← België

Arrest 265788 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 20/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.788 Rolnummer: A. 238489/XIV-39916 Zaak: Arrest 265788 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 20/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-23 Raadplegingen: 154 - laatst gezien 2026-06-18 06:32 Fiche Arrest nr 265.788 van 20 februari 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 265.788 van 20 februari 2026 in de zaak A. 238.489/XIV-39.916 In zake : 1. de VZW V. 2. de VZW U. 3. de NV A. 4. de BV D. 5. de BV D.A. 6. de NV D.B. 7. de NV D. 8. de NV G.W. 9. de NV G. 10. de NV I.J. 11. de NV I. 12. de BV I. 13. de NV L. 14. de BV M. 15. XXXX 16. de BV MA. 17. de BV RA. 18. de NV RO. 19. de BV RO. 20. de BV T. 21. de NV U. 22. de NV V.H. BE. 23. de NV V.H. BO. 24. de NV V.H.P. G. 25. de NV V. 26. de NV B.V. 27. de NV W. 28. de BV S. 29. de BV B.R. 30. de BV C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Svjastolav Gnedasj, Bart Martel, Kristof Caluwaert en Maarten Toussaint kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen XIV-39.916-1/15 tegen : de STAD TIELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Michiels en Wouter Rubens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de stad Tielt van 22 december 2022 ‘betreffende de belasting ter stimulering van duurzame energie voor de periode 2023-2025’. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Arne Carton heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026 om 14:00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaten Svjastolav Gnedasj en Kristof Caluwaert, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Sarah Fiorito, die loco XIV-39.916-2/15 advocaten Steven Michiels en Wouter Rubens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Arne Carton heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. In de gemeenteraadszitting van 22 december 2022 van de verwerende partij wordt het reglement ‘belasting ter stimulering van duurzame energie voor de periode 2023 – 2025’ aangenomen voor de aanslagjaren 2023 tot en met 2025. Het luidt : “Artikel 1: Voor de aanslagjaren 2023 tot en met 2025 wordt ten gunste van de stad Tielt een jaarlijkse belasting op economische bedrijvigheid geheven, op basis van de oppervlakte van het onroerend goed of goederen, ongeacht kadastrale indeling, waarop de vestiging zich bevindt, die door de belastingplichtige voor de uitoefening van zijn/haar economische activiteit wordt gebruikt, daarvoor noodzakelijk is of daarvoor wordt voorbehouden. Artikel 2: §1. De belasting wordt gevestigd ten laste van de personen (natuurlijke- en rechtspersonen, onder om het even welke juridische vorm) en verenigingen die, volgens de gegevens van de Kruispuntbank der Ondernemingen op 1 januari van het aanslagjaar, als hoofd- en/of bijkomende activiteit op het grondgebied van de stad een economische activiteit in de ruimste zin van het woord uitoefenen. Iedere persoon of vereniging die op 1 januari van het aanslagjaar houder is van een ondernemingsnummer in de Kruispuntbank der Ondernemingen, met minstens één vestiging op het grondgebied van de stad, wordt vermoed een beoefenaar van een belastbare activiteit te zijn, waarvoor minstens de minimumbelasting verschuldigd is. §2. De belasting is verschuldigd per vestiging van de belastingplichtige op het grondgebied van de stad, dewelke door de belastingplichtige gebruikt of voorbehouden wordt voor de exploitatie van zijn economische activiteit. Artikel 3: Voor de toepassing van dit reglement gelden volgende definities: XIV-39.916-3/15

  1. a)Economische activiteit: economische activiteit in de ruimste zin van het woord, inbegrepen de nijverheids-, landbouw-, tuinbouw-, of handelsactiviteiten, de exploitaties van financiële instellingen, de patrimoniumvennootschappen, de burgerlijke vennootschappen, de vzw's, de rechtspersonen in vereffening, de beoefenaars van een vrij beroep en de zelfstandigen.
