id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 Rolnummer: A. 247190/XII-10026 Zaak: Arrest 265722 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 11/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-12 Raadplegingen: 160 - laatst gezien 2026-06-18 06:31 Fiche Arrest nr 265.722 van 11 februari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 no lien 287686 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.722 van 11 februari 2026 in de zaak A. 247.190/XII-10.026 In zake:
- de BV FULL EXPRESS
- M.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ben Stalmans en Zakaria Farid kantoor houdend te 3300 Tienen Sint-Gillisplein 31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 30 januari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 9 januari 2026 van de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg, waarbij het visum van de tweede verzoekende partij werd geschorst. XII-10.026-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 30 januari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari
- De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Zakaria Farid, die loco advocaat Ben Stalmans verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Effo Marteleur, die loco advocaat Tom Peeters verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De tweede verzoekende partij is tandarts en werd erkend zorgbeoefenaar met RIZIV nr.
- De tweede verzoekende partij was eerder in 2013 medeoprichter en stille vennoot van de Comm.V. MJ Esthetics, met KBO nr. 0542.819.126, volgens haar statuten een schoonheidssalon, gevestigd te Dilsen-Stokkem. Deze vennootschap heeft verschillende keren haar maatschappelijke zetel gewijzigd. In 2015 werd de tweede verzoekende partij zaakvoerder en werd het doel van de vennootschap uitgebreid naar een tandartsenpraktijk. Op 12 december 2024 werd ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 XII-10.026-2/16 de vennootschap failliet verklaard, met 19 september 2024 als datum van staking van betaling. In het kader van deze faillissementssituatie werd de zorgactiviteit nadien overgenomen binnen een nieuwe vennootschapsstructuur, zijnde de bv Full Express (de eerste verzoekende partij). 3.
- Op 22 april 2024 maakt de Vlaamse Vereniging van Tandartsen (hierna: VVT) melding van verscheidene krantenberichten omtrent de tweede verzoekende partij, betreffende verdenking van oplichting van het RIZIV omwille van fictieve prestaties. Daarop volgend dringt de VVT aan op een tijdelijke schorsing. In dezelfde periode worden er rechtstreekse klachten ten aanzien van de tweede verzoekende partij neergelegd. 3.
- Op 30 september 2025 wordt van de vaststellingen een proces- verbaal opgemaakt door arts-inspecteur D.K. ten behoeve van de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg met referentienummer CM-TZC/20250916-
- In de bijlagen 4 en 5 bij deze klacht bevindt zich informatie vanwege het RIZIV, met verscheidene klachten, fraude, doorverwijzing naar het arbeidsauditoraat, verzoeken tot terugbetaling en moeilijke bereikbaarheid. Op 21 mei 2024 spreekt de leidende ambtenaar de schorsingsmaatregel uit voor de periode van 28 mei 2024 tot 27 mei
- 3.
- Bij aangetekend schrijven van 7 oktober 2025 wordt de tweede verzoekende partij opgeroepen om te worden gehoord door de Federale Nederlandstalige multidisciplinaire kamer op 7 november
- Deze aangetekende brief wordt niet afgehaald en de zitting van 7 november 2025 vond plaats in afwezigheid van de tweede verzoekende partij. 3.
