← België

Arrest 265745 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 13/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.745 Rolnummer: A. 245043/IX-10680 Zaak: Arrest 265745 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 13/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-17 Raadplegingen: 157 - laatst gezien 2026-06-18 06:31 Fiche Arrest nr 265.745 van 13 februari 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.745 van 13 februari 2026 in de zaak A. 245.043/IX-10.680 In zake: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liesbeth Van Schoubroeck kantoor houdend te 1020 Brussel Esplanade 1/88 woonplaats kiezend te 1060 Brussel Secretariaat Van De Commissies Voor Vergoedingspensioenen Zuidertoren - Europaesplanade 1 tegen: XXX woonplaats kiezend te -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 juni 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen van 6 mei 2025 waarbij het beroep van de verwerende partij ontvankelijk en gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 24 juni
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.680-1/12 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari
  4. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Liesbeth Van Schoubroeck, die verschijnt voor de verzoekende partij, en de verwerende partij zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 12 november 2022 dient de verwerende partij een aanvraag in tot erkenning van het letsel ‘massieve bilaterale longembolie’ als een verwikkeling van het letsel ‘recidief diepe veneuze trombose linker kuit’. Op 19 maart 2024 beslist de commissie voor vergoedingspensioenen dat het letsel kan worden erkend als een gedeeltelijke verwikkeling van een erkend letsel en wordt het aan dit letsel toerekenbare IX-10.680-2/12 invaliditeitspercentage vastgesteld op 2% (zijnde 10% met een aftrek van 8% ten gevolge van latere vreemde factoren). 3.
  7. Met een aangetekend schrijven van 10 april 2024 tekent de verwerende partij tegen deze beslissing beroep aan bij de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen (hierna: de commissie van beroep). Het beroepschrift is niet ondertekend. 3.
  8. De Gerechtelijk Geneeskundige Dienst van Beroep (‘GGDB’) stelt op 3 juni 2024 een verslag op, waarna de commissaris-verslaggever van de commissie van beroep een advies formuleert. Op de terechtzitting van de commissie van beroep van 30 september 2024 wordt de zaak uitgesteld om aan de verwerende partij de mogelijkheid te geven het beroepschrift te regulariseren. Het zittingsblad vermeldt: “Per beroepsschrift dd. 10-04-2024 stelde verzoeker beroep in tegen de beslissing van de Commissie voor Vergoedingspensioenen dd. 19-03-
  9. Deze beslissing werd betrokkene aangetekend verzonden op datum van 27- 03-2024, waardoor het beroepsschrift van 10-04-2024 binnen de wettelijke termijn van 60 dagen valt zoals voorzien door artikel 45, § 4 SWVP. Overeenkomstig het artikel 10 van het besluit van de Regent 15 juni 1949 moet het verzoekschrift voor beroep ondertekend zijn door belanghebbende; Aan deze vormvereiste is niet voldaan; Met het oog op een goede en loyale rechtsbeschikking dient de onregelmatigheid die bestaat uit het ontbreken van een handtekening te worden rechtgezet door een ondertekening van de akte op de zitting of binnen de termijn door de Commissie bepaald toe te staan, zoals dit ook mogelijk is in de gemeenrechtelijke procedures (art 863 Gerechtelijk Wetboek). Geeft de mogelijkheid aan de verzoeker om zijn verzoekschrift binnen de twee maanden van de uitspraak te regulariseren door het aanbrengen van zijn handtekening. De zaak wordt voor onbepaalde tijd uitgesteld voor verdere behandeling.” 3.
  10. Diezelfde 30 september 2024 ondertekent de verwerende partij haar beroepschrift. IX-10.680-3/12 3.
  11. Op 6 mei 2025 beslist de commissie van beroep dat het letsel ‘longembolie’ wordt erkend als zijnde een gedeeltelijke verwikkeling van het letsel ‘recidief diepe veneuze trombose linker kuit’ en wordt aan verwerende partij een voorlopig vergoedingspensioen toegekend, vastgesteld op grond van de meervoudige berekening bedoeld in artikel 9, § 3, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, van 30%. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  12. De verwerende partij doet in de memorie van antwoord gelden dat de commissie van beroep “misleidend en in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel” handelt door eerst toe te staan dat het beroepschrift op haar terechtzitting van 30 september 2024 alsnog wordt ondertekend en vervolgens tegen die beslissing een cassatieberoep in te stellen.
