← België

Arrest 265725 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.725 Rolnummer: A. 241182/VII-42388 Zaak: Arrest 265725 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-16 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-06-18 06:31 Fiche Arrest nr 265.725 van 12 februari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.725 van 12 februari 2026 in de zaak A. 241.182/VII-42.388 In zake : de VZW MOTO-CLUB LILLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Van Cauwenbergh kantoor houdend te 9230 Wetteren Wegvoeringstraat 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. G.I. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Fien De Corte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de VZW NATUURPUNT BEHEER 3. G.K. -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 9 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0345 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 11 januari 2024 in de zaak 2223-RvVb-0468-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 7 maart 2024. VII-42.388-1/10 De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 29 mei 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Konstantijn Roelandt, die loco advocaat Bruno Van Cauwenbergh verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Vanessa McClelland, die loco advocaten Peter De Smedt en Fien De Corte verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-42.388-2/10 III. Regelmatigheid van de rechtspleging 3. In haar verzoek tot voortzetting van de procedure antwoordt de verzoekende partij op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het “verzoek tot voortzetting van de procedure” van de verzoekende partij wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.1. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen verleent aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd voor het stellen van stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van ingedeelde activiteiten en inrichtingen, in het kader van de uitbating van een motorcrossterrein te Lille. Onder meer de verwerende partijen stellen hiertegen bestuurlijk beroep in. 4.2. Met een beslissing van 15 december 2022 verklaart de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, het bestuurlijk beroep deels gegrond, en verleent de omgevingsvergunning voor een termijn van zeven jaar. 4.3. De verwerende partijen stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot vernietiging van de beslissing van 15 december 2022. VII-42.388-3/10 4.4. Met het bestreden arrest vernietigt de RvVb de beslissing van 15 december 2022, stelt hij zijn arrest in de plaats van de nieuw te nemen beslissing, en weigert de omgevingsvergunning. V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 64, 72 en 73, § 1, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), van artikel 37, § 2, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), en van artikel 33 van de Grondwet houdende het beginsel van de scheiding der machten. 6. Zij komt op tegen de beslissing van de RvVb om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing en de omgevingsvergunning te weigeren. Het bestreden arrest steunt hiervoor op volgende motieven: “1. Op basis van artikel 37, § 2 [DBRC] beschikt de [RvVb] in functie van een efficiënte geschillenbeslechting en mits het respecteren van de scheiding der machten over een beperkte substitutiebevoegdheid. Het kan zijn arrest in de plaats stellen van de bestreden beslissing, en desgevallend zelf de gevraagde omgevingsvergunning weigeren, in zoverre de verwerende partij als vergunningverlenende overheid beschikt over een gebonden bevoegdheid. 2. Uit de beoordeling van het tweede middel blijkt dat artikel 5.32.10.1, § 3 van VLAREM II wegens strijdigheid met het standstill-beginsel buiten toepassing moet worden gelaten. Dit leidt ertoe dat de inrichtingen bedoeld onder subrubriek 32.9 van de indelingslijst steeds moeten voldoen aan de geluidsnormen die zijn opgenomen in hoofdstuk 4.5 van VLAREM II. De [minister] stelt in de bestreden beslissing vast dat de aanvraag hieraan niet voldoet. VII-42.388-4/10 Bij een heroverweging zal de [minister] de uitzonderingsbepaling van artikel 5.32.10.1, § 3 van VLAREM II niet meer kunnen toepassen en de vergunning moeten weigeren wegens de niet-naleving van de geluidsnormen opgenomen in hoofdstuk 4.5 van VLAREM II. Deze onoverkomelijke legaliteitbelemmering kan niet worden hersteld door de [minister] in graad van bestuurlijk beroep. De [RvVb] beslist tot de indeplaatsstelling overeenkomstig artikel 37, § 2 [DBRC].” 