  2. b)Vestiging: een locatie die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, van waaruit de belastingplichtige, minstens een gedeelte van, zijn economische activiteit uitoefent, ongeacht het aantal bedrijfsgebouwen op deze locatie, ongeacht de kadastrale indeling, en waarvoor men beschikt of moet beschikken over een inschrijving in de Kruispuntbank der Ondernemingen, met inbegrip van maatschappelijke en/of administratieve zetels. Worden eveneens geacht te beschikken over een belastbare vestiging, zij die hun beroeps- en/of bedrijfsactiviteit geheel of gedeeltelijk uitoefenen op de locatie waar zij hoofdelijk verblijven en/of ingeschreven zijn in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
  3. c)Oppervlakte: de oppervlakte van het onroerend goed of de goederen, gedeelte van een onroerend goed, lokaliteit of ruimte onder gelijk welke vorm, bebouwd of onbebouwd, ongeacht de kadastrale indeling, waarop de vestiging zich bevindt, die voor de uitoefening van de beroepsactiviteit of voor de uitbating wordt gebruikt, daarvoor noodzakelijk is of daarvoor wordt voorbehouden. Oppervlakte die bestemd is voor of in aanmerking kan komen voor de economische activiteit(
  4. en)van de belastingplichtige, met inbegrip van parking, laad-, los- of stortplaats, opslag- of overslagruimte, is derhalve een onderdeel van en wordt ook meegerekend tot de totale oppervlakte. De oppervlakte wordt bepaald op basis van de gegevens in de kadastrale legger op 1 januari van het aanslagjaar, behoudens tegenbewijs van de belastingplichtige.
  5. d)Tuinbouw: een zelfstandige beroepsactiviteit of bedrijfsactiviteit gericht op groenteteelt, fruitteelt, boomkwekerij andere dan bosboomkwekerij, sierteelt, kweek van tuinbouwzaden, plantgoed en/of aanverwante teelten, met het oog op een geregelde verkoop van de voortgebrachte producten.
  6. e)Landbouw: een zelfstandige beroepsactiviteit of bedrijfsactiviteit gericht op akkerbouw en/of weidebouw en/of bosbouw en/of veeteelt.
  7. f)Akkerbouw: een zelfstandige beroepsactiviteit of bedrijfsactiviteit gericht op het telen van granen, nijverheidsgewassen, voedergewassen, aardappelen, peulvruchten, pootgoed, landbouwzaden en/of aanverwante gewassen, met het oog op een geregelde verkoop.
  8. g)Weidebouw: een zelfstandige beroepsactiviteit of bedrijfsactiviteit gericht op het exploiteren van blijvend grasland als voedselbron voor dieren welke door het bedrijf bedrijfsmatig voor gebruiks- of winstdoeleinden worden gehouden.
  9. h)Bosbouw: een zelfstandige beroepsactiviteit of bedrijfsactiviteit gericht op het aanleggen en exploiteren van bossen, met inbegrip van bosboomkwekerij.
  10. i)Veeteelt: een zelfstandige beroepsactiviteit of bedrijfsactiviteit gericht op het houden van dieren voor de vlees- , melk- of eierproductie en/of het kweken/fokken van dieren voor de vacht of het bekomen van jongen, met het oog op een geregelde verkoop van de voortgebrachte producten. XIV-39.916-4/15
  11. j)Groenzone: grond die enkel en uitsluitend dient voor decoratieve doeleinden en die geen verder functioneel nut heeft in het kader van de exploitatie, maar die wel aangelegd is met natuurlijke groene voorzieningen.
  12. k)Braakliggende grond: grond waarop geen gebouwen staan en geen verharding in enige vorm is aangebracht en die geen enkel functioneel nut heeft voor de exploitatie.
  13. l)Cultuurgrond: elke grond of oppervlakte waarop gewassen gekweekt worden.
