id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.728 Rolnummer: A. 240112/VII-42213 Zaak: Arrest 265728 - Natuurbehoud - Vergunningen - 12/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-16 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-06-18 06:11 Fiche Arrest nr 265.728 van 12 februari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.728 no lien 287692 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.728 van 12 februari 2026 in de zaak A. 240.112/VII-42.213 In zake : J.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Deweirdt kantoor houdend te 9000 Gent Molenaarsstraat 111/1 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 14 juli 2023 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 april 2023 houdende het opleggen van verscheidene bestuurlijke maatregelen, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 29 maart 2024 een verslag opgesteld. VII-42.213-1/14 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michiel Deweirdt, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is medebewoner van een cohousingproject op het domein ‘Boterberg’ te Kalmthout. Voor het project werd op 3 november 2014 een stedenbouwkundige vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout. Volgens de bepalingen van het gewestplan Turnhout zijn de percelen van het domein deels bestemd tot parkgebied en deels tot natuurgebied met wetenschappelijke waarde. 3.
- Op 17 oktober 2021 stelt een natuurinspecteur/gewestelijke toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat: - er in het bos ten noorden van de woningen naast het kasteel een aanzienlijke hoeveelheid tuinafval ligt; wat verder een oude caravan staat en er een verharding, bestaande uit oude tegels, aanwezig is; VII-42.213-2/14 - langs de parking ten noorden van de woningen meerdere stallingen, met betonnen funderingen, staan; - naast het kasteel en de grote toegangspoort twee fietsenstallingen werden geplaatst op een betonnen fundering. Als herstelmaatregel dient alle tuinafval en de oude caravan uit het bos verwijderd te worden tegen uiterlijk 1 december 2021 en moeten alle niet- vergunde constructies in het bos afgebroken worden voor 31 maart
- 3.
- Naar aanleiding van een nieuw controlebezoek op 5 januari 2023 worden de volgende vaststellingen gedaan: “We stellen op 05/01/2023 omstreeks 14.00 u vast dat aan onze aanmaning […] weinig gevolg gegeven werd. Het tuinafval en de oude caravan werden verwijderd uit het bos ten noordoosten van het kasteel. De oude caravan werd verplaatst naar het bos ten zuiden van het kasteel, waar de officiële oprijlaan met een twintigtal parkeerplaatsen zich bevindt. We zien nog steeds de constructies uit onze aanmaning in het bos staan, namelijk de twee fietsenstallingen van respectievelijk 4 meter op 10 meter, en 4 meter op 6 meter. Deze stallingen werden beiden gebouwd met houten panelen, de bodem bestaat uit betonplaten. […] In de grootste stalling naast de oprijlaan staan fietsen en een zitmaaier. Er werd verlichting in aangebracht. Naast de stalling ligt een verharding bestaande uit betontegels. De kleinere fietsenstalling staat in het bos ten noorden van het kasteel. Hierin staan fietsen, vuilbakken, een kruiwagen oa. De locatie van de fietsenstallingen werd aangeduid op de luchtfoto van 2020 […]. Tijdens onze rondgang doorheen het bos ten noorden van het kasteel, merken we nog een barrel sauna op en een groot oud kippenhok. Rondom deze ren ligt er rommel en bouwmateriaal. Het oprichten van constructies in het bos is verboden volgens het Bosdecreet art. 97 […]. We keren terug naar de toegangsdreef en begeven ons richting Noordeind. We nemen een andere oprijlaan die zich afsplitst door het bos. Deze neemt een bocht en leidt ons naar de bijgebouwen van het kasteel. Deze oprijlaan werd gecreëerd door minstens het struikgewas te verwijderen, en door verharding aan te brengen bestaande uit kiezel en steenpuin. Aan het eind ervan komen we aan een