7. De verzoekende partij brengt hiertegen in dat artikel 64, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet aan de verzoekende partij de mogelijkheid biedt om ook nog in graad van bestuurlijk beroep het voorwerp van haar aanvraag te wijzigen teneinde tegemoet te komen aan de geluidsnormen opgenomen in hoofdstuk 4.5 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II), en dat de artikelen 72 en 73, § 1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet de vergunningverlenende overheid de mogelijkheid bieden om bepaalde voorwaarden in haar nieuw te nemen beslissing op te leggen waardoor de geluidsnormen opgenomen in hoofdstuk 4.5 van Vlarem II alsnog zouden worden nageleefd. Het volgt volgens haar uit het beginsel van de scheiding der machten dat het tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van het orgaan van actief bestuur om een in beroep gewijzigde aanvraag op zijn merites te beoordelen teneinde tegemoet te komen aan de wettigheidskritiek betreffende het aspect geluid. Ook zou het tot de uitsluitende bevoegdheid van het orgaan van actief bestuur behoren om te oordelen of er bijzondere milieuvoorwaarden aan de omgevingsvergunning kunnen worden gekoppeld teneinde haar in overeenstemming te brengen met de vigerende geluidsnormen. De RvVb zou aldus het bestaan en de inhoud van de artikelen 64, 72 en 73, § 1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet miskennen door (

  1. a)de verzoekende partij de kans te ontnemen om haar aanvraag te wijzigen zodat zij voldoet aan de vigerende geluidsnormen, en (
  2. b)de minister de kans te ontnemen een nieuwe herstelbeslissing te nemen waaraan bijzondere milieuvoorwaarden worden gekoppeld. Er bestaat volgens de verzoekende partij geen gebonden bevoegdheid in hoofde van de minister met betrekking tot de uitspraak over het VII-42.388-5/10 respecteren van de geluidsnormen van artikel 4.5 van Vlarem II, zodat de RvVb, door zijn arrest in de plaats te stellen van de door de vergunningverlenende overheid nieuw te nemen beslissing, zijn macht overschrijdt en artikel 37, § 2, DBRC miskent. Beoordeling 8. Artikel 37 DBRC bepaalt: “§1. Als de verwerende partij na een gehele of gedeeltelijke vernietiging gehouden is een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen, beveelt een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°,
  3. a)en b), de verwerende partij om met inachtneming van de overwegingen die in zijn uitspraak zijn opgenomen, een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: […] […] §2. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing. Onder het geval, vermeld in het eerste lid, worden ook de gevallen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier.” Wanneer de nieuw te nemen beslissing na een vernietigingsarrest het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van het vergunningverlenend bestuur, is de RvVb niet verplicht om zijn arrest in de plaats te stellen van die beslissing. Wanneer de RvVb tot indeplaatsstelling beslist, kan de Raad van State als cassatierechter wel controleren of hij daarbij niet het wettelijk begrip “gebonden bevoegdheid” (artikel 37, § 2, eerste lid, DBRC) of “feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid” (artikel 37, § 2, tweede lid, DBRC) heeft miskend, en met name of hij aan deze wettelijke begrippen geen draagwijdte verleent die afbreuk doet aan het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten dat onder meer uit artikel 33 van de Grondwet wordt afgeleid. VII-42.388-6/10 9. Het bestreden arrest oordeelt, zonder hierin bekritiseerd te worden in het middel, dat uit de gegrondheid van het tweede annulatiemiddel volgt dat de aanvraag van de verzoekende partij getoetst moet worden aan de geluidsnormen bedoeld in hoofdstuk 4.5 van Vlarem II. In het kader van de beoordeling van het tweede annulatiemiddel heeft de RvVb vastgesteld dat uit de bestreden vergunningsbeslissing duidelijk blijkt dat de omloop niet voldoet aan de geluidsnormen bedoeld in hoofdstuk 4.5 van Vlarem II. De verzoekende partij voert niet aan dat zij deze feitelijke vaststelling voor de RvVb heeft betwist, of dat zij voor de RvVb zou hebben aangevoerd dat de omloop wel zou kunnen voldoen aan deze geluidsnormen, mits wijziging van de aanvraag en/of het opleggen van bijzondere vergunningsvoorwaarden. De RvVb miskent in deze omstandigheden noch artikel 37, § 2, DBRC, noch het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten, noch de bepalingen van het omgevingsvergunningsdecreet die toelaten dat wijzigingen worden aangebracht aan de aanvraag of dat voorwaarden worden verbonden aan de vergunning, wanneer hij uit de loutere vaststelling dat de omloop niet voldoet aan die geluidsnormen afleidt dat het bestuur een gebonden bevoegdheid heeft om de vergunning voor de omloop te weigeren. 10. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 13 DBRC, van artikel 151, § 1, van de Grondwet, en van het algemeen rechtsbeginsel VII-42.388-7/10 van de onpartijdigheid. Zij voert aan dat de bestuursrechter die de zaak heeft behandeld via sociale media herhaaldelijk zijn sympathie betoont voor organisaties en/of verenigingen die de bescherming van het leefmilieu als maatschappelijk doel hebben, zoals de tweede verwerende partij. Hij zou zijn sympathieën voor de betrokken zaken, verenigingen, bewegingen en personen op sociale media uiten via “vind-ik-leuk” of “volg ik”, en op die wijze niet langer de vereiste neutraliteit en schijn van onpartijdigheid bezitten om een beroep te behandelen dat onder andere een milieuvereniging instelt tegen de omgevingsvergunning die verleend wordt aan een moto-club, gelegen naast een VEN-gebied. De verwerping van dergelijk beroep zou niet aansluiten bij de persoonlijke ideologie van de betrokken bestuursrechter, en er zou aldus sprake zijn van een persoonlijk belangenconflict in hoofde van deze bestuursrechter, in de zin van artikel 828, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek. De verzoekende partij wijst erop dat artikel 13 DBRC bepaalt dat een persoonlijk belangenconflict in de zin van artikel 828, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek, een wrakingsgrond is, en dat de bestuursrechter die weet dat er een grond tot wraking bestaat, zich moet onthouden van de zaak en laten vervangen. Zij wijst vervolgens op artikel 151, § 1, van de Grondwet, dat vereist dat rechters onafhankelijk zijn in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden, en op het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid, dat vereist dat de rechterlijke instantie de nodige waarborgen biedt om elke gewettigde twijfel van onpartijdigheid uit te sluiten en zich te onthouden van elke vooringenomenheid of persoonlijke betrokkenheid bij het geschil en de partijen. Zij besluit dat het bestreden arrest tot stand gekomen is in strijd met deze bepalingen en beginselen. Beoordeling 12. Het middel voert aan dat tegen de bestuursrechter die het bestreden arrest heeft uitgesproken een reden tot wraking bestaat als vermeld in artikel 828, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek. De verzoekende partij voert daarbij VII-42.388-8/10 feiten aan die betrekking hebben op de persoon van de bestuursrechter, waaruit zijn vooringenomenheid zou blijken ten aanzien van minstens één van de procespartijen. De verzoekende partij heeft vóór het bestreden arrest geen verzoek tot wraking ingediend. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt nochtans dat de identiteit van de bestuursrechter haar werd meegedeeld in de brief van 17 oktober 2023 waarmee zij werd opgeroepen voor de zitting van 16 november 2023 waarop de zaak werd behandeld. De verzoekende partij voert niet aan dat zij de feitelijke gegevens waaruit zij afleidt dat de bestuursrechter vooringenomen is, niet kon kennen vóór die zitting. 13. De redenen tot wraking die steunen op de persoonlijke toestand van de bestuursrechter ten aanzien van één of meer procespartijen, kunnen in beginsel slechts in het kader van een wrakingsprocedure worden opgeworpen, en niet voor het eerst worden aangevoerd in graad van cassatie, als middel tot vernietiging van de uitspraak van de bekritiseerde rechter. De beoordeling van dergelijk cassatiemiddel zou de Raad van State immers kunnen verplichten een grond tot wraking te beoordelen die steunt op de persoonlijke toestand van de bestuursrechter, louter aan de hand van feitelijke gegevens die door de verzoekende partij worden voorgelegd, zonder daarbij te kunnen beschikken over het standpunt van die bestuursrechter. Noch artikel 151, § 1, van de Grondwet, dat het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechters verkondigt, noch het beginsel van de rechterlijke onpartijdigheid, dat zijn grondslag vindt in artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kunnen hieraan afbreuk doen. Het zou integendeel strijdig zijn met een behoorlijke rechtsbedeling wanneer een partij, die kennis heeft - of kon hebben - van gronden die doen twijfelen aan de onpartijdigheid van de rechter, wordt toegelaten hierover het stilzwijgen te bewaren en deze gronden maar aan te voeren wanneer de uitspraak van de rechter voor haar nadelig is. VII-42.388-9/10 14. Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.388-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.725 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.