  14. m)Hernieuwbare energie: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk: wind, zon, water of (aero-, geo- of hydro-)thermische energie.
  15. n)Installatie voor het opwekken van hernieuwbare energie: installatie met als hoofddoel het zelfstandig opwekken van hernieuwbare energie, zoals windmolens of zonnepanelen. Worden niet geacht te vallen onder het begrip “installatie voor het opwekken van hernieuwbare energie”: elke vorm van energiebesparing aangebracht in de vestiging die zelf geen energie opwekt zoals (maar niet gelimiteerd tot) het aanbrengen van isolatie en het installeren van een hoogrendementsketel. Artikel 4: §1. De belasting is ondeelbaar en wordt gevestigd op basis van de oppervlakte, zoals omschreven in art. 3,
  16. c)van onderhavig belastingreglement. Bij een tijdelijke onderbreking van de economische bedrijvigheid in de vestiging(
  17. en)of zolang de vereffening van een vennootschap niet is afgesloten, blijft de hoedanigheid van belastingplichtige bestaan. §2. Worden niet meegeteld in de bepaling van de belastbare oppervlakte: - de oppervlakte van groenzones en/of van braakliggende grond - voor land- en tuinbouwbedrijven: de weilanden en cultuurgronden §3. Voor het bepalen van de belastbare oppervlakte wordt jaarlijks een lijst aangeleverd door de provincie West-Vlaanderen die voortvloeit uit de provinciebelasting op bedrijven, die als basis dient voor het inkohieren van de belastbare feiten. Artikel 5: §1. De belasting wordt, per vestiging, vastgesteld als volgt: • voor vestigingen met een oppervlakte tot en met 2.500 m²: € 100,00; • voor vestigingen met een oppervlakte groter dan 2.500 m²: € 100,00 vermeerderd met: o voor het gedeelte van 2.501 m² tot en met 5.000 m²: € 0,45 per m²; o voor het gedeelte van 5.001 m² tot en met 10.000 m²: € 0,40 per m²; o voor het gedeelte van 10.001 m² tot en met 25.000 m²: € 0,35 per m²; o voor het gedeelte van 25.001 m² tot en met 50.000 m²: € 0,30 per m²; o voor het gedeelte van 50.001 m² tot en met 100.000 m²: € 0,25 per m² o voor het gedeelte vanaf 100.001 m²: € 0,20 per m² (Voorbeeld van berekening: een oppervlakte van 6.000 m2 resulteert derhalve in een belasting van € 100,00, vermeerderd met € 0,45 x 2.500 m2 (nl. het aantal m2 XIV-39.916-5/15 tussen 2.501 m²en 5.000 m² en met € 0,40 x 1.000 m² (nl. het aantal m² tussen 5.001 m² en 10.000 m²) = € 1.625) §2. Een gedeelte van een vierkante meter wordt als een volledige vierkante meter beschouwd. §3. Indien de belastingplichtige zijn economische activiteit geheel of gedeeltelijk uitoefent alwaar hij hoofdelijk verblijft en/of is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister en de oppervlakte ten behoeve van deze economische activiteit niet is afgescheiden van de totale oppervlakte voor privaat gebruik, is het aan de belastingplichtige om te bewijzen welke oppervlakte van dit goed alwaar hij hoofdelijk verblijft en/of is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister niet wordt gebruikt of voorbehouden voor de uitoefening van zijn/haar economische activiteit. §4. Indien op eenzelfde goed meerdere belastingplichtigen een vestiging voor economische activiteit hebben, wordt de belasting voor elke belastingplichtige vastgesteld op basis van de totale door hem/haar gebruikte of voorbehouden oppervlakte. De (bebouwde en onbebouwde) oppervlakte die gemeenschappelijk door meerdere belastingplichtigen wordt gebruikt, wordt pro rata verdeeld over de belastingplichtigen naar verhouding van de door hen gebruikte of voorbehouden oppervlakte ten aanzien van de totale oppervlakte van het goed waarop de vestiging(