  13. De verwerende partij dwaalt wat de hoedanigheid van de partijen in de huidige cassatieprocedure betreft. De partijen in een cassatieprocedure voor de Raad van State zijn dezelfde partijen als die welke in het geding waren voor het bestuursrechtscollege waarvan de beslissing het voorwerp van het cassatieberoep uitmaakt. Die partijen waren te dezen enerzijds de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen, thans de verzoekende partij in cassatie en anderzijds de verwerende partij in cassatie, wier aanwijzing van rechtswege volgt uit de hoedanigheid die deze partij voor het administratief rechtscollege had als tegenpartij van de verzoekende partij in cassatie. Het cassatieberoep gaat, anders dan de verwerende partij meent, niet uit van de commissie van beroep als bestuursrechtscollege, maar van de Belgische Staat. De argumentatie van de verwerende partij ter zake is dan ook niet dienend. IX-10.680-4/12 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  14. In een enig middel beroept de verzoekende partij zich op een schending van artikel 10 van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 ‘tot bepaling van de rechtspleging voor de commissies voor vergoedingspensioenen’ (hierna: het besluit van de Regent van 15 juni 1949), al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 863 van het Gerechtelijk Wetboek, “[d]oor betrokkene op de zitting van de commissie van beroep op 30-09-2024 de mogelijkheid te geven zijn beroep alsnog te ondertekenen”. In wat als een eerste middelonderdeel kan worden beschouwd, verwijst de verzoekende partij in haar uiteenzetting naar de procedure vóór de GGDB zoals die is uitgewerkt in de artikelen 10 tot en met 14 van het besluit van de Regent van 15 juni
  15. Zij acht het onduidelijk in welke mate de volgens haar correcte toepassing van de wet de goede en loyale rechtsbeschikking in de weg staat. Zij stelt, met verwijzing naar arrest nr. 178.082 van 20 december 2007, dat de procedure voor de commissie van beroep derwijze verloopt dat zij het dossier pas beoordeelt nadat het door de GGDB is bestudeerd. Het is volgens de verzoekende partij bijgevolg precies door aan de verwerende partij de mogelijkheid te bieden om “retroactief” – en ná kennisname van de besluiten van de GGDB en het advies van de commissaris-verslaggever – het beroepschrift te ondertekenen dat de goede rechtsbedeling in het gedrang komt. In wat voorkomt als een tweede middelonderdeel is de verzoekende partij van oordeel dat de toepassing van artikel 863 van het Gerechtelijk Wetboek onverenigbaar is met de procedure zoals voorgeschreven door de artikelen 10 tot en met 14 van het besluit van de Regent van 15 juni
  16. Zij betoogt dat uit artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de in dat wetboek gestelde regels niet van toepassing zijn op rechtsplegingen waarop andere, niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen van toepassing zijn, of IX-10.680-5/12 rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. In het voorliggende geval, zo stelt de verzoekende partij, moet worden vastgesteld dat artikel 863 van het Gerechtelijk Wetboek deel uitmaakt van de titel ‘burgerlijke rechtspleging’ van dat wetboek, terwijl het administratief recht in zijn geheel en de rechtspleging voor de commissie van beroep in het bijzonder wordt geregeld door de specifieke bepalingen van de wetten die deze inrichten, ten aanzien waarvan het gerechtelijk recht slechts een aanvullend karakter kan hebben. Zij verwijst ter zake naar rechtspraak van de Raad van State en stelt dat in de procedure vóór de commissie van beroep de ondertekening van het beroepschrift een substantiële vormvereiste is. Beoordeling a. eerste middelonderdeel 7.
  17. De verzoekende partij betoogt dat de procedure voor de commissie van beroep in de artikelen 11 en volgende van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 derwijze is uitgeschreven dat de commissie van beroep zich slechts over het dossier, en dus ook over de ontvankelijkheid ervan, mag uitspreken nadat het door de GGDB is onderzocht. 7.
  18. Daargelaten dat de verzoekende partij in de aanhef van het middel niet de schending van de artikelen 11 en volgende van het vóórmelde regentsbesluit aanvoert, moet worden vastgesteld dat de commissie van beroep zich te dezen op 30 september 2024 (verlenen van een uitstel) en op 6 mei 2025 (eindbeslissing) heeft uitgesproken, zijnde ná het verslag van de GGDB van 3 juni
  19. Voor zover de verzoekende partij het anders ziet, mist het middelonderdeel feitelijke grondslag. IX-10.680-6/12 7.
  20. In het door de verzoekende partij aangehaalde arrest nr. 178.082 van 20 december 2007 oordeelde de Raad van State dat geen wettelijke of reglementaire bepaling het bestuur (waarmee in dat arrest werd bedoeld: de administratieve diensten die de functie van secretariaat van de commissie van beroep waarnemen) ertoe verplicht om een belanghebbende erop te wijzen dat het door hem ingediende beroepschrift niet is ondertekend en dat een dergelijk welwillend attenderen – waaraan in dat geval overigens laattijdig gevolg werd gegeven – het rechtscollege niet bindt. Dat bracht de Raad van State in het voormelde arrest tot de overweging dat de stappen die een welwillend ambtenaar eigenmachtig heeft gezet om het beroepschrift alsnog geregulariseerd te krijgen en de eventuele vergissingen die daarbij zouden zijn begaan, niet aan de commissie van beroep kunnen worden aangerekend. Aangezien te dezen zowel de beslissing tot het verlenen van een uitstel als de beslissing inzake de ontvankelijkheid uitgaan van de commissie van beroep en ze, zoals gezien, werden genomen ná het verslag van de GGDB, is het voormelde arrest zonder relevantie voor het huidige geschil. 8.
