← België

Arrest 265727 - Natuurbehoud - Vergunningen - 12/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.727 Rolnummer: A. 240647/VII-42287 Zaak: Arrest 265727 - Natuurbehoud - Vergunningen - 12/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-19 Raadplegingen: 158 - laatst gezien 2026-06-18 06:11 Fiche Arrest nr 265.727 van 12 februari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.727 no lien 287691 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.727 van 12 februari 2026 in de zaak A. 240.647/VII-42.287 In zake : S.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 november 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 29 september 2023 tot weigering van het verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing met betrekking tot een perceel gelegen te Tessenderlo. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 26 februari 2025 een verslag opgesteld. VII-42.287-1/12 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is eigenaar van een perceel gelegen aan het Marterpad te Tessenderlo. Het perceel is volgens het gewestplan Hasselt-Genk deels gelegen in recreatiegebied en deels in natuurgebied. 3.
  6. Op 21 augustus 2023 dient zij een verzoek in tot het verkrijgen van een individuele ontheffing van het verbod op ontbossing. 3.
  7. De entiteit Adviezen, Vergunningen, Erkenningen en Subsidies (AVES), regio Limburg en Vlaams-Brabant, van het Agentschap voor Natuur en Bos verleent op 23 augustus 2023 een (voorwaardelijk) gunstig advies over de aanvraag. 3.
  8. Op 29 september 2023 weigert het Agentschap voor Natuur en Bos de gevraagde ontheffing van het verbod op ontbossing. VII-42.287-2/12 Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “[…] - Het te ontbossen perceel is gelegen in recreatiegebied/natuurgebied volgens gewestplan. - Het perceel is niet gelegen in een speciale beschermingszone, VEN, beschermd landschap of in een zoekzone voor bosuitbreiding. - De begroeiing op het perceel wordt op de biologische waarderingskaart aangeduid als biologisch waardevol (pms + pinn). - De aanvrager wenst een vakantiewoning op te richten binnen het bos. Uit artikel 90bis, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 volgt dat ontbossing in principe is verboden, tenzij mits een omgevingsvergunning die slechts in welbepaalde gevallen (in lid 1 opgesomd) kan worden verkregen. In de andere gevallen kan de Vlaamse regering luidens artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een verkavelingsvergunning, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een omgevingsvergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen. Het bosdecreet bevat een principieel ontbossingsverbod […] met het oog op het behoud, de bescherming, het beheer en het herstel van de bossen en van hun natuurlijk milieu […]. Bindende en verordenende stedenbouwkundige voorschriften beletten niet dat sectorale wetgeving, zoals te dezen het Bosdecreet, impact kan of mag hebben op de realiseerbaarheid van deze (bestemmings)voorschriften. Dat volgt uit artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet dat enkel bepaalt dat bij het toestaan van de ontheffing van het vergunningsverbod de wetgeving op de ruimtelijke ordening in acht moet worden genomen. In bepaalde gevallen kan sectorale wetgeving er dus toe leiden dat de bestemming vastgelegd bij toepassing van wetgeving op de ruimtelijke ordening niet kan worden gerealiseerd […]. Bij de beoordeling van een individuele ontheffingsaanvraag in toepassing van artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet beschikt de Administrateur-Generaal van ANB over een ruime discretionaire bevoegdheid voor het beoordelen van de aanvraag tot ontheffing die overeenkomstig artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 onder meer ‘een grondige motivatie tot afwijking van het verbod op ontbossing’ en ‘een ecologische evaluatie van de gevolgen van de voorgestelde ingreep en de hieraan gekoppelde maatregelen die worden voorgesteld ter naleving van de zorgplicht, opgelegd door artikel 14 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ moet bevatten […]. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat met ‘vermijdbare schade’ in artikel 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet) wordt bedoeld: ‘die schade die kan vermeden worden door de activiteit op een andere wijze uit te voeren (bvb. met andere materialen, op een andere plaats, ...)’