  18. en)zich bevinden. §5. De stopzetting of vermindering van het gebruik van de vestiging voor de economische activiteit in de loop van het aanslagjaar, alsook de vermindering van de totale oppervlakte in de loop van het aanslagjaar, geven geen aanleiding tot vermindering van de belasting. Artikel 6: §1. De belastingplichtige die op de vestiging investeert in een installatie voor het opwekken van hernieuwbare energie die ten dienste staat van zijn bedrijfsuitvoering, en deze installatie er ook in gebruik neemt, heeft recht op een belastingvermindering. Deze belastingvermindering wordt toegekend vanaf het aanslagjaar volgend op het jaar van de ingebruikname van de installatie van hernieuwbare energie, en kan maximaal 10 jaar worden toegekend per investering. §2. In afwijking van §1, tweede lid, worden in het eerste aanslagjaar na de inwerkingtreding van onderhavig reglement, voor elke belastbare vestiging investeringen in installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie die maximaal 10 jaar aan het aanslagjaar voorafgaan, in aanmerking genomen voor belastingvermindering. Voor nieuwe vestigingen na de inwerkingtreding van onderhavig reglement, worden investeringen in installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie die uitgevoerd worden in de periode van vrijstelling van de belasting, eveneens in aanmerking genomen voor de belastingvermindering. §3. De belastingvermindering bedraagt jaarlijks 1/10 van het investeringsbedrag exclusief BTW, zoals blijkt uit de ingediende factuur of facturen, en wordt voor maximaal 10 jaar per investering toegekend. Enkel het bedrag van de initiële investering komt in aanmerking voor belastingvermindering. Jaarlijks onderhoud, periodieke controles of reiniging worden hiervan uitgesloten. XIV-39.916-6/15 De totale belastingvermindering kan, door cumul van belastingverminderingen waarop iedere installatie voor hernieuwbare energie recht zou geven, echter nooit meer bedragen dan 50% van de verschuldigde belasting, zoals bepaald in artikel 5 van onderhavig reglement. §4. Om recht te hebben op deze belastingvermindering moet de belastingplichtige jaarlijks bewijzen dat een installatie voor het opwekken van hernieuwbare energie aangewend wordt ten dienste van zijn bedrijfsvoering, met mededeling van de eerste datum van ingebruikname hiervan. De investering dient aangetoond te worden door middel van een factuur of facturen van de leverancier of installateur, uitgereikt op naam en adres van de belastingplichtige houder van het ondernemingsnummer. Het effectieve gebruik van de installaties dient jaarlijks aangetoond te worden door middel van foto’s, facturen van energieleveranciers, of enig ander bewijsstuk. De belastingplichtige legt deze bewijzen jaarlijks voor aan de stad Tielt, die zal oordelen of aan de voorwaarden van deze belastingvermindering is voldaan. §5. Het stadsbestuur beschikt te allen tijde over de mogelijkheid om ter plaatse op de vestiging door de bevoegde ambtenaar de overeenstemming van de aangegeven bewijsstukken met de realiteit te verifiëren. Artikel 7: Vrijgesteld van de belasting zijn:
  19. a)Vestigingen toebehorend aan lokale openbare besturen;
  20. b)Vestigingen toebehorend aan onderwijsinstellingen;
  21. c)Vestigingen die genieten van een onvoorwaardelijke vrijstelling van onroerende voorheffing op grond van bijzondere wetten o.a. de wet waarbij ze zijn opgericht;
  22. d)de rechtspersonen vermeld in de artikelen 180 en 181 van het Wetboek van inkomstenbelasting: deze vrijstelling betreft publiekrechtelijke rechtspersonen, verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen met vestigingen op het grondgebied van stad Tielt die geen winstoogmerk nastreven en overwegend actief zijn in het kader van het algemeen belang;
