← België

Arrest 265769 - Sluitingen van vestigingen - 17/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.769 Rolnummer: A. 247355/XII-10046 Zaak: Arrest 265769 - Sluitingen van vestigingen - 17/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-17 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-06-18 06:11 Fiche Arrest nr 265.769 van 17 februari 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.769 no lien 287732 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.769 van 17 februari 2026 in de zaak A. 247.355 /XII-10.046 In zake:

  1. de BV CASH POT
  2. S.C.
  3. de VOF AFTER EVENTS
  4. S.B.
  5. J.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dimitri Hemmeryckx kantoor houdend te 9550 Herzele Kerkstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD AALST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  6. De vordering, ingesteld op 13 februari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de burgemeester van de stad Aalst van 12 februari 2026 houdende de sluiting van de publiek toegankelijke inrichting Cirque Mystic gelegen te 9300 Aalst, Rozemarijnstraat 12 […] voor een periode van 1 maand te weten van vrijdag 13 februari 2026 om 20u tot en met donderdag 12 maart 2026 om 20u”. XII-10.046-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  7. Bij beschikking van 16 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 februari
  8. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. De tweede verzoekende partij en advocaat Dimitri Hemmeryckx, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Arne Van Meerbeeck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. De eerste verzoekende partij is exploitant van de feestzaal ‘Cirque Mystic’ te Aalst. 3.
  11. In de nacht van 11 op 12 oktober 2025 voert de lokale politie een controleactie uit, waarbij verdovende middelen worden aangetroffen bij een aantal bezoekers, in de feestzaal en op de openbare weg. Over deze vaststellingen stelt de lokale politie op 17 oktober 2025 een bestuurlijk verslag op. XII-10.046-2/8 3.
  12. Op 10 december 2025 wordt de tweede verzoekende partij gehoord over de feiten en over het voornemen van de burgemeester om de inrichting tijdelijk te sluiten voor een periode van drie maanden. 3.
  13. Op 12 februari 2026 beslist de burgemeester van de stad Aalst om de inrichting met ingang van 13 februari 2026 voor een maand te sluiten. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie nopens het belang van de derde, vierde en vijfde verzoekende partij
  14. De verwerende partij betwist weliswaar dat de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij beschikken over het vereiste belang bij de schorsingsprocedure, maar zij ontkent niet dat deze partijen de bedoeling hebben om in de betrokken feestzaal een evenement te organiseren, zodat hun belang geraakt wordt door de bestreden beslissing waarbij de inrichting tijdelijk wordt gesloten. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  15. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. XII-10.046-3/8 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  16. Ter verantwoording van de hoogdringendheid van de vordering, zetten de verzoekende partijen het volgende uiteen: “De bestreden beslissing sluit de inrichting gedurende één maand, daags voor de carnavalsfeesten. Dit is voor de ganse horeca van Aalst het meest belangrijke evenement van het jaar met meer dan 110.000 bezoekers.[…] Derde verzoeker heeft ook vorig jaar met carnaval in de inrichting een evenement georganiseerd. De ontvangsten waren maar liefst 19.209,33 EUR exclusief btw. […] Ook voor eerste verzoeker is de sluiting een absolute ramp. Buiten carnaval worden er in de (feest)zaal uiteraard nog andere evenementen georganiseerd en zijn er heel wat evenementen gepland. Zo is er op 6 maart 2026 een 100 dagen fuif, het orgelpunt voor honderden scholieren uit Aalst. Op 7 maart 2026 is er een optreden van 3 lokale muziekbands. […] Het besluit van de burgemeester zou betekenen dat verzoeker onder meer heel wat scholieren en 3 lokale bands moet ontgoochelen. Het is onmogelijk om in de Stad Aalst nog een beschikbare gelijkaardige locatie te vinden. Een sluiting volgens de gewone schorsingsprocedure aanvechten zal dan ook redelijkerwijze verzoekers niet vermogen te behoeden voor het gevreesde moeilijk te herstellen ernstig nadeel.”
  17. De verwerende partij ontkent dat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan omdat het beweerde financiële nadeel niet aan de hand van stukken wordt bewezen. Bovendien zouden de eventuele nadelige gevolgen die derden, huurders van de feestzaal, zouden kunnen ondervinden door de tijdelijke sluiting van de feestzaal, geen persoonlijk nadeel uitmaken in hoofde van de eerste verzoekende partij. Beoordeling
  18. De eerste verzoekende partij toont aan dat er op korte termijn nog een aantal evenementen in de feestzaal gepland zijn die niet zullen kunnen doorgaan indien het sluitingsbevel uitwerking blijft hebben. In die gegeven concrete omstandigheden kan aangenomen worden dat er een uiterst dringende XII-10.046-4/8 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Ernstig middel Standpunt van de partijen
  19. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 9bis van de wet van 24 februari 1921 ‘betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen’ (hierna: drugswet), van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen laten onder meer gelden dat het “zeer opmerkelijk” is dat, terwijl het bestuurlijk verslag reeds dateert van 17 oktober 2025, pas op 12 februari 2026 – aan de vooravond van de festiviteiten rond Aalst carnaval – wordt overgegaan tot het nemen van een sluitingsmaatregel, zodat zij zich niet van de indruk kunnen ontdoen dat de burgemeester zijn bevoegdheid heeft misbruikt en heeft gehandeld in strijd met het beginsel dat elke bevoegdheidsuitoefening doelgebonden en proportioneel moet zijn.