. Onvermijdbare schade is dan ‘de schade die men hoe dan ook zal veroorzaken, op welke wijze men de activiteit ook uitvoert’ (Parl.St. Vl.Parl. 2001-02, nr. 967/1, p. 17). VII-42.287-3/12 Een beoordeling of een ontheffing van het decretale ontbossingsverbod gaat verder dan een onderzoek of al dan niet vermijdbare schade aan de natuur zal worden aangericht door de aangevraagde ontbossing […]. Het feit dat de biologische waarderingskaart geen verordenende kracht heeft, belet niet dat deze waarderingskaart als indicatief element bij de beoordeling kan worden betrokken […]. Gelet op het principiële verbod op ontbossing, vastgelegd in artikel 90bis, § 1, eerste lid, van het Bosdecreet, druist een motivering die de ontheffing van dit verbod weigert om reden dat ‘de geplande ontbossing voor een verdere versnippering van het bos en de natuur in de omgeving zal zorgen’ en ‘hierdoor de aanwezige natuurwaarden worden bedreigd’, niet in tegen het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel […]. Overeenkomstig artikel 2, 12° van het Decreet Natuurbehoud wordt onder ‘natuurontwikkeling’ verstaan: ‘het geheel van maatregelen gericht op het creëren van voorwaarden voor het tot stand komen of het herstel van natuur in een bepaald gebied’. Artikel 2, 7° van het Decreet Natuurbehoud omschrijft ‘natuur’ als ‘de levende organismen, hun habitats, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen, ongeacht of deze al dan niet voorkomen in aansluiting op menselijk handelen, met uitsluiting van de cultuurgewassen, de landbouwdieren en de huisdieren’. De decretaal toegewezen opdracht van het Agentschap is in de eerste plaats een zorg voor een maximaal bosbehoud, en dat vanuit het oogpunt van natuurontwikkeling de oprichting van een vakantiewoning daar niet tegen opweegt, omdat de ecologische waarde daarvan kleiner is dan deze van een (correct beheerd) bos […]. Het aanvraagdossier bevat hoe dan ook onvoldoende gegevens om een gedegen ecologische afweging te kunnen maken zoals vereist in artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari
  9. Overeenkomstig de BWK wordt het perceel immers aangeduid als biologisch waardevol. Het aanvraagdossier bevat dienaangaande geen verdere concretisering of toelichting. Evenmin wordt toegelicht op welke wijze de oprichting van een vakantiewoning - en de onvermijdelijke vertuining van het volledige perceel dat hiermee gepaard zal gaan - verantwoord is in het licht van de vaststelling dat het perceel als biologisch waardevol is aangemerkt. Bovendien wordt opgemerkt dat het perceel deel uitmaakt van een groter bosgeheel. Aan de rand van het perceel zijn weliswaar al (vakantie)woningen opgericht, maar de oprichting van een bijkomende vakantiewoning zal zorgen voor een verdere aansnijding en residentialisering van het grotere bosgeheel. Ook om deze reden is de ontheffing onverantwoord.” Dit is de thans bestreden beslissing. VII-42.287-4/12 IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  10. Als derde middel voert verzoekster de schending aan van artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel: “Doordat, uit het bestreden besluit weliswaar blijkt dat, zoals artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet voorschrijft, het bestreden besluit werd genomen na advies van het Agentschap Natuur en Bos (meer bepaald de entiteit adviezen, vergunningen, erkenning en subsidies van dit Agentschap, uitgebracht op 23 augustus 2023, dezelfde dag als de aanvraag ontvankelijk en volledig was verklaard), En doordat, uit het bestreden besluit in geen enkel opzicht blijkt wat de inhoud was van dit door het Agentschap uitgebracht advies, laat staan dat uit het bestreden besluit zou blijken dat de auteur van het bestreden besluit in het kader van de beoordeling van de hem voorgelegde aanvraag van de inhoud van dit advies kennis zou hebben genomen, dit advies bij zijn besluitvorming zou hebben betrokken, en uit het bestreden besluit zou blijken of en in welke mate er bij de beoordeling van de ter beoordeling voorgelegde aanvraag er bij dit advies werd aangesloten of ervan werd afgeweken, Terwijl, uit artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet blijkt dat een besluit over een ter beoordeling voorgelegde aanvraag tot ontheffing van het verbod op ontheffing slechts kan worden verleend na advies van het Agentschap Natuur en Bos, En terwijl, in toepassing van de in het middel aangehaalde bepalingen, het bestreden besluit ingevolge deze adviesvereiste in de tekst van het besluit niet alleen dient te vermelden dat dit wettelijk vereist advies effectief werd ingewonnen, doch ook dient te vermelden wat de inhoud van dit advies was, de