- Op 9 januari 2026 beslist de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg, Nederlandstalige multidisciplinaire kamer, het visum van gezondheidsbeoefenaar van de tweede verzoekende partij te schorsen op grond van de volgende overwegingen: XII-10.026-3/16 “Na erover beraadslaagd te hebben, en overwegende dat : - deze Kamer middels melding 12 04.2024, 03.04.2025 en 23.04 2025 op de hoogte werd gebracht van feiten die haar prima facie toelieten om te vrezen dat er: o sprake is van een psychische en/of fysieke ongeschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaar om zonder risico’s de uitoefening van zijn beroep voort te zetten (artikel 45, tweede lid, 1° van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg); o vermoedelijk sprake is van inbreuken op artikel 14 en 17 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (artikel 45, tweede lid, 2° van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg) (‘De gezondheidszorgbeoefenaar verzekert zich ervan dat de nodige omkadering aanwezig is die hem toelaat om gezondheidszorg op een kwalitatief hoogstaand niveau te verrichten en ‘De gezondheidszorgbeoefenaar mag een aan de gang zijnde behandeling van een patiënt met onderbreken zonder vooraf alle voorzieningen te hebben getroffen om de continuïteit van de zorg te garanderen.’); o sprake is van omstandigheden die bij verdere praktijkvoering voor zware gevolgen voor patiënten en/of de volksgezondheid doet vrezen (artikel 45, tweede lid, 5° van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg); - deze meldingen concreet betrekking hebben op: o een fraudedossier van het RIZIV, waarbij de gezondheidszorgbeoefenaar fictieve prestaties attesteerde, ten gevolge waarvan de betrokken patiënten achteraf niet meer in aanmerking kwamen voor tussenkomst van de ziekteverzekering in bepaalde op een later tijdstip noodzakelijke maar slechts éénmalig of beperkt terugbetaalbare behandelingen; o het in gedrang brengen van de continuïteit van zorg van de patiënten door zich telkens failliet te laten verklaren en elders een nieuwe praktijk te openen of door met de noorderzon te verdwijnen en patiënten aan hun lot over te laten; o het niet bezitten van een vergunning voor een RX-toestel en het niet laten uitvoeren van een technische controle van dit toestel waardoor niet de nodige omkadering werd gecre[ë]erd om gezondheidszorg op een kwalitatief hoogstaand niveau te verrichten; o het (professioneel) ontoereikend handelen van de gezondheidszorgbeoefenaar (bv. het plaatsen van slecht passende nieuwe gebitten); - de hiervoor aangehaalde beoordelingselementen inderdaad werden vastgesteld in het proces-verbaal van inspecteur [D.K.] van 30.09.2025; - de gezondheidszorgbeoefenaar rechtsgeldig werd opgeroepen voor de zitting van deze Kamer van 07.11.2025, doch de aangetekende zending, hoewel gericht aan het juiste adres (adres gekend in eCad) noch aan hem kon worden ter hand gesteld, noch door hem werd afgehaald op het Bpost- afhaalpunt, zodat ze door de postdiensten diende te worden teruggestuurd naar de afzender; - de gezondheidszorgbeoefenaar er aldus, minstens impliciet, zelf voor heeft gekozen om te verzaken aan zijn recht op verdediging en deze Kamer zich hic et nunc dan ook enkel kan baseren op de voor de gezondheidszorgbeoefenaar ongunstige vaststellingen zoals opgenomen m XII-10.026-4/16 het proces-verbaal van inspecteur [D.K.] van 30.09.2025 en de stukken waarnaar hierin wordt verwezen; - deze Kamer, op basis van de voornoemde éénduidige elementen, dan ook enkel kan vaststellen dat er sprake is van een inbreuk op artikelen 14 en 17 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg; - deze Kamer verder meent dat er te dezen eveneens sprake is van omstandigheden die bij een verdere praktijkvoering door de gezondheidszorgbeoefenaar doen vrezen voor zware gevolgen voor patiënten en de volksgezondheid (art. 45, tweede lid, 5° van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg); - het begrip ‘zware gevolgen voor de Volksgezondheid’ noch in de wet zelf, noch in de parlementaire voorbereidingen wordt gedefinieerd en het dus aan deze Kamer toekomt om, met het oog op de toepassing van het hiervoor aangehaalde artikel 45, tweede lid, 5° van de Kwaliteitswet, aan dit