  23. e)Nieuwe belastingplichtigen voor een periode van drie jaar volgend op de aanvang van de economische activiteit op het grondgebied van de stad Tielt, met inbegrip van het jaar van aanvang. Hiermee wordt bedoeld de vestigingen van belastingplichtigen die voorheen geen economische activiteit uitoefenden en die evenmin ontstaan zijn door wijziging, samenvoeging of splitsing van dergelijke natuurlijke- of rechtspersoon of erdoor zijn opgericht. Artikel 8: §1. Het bestuur baseert zich voor het bepalen van de belastbare oppervlakte op een jaarlijkse lijst aangeleverd door de provincie West-Vlaanderen die voortvloeit uit de provinciebelasting op bedrijven. §2. Voor het aanvragen van de belastingvermindering voor investeringen in installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie, verstuurt de administratie in het eerste aanslagjaar na de inwerkingtreding van onderhavig reglement of na de aanvang van een economische activiteit op een nieuwe vestiging, per vestiging, een aangifteformulier. De verzending kan vervangen worden door het online ter beschikking stellen van het aangifteformulier. De belastingplichtige die zich wenst te beroepen op een grond tot vrijstelling of vermindering, moet het aangifteformulier terugsturen met vermelding van de XIV-39.916-7/15 juiste gegevens en toevoeging van de nodige bewijsstukken, binnen de bij de verzending opgelegde termijn. Vanaf het tweede aanslagjaar na inwerkingtreding van onderhavig reglement, wordt een online aangifteformulier permanent ter beschikking gesteld. De belastingplichtige die zicht wenst te beroepen op een grond tot vrijstelling of vermindering, stuurt het aangifteformulier ten laatste op 30 juni van het aanslagjaar, met vermelding van de juiste gegevens en toevoeging van de nodige bewijsstukken. §3. Bij gebrek aan terugzending van het aangifteformulier binnen de in §2 bedoelde termijnen, wordt de belastingplichtige geacht geen vrijstelling of vermindering aan te vragen. De vrijstelling of vermindering kan in dat geval ten vroegste toegekend worden voor het volgende aanslagjaar. Artikel 9: Bovenstaande tarieven worden met ingang van 1 januari 2024 jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex, waarbij volgende formule wordt toegepast: Het geïndexeerde nieuwe tarief = basistarief x nieuwe index aanvangsindex Waarbij: Basistarief = tarief zoals vermeld in artikel 4 [lees: 5] van huidig besluit. Nieuwe index = de verhoogde of verlaagde gezondheidsindex van de maand september van het jaar voorafgaand aan de indexering. Aanvangsindex = gezondheidsindex van de maand september 2022. Het aldus bekomen nieuwe minimumtarief (op heden € 100,00), wordt na indexering afgerond naar boven op een euro. Artikel 10: De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. De belasting moet worden betaald binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet. Artikel 11: De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen. Het bezwaarschrift moet, schriftelijk, ondertekend en gemotiveerd worden ingediend. De indiening kan gebeuren door verzending of door overhandiging tegen ontvangstbewijs. Deze indiening, moet op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Het bezwaar wordt gedagtekend en ondertekend door de eiser of zijn vertegenwoordiger en vermeldt: - De naam, hoedanigheid, het adres of zetel van de belastingschuldige - Het voorwerp van het bezwaarschrift en een opgave van de feiten en middelen De belastingschuldige die wenst gehoord te worden, moet dit uitdrukkelijk vermelden in zijn/haar bezwaar. Artikel 12: Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2025. XIV-39.916-8/15 Artikel 13: Dit reglement zal worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en artikel 287 van het decreet over het lokaal bestuur.”. Dit is het bestreden besluit. 