  21. Voorts voert de verzoekende partij aan dat de “goede en loyale rechtsbeschikking” niet ermee is gediend dat de aanvrager van een vergoedingspensioen wordt toegelaten om ná de kennisname van de besluiten van het beroepscollege van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst en van het advies van de commissaris-verslaggever zijn beroepschrift nog te regulariseren, omdat die aanvrager bij het alsnog ondertekenen van dat beroepschrift dan “niets te verliezen en alles te winnen” heeft. 8.
  22. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is de Raad van State bevoegd om uitspraak te doen bij wijze van arresten over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. IX-10.680-7/12 De “goede en loyale rechtsbeschikking” is noch een wettelijk verankerd voorschrift, noch een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm. 8.
  23. In dat opzicht is het middelonderdeel onontvankelijk.
  24. Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. b. tweede middelonderdeel
  25. De rechtspleging voor de commissie van beroep is op eigen regels gegrond, zodat het Gerechtelijk Wetboek hierop niet van toepassing is. Voor de aspecten waarvoor in de rechtspleging voor de commissie van beroep geen regeling is vastgesteld, vormen de regels van dat wetboek wel aanvullend recht op grond van artikel 2 ervan.
  26. Artikel 10, § 1, van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 luidt, voor zover hier relevant, als volgt: “Het door de belanghebbende ingesteld verhaal moet niet met redenen omkleed zijn. Dit verhaal moet ondertekend zijn door de belanghebbende of, indien hij overleden is, door de persoon die er belang bij heeft het geding voort te zetten.” De artikelen 860 en 863 van het Gerechtelijk Wetboek luiden: “Artikel 860 Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, noch kan het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, worden gesanctioneerd, indien de wet de sanctie niet uitdrukkelijk heeft bevolen. […]” “Artikel 863 In alle gevallen waarin de ondertekening vereist is voor de geldigheid van een proceshandeling kan het gebrek van de handtekening worden IX-10.680-8/12 geregulariseerd ter zitting of binnen een door de rechter vastgestelde termijn.”
  27. Gelet op artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek past de commissie van beroep terecht artikel 863 van het Gerechtelijk Wetboek toe op een beroep waarvan zij vaststelt dat het niet is ondertekend. Noch artikel 10, § 1, noch enige andere bepaling van het besluit van de Regent van 15 juni 1949 schrijft immers voor of aan de niet-ondertekening van een bij de commissie van beroep ingediend beroepschrift enige sanctie moet worden verbonden, zodat het Gerechtelijk Wetboek als aanvullend recht van toepassing is. Het betoog van de verzoekende partij dat de ondertekening van het beroep een substantiële vormvereiste is, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Uit de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek blijkt immers dat de wetgever met de invoering van artikel 860 de bedoeling heeft gehad het beginsel ‘geen nietigheid zonder tekst’ “zijn absolute waarde” terug te geven “door de aanwending te verbieden van het begrip van substantiële formaliteit of van onbestaande handeling waardoor de rechtspraak zich het recht toekende, nietigheden uit te spreken waarmee de wet niet uitdrukkelijk dreigt” (Ch. Van Reepinghen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Senaat 1963-1964, nr. 60, 208).
  28. Uit wat voorafgaat, volgt dat de commissie van beroep de bestreden beslissing op juiste wijze verantwoordt aan de hand van artikel 863 van het Gerechtelijk Wetboek, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 860 van dat wetboek.
  29. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. IX-10.680-9/12 c. besluit
  30. Het eerste middel is in zijn geheel, voor zover ontvankelijk, ongegrond. VI. Eis tot schadevergoeding tot herstel
  31. In een ‘bijlage’, door de griffie ontvangen op 6 januari 2026, vermeldt de verwerende partij onder de titel ‘Schade en procedurele ongelijkheid’ dat zij eensdeels een “moreel en materieel nadeel” heeft geleden doordat zij alle processtukken moest vertalen en dat zij anderdeels ten gevolge van laattijdige betalingen sinds november 2022 een financieel nadeel lijdt van “178 EUR per maand, te indexeren overeenkomstig de wet”.
  32. Voor zover de verwerende partij aldus beoogt een schadevergoeding tot herstel te verkrijgen, moet erop worden gewezen dat een dergelijke vordering overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State enkel kan worden ingesteld door een verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3 van die wetten. Zulk een vordering kan derhalve niet worden ingesteld in het kader van een cassatieprocedure.
  33. De vordering is niet ontvankelijk. VII. Kosten
  34. De verwerende partij verzoekt om de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding “van 770 EUR, overeenkomstig artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek”. IX-10.680-10/12
  35. Daargelaten dat de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding in de procedure vóór de Raad van State is geregeld in artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en de door de verwerende partij ingeroepen bepaling van het Gerechtelijk Wetboek derhalve niet van toepassing is, moet worden opgemerkt dat de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding krachtens het voormelde artikel 30/1 is voorbehouden aan de in het gelijk gestelde partij die werd bijgestaan door een advocaat.
  36. De verwerende partij kan weliswaar worden beschouwd als de “in het gelijk gestelde partij”, maar zij werd niet bijgestaan door een advocaat en kan derhalve op een rechtsplegingsvergoeding geen aanspraak maken. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  38. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
  39. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verwerende partij niet bekendgemaakt. IX-10.680-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.680-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.745 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.