begrip een concrete inhoud te geven; - deze Kamer in dit kader van oordeel is dat grootschalige fraude door een gezondheidszorgbeoefenaar ten aanzien van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, ten gevolge waarvan financiële middelen aan het beperkte budget worden onttrokken met het oog op het loutere financiële gewin van deze gezondheidszorgverstrekker, het financieel evenwicht van deze tak van de sociale zekerheid ernstig ontwricht, met ontegensprekelijk zware gevolgen voor de financiering van de gezondheidszorg en dus ook voor de Volksgezondheid als dusdanig; - deze Kamer bovendien van oordeel is dat er in hoofde van de gezondheidszorgbeoefenaar sprake is van een psychische ongeschiktheid om zonder risico’s de uitoefening van zijn beroep als tandarts voort te zetten; - deze Kamer inderdaad een algeheel gebrek aan professionele integriteit, moreel normbesef en oordeelvermogen in hoofde van de gezondheidszorgbeoefenaar vaststelt; nochtans persoonskenmerken waarover de betrokkene ook in het kader van zijn beroepsuitoefening noodzakelijkerwijze dient te beschikken; - de aanstelling van een college van deskundigen als bedoeld in artikel 9, §2 van het Koninklijk besluit van 4 december 2022 tot vaststelling van de werking van de Toezichtcommissie bedoeld in de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, die inderdaad facultatief is (het besluit stelt inderdaad ‘kan de kamer’ en niet ‘moet de kamer), is te dezen dan ook overbodig; - op basis van het geheel van de voormelde vaststellingen een schorsing van het visum van de gezondheidszorgbeoefenaar zich dan ook opdringt. Toepassing makend van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, inzonderheid de artikelen 14, 44, 45, 46, 56 en 58, §2 daarvan en het Koninklijk besluit van 4 december 2022 tot vaststelling van de werking van de Toezichtcommissie als bedoeld in de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, inzonderheid het eerste hoofdstuk daarvan. Met éénparigheid van stemmen; beslist deze kamer bij verstek: - het visum van de gezondheidszorgbeoefenaar te schorsen; - haar Secretaris op te dragen om deze beslissing bij aangetekend schrijven ter kennis te brengen van de gezondheidszorgbeoefenaar.” XII-10.026-5/16 Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen laten ter verantwoording van de hoogdringendheid gelden: “De schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan slechts worden besloten wanneer minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring prima facie kan verantwoorden en wanneer een uiterst dringende noodzakelijkheid ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 XII-10.026-6/16 voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. A. Onmiddellijke aantasting van de continuïteit van zorg en patiëntveiligheid Op het ogenblik van de schorsing van het visum van [de tweede verzoekende partij]liepen binnen de tandartspraktijk van verzoekster-werkgeefster meerdere tandheelkundige behandelingen die zich in een onafgewerkt stadium bevonden. Het betreft behandelingen die per definitie gefaseerd verlopen en die niet zonder medische en functionele risico’s abrupt kunnen worden onderbroken. Verzoekende partijen beschikken over een overzicht van concrete patiënten, geïdentificeerd aan de hand van initialen met eerbiediging van het medisch beroepsgeheim, bij wie binnen de relevante periode dringende of tijdsgebonden behandelingen noodzakelijk zijn. […] Voor meerdere van deze patiënten gaat het om situaties waarin zij tijdelijk of volledig zonder functioneel gebit zijn, dan wel waarin uitstel leidt tot pijnklachten, functionele beperkingen of medische complicaties. Het staat vast dat andere tandartspraktijken in de regio deze patiënten niet op korte termijn kunnen overnemen, aangezien zij met volle wachtlijsten werken en in de regel geen onafgewerkte behandelingen van derden aanvaarden. Voor de betrokken patiënten bestaat derhalve geen reëel en onmiddellijk alternatief. De schade die hieruit voortvloeit is actueel, concreet en medisch van aard. Zij voltrekt zich dagelijks en kan niet achteraf worden hersteld door een latere beslissing ten gronde. De schorsing veroorzaakt aldus zelf een ernstig en onmiddellijk risico voor de continuïteit van zorg en