grote berging van ongeveer 30 meter lang en 2.5 meter breed, bestaande uit 8 units. Deze werd, zoals de fietsenstallingen, opgebouwd uit hout op betonplaten. Aan de andere zijde werden laadpalen voor elektrische voertuigen aangebracht. Op het moment van onze vaststellingen staan er vier wagens geparkeerd. De oprijlaan is ongeveer 230 meter lang in totaal en 3 à 4 meter breed. Het wijzigen van de bodem is verboden volgens art. 96 van het Bosdecreet. De grote berging is volledig in natuurgebied met wetenschappelijke waarde gelegen en bovendien in VEN gebied, en SBZ gebied (Grenspark- VII-42.213-3/14 Kalmthoutse Heide), en werd net zo min als de fietsenstallingen opgenomen in de omgevingsvergunning […]. Ten oosten van deze berging werd een moestuin aangelegd, eveneens in VEN gebied. Er staan allerlei groenten in de moestuin, er liggen zakken met tuincompost klaar, er staan meerdere bakken met tuin en groentenafval. Zowel de berging als de moestuin brachten vegetatiewijziging van een permanent grasland in VEN-gebied teweeg en zijn dus verboden volgens art. 25 van het Natuurdecreet. Ten westen van het kasteel bevindt zich een groot permanent grasland met hierin twee vennen. Het grasland grenst aan het Natuurreservaat Stappersven, eigendom van Natuurpunt. […] Het gaat om historische vennen zoals er zich meerdere bevinden in het Grenspark - Kalmthoutse Heide (zie BWK code AE: eutrofe vennen als bijlage 6). Vennen mogen volgens het Natuurdecreet art.13/Natuurbesluit art.7 niet gewijzigd worden. Het eerste ven werd echter omgevormd tot een zwemvijver. Er werd plastiek folie op de bodem en de oevers aangebracht, de oevervegetatie is daardoor volledig verdwenen. Het verschil met het andere ven, dat in de oorspronkelijke staat bevindt is overduidelijk. […] Er bestaat een uitgebreid bosbeheerplan voor het domein Boterbergen, met als ref. UBBP-AN-13-
- Hierin werd geen enkele van de in dit PV opgenomen inrichtingen opgenomen. Er bestaat ook een Landschapsbeheerplan voor domein Boterbergen. Alhoewel de moestuin en de vijvers hierin opgenomen zijn, geeft dergelijk landschapsbeheerplan geen uitzondering op de verboden die gelden in VEN- gebied (verbod op bemesting, verbod op wijziging van vegetatie etc). Enkel een Natuurbeheerplan of een geïntegreerd beheerplan kan deze uitzonderingen toekennen. Men heeft dus nog steeds een ontheffing nodig voor deze handelingen.” 3.
- De op 5 januari 2023 gedane vaststellingen leiden tot een besluit van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 april 2023 waarbij aan alle medebewoners van het cohousingproject de volgende bestuurlijke maatregelen worden opgelegd: “De fietsenstallingen in het bos moeten volledig afgebroken worden. De barrelsauna moet verwijderd worden uit het bos. Alle materialen die niet thuishoren in een bos moeten verwijderd worden. Op de vrijgekomen plaatsen moet men de bosbodem en het bos spontaan laten ontwikkelen. De kiezel en het bouwafval die gebruikt werden om een tweede oprijlaan door het bos te maken moeten verwijderd worden. Deze weg mag niet meer gebruikt worden als toegangsweg. Men dient de vergunde toegangsweg te gebruiken aan de oostelijke zijde van het kasteel. Gemotoriseerd verkeer is verboden in het bos. De hierdoor open gekomen ruimte moet men spontaan terug laten bebossen met struiken en bomen. VII-42.213-4/14 De grote berging die zich naast het bos doch op permanent grasland in VEN bevindt, moet volledig afgebroken worden, evenals de verhardingen errond. De moestuin in permanent grasland in VEN moet verwijderd worden, evenals de compostbakken. Men moet de vegetatie op deze plaats spontaan laten herstellen. Op deze plaats mag volgens het uitgebreid bosbeheerplan enkel een amfibiepoel gerealiseerd worden. De plastiek folie moet verwijderd worden uit het ven ten westen van het kasteel. Het ven moet in de oorspronkelijke natuurlijke staat hersteld worden en mag niet meer gebruikt worden voor recreatieve doeleinden.” 3.
