsgevonden, wegens het niet vermelden van de beroepsmogelijkheden, de wijze van uitoefening ervan en de na te leven termijn, dan nog kwam overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de annulatietermijn te verstrijken uiterlijk 4 maanden na de kennisgeving van de bestreden beslissing op 9 mei 2023, zijnde aldus 8 november 2023. Het beroep tot nietigverklaring tegen de eerste beslissing, zoals ingesteld met het voorliggend verzoekschrift van 12 februari 2024, is dan ook laattijdig en bijgevolg ratione temporis niet-ontvankelijk. De beslissing van 9 mei 2023 houdende ‘eindbeslissing en toewijzing’ van de extra conventie Gent-Zuid heeft bijgevolg volgens de tussenkomende partij, sedert 9 november 2023 een definitief karakter, en komt niet langer als aanvechtbaar in aanmerking, zodat de verzoekende partij geen actueel belang meer heeft bij de nietigverklaring ervan. XII-9555-6/23 Wat de tweede bestreden beslissing betreft benadrukt de tussenkomende partij dat het gegeven dat de eerste bestreden beslissing van 9 mei 2023 blijkt te zijn bekrachtigd door de tweede bestreden beslissing van 23 november 2023, aan voorgaande vaststelling geen afbreuk doet. De loutere bekrachtiging van de eindbeslissing en toewijzing van de extra conventie Gent Zuid doet volgens de tussenkomende partij geen afbreuk aan de definitieve uitsluiting van de verzoekende partij om deze betreffende conventie nog toegewezen te krijgen met de beslissing van 9 mei 2023, en kreeg in hoofde van de verzoekende partij een onomkeerbaar karakter. Door niet tijdig op te komen tegen de definitieve toewijzingsbeslissing van 9 mei 2023, heeft de verzoekende partij haar rechten op het aanvechten ervan definitief verbeurd, en kan de eventuele nietigverklaring van de bekrachtigingsbeslissing op zich, volgens de tussenkomende partij, niet tot een meer gunstige rechtspositie ten voordele van de verzoekende partij leiden. De toewijzing van de extra conventie Gent Zuid aan de tussenkomende partij middels de beslissing van 9 mei 2023 kan niet meer aan de verzoekende partij gebeuren, zelfs indien de bekrachtigingsbeslissing gebeurlijk zou worden vernietigd, zodat de verzoekende partij geen enkel voordeel uit de vernietiging van de tweede bestreden beslissing op zich kan halen, en het beroep tot nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing bijgevolg volgens de tussenkomende partij, niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan persoonlijk en rechtstreeks belang. In haar laatste memorie herhaalt de tussenkomende partij op parafraserende wijze haar standpunt zoals ingenomen in het verzoekschrift tot tussenkomst. 6. Anticiperend voert de verzoekende partij in het verzoekschrift onder het kopje ‘het verzoek is tijdig ingediend en derhalve ratione temporis ontvankelijk’ aan dat de tweede bestreden beslissing haar werd meegedeeld middels een e-mail van 14 december 2023. Deze “bekrachtiging” impliceert volgens de verzoekende partij dat de eerste bestreden beslissing rechtskracht heeft gekregen, zodat bij de beoordeling van de tijdigheid van het verzoek tot nietigverklaring dient uitgegaan te worden van de datum van 14 december 2023. Bovendien wordt volgens haar evenmin melding gemaakt van de eventuele ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 XII-9555-7/23 beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen, zodat de termijn voor het indienen van het beroep conform artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ nog niet is beginnen te lopen. Onder het kopje ‘verzoekende partij beschikt over het wettelijk vereiste belang’, laat zij nog gelden dat de beslissing tot toekenning van de conventie aan een andere partij dan haarzelf voor haar nadelig is. De verzoekende partij benadrukt dienaangaande dat zij daardoor geen inkomsten zal halen uit deze nieuwe conventie – extra conventie in regio Gent Zuid – en ook minder inkomsten zal halen uit haar lopende conventie vermits ritten die zij voorheen verzorgde, nu door de andere ziekenwagendienst verzorgd zullen worden. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij onder het kopje ‘het verzoek is tijdig ingediend en derhalve ratione temporis ontvankelijk’ daaraan toe dat de verwerende partij en de tussenkomende partij ten onrechte menen dat het beroep niet tijdig is ingediend vermits de eerste bestreden beslissing reeds op definitieve wijze rechtsgevolgen voor haar heeft gecreëerd en de eerste bestreden beslissing nog “louter [diende]te worden bevestigd”. De verzoekende partij laat dienaangaande het volgende gelden: “Dhr. T. D., federaal gezondheidsinspecteur die zelf ook de eerste bestreden beslissing heeft genomen, antwoordt op 30 mei 2024 op de expliciete vraag van de raadsman van verzoekende partij dd. 30 mei 2023 om te bevestigen ‘dat er nog geen eindbeslissing is genomen’ is: ‘Mogen wij u verzoeken om ons per kerende te bevestigen dat er nog geen eindbeslissing is genomen?’ ‘te denken’ dat zijn schrijven duidelijk was: (stuk 40) ‘Ons schrijven was dacht ik duidelijk. De vraag aan de hoofdzetel is gesteld om onze beslissing te bevestigen, waarbij dit dan de eindbeslissing is. Deze bekrachtiging is ons nog niet officieel toegestuurd door dhr. M.V.D.A., maar wij verwachten dit eerstdaags. In deze zaak worden wij bijgestaan door meester E. J. van kantoor X. Ik plaats hen in CC van dit bericht. Ik stel dan ook voor dat verdere communicatie van onze raadsman verloopt.’ Dhr. T. D., auteur van de eerste bestreden beslissing, bevestigt derhalve zélf dat de vraag aan de hoofdzetel gesteld is om de eerste bestreden beslissing te bevestigen ‘waarbij dit dan de eindbeslissing is.’ Op 30 juni 2023 bevestigt de raadsman van verwerende partij: (stuk 40) XII-9555-8/23 ‘Wat de punten 6 t.e.m. 8 betreft kan onze cliënte enkel vaststellen dat de opmerkingen van uw cliënte voorbarig zijn aangezien er nog geen definitieve beslissing genomen werd.’ En vervolgens een vijftal maanden later, op 23 november 2023, deelt dhr. T.D. mee: (stuk 2) ‘In bijlage vindt u de evaluatie van uw kandidatuur voor de nieuwe ambulance permanentie regio Gent-Zuid. Wij bekrachtigen de beslissing van toewijzing van de standplaats aan een andere partij.’ Indien een beslissing nog bekrachtigd dan wel bevestigd moet worden en er gesteld wordt dat er nog geen definitieve beslissing werd genomen, is ze nog niet effectief griefhoudend. Het is immers mogelijk dat ze vervolgens niet bekrachtigd/bevestigd wordt. Deze handelswijze waarbij een overheid als antwoord op de vraag van de bestuurde meedeelt te denken duidelijk te zijn en letterlijk stelt dat er nog geen definitieve beslissing werd genomen om vervolgens in de procedure te stellen dat het beroep niet tijdig is, is niet behoorlijk. Daarbij durft verwerende partij zelfs nog te stellen dat verzoekende partij ‘reeds maandenlang wist dat de conventie aan de tussenkomende partij werd toegekend’….” Onder het kopje ‘verzoekende partij beschikt over het wettelijk vereiste belang’ benadrukt de verzoekende partij dat in zoverre de verwerende partij meent het belang van de verzoekende partij bij de tweede bestreden beslissing te kunnen betwisten, aangezien de eerste bestreden beslissing definitief is vermits deze niet tijdig werd bestreden, zij voorafgaand heeft aangetoond dat het beroep tegen de eerste bestreden beslissing tijdig werd ingediend en zij derhalve wel degelijk beschikt over het wettelijk vereiste belang. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij nog gelden: “2. WAT BETREFT DE RECHTSMACHT VAN DE RAAD VAN STATE - ONTVANKELIJKHEID 2.1. Wat betreft de tweede bestreden beslissing 9. De eerste auditeur neemt in haar verslag het standpunt in dat de tweede bestreden beslissing niet als een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling kan worden gekwalificeerd. Zij kwalificeert de tweede bestreden beslissing als een loutere mededeling dat geen gevolg wordt gegeven aan de bezwaren van verzoekende partij. Zij concludeert hieruit dat het beroep onontvankelijk is voor zover het gericht is tegen deze tweede bestreden beslissing. 10. De redenering van de eerste auditeur kan niet bijgetreden worden. 11. In de eerste bestreden beslissing wordt het volgende bepaald: Artikel 4:Dit besluit wordt gestuurd naar de staf FOD VVVL dienst dringende hulpverlening met de vraag dit te bekrachtigen en de conventies van start te laten gaan vanaf 1 september 2023. XII-9555-9/23 Beide kandidaten worden in kennis gesteld van dit besluit. De eerste bestreden beslissing is ondertekend door dhr. T. D. en mevr. F. L., beiden federaal gezondheidsinspecteur van de cluster West- en Oost- Vlaanderen. In de eerste bestreden beslissing geven zij letterlijk aan het besluit te sturen naar de staf van FOD VVVL dienst dringende hulpverlening met de ‘vraag’ dit te ‘bekrachtigen’ en de conventie van start te laten gaan ‘vanaf 1 september 2023’. Een ‘vraag’ kan positief of negatief beantwoord worden. Deze ‘vraag’ tot bekrachtiging van dhr. T. D. en mevr. F. L., beiden federaal gezondheidsinspecteur van de cluster West- en Oost-Vlaanderen wordt positief beantwoord: de gevraagde ‘bekrachtiging’ van de eerste bestreden beslissing vindt effectief plaats, met name op 23 november 2023. […] In het Van Dale woordenboek wordt bekrachtigen gedefinieerd als: ‘officieel erkennen en daardoor volledige kracht geven’ 12. Dhr. T. D., medeauteur van de eerste bestreden beslissing, heeft op 30 mei 2023 overigens expliciet bevestigd dat de eerste bestreden beslissing niet de eindbeslissing was. […] De mede-auteur van de eerste bestreden beslissing bevestigt derhalve dat de eerste beslissing nog geen eindbeslissing is. De ‘eind’beslissing moet immers nog genomen worden door de hoofdzetel. Dhr. T.D., medeauteur van de eerste bestreden beslissing, blijkt zelfs geërgerd te zijn door de vraag van verzoekende partij om (per kerende) te bevestigen dat er nog geen eindbeslissing is genomen, daar waar hij stelt dat zijn schrijven ‘dacht ik’ duidelijk was. Op 30 juni 2023 laat de raadsman van verwerende partij weten dat er nog geen definitieve beslissing genomen werd. […] 13. Het standpunt van de eerste auditeur dat met de tweede bestreden beslissing ‘de eerste bestreden beslissing enkel en alleen onderschreven’ wordt ‘zonder meer’ kan dan ook niet bijgetreden worden: - Er wordt in de eerste bestreden beslissing gevraagd om te bekrachtigen en in de tweede bestreden beslissing wordt effectief bekrachtigd. Er wordt niet louter onderschreven. - De ‘bekrachtiging’ gebeurt door het diensthoofd van de dienst dringende hulpverlening, dhr. M.V.D.A.. - En bovendien: in de eerste bestreden beslissing wordt aangegeven de standplaats in te laten gaan vanaf 1 september 2023, terwijl de bekrachtiging pas gebeurd is op 23 november 2023. - De auteur van de eerste bestreden beslissing én de advocaat van verwerende partij bevestigen respectievelijk op 30 mei 2023 en 30 juni 2023 dat er nog geen eindbeslissing is genomen. 