3.2. Aan de bestreden beslissing is, zo geeft de verwerende partij “ter aanvulling” in haar laatste memorie mee, “vooralsnog geen uitvoering gegeven”. Uit de met de laatste memorie door de verwerende partij bijgebrachte ‘Notulen van de gemeenteraad van 7 december 2023 – agendapunt 8.a’ blijkt immers dat in de gemeenteraadszitting van 7 december 2023 is beslist om de startdatum van deze nieuwe gemeentebelasting ‘ter stimulering van duurzame energie’ te wijzigen van 1 januari 2023 naar 1 januari 2025. De artikelen 1, 9 en 12 van het hiervoor aangehaalde bestreden besluit worden in de gemeenteraadszitting van 7 december 2023 als volgt gewijzigd: “Art. 1: Voor het aanslagjaar 2025 wordt ten gunste van de stad Tielt een jaarlijkse belasting op economische bedrijvigheid geheven, op basis van de oppervlakte van het onroerend goed of goederen, ongeacht kadastrale indeling, waarop de vestiging zich bevindt, die door de belastingplichtige voor de uitoefening van zijn/haar economische activiteit wordt gebruikt, daarvoor noodzakelijk is of daarvoor wordt voorbehouden. Art. 9: Bovenstaande tarieven worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex, waarbij volgende formule wordt toegepast: Het geïndexeerde nieuwe tarief = basistarief x nieuwe index aanvangsindex Waarbij: Basistarief = tarief zoals vermeld in artikel 5 van huidig besluit. Nieuwe index = de verhoogde of verlaagde gezondheidsindex van de maand september van het jaar voorafgaand aan de indexering. Aanvangsindex = gezondheidsindex van de maand september 2024. Het aldus bekomen nieuwe minimumtarief (op heden € 100,00), wordt na indexering afgerond naar boven op een euro. Art. 12: Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2025”. XIV-39.916-9/15 3.3. Uit diezelfde notulen blijkt nog dat de gemeenteraad, daaropvolgend, eveneens op 7 december 2023, heeft beslist dat, “bij gebrek aan inkomsten uit de belasting ‘ter stimulering van duurzame energie’”, het noodzakelijk was om de bedrijven opnieuw als belastingplichtige op te nemen in het reglement ‘Algemene milieubelasting’ en, derhalve, om voor de jaren 2023 tot en met 2025 ten behoeve van de stad een ‘Algemene milieubelasting’ te vestigen, bedrijven inbegrepen (agendapunt 8.b). Daarbovenop blijkt uit agendapunt 8.c van diezelfde notulen dat de gemeenteraad op 7 december 2023 ook nog heeft beslist om voor de bedrijven opnieuw een ‘belasting op drijfkracht’, zij het met geïndexeerde tarieven, goed te keuren voor de aanslagjaren 2023 en 2024. IV. Vertrouwelijkheid van bepaalde stukken 4. Er is vooralsnog geen nood om over het verzoek van de verzoekende partijen tot vertrouwelijkheid van welbepaalde stukken waarin zij in hun verzoekschrift om de daarin aangehaalde redenen verzoeken en die zij in hun inventaris aanduiden, uitspraak te doen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie wat het voorwerp en het (actueel) belang betreft – heropening van het debat 5. Zoals onder de punten 3.2 en 3.3 is uiteengezet, werd het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de belasting ‘ter stimulering van duurzame energie’ werd uitgesteld naar het aanslagjaar 2025. Uit de aanhef van het bestreden besluit, evenals uit de aanhef van de supra in punt 3.3 genoemde besluiten (agendapunten 8.b en 8.c van de notulen van de gemeenteraadszitting van 7 december 2023) blijkt dat het stadsbestuur met het bestreden besluit (initieel voor de aanslagjaren 2023 tot en met 2025), wat de XIV-39.916-10/15 bedrijven betreft, beoogde om de ‘Belasting op drijfkracht’ en de ‘Algemene milieubelasting’ vanaf 2023 af te schaffen en te vervangen door een belasting ‘ter stimulering van duurzame energie’ (cfr. punt 3.1). Deze belasting ‘ter stimulering van duurzame energie’ werd immers beschouwd, zoals de verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet, als “een nieuwe belasting op economische bedrijvigheid” die, “naast een economische component, een directe lijn heeft met het economisch gebeuren en beter aansluit bij de economische realiteit”. 