id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.757 Rolnummer: A. 242546/X-18778 Zaak: Arrest 265757 - Plannen van aanleg - 13/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-16 Raadplegingen: 163 - laatst gezien 2026-06-18 06:32 Fiche Arrest nr 265.757 van 13 februari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.757 van 13 februari 2026 in de zaak A. 242.546/X-18.778 In zake :
- de BV V.D.
- de BV V.H.
- de BV M.I. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joëlle Gillemot kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48/101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de GEMEENTE ESSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Essen van 27 februari 2024 houdende de definitieve vaststelling van het Beleidsplan Ruimte Essen. II. Verloop van de rechtspleging
- De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. X-18.778-1/14 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 januari
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Roxane Rouffart, die loco advocaten Reiner Tijs en Joëlle Gillemot verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Dylan Vercammen, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn bedrijven die eigenaar zijn van, en/of gevestigd zijn op, percelen gelegen aan de Steenovenstraat te Essen (hierna: verzoekers’ percelen): X-18.778-2/14 De tweede verzoekende partij is gevestigd op, en eigenaar van, het rechter perceel (gezien vanaf de Steenovenstraat). Ook de eerste verzoekende partij is op dit perceel gevestigd. De derde verzoekende partij is eigenaar van het linker perceel, dat aan een ander bedrijf is verhuurd. 3.
- Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout zijn verzoekers’ percelen gelegen in een gebied voor milieubelastende industrie: X-18.778-3/14 3.
- Op 28 maart 2023 stelt de gemeenteraad van de gemeente Essen het beleidsplan Ruimte, bestaande uit een strategische visie en de beleidskaders ‘levendige kernen’ en ‘open ruimte’, voorlopig vast. 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 27 juli 2023 wordt melding gemaakt van de voorlopige vaststelling van het beleidsplan Ruimte. Vermeld wordt dat het van 27 juli 2023 tot 24 oktober 2023 kan worden ingekeken en dat er tijdens deze periode bezwaren kunnen worden ingediend. De verzoekende partijen dienen een bezwaarschrift in. 3.
- Op 18 december 2023 brengt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Essen (hierna: de Gecoro) over het X-18.778-4/14 voorgenomen beleidsplan Ruimte een advies uit. Het bezwaar van de verzoekende partijen wordt in dit advies als volgt weergegeven: “6 Steenovenstraat 6.1 Bezwaarindiener 77 De percelen van de bezwaarindieners zijn gelegen langs [de] Steenovenstraat in Essen [en] liggen conform het origineel gewestplan Turnhout voornamelijk binnen een gebied voor milieubelastende industrieën. Er is ook een overdruk ‘waterwinningsgebieden’ van toepassing. Dit zijn gebieden waar ten aanzien van de uitvoering van handelingen en werken beperkingen kunnen worden opgelegd met het doel de waterwinning te beschermen (drinkwater, industriewater, bronwater). Volgens het beleidsplan ruimte zullen de percelen van de bezwaarindieners als open ruimte (bos- en heidelandschap) worden ingetekend. Hoewel ruimtelijke beleidskaders niet verordenend zijn, zal de vergunningverlenende overheid zich bij de vergunningverlening wel schikken naar deze beleidskaders. Dit kan bijvoorbeeld door de principes en beleidskeuzes als ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen’ te beschouwen in functie van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Het beleidsplan ruimte zal tevens als leidraad worden gebruikt voor de behandeling van omgevingsvergunningsaanvragen. Het voorliggend beleidsplan ruimte Essen zal dan ook onbetwistbaar een impact hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van bezwaarindieners op hun percelen. Bezwaarindieners stellen vast dat de betrokken percelen doorheen het beleidsplan als ‘ontwikkeld’ worden beschouwd maar verder wel als open ruimte worden ingedeeld. Bovendien lijkt er geen rekening gehouden te zijn met de functie en het belang van deze percelen. Het komt bezwaarindieners