de patiëntveiligheid. B. Onmiddellijke economische ontwrichting van verzoekster-werkgever en de gevolgen voor werknemers Naast de impact op de patiënten veroorzaakt de bestreden beslissing een onmiddellijke en ernstige economische ontwrichting van verzoekster- werkgeefster bv Full Express. Uit de boekhoudkundige stukken blijkt dat de vennootschap haar inkomsten uitsluitend genereert uit tandheelkundige praktijkvoering. Sinds de schorsing van het visum van [de tweede verzoekende partij] is deze activiteit volledig stilgevallen, waardoor de omzet integraal tot nul is herleid […]. Daartegenover staan vaste en recurrente maandelijkse operationele lasten die onverminderd blijven doorlopen. Het betreft onder meer de huur van het praktijkpand ten belope van 2.050 euro per maand, de loon- en sociale lasten verbonden aan meerdere arbeidsovereenkomsten, alsook overige exploitatiekosten. Het totaal van deze vaste lasten bedraagt 13.919 euro per maand. De beschikbare liquide middelen van de vennootschap beliepen per 29 januari 2026 slechts 6.545 euro […], terwijl de betaling van de lonen van de werknemers en de huur van het praktijkpand op dat ogenblik nog dienden te gebeuren. Deze middelen volstaan derhalve niet om zelfs één volledige maand van vaste lasten te dekken. Deze vaststellingen worden bevestigd en gekwantificeerd in de door de externe cijferberoeper en fiscaal accountant van verzoekster opgestelde liquiditeitsprognose per 29 januari 2026 en uitgaande van het realistische scenario waarin de operationele inkomsten sinds de schorsing volledig tot nul zijn herleid. […] Uit deze prognose blijkt dat reeds binnen de eerste maand een acuut liquiditeitstekort van 24.559 euro ontstaat in negatieve zin, wat aantoont dat XII-10.026-7/16 de vennootschap niet in staat is om zelfs op uiterst korte termijn aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Het liquiditeitstekort is bovendien niet tijdelijk of conjunctureel, maar structureel en progressief van aard. Het cumulatief beschikbaar saldo verslechtert onafwendbaar tot min 80.234 euro tegen juni 2026 en tot min 149.827 euro tegen november 2026, zonder enig perspectief op herstel zolang de praktijkvoering volledig stilligt. […] De cijferberoeper stelt daarbij uitdrukkelijk vast dat de beschikbare liquide middelen ontoereikend zijn om de operationele lasten van één volledige maand te dekken en dat, gelet op het cumulatief negatieve saldo, de going- concern-assumptie louter theoretisch is. In de praktijk zal de continuïteit van de onderneming naar alle waarschijnlijkheid worden doorbroken door invorderingsmaatregelen van schuldeisers, waaronder de verhuurder en de RSZ. Deze situatie treft niet alleen de vennootschap zelf, maar ook de werknemers die op basis van arbeidsovereenkomsten tewerkgesteld zijn en die door het stilvallen van de kernactiviteit onmiddellijk en rechtstreeks worden getroffen. Het risico op structureel jobverlies is reëel en imminent. In deze omstandigheden kan een behandeling in het kader van een gewone schorsingsprocedure niet worden afgewacht. De schorsing van de kernactiviteit veroorzaakt een onmiddellijke en onomkeerbare toestand van betalingsonmacht, met een reëel en imminent risico op insolventie en faillissement. […] Dergelijke gevolgen zijn onherstelbaar en kunnen niet worden verholpen door een latere nietigverklaring, zodat het uiterst dringende karakter van de gevorderde schorsing afdoende is aangetoond. C. Onverenigbaarheid met de gewone schorsingsprocedure Een uitspraak in het kader van een gewone schorsingsprocedure zou slechts volgen na verloop van meerdere weken. Die termijn kan in het huidige dossier niet worden afgewacht. De schade aan patiënten, werknemers en de onderneming voltrekt zich reeds en neemt dagelijks toe. Tegen de tijd dat een uitspraak zou volgen in een gewone schorsingsprocedure, dreigt de praktijk feitelijk en economisch niet langer levensvatbaar te zijn, waardoor het beroep ten gronde zijn nuttig effect zou verliezen. De gevraagde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is noodzakelijk om te vermijden dat de schade zich onherroepelijk voltrekt vóór enige rechterlijke toetsing kan plaatsvinden.” Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 XII-10.026-8/16 de Raad van State, nr. 249.313 van 22 december 2020, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Daarbij is overeenkomstig artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist dat “in het opschrift van de vordering vermeld is dat de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, behandeld dient te worden”. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij, zoals wordt aangegeven in de parlementaire voorbereiding, waarin wordt gesteld dat “[d]e procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid […] bovendien uitzonderlijk [moet] blijven en […] hoe dan ook alleen [mag] worden aangewend voor zaken waarin een verzoeker de noodzaak aantoont dat binnen een termijn van maximaal vijftien dagen moet worden opgetreden” (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11-12), aan de hand van precieze, concrete en verifieerbare gegevens dient aan te tonen dat indien de zaak binnen een termijn van meer dan vijftien dagen zou worden behandeld, de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Alleen de elementen die zij in haar verzoekschrift aanvoert, kunnen in aanmerking worden genomen. XII-10.026-9/16 Het is aan de verzoekende partij om in haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid de specifieke en concrete redenen te vermelden waarom de gewone vordering tot schorsing voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet geschikt is om het door haar aangevoerde nadeel tijdig op te vangen of haar belangen tijdig veilig te stellen, rekening houdend met de in die bepaling vermelde behandelingstermijnen, en met de mogelijkheid voor de kamer die de zaak behandelt om een datum voor de zitting te bepalen afhankelijk van de mate van urgentie die in het verzoek wordt aangevoerd. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 XII-10.026-10/16 het resultaat van de gewone schorsingsprocedure zoals voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Voorts dient, wie aanvoert redenen te hebben die een zodanige urgentie verantwoorden dat niet alleen niet de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring kan worden afgewacht, maar zelfs niet een schorsing die volgens de gewone procedure zou worden bevolen, zich daar ook naar te gedragen. Dit wordt beoordeeld in het licht van de diligentie die de verzoekende partij bij het instellen van haar vordering, al dan niet, aan de dag heeft gelegd. Diligent optreden is derhalve vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. Een verzoekende partij die zonder afdoende reden talmt met het instellen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geeft er blijk van die uiterst dringende noodzakelijkheid zelf niet ernstig te nemen. Het is vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat een verzoekende partij met passende voortvarendheid moet optreden. Dit ogenblik moet niet – maar kan nog wel – samenvallen met het ogenblik dat de verzoekende partij kennis krijgt van de bestreden rechtshandeling. Het valt evenwel aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de (nieuwe of veranderde) feiten en omstandigheden die tot gevolg hebben dat de zaak niet (langer) verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. Dit laatste is van belang omdat deze feiten en omstandigheden het uitgangspunt vormen om de diligentie van de verzoekende partij te beoordelen.
- De bestreden beslissing dateert van 9 januari
- De verzoekende partijen hebben de voorliggende vordering op 30 januari 2026 ingesteld. XII-10.026-11/16 Betreffende het tijdsverloop, tussen het nemen van de thans bestreden beslissing en het indienen van de voorliggende vordering, laten de verzoekende partijen gelden: “De bestreden beslissing werd genomen op 9 januari 2026 en werd op een niet nader gepreciseerde datum verzonden aan [de tweede verzoekende partij]. Verzoekende partijen hebben evenwel pas daadwerkelijk kennis gekregen van het bestaan en de draagwijdte van deze beslissing op 22 januari 2026, naar aanleiding van een bericht van het Contact Center eHealth van die datum, waarin voor het eerst uitdrukkelijk werd meegedeeld dat het visum van [de tweede verzoekende partij] sinds 16 januari 2026 niet langer actief was. […] Deze kennisname was niet het gevolg van een voorafgaande, gerichte kennisgeving door de verwerende overheid, maar vloeide voort uit een door de tandartspraktijk vastgestelde technische onmogelijkheid om elektronische voorschriften op te maken, hetgeen aanleiding gaf tot een contactname met eHealth op 20 januari