6. Evenwel, door het sub 3.2 vermelde wijzigingsbesluit (verdaging van de belasting ‘ter stimulering van duurzame energie’ tot aanslagjaar 2025) werden de hiervoor in punt 3.3. vermelde “herinvoeringen” wat de ‘Belasting op drijfkracht’ betreft en de ‘Algemene milieubelasting’ (voor wat de bedrijven betreft) om financiële redenen noodzakelijk geacht. Deze drie op 7 december 2023 aangenomen belastingreglementen zijn, voor zover de Raad van State heeft kunnen nagaan, definitief. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep is bij de Raad van State de vraag gerezen of deze voor de bedrijven heringevoerde ‘Belasting op drijfkracht’ (beslissing 8.c van 7 december 2023 (cfr. stuk 11 van het administratief dossier bijgebracht met de laatste memorie)) voor de aanslagjaren 2023 en 2024 ook effectief werden uitgevoerd c.q. ingekohierd. Eenzelfde vraag rijst, wat de aanslagjaren 2023 tot en met 2025 betreft, voor de ‘Algemene milieubelasting’ (beslissing 8.b van 7 december 2023 (cfr. stuk 11 van het administratief dossier bijgebracht met de laatste memorie)) waarin de bedrijven opnieuw als belastingplichtige werden opgenomen. De vraag rijst derhalve zoals hierna wordt uiteengezet, wat de verwerende partij, na de wijzigingen van 7 december 2023 met het bestreden besluit ‘Belasting ter stimulering van duurzame energie’ dat in werking is getreden op 1 januari 2023 en gewijzigd met ingang van 1 januari 2025 nog concreet beoogt en, derhalve, welk nog het voorwerp is van het voorliggende beroep. XIV-39.916-11/15 Wat deze aangelegenheid betreft, is door de partijen geen, laat staan afdoende, klaarheid verschaft. Er is door de partijen geen concreet standpunt ingenomen welke de definitieve gevolgen zijn van de op 7 december 2023 doorgevoerde wijzigingen voor de (bestreden) ‘Belasting ter stimulering van duurzame energie’, in eerste instantie voor wat de aanslagjaren 2023 en 2024 betreft. Evenmin is duidelijk welke de gevolgen ervan zijn voor de met het bestreden besluit ingevoerde ‘Belasting ter stimulering van duurzame energie’, wat het aanslagjaar 2025 betreft, in het bijzonder mede in acht genomen het (begrotingstechnisch) eenjarigheidsbeginsel dat ook geldt voor lokale belastingen. Onduidelijk is immers of de bestreden belasting ‘ter stimulering van duurzame energie’ met de geraamde opbrengst ervan, is begroot en effectief (nominatum) is opgenomen in het ‘Eénjarig Meerjarenplan 2025’ opdat de inkohiering en de invordering kunnen worden verricht. Eensdeels wordt in het ‘Eénjarig meerjarenplan 2025’ – dat de verzoekende partijen met hun laatste memorie hebben bijgebracht – onder Punt II. ‘Totale exploitatieontvangsten, ‘A. Operationele ontvangsten’, 2. ‘Fiscale ontvangsten en boetes’, b. ‘Andere belastingen’ weliswaar een globaal bedrag vermeld van 1.973.470 euro en, anderdeels, wordt in het document ‘Documentatie bij het Eénjarig Meerjarenplan 2025’ onder Punt ‘4.2 Overzicht opbrengst per belastingsoort’ een bedrag vermeld van 300.000 euro onder de benaming ‘73400 Algemene bedrijfsbelasting’ – en dus niet met de in het bestreden besluit gehanteerde benaming ‘Belasting ter stimulering van duurzame energie’ –, zodat er gerede twijfel is omtrent welke belasting nu effectief in het Eénjarig Meerjarenplan 2025 is opgenomen. 