voor dat deze percelen minstens ‘als te onderzoeken’ hadden moeten worden aangeduid en diende er bijkomend onderzoek te gebeuren in het beleidsplan zelf. De bezwaarindieners zijn van oordeel dat het ontwerp beleidsplan ruimte Essen het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel alsook het eigendomsrecht schenden. Bezwaarindieners zijn ervan overtuigd dat aan deze bezwaren tegemoet kan worden gekomen door het ontwerp beleidsplan ruimte aan te passen en het bedrijventerrein waarbinnen bezwaarindieners gelegen zijn als ‘bebouwde ruimte’ op te nemen in plaats van ‘open ruimte’. - Er dient duidelijkheid te komen over de mogelijkheden/beleidsvisie voor wat betreft de reeds ontwikkelde bedrijventerreinen. Het kan niet de bedoeling zijn dat de gevestigde bedrijven zouden worden benadeeld en dus minder ontwikkelingsmogelijkheden zouden hebben omwille van het betrokken beleidsplan en de ligging in ‘open ruimte’. - De gebouwen van de bezwaarindieners zijn vergund en zijn gelegen binnen een gewestplanconforme bestemming. Bezwaarindieners wensen hier optimaal van gebruik te maken.” X-18.778-5/14 Als antwoord op het bezwaar van de verzoekende partijen wordt in het advies gesteld: “De Gecoro stelt geen nieuwe aanpassingen aan het ontwerp beleidsplan ruimte Essen voor maar verwijst naar aanpassing 8.” ‘Aanpassing 8’ betreft een aanpassing van het beleidsplan Ruimte die de Gecoro naar aanleiding van het advies van de provincie Antwerpen voorstelt. Het Gecoro-advies vermeldt in dat verband: “Duidelijkheid voor kleine bedrijven in de open ruimte De gemeente werkt met een kaart van de open en bebouwde ruimte. De strategische visie voorziet een hoofdstuk dat de gevolgen voor de opname in de open ruimte meegeeft (blz. 62 - 63). Er zijn verschillende (kleinere) bedrijvenzones die op de betreffende kaart worden opgenomen in de ‘open ruimte’. Deze bedrijven zijn niet per definitie slecht gelegen. De principes op blz. 62 - 63 zijn onvoldoende duidelijk omschreven om te weten wat de toekomstperspectieven zijn voor deze bedrijvenzones. Het beleidskader ‘open ruimte’ gaat in op de beleidsgevolgen (blz. 26 en volgende) maar voor het eerste punt, het minimaliseren van het bijkomend ruimtebeslag […], worden enkel uitspraken gedaan voor woongebied, woonuitbreidingsgebied, vervallen leegstaande woningen, recreatiegebieden en gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en agrarische gebieden. De bedrijvenzones zijn de grote afwezigen. Er is ook voor deze ruimtecategorie duidelijkheid nodig. De Gecoro begrijpt de bekommernis van de provincie en wenst dat het beleid voor de kleinere bedrijventerreinen (bijvoorbeeld Wildert west) die in de open ruimte zijn opgenomen (cf. kaart aanduiding open ruimte en bebouwde ruimte) in het beleidsplan ruimte Essen wordt verduidelijkt. Aanpassing 8 De Gecoro adviseert om de beleidsgevolgen voor bedrijven in de open ruimte te verduidelijken in het beleidskader ‘open ruimte’ (blz. 28) door volgende paragraaf toe te voegen. ‘Bestaande juridisch bestemde bedrijventerreinen (gewestplan, BPA of RUP) die vrij geïsoleerd in de open ruimte liggen, zoals bijvoorbeeld Wildert-west, kunnen behouden blijven. Uitbreiding van deze bedrijventerreinen in de open ruimte is niet mogelijk. Deze terreinen liggen immers geïsoleerd in waardevolle open ruimte gebieden. Bestaande bedrijven moeten wel uitbreidingsmogelijkheden krijgen op eigen terrein. Terreinen mogen echter niet opdeelbaar zijn en een vermeerdering van bedrijven is niet gewenst. Voor bedrijven die voorwerp uitmaken van het BPA ‘zonevreemde bedrijven’, geldt het ontwikkelingsperspectief dat in de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA is vastgelegd. Zonevreemde bedrijven die in de open ruimte zijn opgenomen, behouden hun basisrechten. Ruimtelijke uitbreidingen zijn echter niet gewenst. Zij zullen restrictief worden beoordeeld bij het X-18.778-6/14 aanvragen van een planologisch attest en dit in relatie tot het DNA van de landschappelijke eenheid waarin zij zijn gelegen.’” 3.
- Op 22 januari 2024 keurt het team Omgevingseffecten van de Vlaamse overheid het planmilieueffectrapport voor het beleidsplan Ruimte van de gemeente Essen goed. 3.