- […] Tot 22 januari 2026 bestond er voor verzoekende partijen geen enkele aanwijzing dat het visum effectief werd gedeactiveerd, totdat de eHealth- omgeving het opmaken van voorschriften onmogelijk maakte. Ook de eerste verzoekende partij, bv Full Express, in haar hoedanigheid van werkgever en uitbater van de tandartspraktijk, heeft pas op 22 januari 2026 kennis gekregen van de bestreden beslissing, via dezelfde objectief verifieerbare weg. Na deze vaststelling hebben verzoekende partijen onverwijld en met de vereiste diligentie gehandeld door onmiddellijk het administratief dossier op te vragen. Verzoekers hebben hiervan pas op maandag 26 januari 2026 daadwerkelijk kennis kunnen nemen, met inbegrip van het proces-verbaal van vaststellingen en de overige stukken die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen. De termijn voor het instellen van de onderhavige vordering is derhalve beginnen lopen op 23 januari
- Het onderhavige verzoekschrift werd neergelegd op 28 januari 2026, zijnde zes kalenderdagen na de effectieve kennisname van de bestreden beslissing en ruimschoots binnen de termijn van vijftien dagen die in het kader van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid door de rechtspraak van de Raad van State wordt gehanteerd.” Dit betoog kan niet worden bijgevallen. De Raad van State stelt vast, uit de door de verwerende partij bijgebrachte stukken, dat de tweede verzoekende partij (adressant zijnde van de thans bestreden beslissing) bij aangetekend schrijven van 12 januari 2026 (barcode: 010541288500452621 220 367 851 134 (stuk 9.2)) het volgende werd medegedeeld: “BETREFT: Beslissing Nederlandstalige Kamer Federale ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 XII-10.026-12/16 Toezichtcommissie 09/01/
- In opdracht van de Nederlandstalige Multidisciplinaire Kamer van de Federale Toezichtcommissie breng ik U middels huidig schrijven de op 09/01/2026 door deze Kamer getroffen beslissing ter kennis. Deze beslissing heeft uitwerking met ingang van 16/01/20261.” (stuk 9.3) en dat uit het “Track and trace”-overzicht van Bpost (stuk 9.4) blijkt i) “Zending aangeboden zonder succes. Ontvanger is ingelicht [-] dinsdag 13-01-2026/ 10:13”; ii) “Zending beschikbaar in het Afhaalpunt [-] woensdag 14-01-2026/ 09:21” en iii) “Afgehaald in PostPunt [-] Afgehaald op donderdag 22 januari 17:36”. Door de verzoekende partijen, en inzonderheid door de tweede verzoekende partij, wordt op generlei wijze een verklaring gegeven waarom de aangetekende zending pas op 22 januari 2026 werd afgehaald, nu niet blijkt, noch wordt betwist dat zij als ontvanger niet op 13 januari 2026 van deze zending zou zijn ingelicht. Haar betoog dat de kennisname van de draagwijdte van de bestreden beslissing op 22 januari 2026 niet het gevolg was van een voorafgaande, gerichte kennisgeving door de verwerende overheid, maar voortvloeide uit een door de tandartspraktijk vastgestelde technische onmogelijkheid om elektronische voorschriften op te maken, hetgeen aanleiding gaf tot een contactname met eHealth op 20 januari 2026, raakt, gelet op de voorgaande vaststellingen, kant noch wal, noch doet het enigszins afbreuk aan het gegeven dat het door de verzoekende partijen aangegeven ogenblik van de kennisname van de bestreden beslissing op 22 januari 2026 enkel en alleen te wijten is aan het verzuim van de tweede verzoekende partij zelf om de aangetekende zending af te halen. Dienaangaande ziet de Raad van State een zeker doch onbetwistbaar stramien in de houding van de tweede verzoekende partij nu uit het voorgaande feitenrelaas onder randnummer 3.4 blijkt dat het aangetekende schrijven van 7 oktober 2025, waarbij de tweede verzoekende partij werd opgeroepen om te worden gehoord door de Federale Nederlandstalige multidisciplinaire kamer op 7 november 2025, niet werd afgehaald en de zitting van 7 november 2025 plaatsvond in afwezigheid van de tweede verzoekende partij. Evenmin geven de verzoekende partijen enige verklaring waarom er tussen de vermeende kennisname van de bestreden beslissing op 22 januari 2026 nog werd gewacht tot 30 januari 2026 om de voorliggende vordering in te dienen, temeer nu de schorsing van het visum van de tweede ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 XII-10.026-13/16 verzoekende partij reeds was ingegaan op 16 januari