7. Die twijfel rijst des te meer nu op de terechtzitting is gebleken dat de gemeenteraad van de verwerende partij, althans volgens de verzoekende partijen – wat door de verwerende partij niet wordt weersproken –, op 18 december 2025 “voor 2026” een nieuw belastingreglement ‘Belasting op bedrijven’, zijnde, aldus de raadsman van de verzoekende partijen, een “echte ‘Algemene bedrijfsbelasting’” (waarvan het onduidelijk is of deze al dan niet een XIV-39.916-12/15 energiecomponent bevat) zou hebben ingevoerd waarbij het bedrag van de verschuldigde belasting zou worden berekend op basis van het oppervlaktecriterium (bebouwd of onbebouwd) van de vestiging. Dit belastingreglement, noch de gemeenteraadbeslissing ter zake wordt bijgebracht. 8. Uit de vermeldingen van de partijen in hun procedurestukken, in het bijzonder in hun laatste memories en de daarmee bijgebrachte stukken (zie supra punt 6), evenals de hiervoor in punt 7 vermelde verklaring ter terechtzitting, blijkt dat de partijen van deze gegevens wel gewag maken – zij het verspreid - , doch zonder daaromtrent een standpunt in te nemen of enige duidelijkheid te verschaffen over de rechtgevolgen van het geheel van deze tussengekomen beslissingen voor de bestreden beslissing ‘Belasting ter stimulering van duurzame energie’ en dus het voorwerp van het voorliggende beroep en het eventuele belang van de verzoekende partijen. Luidens artikel 24, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak over de conclusies van het auditoraatsverslag. In de voorliggende zaak is het voor de Raad van State evenwel niet mogelijk zich nu al uit te spreken over de middelen op basis van de conclusies van het auditoraatsverslag. Wanneer de Raad van State dat zou doen, zou dat immers betekenen dat het beroep ontvankelijk is, terwijl zoals hiervoor is uiteengezet onduidelijk is wat door de opeenvolgende ontwikkelingen zoals die blijken uit de laatste memories en de verklaring ter zitting, nog het voorwerp van het beroep is c.q. het belang van de verzoekende partijen. Er dient bijgevolg eerst klaarheid te bestaan over het voorwerp van het beroep en het desgevallend (resterende) belang van de verzoekende partijen bij de door hen nagestreefde vernietiging, in het bijzonder of het beroep nog wel, mede in acht genomen het eenjarigheidsbeginsel, een voorwerp heeft (
  24. i)wat het aanslagjaar 2023, (
  25. ii)het aanslagjaar 2024 én (iii) het aanslagjaar 2025 betreft c.q. (
  26. iv)welk nog het (erop betrekking hebbende) belang is van de verzoekende partijen wat de door hen nagestreefde vernietiging van de bestreden beslissing betreft. XIV-39.916-13/15 Het komt de Raad van State niet toe hieromtrent te gissen of alle mogelijke hypothesen te bedenken en te onderzoeken. Het komt daarentegen de partijen toe de Raad van State en het auditoraat hieromtrent volledige duidelijkheid en transparantie te verschaffen aan de hand van de daarvoor relevante stukken. Deze aangelegenheid is evenwel niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze is aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Aangezien het een element betreft dat desgevallend de beslechting van het beroep kan beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42, ECLI:CE:ECHR:2006:0216JUD004462498; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45, ECLI:CE:ECHR:2013:0905JUD000981510). 9. Er is dan ook reden het debat te heropenen en het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de vijftiende verzoekende partij niet bekendgemaakt. XIV-39.916-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, Inge Vos, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-39.916-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.788 Gerelateerde publicatie(
  27. s)citeert: ECLI:CE:ECHR:2006:0216JUD004462498 ECLI:CE:ECHR:2013:0905JUD000981510 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.