- Met het bestreden besluit van 27 februari 2024 stelt de gemeenteraad van de gemeente Essen het beleidsplan Ruimte, bestaande uit een strategische visie en de beleidskaders ‘levendige kernen’ en ‘open ruimte’, definitief vast. Van de bestreden beslissing wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 mei
- 3.
- Verzoekers’ percelen situeren zich overeenkomstig het bestreden beleidsplan Ruimte in een gebied dat is aangeduid als ‘open ruimte’ (hierna aangeduid met een blauwe pijl), dat zich situeert ten westen van de (in het rood) als ‘bebouwde ruimte’ aangeduide kern van Wildert: 3.
- De strategische visie van het bestreden beleidsplan definieert ‘open ruimte’ als volgt: X-18.778-7/14 “1.1.1 Open ruimte De open ruimte wordt beschouwd als een aanduiding van het geheel van robuust samenhangende gebieden waar de onbebouwde ruimte primeert. Het is bijgevolg niet zo dat er geen bebouwing in kan voorkomen. Geïsoleerde, versnipperde of uitwaaierende bebouwingsvormen die geen samenhangend geheel uitmaken, vormen een onderdeel van de open ruimte. Deze open ruimte gebieden vertonen een zekere samenhang die moet worden gevrijwaard en versterkt om veerkrachtig en robuust te zijn. Hun behoud is essentieel om in te spelen op toekomstige sociaaleconomische, klimatologische en maatschappelijke uitdagingen.” 3.
- Het beleidskader ‘open ruimte’ vermeldt, rekening houdend met het advies van de Gecoro, het volgende: “4.1.6 Bedrijvigheid Bestaande juridisch bestemde bedrijventerreinen (gewestplan, BPA of RUP) zoals bijvoorbeeld Wildert-west die in de open ruimte zijn opgenomen, kunnen behouden blijven. Uitbreiding van deze bedrijventerreinen in de open ruimte is niet mogelijk. Deze terreinen liggen immers geïsoleerd in waardevolle open ruimte gebieden. De bedrijventerreinen mogen niet verder verkaveld of niet verder opgedeeld worden voor vestiging van nieuwe bedrijven. De gevestigde bestaande bedrijven kunnen op hun bedrijventerrein nog verder uitbreiden voor zover de geldende wetgeving het toelaat op dat moment. Voor bedrijven die voorwerp uitmaken van het BPA ‘zonevreemde bedrijven’, geldt het ontwikkelingsperspectief dat in de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA is vastgelegd.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de excepties
- De eerste verwerende partij werpt drie ontvankelijkheidsexcepties op. 4.
- Ten eerste meent de eerste verwerende partij dat het beroep onontvankelijk is omdat het bestreden besluit niet als bijlage bij het verzoekschrift is gevoegd. X-18.778-8/14 4.
- Ten tweede meent de eerste verwerende partij dat de bestreden beslissing, die volgens haar geen bindende en verordenende voorschriften bevat, geen voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling uitmaakt. 4.
- Ten derde meent de eerste verwerende partij dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun beroep, nu de bestreden beslissing hen geen bouwverbod oplegt. Een uitbreiding voor bestaande bedrijven blijft mogelijk, voor zover aan de geldende wetgeving is voldaan. Evenmin legt de bestreden beslissing een verkavelingsverbod op of verbiedt het de opsplitsing van een bestaande vestiging in nieuwe bedrijven. Daarenboven is een verdere opsplitsing van verzoekers’ percelen feitelijk niet mogelijk bij gebrek aan ruimte daartoe. De verzoekende partijen voeren ten slotte niet aan dat zij de intentie zouden hebben om delen van hun percelen af te splitsen met het oog op de vestiging van nieuwe bedrijven. Beoordeling 5.
- Krachtens artikel 3, 3°, van het algemeen procedurereglement moet bij het verzoekschrift “een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen” zijn gevoegd. Bij het verzoekschrift werd de besluitenlijst van de gemeenteraad van de gemeente Essen van 27 februari 2024, maar niet de bestreden beslissing zelf, gevoegd. Er bestaat evenwel geen twijfel over het voorwerp van het beroep, nu de eerste verwerende partij de bestreden beslissing als stuk 1 heeft bijgebracht. Overigens brengen de verzoekende partijen de te dezen relevante passages uit het bestreden beleidsplan bij. De ontvankelijkheidsexceptie sub 4.1 wordt verworpen. 5.