14. Tot slot kan het standpunt van de eerste auditeur dat de tweede bestreden beslissing moet worden gezien als een loutere – ‘impliciete’ - mededeling dat geen gevolg wordt gegeven aan de bezwaren van verzoekende partij niet worden bijgetreden. In de eerste bestreden beslissing wordt immers bepaald dat het besluit wordt gestuurd naar de staf van FOD VVVL dienst dringende hulpverlening met de vraag dit te bekrachtigen. XII-9555-10/23 Er wordt derhalve zonder meer gesteld dat er zal gevraagd worden om te bekrachtigen, zulks staat los van eventuele bezwaren. De tweede bestreden beslissing is derhalve geen beslissing nav een hiërarchisch of willig beroep, zoals de eerste auditeur in haar verslag stelt. Verwerende partij heeft in de tweede bestreden beslissing trouwens ook niet geantwoord op de bezwaren van verzoekende partij. 15. De tweede bestreden beslissing is derhalve een voor vernietiging vatbare beslissing. 2.2. Wat betreft de tijdigheid van het beroep tot nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing 16. De eerste auditeur neemt in haar verslag het standpunt in dat het beroep tot nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing ‘duidelijk laattijdig’ is ingediend. 17. De redenering van de eerste auditeur kan niet bijgetreden worden. 18. Vooreerst merkt verzoekende partij op dat de tweede bestreden beslissing wel degelijk een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling is. Het beroep is ingediend binnen de zestigdaagse termijn vanaf de mededeling van de tweede bestreden beslissing en is bijgevolg tijdig ingediend. 19. Ook in de hypothese dat Uw Raad van oordeel zou zijn dat de tweede bestreden beslissing geen voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling is, is het beroep tijdig ingesteld. Verzoekende partij werd immers op het verkeerde been gezet. Verzoekende partij geeft het mailverkeer met verwerende partij weer. Op 16 mei 2023 – d.i. een week nadat de eerste bestreden beslissing genomen is - vraagt de raadsman van verzoekende partij aan verwerende partij om alvast per kerende willen bevestigen dat er nog geen formele beslissing is genomen. […] Op 17 mei 2023 bevestigt dhr. T. D. de goede ontvangst van deze mail en geeft hij aan verder te overleggen met hun raadsman. […] Vanuit het kabinet wordt meegedeeld dat de mail goed werd ontvangen en geprobeerd zal worden om de vraag zo snel mogelijk te beantwoorden. Daarbij wordt gevraagd om er wel rekening mee te houden dat dit soms – afhankelijk van het onderwerp – even kan duren. […] Op 30 mei 2023 stuurt de raadsman van verzoekende partij een herinnering. […] Hierop deelt dhr. T. D. mee dat hij dacht dat zijn schrijven duidelijk was, dat de vraag aan de hoofdzetel is gesteld om hun beslissing te bevestigen, ‘waarbij dit dan de eindbeslissing is’. […] Hij geeft aan dat deze bekrachtiging hen nog niet officieel is toegestuurd door dhr M.V.D.A., maar dat zij dit eerstdaags verwachten. Hij stelt voor dat verdere communicatie via hun raadsman verloopt. De raadsman van verzoekende partij stuurt een herinnering aan de raadsman van verwerende partij. Op 30 juni 2023 laat de raadsman van verwerende partij weten dat de opmerkingen op de bezwaren bij de vraagstelling en de quotering van de tweede ronde voorbarig zijn aangezien nog geen definitieve beslissing genomen werd. […] XII-9555-11/23 Op 21 november 2023 vraagt de raadsman van verzoekende partij opnieuw of er al een beslissing is genomen. Op 14 december 2023 deelt dhr. M. C. dan het volgende mee aan verzoekende partij: […] Beste, Ik kom hierbij terug op de procedure voor gunning van een nieuwe permanentie in regio Gent Zuid, en de contacten die er de afgelopen maanden zijn geweest tussen uw raadsman en onze juridische vertegenwoordiger. U vindt in bijlage de documenten die door uw raadsman werden opgevraagd. Bij dit schrijven zijn gevoegd: Het besluit van de gezondheidsinspecteurs namens de cluster West- en Oost- Vlaanderen dd. 9 mei 2023, documenten genaamd ‘Besluit ronde 2’ en ‘Totale beoordeling rond 2 Gent ZUID dienst Lifecare’ De bekrachtiging dd. 23 november 2023 van de beslissing van toewijzing van de standplaats ‘aan een andere partij’, document genaamd ‘life care’ Zelfs indien Uw Raad van oordeel zou zijn dat de eerste bestreden beslissing de eindbeslissing was, kan niet uitgegaan worden van de datum van mededeling van de eerste bestreden beslissing, en al evenmin van de termijn van vier maanden nadat de eerste bestreden beslissing meegedeeld werd. Verzoekende partij heeft immers tot 2 maal toe en binnen de termijn van zestig dagen van het nemen vanaf de mededeling van de eerste bestreden beslissing gevraagd of er al een formele beslissing werd genomen en zowel de mede-auteur van de eerste bestreden beslissing als de advocaat van verwerende partij hebben bevestigd dat er nog geen eindbeslissing – definitieve beslissing genomen was. Verzoekende partij heeft zelfs expliciet moeten vragen naar een mededeling van de eindbeslissing – definitieve beslissing. Verzoekende partij heeft diligent gehandeld en werd in elk geval op het verkeerde been gezet wat betreft de kwalificatie van de tweede bestreden beslissing. Bij de beoordeling van de tijdigheid van het beroep moet derhalve uitgegaan worden van de datum van mededeling van de tweede bestreden beslissing, omdat de indruk werd gewekt dat zulks de finale eindbeslissing was. 20. Het beroep tegen de eerste bestreden beslissing is derhalve tijdig ingediend.” Beoordeling 7. In arrest nr. 262.522 van 28 februari 2025 werd het volgende overwogen: “5. De bevoegdheid ratione materiae van de steller van een bestuurshandeling raakt de openbare orde, zodat de Raad van State dit desgevallend ambtshalve vermag op te werpen. 6. Het voorwerp van het voorliggend beroep betreft de toewijzing van de extra conventie Gent-Zuid aan de tussenkomende partij. Door de verzoekende partij wordt zowel de beslissing van 9 mei 2023 van de federale gezondheidsinspecteurs T.D. en F.L. namens de cluster West- en Oost-Vlaanderen om de extra conventie Gent-Zuid toe te wijzen aan de tussenkomende partij, als de beslissing van het diensthoofd van de DDH van het Directoraat-generaal Gezondheidszorg van de FOD VVVL van 23 XII-9555-12/23 november 2023 tot ‘bekrachtiging’ van de beslissing van toewijzing van ‘de standplaats aan een andere partij’ aangevochten. In de door de verwerende partij, hierin bijgetreden door de tussenkomende partij, opgeworpen exceptie van laattijdigheid wordt aangegeven dat