inhoud van dit advies bij de beoordeling van de aanvraag dient te betrekken, in de tekst van dit besluit dient te vermelden of en in welke mate bij dit advies wordt aangesloten, en zo er niet wordt bij aangesloten concreet en precies de redenen dient te vermelden waarom bij de beoordeling van te ter beoordeling voorliggende aanvraag van dit advies werd afgeweken […]. Zodat, het bestreden besluit, door te volstaan met het advies dat door het Agentschap Natuur en Bos over de aanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid werd uitgebracht louter te vermelden, doch zonder de inhoud van dit advies in het bestreden besluit te vermelden, laat staan het op enige wijze bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken, en te motiveren of en waarom dit advies al dan niet werd gevolgd, de in het middel aangehaalde bepalingen heeft geschonden.” VII-42.287-5/12
  11. De verwerende partij antwoordt: “Uit de bestreden beslissing zou niet blijken wat de inhoud van het advies van AVES geweest is, en al zeker niet dat dit advies bij de besluitvorming betrokken geweest is. Voor alle duidelijkheid: de bestreden beslissing vermeldt op pagina 1: ‘Vormvereisten De volgende vormvereiste is vervuld: - De entiteit Adviezen, Vergunningen, Erkenningen en Subsidies (AVES), regio Limburg en Vlaams-Brabant, van het Agentschap voor Natuur en Bos, heeft advies gegeven op 23 augustus 2023.’ Daarmee is wel duidelijk dat er van het advies kennis is genomen en dat het advies in de beslissing is betrokken. Uit geen enkele wetsbepaling blijkt dat de inhoud van het advies zou dienen te worden overgenomen in de beslissing. Het is een feit dat voor een beslissing gebaseerd op een andersluidend advies een strengere motiveringsplicht geldt. Maar dat is in huidige zaak zeer duidelijk het geval. Het is een zeer principieel standpunt, dat wijst op het feit dat het hier een biologisch waardevol perceel betreft, dat het hier vermijdbare schade betreft, dat het doel van het Agentschap voor Natuur en Bos een zorg voor een maximaal bosbehoud is, dat er geen informatie gegeven wordt hoe de oprichting van een vakantiewoning verantwoord is in het licht van de vaststelling dat het perceel als biologisch waardevol is aangemerkt, dat er hoe dan ook belangrijke informatie ontbreekt voor een ecologische beoordeling … Het komt de vergunningverlenende overheid overigens ook niet toe om stuk voor stuk te antwoorden op adviezen. De motiveringsplicht is een positieve plicht: de motieven dienen de beslissing te onderbouwen. Ook dat is zonder meer het geval. ‘Wanneer de overheid bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid afwijkt van een niet-bindend advies, vereist de motiveringsplicht niet dat het advies uitdrukkelijk wordt weerlegd in de genomen beslissing. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de andersluidende adviezen niet worden gevolgd.’[…] Er is zodoende een advies van AVES geweest waarmee rekening gehouden is, zodat er geen schending van art. 90bis, § 1, derde lid Bosdecreet is, en voorts kan men ook onmogelijk gewagen van een motiveringsgebrek.”
  12. In haar memorie van wederantwoord dupliceert verzoekster: “Uit artikel 90bis § 1 derde lid van het Bosdecreet blijkt […] dat een besluit over een ter beoordeling voorgelegde aanvraag tot ontheffing van het verbod op [ontbossing] slechts kan worden verleend na advies van het Agentschap Natuur en Bos, In toepassing van de in het middel aangehaalde bepalingen diende het bestreden besluit ingevolge deze adviesvereiste in de tekst van het besluit dan ook niet alleen te vermelden dat dit wettelijk vereist advies effectief werd ingewonnen, doch ook wat de inhoud van dit advies was. Verder diende uit ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.727 VII-42.287-6/12 de inhoud van het bestreden besluit te blijken dat de inhoud van dit advies bij de beoordeling van de aanvraag werd betrokken, en diende de tekst van dit besluit te vermelden of en in welke mate bij dit advies werd aangesloten, en diende zo er niet werd bij aangesloten concreet en precies de redenen te vermelden waarom bij de beoordeling van te ter beoordeling voorliggende aanvraag van dit advies werd afgeweken […]. Door te volstaan met het advies dat door het Agentschap Natuur en Bos over de aanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid werd uitgebracht louter te vermelden, doch zonder de inhoud van dit advies in het bestreden besluit te vermelden, laat staan het op enige wijze bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken, en te motiveren