- Tegen voormelde beslissing wordt op 25 april 2023 bestuurlijk beroep ingesteld bij de bevoegde Vlaamse minister. In het beroepschrift wordt onder meer aangevoerd dat de bestuurlijke maatregelen gericht zijn tot een aantal natuurlijke personen die mede- eigenaar zijn het domein, maar niet aan de vereniging van mede-eigenaars van het cohousingproject die rechtspersoonlijkheid heeft. 3.
- Op 14 juli 2023 neemt de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het thans bestreden besluit waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 april 2023 gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. De beroepen beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos wordt zodanig gewijzigd dat de bestuurlijke maatregelen enkel nog aan verzoeker worden opgelegd. De bestreden beslissing steunt op de volgende motieven: “Op 5 januari 2023 begaf verwerende partij zich naar het kadastraal perceel te Kalmthout, afd. 1, sie B, nr. 499A ter controle op de naleving van een aanmaning. Verwerende partij stelde vast dat weinig gevolg gegeven werd aan de aanmaning. Het tuinafval werd verwijderd en een oude caravan werd verplaatst. De constructies, met name twee fietsenstallingen bestaande uit houten panelen en een bodem van betonplaten, waren nog steeds aanwezig. In de grootste stalling stonden fietsen en een zitmaaier. Er werd verlichting aangebracht. Naast de stalling lag een verharding in betontegels. De kleinere stalling bevat fietsen, vuilbakken en een kruiwagen. Tijdens de rondgang zag verwerende partij een barrelsauna en groot kippenhok. Rondom het hok lag rommel en bouwmateriaal. Een oprijlaan werd gecreëerd door struikgewas te verwijderen en verharding uit kiezel en steenpuin aan te brengen. Aan het eind van de oprijlaan staat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.728 VII-42.213-5/14 een grote berging bestaande uit 8 units. Aan een zijde werden laadpalen voor elektrische voertuigen aangebracht. Op het moment van de vaststellingen stonden er vier wagens geparkeerd. Deze grote berging is volledig gelegen in natuurgebied met wetenschappelijke waarde, in Vlaams Ecologisch Netwerk-gebied (hierna: ‘VEN-gebied’) en in speciale beschermingszone- gebied (hierna: ‘SBZ-gebied’) ‘Grenspark-Kalmthoutse Heide’. Ten oosten van de berging werd een moestuin aangelegd. Er lagen zakken met tuincompost en meerdere bakken met tuin- en groente afval. Ten westen van het kasteel bevindt zich een permanent grasland met twee vennen, grenzend aan het natuurreservaat ‘Stappersven’ (eigendom Natuurpunt). Het eerste ven werd omgevormd tot zwemvijver, er werd plastic folie op de bodem en oevers aangebracht waardoor de oevervegetatie volledig verdween. Het andere ven is niet aangetast. Er bestaat een uitgebreid bosbeheerplan voor het domein Boterbergen (UBBP-AN-13-0010) en een landschapsbeheerplan. In het landschapsbeheerplan werden de moestuin en vijvers opgenomen, echter kan een landschapsbeheerplan geen uitzondering toestaan op de verbodsbepalingen die gelden in VEN-gebied. Er was geen ontheffing verleend voor de aanleg van een moestuin en zwemvijver. De heer [J.B.] is initiatiefnemer van de werken en afgevaardigde van de vereniging van mede-eigenaars. In zijn verhoor gaf hij zinnens te zijn een ontheffing aan te vragen voor de moestuin en zwemvijver in VEN-gebied. Men woont met zeven gezinnen in het kasteel en de bijgebouwen errond en de bergingen zijn nodig voor fietsen en dergelijke. De inplanting werd zo gekozen om praktische en esthetische redenen. Voormelde vaststellingen gaven aanleiding tot het opstellen van het aanvankelijk proces-verbaal AN.63M.H2.180060/2022 van 6 april