  1. i)met de eerste bestreden beslissing, met name de beslissing van 9 mei 2023 van de federale gezondheidsinspecteurs, op definitieve wijze rechtsgevolgen werden gecreëerd voor de verzoekende partij;
  2. ii)de betreffende beslissing rechtstreeks en effectief griefhoudend is voor de verzoekende partij gelet op de definitieve beoordeling van de kandidaturen van de verzoekende en tussenkomende partijen; iii) de eerste bestreden beslissing niet meer diende te worden goedgekeurd, maar nog louter te worden bevestigd;
  3. iv)de eerste bestreden beslissing niet tijdig werd aangevochten en aldus definitief is en
  4. v)aangezien de eerste bestreden beslissing definitief is, de verzoekende partij geen belang heeft bij het aanvechten van de tweede bestreden beslissing. De verzoekende partij van haar kant laat in essentie gelden dat indien een beslissing nog bekrachtigd dan wel bevestigd moet worden en er gesteld wordt dat er nog geen definitieve beslissing werd genomen, deze beslissing (zijnde de beslissing van 9 mei 2023 van de federale gezondheidsinspecteurs) nog niet effectief griefhoudend is. Gelet op het voorgaande rijzen de volgende vragen: - in de hypothese dat de beslissing van 9 mei 2023 van de federale gezondheidsinspecteurs dient te worden gekwalificeerd als een definitieve beslissing, en bijgevolg, de beslissing van het diensthoofd van de DDH van het Directoraat-generaal Gezondheidszorg van de FOD VVVL van 23 november 2023 tot ‘bekrachtiging’ als een loutere bevestiging ervan: op grond van welke rechtsgrond en delegatiebesluit/-bepaling zijn de federale gezondheidsinspecteurs bevoegd en/of gemachtigd tot het nemen van de definitieve beslissing tot toewijzing van de extra conventie; - in de hypothese dat de beslissing van 9 mei 2023 van de federale gezondheidsinspecteurs dient te worden gekwalificeerd als een voorbereidende handeling: op grond van welke rechtsgrond en delegatiebesluit/-bepaling is het diensthoofd van de DDH van het Directoraat-generaal Gezondheidszorg van de FOD VVVL bevoegd en/of gemachtigd tot het nemen van de definitieve beslissing tot toewijzing van de extra conventie. De op de terechtzitting van 16 januari 2025 door de kamervoorzitter- verslaggever aan de verwerende partij geformuleerde vraagstelling over de bevoegdheid van de stellers van de aangevochten beslissingen is ook op de terechtzitting van 12 februari 2025 onbeantwoord gebleven. Deze vraag, die samenhangt met de beoordeling van de door de verwerende en tussenkomende partij opgeworpen exceptie van laattijdigheid, dient eerst te worden onderzocht. 7. De vraag naar de bevoegdheid van de stellers van de bestreden beslissingen werd niet onderzocht door het auditoraat. Aangezien dit een element betreft dat ertoe strekt de beslechting van het geschil te beïnvloeden en dit niet het voorwerp is geweest van een tegensprekelijk debat, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45). Conclusie 8. Uit wat voorafgaat volgt dat er aanleiding is tot het bevelen van een aanvullend onderzoek wat de bevoegdheid ratione materiae van de federale gezondheidsinspecteurs en het diensthoofd van de DDH van het Directoraat- generaal Gezondheidszorg van de FOD VVVL betreft tot het nemen van de XII-9555-13/23 bestreden beslissingen, alsook desgevallend wat het aanvechtbaar karakter ervan betreft.” 8. Uit het voorgaande arrest blijkt dat vooreerst een beoordeling over de vermeende rechtsgrond die aan de basis ligt van de bestreden beslissingen aan de orde is. Er dient met andere woorden te worden onderzocht op grond van welke rechtsregel de thans aangevochten beslissingen werden genomen. 9. Luidens de verwerende partij steunen de bestreden beslissingen onder meer op artikel 3bis, § 1, van de wet van 8 juli 1964, dat “de [m]inister van Volksgezondheid de bevoegdheid geeft tot erkenning van ambulancediensten”. Dit standpunt wordt niet bijgevallen. 10. Artikel 3bis, § 1, zoals ingevoegd bij artikel 117 van de wet van 14 januari 2002 ‘houdende maatregelen inzake gezondheidszorg’ en aangevuld bij artikel 79, 1°, van de Programmawet van 26 december 2022, luidt: “§ 1. Met ingang van een door de Koning te bepalen datum mag voor de toepassing van deze wet uitsluitend een beroep worden gedaan op ambulancediensten en PIT’s, erkend door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft. Onder PIT (paramedisch interventieteam) wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een ambulance waarvan de bemanning bestaat uit minstens één verpleegkundige met een bijzondere beroepstitel van verpleegkundige gespecialiseerd in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg. De Koning stelt de normen vast waaraan de in het eerste lid bedoelde diensten moeten voldoen om