  20. De verwerende partij wijst erop dat artikel 9bis van de drugswet geen termijn bepaalt waarbinnen de sluiting van de inrichting moet worden bevolen en dat Aalst carnaval gepaard gaat met een grote volkstoeloop die risico’s inhoudt voor de openbare veiligheid “zeker [door] inrichtingen waarvan geweten is dat er zich reeds ernstige problemen inzake illegale druggerelateerde feiten hebben voorgedaan”. XII-10.046-5/8 Beoordeling
  21. De bestreden sluitingsmaatregel werd genomen op grond van artikel 9bis van de drugswet, zoals vervangen door artikel 44 van de wet van 15 januari 2024 ‘betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen’. Deze bepaling luidt als volgt: “Onverminderd de bevoegdheden van de rechterlijke instanties en onverminderd de artikelen 134ter en quater van de Nieuwe Gemeentewet, kan de burgemeester, na voorafgaand overleg met de gerechtelijke overheden en indien dat noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde, een publiek toegankelijke inrichting sluiten, indien ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat er illegale activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op de teelt, vervaardiging, verkoop, aflevering of het vergemakkelijken van het gebruik van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, ontsmettingsmiddelen, psychotrope stoffen, antiseptica, voorwerpen of stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Dit is enkel mogelijk na de verantwoordelijke te hebben gehoord in diens middelen van verdediging. De maatregel houdt onmiddellijk op uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege wordt bevestigd. De sluitingsmaatregel heeft een maximale duur van zes maanden, tweemaal hernieuwbaar. De beslissing tot hernieuwing van de maatregel zal onmiddellijk ophouden uitwerking te hebben indien ze niet op de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen of van het gemeentecollege wordt bevestigd.”
  22. Opdat de burgemeester rechtmatig op grond van artikel 9bis van de drugswet een sluiting kan opleggen, is vereist dat hij over ernstige aanwijzingen beschikt dat in de betrokken voor het publiek toegankelijke inrichting, illegale activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op de teelt, vervaardiging, verkoop, aflevering of het vergemakkelijken van het gebruik van onder meer verdovende middelen en psychotrope stoffen. De maatregel moet bovendien noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. XII-10.046-6/8
  23. In casu gaan de ernstige aanwijzingen van druggerelateerde feiten, als bedoeld in artikel 9bis van de drugswet, terug op de vaststellingen van de lokale politie naar aanleiding van een evenement dat tijdens de nacht van 11 op 12 oktober 2025 in de feestzaal heeft plaatsgevonden, die met een bestuurlijk verslag van 17 oktober 2025 aan de burgemeester van de stad Aalst werden meegedeeld. De exploitant van de inrichting werd over die feiten en over het voornemen van de burgemeester om de inrichting tijdelijk te sluiten reeds gehoord op 10 december
  24. Uit het vereiste van artikel 9bis van de drugswet, dat de sluiting van de inrichting noodzakelijk moet zijn voor het bewaren van de openbare veiligheid en rust, volgt op het eerste gezicht dat het nemen van dergelijke maatregel in de tijd zo nauw mogelijk moet aansluiten bij het ogenblik waarop het bestuur van oordeel is dat er sprake is van ernstige aanwijzingen van illegale activiteiten in de inrichting. Als dit niet het geval is, lijkt het optreden van de burgemeester immers niet noodzakelijk voor het bewaren van de openbare orde. De verwijzingen in de bestreden beslissing naar de verstoring van de openbare orde, het onveiligheidsgevoel in de omgeving van de inrichting, het gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid van de bezoekers van de feestzaal en naar het gegeven dat ‘Cirque Mystic’ gelegen is in een drukke omgeving waar dagelijks veel minderjarigen, jongeren en feestvierders hun vrije tijd doorbrengen, zijn dermate algemeen dat ze op het eerste gezicht niet kunnen verantwoorden waarom het voor de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is de inrichting te sluiten op grond van feiten die vier maanden eerder werden vastgesteld.
  25. Het enig middel is in de aangegeven mate ernstig. VIII. Conclusie
  26. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn, wil ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.769 XII-10.046-7/8 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de burgemeester van de stad Aalst van 12 februari 2026 tot sluiting van de publiek toegankelijke inrichting ‘Cirque Mystic’, Rozemarijnstraat 12 te 9300 Aalst, voor een periode van een maand (met ingang van vrijdag 13 februari 2026 om 20u tot en met donderdag 12 maart 2026 om 20u). Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Peter Sourbron XII-10.046-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.769 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.