- Hieraan werd de bestreden beslissing gekoppeld. Bestuurlijke maatregelen kunnen volgens artikel 16.4.5 DABM worden opgelegd na de vaststelling van een milieumisdrijf of milieu-inbreuk en ten aanzien van diegene die een milieumisdrijf of milieu-inbreuk heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieumisdrijf of milieu-inbreuk kunnen uitmaken. Uit bovenvermelde bepaling volgt dat het (mede-)eigenaarschap niet relevant is maar dat degene die het milieumisdrijf of milieu-inbreuk uitvoerde of hiertoe opdracht gaf, beschouwd wordt als ‘overtreder’. Uit de stedenbouwkundige vergunning blijkt dat de heer [J.B.] de aanvrager was voor de renovatie, restauratie en reconversie van kasteel Boterberg en bijgebouwen en bijgevolg beschouwd kan worden als de opdrachtgever van de werkzaamheden. Uit het dossier blijkt niet dat de overige beroepsindieners beschouwd kunnen worden als ‘overtreder’ waardoor de bestreden beslissing niet aan hen kon worden opgelegd. Proces-verbaal AN.63M.H2.180060/2022 en de bestreden beslissing maken melding van onder meer een schending van de artikelen 96 en 97 van het bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: ‘Bosdecreet’), de artikelen 13 en 25 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: ‘Natuurdecreet’) en artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het Natuurdecreet (hierna: ‘Natuurbesluit’). VII-42.213-6/14 Artikel 96 van het Bosdecreet stelt dat ingrijpende wijzigingen en beschadigingen van de bodem, de strooisel-, kruid- of boomlaag verboden zijn. Artikel 97, §
- 1° van het Bosdecreet stelt dat het oprichten van constructies in privébos verboden zijn, tenzij mits machtiging van ANB. Het instandhouden van constructies is eveneens verboden indien deze gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Artikel 13, § 4, van het Natuurdecreet stelt dat het wijzigen van de vegetatie of het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan, voor zover de Vlaamse regering die wijzigingen niet verbiedt, afhankelijk is van het verkrijgen van een vergunning indien gelegen in natuurgebied. Artikel 25, § 3.2° van het Natuurdecreet stelt dat: - het wijzigen van vegetatie, met inbegrip van meerjarige cultuurgewassen of kleine landschapselementen; - het wijzigen van het reliëf van de bodem verboden is, behoudens een algemene of individuele ontheffing verleend door ANB. Artikel 7.5° van het Natuurbesluit verbiedt het wijzigen van vennen. De onder punt 5° vermelde vegetaties worden nader omschreven in bijlage V bij het Natuurbesluit. De beroepsindieners stellen dat bij het opleggen van de bestreden beslissing en de opmaak van het proces-verbaal geen rekening werd gehouden met de status als beschermd bouwkundig erfgoed. De stallingen werden opgericht met het oog op het vrijwaren van de zichtassen, zoals bepaald in het landschapsbeheerplan. De beroepsindieners betwisten niet dat er twee fietsenstallingen en een barrelsauna opgericht werden in het bos. De sauna zou intussen wel verwijderd zijn. De fietsenstallingen zijn gelegen op circa 30 meter van het kasteel en zijn niet vergunningsplichtig volgens artikel 2.1.11° van het Vrijstellingsbesluit. Bovendien werden de constructies meer dan 10 jaar geleden opgericht en is de oprichting ervan dus verjaard. Noch de bescherming van het domein als bouwkundig erfgoed, noch de bepaling uit het Vrijstellingsbesluit doen afbreuk aan artikel 97, § 2.1° van het Bosdecreet dat het oprichten en instandhouden van constructies in een bos verbiedt, behoudens machtiging van ANB. Bijgevolg hadden de beroepsindieners over deze machtiging moeten beschikken alvorens het oprichten en instandhouden van de fietsenstallingen en barrelsauna, zelfs in de hypothese dat er een vrijstelling van een vergunning gold. In het dossier zijn geen aanwijzingen terug te vinden over de oprichtingsdatum van de fietsenstallingen. In het voordeel van de beroepsindieners wordt daarom uitgegaan dat de fietsenstallingen meer dan vijf jaar geleden opgericht werden. Echter gezien de