- Het onderzoek van de ontvankelijkheidsexcepties sub 4.2 en 4.3 valt samen met de beoordeling van het eerste middel. X-18.778-9/14 V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 6.
- De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van de artikelen 1.1.2, 13°, 1.1.3 en 4.3.1, § 2, eerste lid, 2°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Zij bekritiseren onder meer dat het bestreden ruimtelijk beleidsplan een verordenend karakter heeft, waar het beleidskader ‘open ruimte’ bepaalt dat bedrijventerreinen niet verder mogen worden opgedeeld of verkaveld. 6.
- De eerste verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord, samenvattend, dat het middel onontvankelijk is omdat de verzoekende partijen niet gegriefd worden door de passage uit het beleidskader ‘open ruimte’ waaraan zij een verordend karakter toedichten. Het beleidskader ‘open ruimte’ bevat geen passages met een verordenend karakter. De betrokken visies en principes zullen moeten worden omgezet in verordende instrumenten zoals een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) of een stedenbouwkundige verordening. 6.
- De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord dat zij wel degelijk belang hebben bij het middel, gelet op het dwingend en verordenend karakter van de kwestieuze bepalingen. Uit de letterlijke lezing van deze bepalingen blijkt zeer duidelijk dat de bestaande bedrijventerreinen niet verder verkaveld of opgedeeld mogen worden. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat zij bij de beoordeling van vergunningsaanvragen zal aangewend worden. Beoordeling 7.
- Artikel 2.1.2, § 1, VCRO luidt: “Geen van de onderdelen van een beleidsplan heeft verordenende kracht.” X-18.778-10/14 De memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet ‘houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving’ licht toe dat “[h]et gebrek aan verordenende kracht van de beleidsplannen betekent dat ze geen rechtsgrond kunnen vormen bij de vergunningverlening”: “Het gebrek aan verordenende kracht van de beleidsplannen betekent dat ze geen rechtsgrond kunnen vormen bij de vergunningverlening. In het licht hiervan is het nuttig in te gaan op de relatie tussen de beleidsplannen en het vergunningenbeleid. In de decretale bepalingen over de ruimtelijke structuurplannen werd onverkort gesteld dat ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond vorm(d)en voor vergunningsaanvragen (huidig artikel 2.1.2, §7, van de VCRO). Dat leverde twee discussiepunten op: - wat met aanvragen van de overheid die zelf toch gebonden was aan het richtinggevend en het bindend gedeelte? - konden beleidskeuzes, neergelegd in ruimtelijke structuurplannen, louter omwille van de opname in ruimtelijke structuurplannen, niet meer gebruikt worden in de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening (naast de legaliteitstoets)? Het eerste discussiepunt is van de baan met de bepaling van de nieuw voorgestelde paragraaf
- Het is niet meer dan logisch dat de overheid zich bij haar eigen aanvragen schikt naar haar beleidskaders. Wat het tweede discussiepunt betreft, is er ondertussen een duidelijk standpunt in de rechtspraak en de rechtsleer. Samenvattend kan worden gesteld dat enerzijds een stedenbouwkundige vergunning (of verkavelingsvergunning) niet kan/mag worden geweigerd op basis van een ruimtelijk structuurplan (nu dus ruimtelijk beleidsplan). Anderzijds dient één en ander te worden genuanceerd in die zin dat een vergunning niet meteen als onwettig kan worden aangemerkt om de enkele reden dat hierin een loutere verwijzing naar of de vermelding van een ruimtelijk structuurplan (ruimtelijk beleidsplan) is opgenomen. Argumenten die verband houden met de vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening of de goede plaatselijke aanleg moeten niet worden geweerd, ook niet als deze in verband (kunnen) worden gebracht met de beleidsopties uit een structuurplan (beleidsplan), wel op voorwaarde dat die argumenten volledig zijn uitgewerkt, op zichzelf kunnen staan en verbonden blijven met het legaliteitsluik van de vergunning, luik waartoe een ruimtelijke structuurplan (beleidsplan) in principe niet kan behoren. De onwettigheid staat wél vast als de bepalingen van het ruimtelijk structuurplan (ruimtelijk beleidsplan) de (enige) rechtsgrond zouden vormen voor een vergunningsbeslissing of wanneer een ruimtelijke structuurplan (beleidsplan) in de vergunningsbeslissing zou worden opgenomen in het lijstje van de toepasselijke ‘wettelijke en reglementaire voorschriften’ (legaliteitsvraagstuk). Die vermelding zou – aldus X-18.778-11/14 B. Roelandts – aangeven dat het ruimtelijk structuurplan als een determinerend element in het legaliteitsvraagstuk werd betrokken, zelfs al zou dit in de verdere motivering van de vergunningsbeslissing niet als zodanig worden veruitwendigd. Tot slot kan nog worden verduidelijkt dat de principes, geformuleerd in de strategische visie, en de operationele beleidskeuzes, opgenomen in een beleidskader, behoren tot de ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen’ die overeenkomstig artikel 4.3.1, 62, eerste lid, 2°, van de VCRO, in acht kunnen worden genomen bij de beoordeling van de overeenstemming van een vergunningsaanvraag met de goede ruimtelijke ordening.” (Parl.St. Vl.Parl. 2016-2017, nr. 1149/1, 58-60) 7.