erkend te worden en te blijven in het kader van het programma bedoeld in § 2. De bedoelde normen worden vastgesteld op voordracht van de minister die Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, na overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken. De in het eerste lid bedoelde erkenning kan te allen tijde worden ingetrokken indien de ambulancedienst en PIT de bepalingen van deze wet of de in het tweede lid bedoelde normen, niet naleeft. De Koning kan nadere regelen vaststellen inzake de vaststelling van de procedure voor de erkenning en de intrekking van de erkenning.” Luidens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp ‘houdende maatregelen inzake gezondheidszorg’ strekt dit artikel ertoe om de ambulancediensten te onderwerpen aan erkenningsnormen, door de Koning vastgesteld. Er wordt benadrukt dat de diensten slechts kunnen worden erkend indien zij voldoen aan de erkenningsnormen en in het hieronder bedoeld ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 XII-9555-14/23 programma passen. Voorts wordt door de memorie van toelichting dienaangaande de volgende duiding gegeven: “De Koning stelt, bij in Ministerraad overlegd besluit, programmatiecriteria in met betrekking tot het aantal ambulancediensten; zowel de programmatiecriteria als de erkenningsnomen kunnen ook betrekking hebben op het aantal voertuigen waarvan deze diensten gebruik maken. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, in het kader van de erkenning, een rangregeling instellen en terzake de criteria inzake prioriteit bepalen voor het geval een groter aantal diensten aan de erkenningsnormen voldoen, dan voorzien in het programma. Mogelijke criteria zijn bij voorbeeld het feit dat de uitbater van de ambulancedienst tot een specifieke, te bepalen categorie behoort (bij voorbeeld een brandweerdienst of een ziekenhuis), dat de ambulancedienst wordt uitgebaat door een ziekenhuis, dat de vertrekplaats zich op de campus van een ziekenhuis bevindt of dat de ambulancedienst vóór de datum van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad voldoet aan het criterium ‘door de openbare overheid georganiseerde of geconcessioneerde ambulancedienst’ (art. 5 en 6bis van voornoemde wet). In deze context worden in volgende artikelen (de wijzigingen van de art. 5 en 6bis van voornoemde wet ), de bepalingen aangaande enerzijds de door de overheid georganiseerde en anderzijds de private, geconcessionneerde ambulancediensten, evenals de bepaling die voorziet in de mogelijkheid tot het afsluiten van overeenkomsten tussen de Staat en private personen, opgeheven. Aan de Minister wordt de bevoegdheid verleend om in uitvoering van hoger vermelde erkenningsnormen, de diensten te erkennen; de Minister kan ook de erkenning intrekken indien de bepalingen van de wet op de dringende geneeskundige hulpverlening, of de erkenningsnormen niet worden nageleefd. In dit kader kan de Minister ook een erkenning voor een beperkte periode verlenen om diensten om aan de erkenningsnormen te voldoen. Met ingang van een door de Koning te bepalen datum, vanaf welke geen beroep meer mag worden gedaan op een niet-erkende dienst, zullen ook de concessie-overeenkomsten met ambulancediensten en de overeenkomsten tussen de Staat en privépersonen, van rechtswege worden beëindigd. In aansluiting tot de opmerking in het advies van de Raad van State, met betrekking tot rechten die zijn toegekend, dient de aandacht te worden gevestigd op het feit dat ruime overgangstermijnen zullen gelden met betrekking tot de inwerkingtreding van deze wettelijke bepaling. Het uitvoeringsbesluit hiervan zal ten vroegste één jaar na de bekendmaking van deze wet in werking treden. Dit impliceert dat de ambulancediensten ook ruim de tijd zullen krijgen om zich aan te passen aan de in te stellen erkenningsnormen.” (Parl.St Kamer, 2000-2001, 50 -1322/001, 85 en 86) De Raad van State, afdeling Wetgeving heeft in zijn advies 31.521/1/3 van 22 en 31 mei 2001 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 14 januari 2002 dienaangaande opgemerkt: “Hoofdstuk 2 - Wijzigingen van de wet van 8 juli 1964 op de dringende geneeskundige hulpverlening ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 XII-9555-15/23 Artikel 171 Het ontworpen artikel 3bis van de wet van 8 juli 1964 voorziet in een stelsel van erkenningen van ambulancediensten, binnen het kader van een door de Koning vastgestelde programmatie. Zoals in de memorie van toelichting wordt uiteengezet, moet dit stelsel in de plaats komen van het stelsel van door de overheid georganiseerde of in concessie gegeven diensten. Op zich staat het de wetgever vrij om het ene stelsel door een ander stelsel te vervangen. Er dient echter rekening te worden gehouden met de rechten die thans aan privé-exploitanten van ambulancediensten zijn toegekend, met name bij de concessieovereenkomst die zij met de overheid gesloten hebben of bij de overeenkomst tot terbeschikkingstelling van één of meer ambulancewagens (zie het vigerende artikel 5, eerste en derde lid, van de wet van 8 juli 1964). Volgens het ontworpen artikel 3bis, § 5, worden de bedoelde overeenkomsten eenvoudig ‘van rechtswege opgeheven (lees : beëindigd)’. De Raad van State kan zich, bij gebrek aan inzicht in de bestaande contractuele verhoudingen, niet met kennis van zaken uitspreken over de verenigbaarheid van de ontworpen regeling met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. In dit verband moet hij zich dan ook beperken tot het maken van een voorbehoud terzake.” 