of en waarom dit advies al dan niet werd gevolgd, heeft het bestreden besluit de in het middel aangehaalde bepalingen geschonden. Het Vlaams Gewest voegt […] bij haar memorie van antwoord het advies dat AVES in het kader van de behandeling van de aanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid heeft uitgebracht. Dit stuk leert beroepster dat dit advies een gunstig advies is. In haar beantwoording van het middel, vermeldt het Vlaams Gewest de passage uit het bestreden besluit waaruit inderdaad enkel kan worden opgemaakt dat AVES over de aanvraag heeft geadviseerd, zonder dat uit dit besluit blijkt wat dit advies precies heeft ingehouden. Verder houdt het Vlaams Gewest voor dat er geen enkele wettelijke bepaling zou zijn waaruit volgt dat het bestreden besluit zou moeten vermelden wat de inhoud is van de in het kader van de behandeling van de aanvraag uitgebrachte adviezen. Dat is onjuist. Deze verplichting volgt uit de in het middel aangehaalde bepalingen, minstens uit de in het middel aangehaalde schending van de formele motiveringswet, zoals blijkt uit de rechtsleer waarnaar in de uiteenzetting van het middel wordt verwezen. Verder blijkt nu uit de memorie van antwoord dat het advies van AVES […] een van de middels het bestreden besluit genomen beslissing afwijkend advies is, waarbij het Vlaams Gewest erkent dat dit een strengere motiveringsplicht in het leven roept. Het Vlaams Gewest blijkt echter van mening dat aan deze strengere motiveringsplicht zou zijn tegemoetgekomen, nu het bestreden besluit een principieel standpunt vertolkt, waarbij het Vlaams Gewest de motieven opsomt die het bestreden besluit schragen. Er kan echter nooit worden tegemoetgekomen aan de verstrengde motiveringsplicht die ontstaat door een beslissing die van een in het kader van de behandeling van het verzoek uitgebracht advies afwijkt, wanneer de inhoud van dit advies niet eens blijkt uit het bestreden besluit, en waardoor de betrokkene onwetend blijft over óf er van het advies is afgeweken, en welke motieven de bevoegde overheid ertoe hebben gebracht anders dan de adviesverlenende instantie te oordelen dat het verzoek niét kon worden ingewilligd.” Beoordeling
  13. Overeenkomstig artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 kan de Vlaamse regering, op individueel en op gemotiveerd ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.727 VII-42.287-7/12 verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en “na advies van het Agentschap [voor Natuur en Bos]”.
  14. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en zulks op een afdoende wijze. Er is sprake van een afdoende motivering als de uitdrukkelijk opgegeven motieven pertinent zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moeten hebben, en dat ze voldoende draagkrachtig zijn, dit wil zeggen dat ze in rechte volstaan als verantwoording voor de genomen beslissing. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. In geval er door de beslissende overheid afgeweken wordt van adviezen die in de loop van de procedure werden uitgebracht, geldt in principe een verstrengde motiveringsplicht. Indien zij deze adviezen niet wenst bij te vallen, moet uit de genomen beslissing blijken waarom dit niet het geval is. Concreet is zij ertoe gehouden om aan de hand van precieze, juiste en pertinente motieven in de genomen beslissing te veruitwendigen waarom de uitgebrachte adviezen niet worden gevolgd, zonder dat evenwel wordt vereist dat de adviezen punt voor punt moeten worden weerlegd. Het volstaat daarom dat uit de uitdrukkelijk opgegeven redenen kan worden afgeleid waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd. Toch mag de motivering niet beperkt blijven tot een louter tegenspreken van de andersluidende adviezen, maar moet uit de bestreden beslissing duidelijk ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.727 VII-42.287-8/12 blijken waarom de administratieve overheid meent de in de adviezen geformuleerde standpunten niet te kunnen bijtreden. De bestreden beslissing dient met andere woorden aan te geven, of althans genoegzaam te laten verstaan, waarom deze adviezen niet werden gevolgd en in de tegenovergestelde zin werd beslist.
  15. In de bestreden beslissing wordt vermeld dat de entiteit AVES van het Agentschap voor Natuur en Bos op 23 augustus 2023 “advies [heeft] gegeven”. Voor het overige wordt geen enkele bijkomende duiding gegeven over de strekking van dit advies en in de overige motieven van de bestreden beslissing wordt ook inhoudelijk niet meer teruggekomen op het advies.