- Artikel 4.2.15, § 1, VCRO bepaalt: “§
- Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden een stuk grond verkavelen voor woningbouw of voor het opstellen van vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden aangevraagd en verleend voor het verkavelen voor de aanleg en het bebouwen van terreinen voor andere functies.” 7.
- Artikel 4.2.15, § 1, VCRO voorziet aldus in de mogelijkheid om een omgevingsvergunning aan te vragen voor het verkavelen van gronden met het oog op de aanleg en het bebouwen van terreinen voor bedrijvigheid. 7.
- Onder ‘4.1.6 Bedrijvigheid’ bepaalt het beleidskader ‘open ruimte’ van de bestreden beslissing met betrekking tot in ruimtelijke uitvoeringsplannen vastgestelde bedrijventerreinen, dat deze “niet verder verkaveld of niet verder opgedeeld [mogen] worden voor vestiging van nieuwe bedrijven” (randnummer 3.10). 7.
- Uit de kwestieuze bepaling blijkt zodoende een aan het college van burgemeester en schepenen van de eerste verwerende partij gericht verkavelings- en opdelingsverbod voor bestaande bedrijventerreinen. Het standpunt van de verwerende partij dat er “geen enkele reden [is] om aan te nemen dat de beleidsprincipes uit het beleidskader ‘open ruimte’ als bindend en verordenend zouden worden toegepast”, dat de kwestieuze bepaling enkel gelezen X-18.778-12/14 kan worden als een uitspraak over “de wenselijkheid” van een verdere opdeling van de betrokken bedrijventerreinen, en dat met die bepaling “louter een strategische visie” voorligt, “dewelke nog omgezet dient [te] worden in stedenbouwkundige voorschriften”, wordt niet bijgevallen. 7.
- Nu de kwestieuze bepaling impliceert dat een vergunning voor het verkavelen van verzoekers’ percelen met het oog op de aanleg en het bebouwen van terreinen voor bedrijvigheid moet worden geweigerd, hebben de verzoekende partijen wel degelijk een belang bij het aanvoeren van hun wettigheidskritiek. Het betoog van de eerste verwerende partij dat de verzoekende partijen nergens concreet toelichten “dat er [een] bijkomend nieuw bedrijf zou kunnen worden gevestigd”, doet niet anders besluiten. 7.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. De onder de randnummers 4.2 en 4.3 vermelde ontvankelijkheidsexcepties worden verworpen. VI. Partiële vernietiging 8.
- De partijen ter terechtzitting zijn het erover eens dat de vernietiging van het gemeentelijk RUP beperkt moet blijven tot de kwestieuze bepaling 4.1.6 ‘Bedrijvigheid’ van de bestreden beslissing (zie randnummer 3.10), die op verzoekers’ percelen betrekking heeft. De Raad van State ziet het niet anders. 8.
- De hierna uit te spreken vernietiging wordt beperkt tot de bepaling 4.1.6 ‘Bedrijvigheid’ van de bestreden beslissing. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Essen van 27 februari 2024 houdende de definitieve vaststelling van het Beleidsplan Ruimte Essen, in zoverre dit de bepaling 4.1.6 ‘Bedrijvigheid’ betreft. X-18.778-13/14
- De Raad van state verwerpt het beroep voor het overige.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
- De eerste verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.778-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div