fietsenstallingen tot op heden nog steeds in stand worden gehouden en gelet op de ligging in natuurgebied (met wetenschappelijke waarde) is er wel degelijk een schending van artikel 97, § 2.1° van het Bosdecreet. Onder titel 5 ‘beheervisie en doelstellingen’ in het landschapsbeheerplan wordt bovendien vermeld dat de doelstelling het behoud en openhouden van de zichtassen is, met respect voor het Bosdecreet. Hieruit blijkt dus dat de bepalingen van het Bosdecreet nageleefd dienen te worden bij de uitvoering ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.728 VII-42.213-7/14 van het landschapsbeheerplan. Noch in het landschapsbeheerplan, noch in het uitgebreid bosbeheerplan worden de fietsenstallingen vermeld. Voor de oprichting en instandhouding ervan is dus een machtiging vereist. De grote berging staat niet in het bos zelf, maar ernaast. Deze berging werd niet opgenomen in de stedenbouwkundige vergunning en is gelegen in VEN- gebied. Volgens de beroepsindieners is ook deze berging vrijgesteld van vergunning gezien deze gelegen is op circa 30 meter van het kasteel. Het landschapsbeheerplan maakt geen melding van het oprichten van een berging. Gezien de berging gelegen is in VEN-gebied is er, conform artikel 25, § 3 van het Natuurdecreet, een ontheffing vereist. Door het oprichten van deze berging wordt de vegetatie immers gewijzigd. Het Vrijstellingsbesluit doet evenmin afbreuk aan de bepalingen van het Natuurdecreet. Ook de status als bouwkundig erfgoed betekent geenszins dat er zomaar constructies in VEN-gebied mogen opgericht worden zonder ontheffing. Wat betreft de moestuin werpen de beroepsindieners op dat deze voorzien werd in het landschapsbeheerplan, waarbij ANB een positief advies gaf, waardoor er geen afzonderlijke toelating meer aangevraagd moest worden volgens artikel 6.4.4, § 1 van het Onroerenderfgoeddecreet. Artikel 6.4.4, § 1.1° van het Onroerenderfgoeddecreet stelt dat handelingen aan of in beschermde goederen die door de Vlaamse Regering opgelijst zijn of die zijn opgenomen in het beschermingsbesluit waarvoor geen omgevingsvergunning of geen vergunning, geen toelating, geen machtiging, geen ontheffing of geen afwijking is vereist overeenkomstig het Bosdecreet of het Natuurdecreet niet kunnen worden aangevat zonder toelating van het agentschap of in voorkomend geval, van de erkende onroerenderfgoedgemeente waar het beschermde goed ligt, tenzij ze zijn vrijgesteld in een beheerplan dat overeenkomstig artikel 8.1.1 van dit decreet is goedgekeurd. In het landschapsbeheerplan wordt inderdaad uitgebreid voorzien in de aanleg van een moestuin. Het beheerplan stelt bovendien dat er nog een toelating moet gevraagd worden voor het voorzien van parkeerplaatsen en voor het kappen van bomen anders dan die voorzien in het bosbeheerplan of in het landschapsbeheerplan (en stelt dus niet dat er nog toelating moet worden gevraagd voor de moestuin). Bijgevolg werd voor de aanleg van de moestuin toelating verleend in het landschapsbeheerplan conform artikel 6.4.4, § 1.1° van het Onroerenderfgoeddecreet. De beroepsindieners stellen eveneens dat de toegangsweg al decennia bestaat en het landschapsbeheerplan voorziet om de dreven te behouden waardoor de eis om de dreef te laten bebossen strijdig is met het beheerplan. Ook ligt geen bewijs voor dat de beroepsindieners de verharding met steenslag hebben aangebracht. Het landschapsbeheerplan beschrijft de aanwezigheid van verschillende dreven, waarvan sommige in de loop der jaren toegegroeid zijn. Achteraan in het bosgedeelte, langs de bosweg aan de westelijke grens van het domein is nog enige dreefstructuur herkenbaar, maar deze dreef werd doorheen de jaren niet voldoende vrijgesteld. Onder hoofdstuk 6 ‘beheerrichtlijnen en - maatregelen’ wordt gesteld dat de dreven behouden blijven en vervangen wanneer te veel uitval. De