11. Uitvoering aan artikel 3bis, § 1, van de wet van 8 juli 1964 wordt gegeven door het koninklijk besluit van 4 juli 2024 ‘tot vaststelling van de erkenningsnormen voor ambulancediensten actief binnen de dringende geneeskundige hulpverlening’ (hierna: koninklijk besluit van 4 juli 2024). Luidens artikel 89 van het koninklijk besluit van 4 juli 2024 treedt het besluit in werking op de eerste dag van de tweede maand na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en vormt die de datum bedoeld bij artikel 3bis, § 1, van de wet van 8 juli 1964. Artikel 3bis, § 1, van de wet van 8 juli 1964 treedt aldus in werking op 1 september 2024. Uit het voorgaande volgt dat de in artikel 3bis, § 1, eerste lid, van de wet van 8 juli 1964 bedoelde datum nog niet was ingegaan op het ogenblik van het nemen van de met voorliggend beroep tot nietigverklaring bestreden beslissingen (zijnde 9 mei 2023 en 23 november 2023). Bijgevolg kunnen, anders dan de verwerende partij stelt, de bestreden beslissingen geen rechtsgrond ontleden aan artikel 3bis, § 1, van de wet van 8 juli 1964, noch aan het koninklijk besluit van 4 juli 2024. 12. Maar er is meer. Luidens 3bis, §5, van de wet van 8 juli 1964, zoals ingevoegd bij artikel 117 van de wet van 14 januari 2002, worden met ingang ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 XII-9555-16/23 van de in § 1, eerste lid, bedoelde datum (zijnde 1 september 2024), alle overeenkomsten tot concessie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van deze wet, alsmede alle overeenkomsten tussen de Staat en privépersonen, bedoeld in artikel 5, derde lid, zoals dit artikel van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 januari 2002, van rechtswege opgeheven. In het onder randnummer 10 geciteerde advies 31.521/1/3 heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State aangegeven dat hij zich, wat het ontworpen artikel 3bis, § 5, betreft, waarmee de bedoelde overeenkomsten eenvoudig “van rechtswege” worden opgeheven, bij gebrek aan inzicht in de bestaande contractuele verhoudingen, niet met kennis van zaken kan uitspreken over de verenigbaarheid van de ontworpen regeling met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel en in dit verband hij zich dan ook moet beperken tot het maken van een voorbehoud terzake. 13. Door de Raad van State, afdeling Wetgeving, wordt in advies 76.024/2 van 31 mei 2024 over een ontwerp dat heeft geleid tot koninklijk besluit van 4 juli 2024 betreffende de inwerkingtreding van artikel 3bis, van de wet van 8 juli 1964 opgemerkt: “Artikelen 69 tot 77 1. Artikel 3bis van de wet van 8 juli 1964 bepaalt het volgende: ‘§ 1. Met ingang van een door de Koning te bepalen datum mag voor de toepassing van deze wet uitsluitend een beroep worden gedaan op ambulancediensten en PIT’s, erkend door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft. Onder PIT (paramedisch interventieteam) wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een ambulance waarvan de bemanning bestaat uit minstens één verpleegkundige met een bijzondere beroepstitel van verpleegkundige gespecialiseerd in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg. (...) § 5. Met ingang van de in § 1, eerste lid, bedoelde datum, worden alle overeenkomsten tot concessie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van deze wet, alsmede alle overeenkomsten tussen de Staat en privé-personen, bedoeld in artikel 5, derde lid, zoals dit artikel van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 januari 2002 van rechtswege opgeheven.’ De gemachtigde van de minister heeft dienaangaande de volgende uitleg gegeven: ‘Zoals u correct aanhaalt, dient elke dienst welke actief is binnen de Dringende Geneeskundige Hulpverlening, een overeenkomst aan te gaan met de Belgische Staat zoals beschreven in de Wet van 1964, artikel 3bis, § 5. XII-9555-17/23 Tot op heden vervulde de ‘Overeenkomst ambulancedienst – Dringende Geneeskundige Hulpverlening’ die rol, welke na de inwerkingtreding van dit Koninklijk Besluit, overgenomen zal worden door de erkenning. Elke dienst die een ontvankelijke en volledige aanvraag indient, zal namelijk onverwijld een erkenning krijgen zoals beschreven in artikel 71. De gecorrigeerde versie van artikel 73 bepaalt dat de ‘Overeenkomst ambulancedienst – Dringende Geneeskundige Hulpverlening’ zal worden beëindigd op de verjaardag van de inwerkingtreding van dit besluit, voor elke dienst die zelfs na het uitstel beschreven in artikel 72, geen enkele erkenningsaanvraag heeft ingediend. Deze diensten voldoen niet langer aan de vereisten van de Wet van 1964, artikel 3bis, § 5 en kunnen daarom niet langer functioneren binnen de Dringende Geneeskundige Hulpverlening’.’ Die elementen geven aanleiding tot verschillende opmerkingen. 2. Het ontwerp verzuimt de datum, bedoeld in artikel 3bis, § 1, van de wet van 8 juli 1964, concreet te vast te stellen. In dat verband wordt verwezen naar de opmerking over artikel 7 van het ontwerpbesluit waarover de afdeling Wetgeving vandaag advies 76.154/2 heeft gegeven. 