- Hun betoog dat zij hun vordering ruimschoots binnen de termijn van vijftien dagen na kennisname hebben ingediend, doet evenmin afbreuk aan voorgaande vaststelling, nu artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State betrekking heeft op de termijn van behandeling van vijftien dagen of minder van de ingediende vordering door de Raad van State en geen termijn betreft waarbinnen een verzoekende partij een vordering van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient in te dienen. Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de houding van de verzoekende partijen, de negatie inhoudt van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Hun aangevoerde argumentatie, die wordt tegengesproken door verifieerbare gegevens kan hun dralen niet goedmaken, noch is het een verschoningsgrond voor het gebrek aan diligent handelen, temeer daar de beslissing het resultaat is van een door de tweede verzoekende partij welgekende procedure. Het doet immers niets af aan de hiervoor gestelde eis dat, indien volgens de verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing volgens de gewone procedure te laat zal komen omdat het nadeel door het verloop van de tijd onherstelbaar zal zijn geworden, zij het nodige moeten doen om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. De uitermate hoge graad van urgentie die thans door de verzoekende partijen aan de zaak wordt toegeschreven, valt niet te verzoenen met het manifest gebrek aan diligentie in hun hoofde. Het thans door de verzoekende partijen aangevoerde betoog ter verantwoording van de vermeende hoogdringendheid, doet niet anders besluiten.
- In ondergeschikte orde benadrukt de Raad van State enkel nog volledigheidshalve dat, in zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de continuïteit van zorg en de patiëntenveiligheid in het gedrang komen, deze vermeende nadelen, derden betreffen en geen persoonlijk nadeel uitmaken. In zoverre zij argumenteren dat alle inkomsten van de eerste verzoekende partij zijn weggevallen sedert de bestreden beslissing, terwijl de kosten blijven bestaan, dit betoog evenmin kan worden bijgevallen nu, enerzijds de eerste verzoekende partij niet de adressant is van de thans bestreden beslissing, vermits het visum aan de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 XII-10.026-14/16 gezondheidszorgbeoefenaar wordt toegekend en niet aan een vennootschap waarin die gezondheidszorgbeoefenaar zijn beroep uitoefent (ongeacht of dat als werkend vennoot of als werknemer is) en bijgevolg het visum enkel ten aanzien van de gezondheidszorgbeoefenaar zelf kan worden ingetrokken of geschorst, zodat de thans bestreden beslissing geen uitwerking heeft ten aanzien van de eerste verzoekende partij, en anderzijds de ter staving van een vermeend economisch financieel nadeel bijgevoegde stukken, niet verder gaan dan een voorgelegde accountantsverklaring, opgemaakt op basis van eenzijdige verklaringen van de verzoekende partijen zelf, waaruit niet met zekerheid kan worden afgeleid dat de eerste verzoekende partij uitsluitend een tandartsenpraktijk zou hebben, noch kan worden vastgesteld of de eerste verzoekende partij ook beroep doet op andere tandartsen dan de tweede verzoekende partij, zodat de verzoekende partijen evenmin doen blijken dat zij zich thans in een toestand zouden bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing indien het resultaat van de gewone schorsingsprocedure zou moeten worden afgewacht.
- Uit het voorgaande volgt dat de verzoekende partijen niet met de vereiste diligentie zijn opgetreden, noch aantonen dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een gewone schorsingsprocedure. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering is niet aangetoond. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. XII-10.026-15/16
- De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-10.026-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div