  16. Uit het administratief dossier blijkt dat het advies van de entiteit AVES gunstig is op voorwaarde dat het kappen van het bos gebeurt buiten het broedseizoen, bij het bouwen van de vakantiewoning het te behouden bos niet beschadigd wordt, geen materialen opgeslagen worden in het te behouden bos, geen verdichting noch ophoging mag plaatsvinden in dat bos en de gemeentelijke regelgeving met betrekking tot het recreatiegebied wordt nageleefd. Uit het voorwaardelijk gunstig advies blijkt dat onder meer rekening werd gehouden met de oppervlakte van de beoogde ontbossing (400 m2) en de oppervlakte van de te behouden groene ruimte op het perceel (2.591 m²). In het advies wordt ook gewezen op de soort van de aanwezige vegetatie (hoofdzakelijk zwarte den), de mogelijkheden tot ontwikkeling van een zomereiken-berkenbos, de waardering ‘biologisch waardevol’ volgens de biologische waarderingskaart (versie 2) en de ligging van het perceel op 300 meter van het natuurgebied ‘Gerhagen’. Tot slot wordt in het advies benadrukt dat het perceel niet gelegen is in een kwetsbare zone, VEN-zone of speciale beschermingszone en dat na de ontbossing invulling wordt gegeven aan de gewestplanbestemming recreatiegebied.
  17. De bestreden beslissing steunt op de overwegingen dat het Bosdecreet van 13 juni 1990 een “principieel ontbossingsverbod” oplegt, dat de bindende en verordenende stedenbouwkundige voorschriften niet beletten dat de bepalingen van het Bosdecreet een impact kunnen hebben op de realiseerbaarheid ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.727 VII-42.287-9/12 van de stedenbouwkundige bestemming van het betrokken perceel, dat de verwerende partij in het kader van de beoordeling van een individuele ontheffingsaanvraag beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid, dat deze beoordeling niet beperkt is tot het onderzoek of er al dan niet vermijdbare schade aan de natuur zal worden berokkend, dat de biologische waarderingskaart als ‘indicatief element’ bij de beoordeling van de ontheffingsaanvraag kan worden betrokken, dat een beslissing waarbij de ontheffing wordt geweigerd omdat “de geplande ontbossing voor een verdere versnippering van het bos en de natuur in de omgeving zal zorgen” waardoor “de aanwezige natuurwaarden worden bedreigd” niet indruist tegen het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel en dat de decretale opdracht van de verwerende partij in de eerste plaats gericht is op het bosbehoud. Door hun algemeen karakter kunnen de voormelde overwegingen zonder meer betrokken worden bij de beoordeling van elke aanvraag tot het verkrijgen van een individuele ontheffing van het verbod op ontbossing. Artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 vereist echter een concrete beoordeling waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante elementen van de ontheffingsaanvraag. De overwegingen in kwestie zijn dan ook nietszeggend in vergelijking met de concrete elementen waarmee rekening werd gehouden in het voorwaardelijk gunstig advies van de entiteit AVES.
  18. In zoverre in de bestreden beslissing wordt opgemerkt dat een ontheffing van het verbod op ontbossing “onverantwoord” zou zijn omdat de oprichting van een bijkomende vakantiewoning zal leiden tot “een verdere aansnijding en residentialisering van het grotere bosgeheel”, wordt het gunstig advies van de entiteit AVES niet ontmoet, in het bijzonder waar in dit advies wordt gewezen op de relatief beperkte oppervlakte van de beoogde ontbossing, ter zake het belang van de aanwezige bos- en natuurwaarden voor de ruimere omgeving wordt opgemerkt dat het natuurgebied ‘Gerhagen’ gelegen is op een afstand van 300 meter en de ontbossing niet zal plaatsvinden op een perceel dat behoort tot een kwetsbare zone, VEN-zone of speciale beschermingszone. VII-42.287-10/12
  19. Tot slot houdt het voorwaardelijk gunstig advies van de entiteit AVES onder meer rekening met het feit dat het perceel volgens de biologische waarderingskaart wordt aangeduid als ‘biologisch waardevol’, zodat met de niet nader onderbouwde bewering dat het aanvraagdossier onvoldoende gegevens bevat om een “gedegen ecologische afweging” te kunnen maken, niet op afdoende wijze wordt gemotiveerd waarom het uitgebrachte gunstig advies niet kan worden gevolgd.
  20. Het besluit dringt zich op dat in de motivering van de bestreden beslissing, anders dan vereist wordt door de motiveringswet, niet op afdoende wijze wordt aangegeven waarom het voorwaardelijk gunstig advies van de entiteit AVES over het verzoek tot ontheffing niet kan worden bijgetreden.
  21. Het derde middel is gegrond. BESLISSING
  22. De Raad van State vernietigt de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 29 september 2023 tot weigering van het verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing met betrekking tot een perceel gelegen te Tessenderlo.
  23. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing.
  24. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. VII-42.287-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.287-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.727 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.