3. Wat betreft de afstemming van de nieuwe erkenningsregeling op het aflopen van de regeling inzake overeenkomsten, dient te worden opgemerkt dat in het geval waarin het voornoemde artikel 3bis op hetzelfde ogenblik in werking zou treden als het ontwerpbesluit, de overgangsmaatregelen, ingevoerd bij hoofdstuk 6, als gevolg hebben dat diensten die een overeenkomst hebben gesloten hun activiteit zonder erkenning zouden kunnen voortzetten, zelfs al worden de overeenkomsten waarbij die activiteiten worden geregeld, opgeheven. Wat de diensten betreft die op de datum van de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit nog gebonden zijn door een overeenkomst, bepaalt artikel 69 immers dat zij in aanmerking komen voor een voorlopige erkenning voor een periode van twee jaar, maar dat ze dan binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van het besluit een erkenningsaanvraag moeten indienen. Zolang die aanvraag niet is ingediend, zou de dienst dus zonder overeenkomst of erkenning werken. Wat de diensten betreft die geen aanvraag hebben ingediend, heeft de herinneringsprocedure die bij de artikelen 72 en 73 wordt ingevoerd, tot gevolg dat de periode gedurende welke die diensten verder zonder overeenkomst of erkenning kunnen blijven functioneren, nogmaals wordt verlengd, namelijk tot de verjaardag van de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit. Indien de steller van het ontwerp, zoals het ernaar uitziet, van plan is de inwerkingtreding van artikel 3bis te laten samenvallen met de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit, dienen de overgangsmaatregelen te worden herzien zodat het niet meer mogelijk is dat een dienst blijft functioneren zonder overeenkomst of erkenning. Men zou, met andere woorden, voor de diensten die een overeenkomst hebben, moeten voorzien in een soort automatische erkenning voor een beperkte periode. Het is de afdeling Wetgeving evenwel niet duidelijk welke regels in dat geval voor die diensten van toepassing zouden zijn, aangezien de overeenkomsten worden opgeheven en men via een automatische erkenning niet kan bepalen welke voorwaarden dienen te worden nageleefd. Een andere oplossing kan erin bestaan een onderscheid te maken tussen de datum van inwerkingtreding van het ontwerpbesluit en de datum waarop de exclusieve erkenningsregeling waarin artikel 3bis voorziet, in werking treedt. Op die manier kunnen erkenningsprocedures in gang worden gezet op basis van het ontwerpbesluit, en kan men van de ene regeling naar de andere regeling overstappen, maar alleen wanneer de verschillende diensten een erkenning hebben verkregen. XII-9555-18/23 Die oplossing lijkt overigens nauwer aan te sluiten bij de bedoeling van de wetgever in 2002. (Zie de memorie van toelichting van het ontwerp dat aanleiding heeft gegeven tot de wet van 14 januari 2002 ‘houdende maatregelen inzake gezondheidszorg’ (Parl.St. Kamer 2000-01, nr. 50- 1322/001, 86). Door de Raad van State, afdeling Wetgeving, wordt in advies 76.154/2 van 31 mei 2024 over een ontwerp van koninklijk besluit ‘houdende wijziging van het [k]oninklijk [b]esluit van XXX tot vaststelling van de erkenningsnormen voor ambulancediensten actief binnen de dringende geneeskundige hulpverlening’ voorafgaandelijk opgemerkt: “VOORAFGAANDE OPMERKING Voor zover het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit een ontwerp wijzigt van een nog niet vastgesteld koninklijk besluit, vereist de rechtszekerheid dat het wordt herzien zodat het meteen wordt opgenomen in het ontwerp dat het beoogt te wijzigen, en dit ter wille van een betere leesbaarheid. In dat verband wordt verwezen naar de voorafgaande opmerking in advies 76.024/2, dat vandaag is gegeven over een ontwerp van koninklijk besluit ‘tot vaststelling van de erkenningsnormen voor ambulancediensten actief binnen de dringende geneeskundige hulpverlening’.” Wat betreft het uitvoering geven aan artikel 3bis, van de wet van 8 juli 1964, wordt in het voornoemde advies nog opgemerkt: “Artikel 7 Artikel 7 verwijst naar een artikel 79 dat niet voorkomt in het ontwerp van koninklijk besluit waarover de afdeling Wetgeving vandaag advies 76.024/2 heeft gegeven en dat bij het voorliggende ontwerp wordt gewijzigd. Het voorliggende artikel wil uitvoering geven aan artikel 3bis, § 1, eerste lid, van de wet van 8 juli 1964, door de precieze datum vast te stellen vanaf wanneer ambulancediensten en PIT’s een erkenning moeten hebben. De gemachtigde van de minister heeft daarover de volgende uitleg gegeven: ‘In een vorige versie van het Koninklijk besluit (dossier n° 76.024/2) was er nog een artikel 79 voorzien die de startdatum beschreef als de publicatiedatum van het KB. Dit artikel zou dan uitgebreid worden met de verwijzing naar artikel 3bis van de Wet van 1968. Dit kan u nog lezen in artikel 7 van huidig dossier, n° 76.154/2. Uiteindelijk hebben we ervoor gekozen om artikel 79 uit dossier n° 76.024/2 te schrappen en was voorzien om de startdatum met artikel 7 van dossier n° 76.154/2 in zijn volledigheid toe te voegen. Ik stel nu vast dat de eerste wijziging is gebeurd, artikel 79 uit dossier n° 76.024/2 werd geschrapt, maar artikel 7 in dossier n° 76.154/2 werd niet aangepast. Mag ik daarvoor voorstellen dat artikel 7 uit dossier n°76.154/2 gewijzigd wordt naar: XII-9555-19/23 ‘Art. 7. In hetzelfde besluit wordt er een artikel 79 toegevoegd: ‘Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, die de datum vormt zoals bedoeld bij artikel 3bis van de Wet’.’ Wat de onmiddellijke inwerkingtreding van het ontwerpbesluit betreft, moet er niettemin aan worden herinnerd dat, tenzij er een specifieke reden bestaat om af te wijken van de gebruikelijke termijn van inwerkingtreding van besluiten, te weten tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, dient te worden afgezien van de onmiddellijke inwerkingtreding zodat elkeen over een redelijke termijn beschikt om van de nieuwe regels kennis te nemen. Voorts wordt – en dat is nog fundamenteler – verwezen naar opmerking 3 die in het voornoemde advies 76.024/2 over de artikelen 69 tot 77 is gemaakt.” 