toegangsweg waarvan sprake in het proces-verbaal lijkt te gaan over de dreef aanwezig in het bosgedeelte. Er zijn geen aanwijzingen dat deze dreef ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.728 VII-42.213-8/14 door de beroepsindieners werd aangelegd en/of verhard waardoor het verwijderen ervan niet opgelegd kan worden. Beroepsindieners betwisten dat er zich een historisch ven bevond. Het zou gaan om een kasteelvijver die deels verland was. Op de biologische waarderingskaart wordt de achtvormige waterplas gekarteerd als ‘ae’ (eutroof water). Bijlage V van het Natuurdecreet duidt bij ‘vennen’ enkel de vegetaties met kartering ‘ao’ (oligotroof tot mesotroof water) en ‘ce’ (vochtige of natte dopheidevegetatie) als verboden te wijzigen vegetaties aan. De waterplas wordt bijgevolg niet beschouwd als een verboden te wijzigen vegetatie in de zin van artikel 7 van het Natuurbesluit. Dit wordt mede ondersteund door de beschrijving van de vijvers in het landschapsbeheerplan […] waarbij gemeld wordt dat vijver 1 voor het eerst duidelijk zichtbaar is op de luchtfoto van 1948 en in de vernauwing voorzien werd van een brugje. In 1905 is er op de verkoopbeschrijving sprake van ‘vijvers’, de tweede vijver was toen ook al aanwezig. Het brugje over vijver 1 is duidelijk zichtbaar op een plan uit
- Deze vijvers werden aangelegd in de loop van de geschiedenis van het domein. De laatste decennia hadden ze een eerder ecologische functie als waterpartijen in het bos. Doelstelling is om deze vijvers te behouden, enerzijds als cultuurhistorisch element, anderzijds in hun ecologische functie als open plek in het bos. Er zijn geen aanwijzingen dat de waterplassen historische vennen betreffen en bijgevolg wordt geen schending van artikel 7.5° van het Natuurbesluit weerhouden in hoofde van de beroepsindiener. Inzake de schending van de redelijke termijn Volgens beroepsindieners zijn de feiten verjaard en werd de redelijke termijn overschreden gezien sommige constructies al bijna 10 jaar op de site staan en gekend zijn door de overheid. Conform artikel 16.4.8bis, § 1 DABM kunnen bestuurlijke maatregelen niet meer worden opgelegd als er meer dan twintig jaar is verstreken nadat de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf werd gepleegd. Hoewel het exacte tijdstip waarop de feiten gepleegd werden niet blijkt uit het dossier, kan ervan uitgegaan worden dat de feiten nog geen twintig jaar geleden werden gepleegd, mede gelet op de stedenbouwkundige vergunning die verleend werd in 2014 en het landschapsbeheerplan dat goedgekeurd werd in
- In casu is er dus geen overschrijding van de redelijke termijn voor wat betreft het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Gelet op al het voorgaande kan besloten worden dat het niet kennelijk onredelijk of disproportioneel is om de beroepsindieners op te leggen de constructies in het bos en de berging gelegen in VEN-gebied te verwijderen. Deze werden noch voorzien in het landschapsbeheerplan, noch in het bosbeheerplan en enige machtiging of ontheffing ervoor ontbreekt.” VII-42.213-9/14 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 16.4.5 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker zet uiteen dat de bestuurlijke maatregelen door het Agentschap voor Natuur en Bos initieel werden opgelegd aan verschillende mede- eigenaars/bewoners van de site Boterberg en niet aan de ‘Vereniging van Mede- eigendom van het complex De Boterbergen te Kalmthout’ (hierna: VME) die rechtspersoonlijkheid heeft en dat, hoewel in het kader van de bestuurlijke beroepsprocedure werd benadrukt dat de bergingen in kwestie behoren tot de gemeenschappelijke ruimtes van het cohousingproject en niet tot zijn privatief deel, de verwerende partij desondanks geen enkel onderzoek heeft gewijd aan de zakenrechtelijke toestand van de bergingen.