14. De Raad van State benadrukt dat in de onder randnummer 3 van het voornoemde advies 76.024/2 van 31 mei 2024 gemaakte opmerking, in essentie wordt aangegeven dat indien de steller van het ontwerp van plan was de inwerkingtreding van artikel 3bis van de wet van 8 juli 1964 te laten samenvallen met de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit, de overgangsmaatregelen dienden te worden herzien zodat het niet meer mogelijk kon zijn dat een dienst zou blijven functioneren zonder overeenkomst of erkenning. Volgens het advies zou moeten worden voorzien, voor de diensten die een overeenkomst hadden, in een soort automatische erkenning voor een beperkte periode. Rekening houdende met deze opmerking werd in artikel 80 van het koninklijk besluit van 4 juli 2024 in een aangepaste overgangsregeling voorzien waarin wordt bepaald dat
  5. i)diensten die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een ‘Overeenkomst ambulancedienst - Dringende Geneeskundige Hulpverlening’ hebben gesloten met de Belgische Staat, een voorlopige erkenning genieten voor een periode van twee jaar;
  6. ii)om te genieten van een voorlopige erkenning deze diensten binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit een erkenningsaanvraag moeten indienen en iii) binnen deze termijn en tot de ontvangst van een volledige erkenningsaanvraag, de dienst de voorwaarden naleeft zoals vervat in de met de Belgische Staat gesloten ‘Overeenkomst ambulancedienst - Dringende Geneeskundige Hulpverlening’. De procedure tot erkenning werd verder uitgewerkt in de artikel 81 tot 88 van het voornoemde koninklijk besluit. XII-9555-20/23 15. Met het voorgaande stelt de Raad van State vast dat
  7. i)de ‘Overeenkomst ambulancedienst – Dringende Geneeskundige Hulpverlening’, na de inwerkingtreding van koninklijk besluit van 4 juli 2024 (zijnde 1 september 2024), wordt vervangen door een voorlopige erkenning;
  8. ii)luidens 3bis, § 5, van de wet van 8 juli 1964, op 1 september 2024 alle overeenkomsten tot concessie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van deze wet, alsmede alle overeenkomsten tussen de Staat en privépersonen, bedoeld in artikel 5, derde lid, zoals dit artikel van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 januari 2002 van rechtswege worden opgeheven; iii) luidens de overgangsregeling voorzien in artikel 80 koninklijk besluit van 4 juli 2024, diensten die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een ‘Overeenkomst ambulancedienst - Dringende Geneeskundige Hulpverlening’ hebben gesloten met de Belgische Staat, een voorlopige erkenning genieten voor een periode van twee jaar op voorwaarde dat deze diensten binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van het voornoemde koninklijk besluit een erkenningsaanvraag hebben ingediend en
  9. iv)tot de ontvangst van een volledige erkenningsaanvraag, de dienst de voorwaarden naleeft zoals vervat in de met de Belgische Staat gesloten overeenkomst. 16. Gelet op het van rechtswege opheffen op 1 september 2024 van de bestaande overeenkomsten en rekening houdende met de in artikel 80 koninklijk besluit van 4 juli 2024 voorziene overgangsmaatregel, rijst de vraag naar het actueel belang in hoofde van de verzoekende partij bij de thans aangevochten bestreden beslissingen, nu deze haar belang in het verzoekschrift, wat zij in essentie herhaalt in de memorie van wederantwoord, omschrijft als zijnde: “De beslissing tot toekenning van de conventie aan een andere partij dan verzoekende is nadelig voor verzoekende partij. Immers, niet alleen zal verzoekende partij daardoor geen inkomsten halen uit deze nieuwe conventie - extra conventie in regio Gent Zuid, verzoekende partij zal ook minder inkomsten halen uit haar lopende conventie vermits ritten die zij voorheen verzorgde, nu door de andere ziekenwagendienst verzorgd zullen worden.” De verzoekende partij beoogt met het voorliggende annulatieberoep met andere woorden als voordeel te bekomen dat de conventie die aan een andere partij (zijnde de tussenkomende partij) werd toegekend, na een ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 XII-9555-21/23 mogelijke vernietiging van de aangevochten beslissingen alsnog aan haar wordt toegekend. Bij de beantwoording van de vraag naar het actueel belang zal bijgevolg rekening dienen te worden gehouden met het van rechtswege opheffen op 1 september 2024 van de bestaande overeenkomsten en met het antwoord op de vraag of de tussenkomende partij overeenkomstig de in artikel 80 van het koninklijk besluit van 4 juli 2024 voorziene overgangsmaatregel om te genieten van een voorlopige erkenning voor een periode van twee jaar, binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van het voornoemde koninklijk besluit een erkenningsaanvraag heeft ingediend, dan wel of de verzoekende partij zelf op grond van het voornoemde koninklijk besluit van 4 juli 2024 een erkenningsaanvraag heeft ingediend en desgevallend heeft bekomen. Conclusie 17. Uit wat voorafgaat, volgt dat er aanleiding is tot het bevelen van een aanvullend onderzoek wat het actueel belang in hoofde van de verzoekende partij betreft. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. XII-9555-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9555-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.704 Gerelateerde publicatie(
  10. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.522 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.