- Verzoeker beklemtoont in zijn memorie van wederantwoord dat een VME niet valt onder het toepassingsgebied van het Wetboek van Economisch Recht (WER) zodat de jaarrekeningen ervan niet bekendgemaakt moeten worden in het Belgisch Staatsblad en dat de aanstelling van een syndicus evenmin moet worden gepubliceerd. Daarentegen wordt in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) wel het adres van de VME vermeld, zodat deze in het kader van de procedure tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen kon worden aangeschreven. Volgens verzoeker moet hij als particulier niet instaan voor de verdediging van de belangen van de juridisch aan te spreken VME. VII-42.213-10/14 Uit het feit dat hij destijds een stedenbouwkundige vergunning voor het project heeft aangevraagd, kan niet worden besloten dat hij ook de uitvoerder of de opdrachtgever is van de niet door deze vergunning gedekte werken, te meer omdat een stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning verleend wordt onder voorbehoud van de zakelijke rechten over de betrokken onroerende goederen. Derhalve volstaat het niet dat bij wege van automatisme aangenomen wordt dat de aanvrager van een vergunning tevens de opdrachtgever is van werken die zonder vergunning worden uitgevoerd. Beoordeling
- Artikel 16.4.5 DABM bepaalt dat na de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd ten aanzien van degene die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf uitmaken. Uit voormelde bepaling volgt niet dat enkel de VME kan worden aangesproken voor het uitvoeren van bestuurlijke maatregelen die strekken tot het verwijderen van wederrechtelijk opgerichte constructies die behoren tot de gemeenschappelijke delen van een cohousingproject. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In dit geval worden de bestreden bestuurlijke maatregelen enkel tot verzoeker gericht omdat hij door de verwerende partij aangemerkt wordt als ‘overtreder’, meer bepaald doordat hij in 2014 een stedenbouwkundige vergunning heeft aangevraagd voor de renovatie, restauratie en reconversie van het kasteel Boterberg en bijgebouwen en hij “bijgevolg beschouwd kan worden als de opdrachtgever van de werkzaamheden”. Aangezien verzoeker in het op 22 september 2023 ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring zelf stelt dat “de bergingen er al tien jaar staan”, terwijl de VME volgens de gegevens in de KBO pas medio 2015 werd opgericht, kan niet aangenomen worden dat de verwerende partij op grond van motieven die ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.728 VII-42.213-11/14 in rechte of in feite onaanvaardbaar zijn, tot het besluit is gekomen dat enkel verzoeker aangeduid moet worden als de persoon die de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf heeft gepleegd en/of de opdracht daartoe heeft gegeven in de zin van artikel 16.4.5 DABM. Gelet op wat voorafgaat, is het niet pertinent dat in de motieven van de bestreden beslissing niet wordt ingegaan op de zakenrechtelijke toestand van de kwestieuze bergingen.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 16.4.7 DABM, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker merkt op dat in het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing als bestuurlijke maatregel wordt opgelegd om de barrelsauna uit het bos te verwijderen, terwijl in de motivering van dezelfde beslissing wordt gesteld dat die sauna intussen uit het bos werd verwijderd. Volgens hem wordt hiermee aangetoond dat de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid werd genomen en ze niet gedragen wordt door een afdoende motivering.
- Verzoeker benadrukt in de memorie van wederantwoord dat de verwerende partij geen onderzoek heeft verricht naar aanleiding van zijn verklaring in een e-mailbericht van 13 februari 2023 en in het beroepschrift dat de barrelsauna uit het bos werd verwijderd, meer bepaald door de juistheid van deze verklaring ter plaatse te controleren, zodat de verwerende partij blijkt geeft van een onzorgvuldige besluitvorming door met de bestreden beslissing een bestuurlijke maatregel op te leggen die feitelijk achterhaald is en dus elke relevantie mist. VII-42.213-12/14 Beoordeling
- Naar luid van artikel 97, § 2, 1°, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 is het, zonder toestemming van de bosbeheerder en machtiging van het Agentschap voor Natuur en Bos of zonder dat het voorzien is in het goedgekeurd beheersplan, in alle privé-bossen verboden “keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden op te richten en in stand te houden, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn”. Het bevel om een constructie te verwijderen, die zonder de vereiste toelating of machtiging in een bos werd opgericht, strekt tot het beëindigen van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf en vormt aldus een bestuurlijke maatregel in de zin van artikel 16.4.7, § 1, 1°, DABM. De omstandigheid dat die maatregel feitelijk reeds zou zijn uitgevoerd, maakt het bevel desgevallend zinledig, maar kan bij gebrek aan belang niet tot de nietigverklaring leiden van de bestuursbeslissing waarbij die zinledige maatregel werd opgelegd.
- Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.213-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.213-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.728 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div