← België

Arrest 265798 - Tucht (openbaar ambt) - 23/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.798 Rolnummer: A. 241127/XII-9757 Zaak: Arrest 265798 - Tucht (openbaar ambt) - 23/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-24 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-06-18 06:35 Fiche Arrest nr 265.798 van 23 februari 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.798 no lien 287939 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.798 van 23 februari 2026 in de zaak A. 241.127/XII-9757 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5458 GAVERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gewone tuchtoverheid van 5 december 2023 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. XII-9757-1/15 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.
  6. Op 29 september 2023 neemt de gewone tuchtoverheid kennis van de feiten. 3.
  7. Op 24 oktober 2023 stelt de gewone tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Verzoeker dient op 3 november 2023 een nota in met daarin onder meer de vraag om mondeling te worden gehoord. XII-9757-2/15 Op 27 november 2023 wordt verzoeker mondeling gehoord door de gewone tuchtoverheid. 3.
  8. Op 5 december 2023 beslist de gewone tuchtoverheid om de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste en het tweede middel
  9. Het past het eerste en het tweede middel samen te behandelen. Exceptie van gebrek aan belang bij het eerste en het tweede middel Standpunt van de partijen
  10. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker geen belang heeft bij de aangevoerde middelen. Zij wijst erop dat in de bestreden beslissing bij de straftoemeting uitdrukkelijk wordt vermeld dat elk van de feiten op zich van aard is om te worden gesanctioneerd met de voorgenomen straf. Dit heeft volgens de verwerende partij tot gevolg dat, van zodra één feit voor bewezen kan worden gehouden en worden toegerekend aan verzoeker, hij geen belang heeft bij het betwisten van de toerekenbaarheid van de andere feiten. In de laatste memorie handhaaft de verwerende partij deze excepties. Het gegeven dat drie tuchtfeiten aan de tuchtprocedure ten grondslag liggen, staat volgens de verwerende partij geenszins het oordeel van de tuchtoverheid in de weg dat elk van de drie tuchtfeiten op zich de lichtste tuchtstraf kan verantwoorden. De verwerende partij verzet zich voorts tegen het standpunt dat een gebrek aan materiële grondslag voor één of twee tuchtfeiten de wettigheid van de bestreden beslissing in het gedrang zou brengen. De Raad van State zou zich daarmee in de plaats stellen van de tuchtoverheid die heeft geoordeeld dat elk van de drie tuchtfeiten op zich de lichtste tuchtstraf kan verantwoorden. XII-9757-3/15
  11. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord op de exceptie dat zijn belang er niet enkel toe strekt om niet tuchtrechtelijk te worden gestraft, maar ook om niet te worden gestraft voor feiten die geen tuchtinbreuken zijn. Volgens verzoeker ziet de verwerende partij over het hoofd dat hij wel degelijk elk van de drie feiten betwist, eensdeels, omdat hij niet is ingegaan tegen de richtlijn, anderdeels, omdat hij dat zeker niet bewust heeft gedaan. In de laatste memorie sluit verzoeker zich aan bij de beoordeling van de excepties in het auditoraatsverslag. Beoordeling
  12. De excepties steunen op de premisse dat minstens één ten laste gelegd feit voor bewezen kan worden gehouden en worden toegerekend aan verzoeker. Uit de beoordeling van de middelen zal blijken dat dit uitganspunt faalt, daar de vastgestelde onwettigheid alle drie de ten laste gelegde feiten betreft. Deze vaststelling volstaat om de excepties van gebrek aan belang bij de middelen te verwerpen.
  13. De excepties worden verworpen. Ten gronde Standpunt van de partijen
  14. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. In wat als een eerste grief kan worden beschouwd, zet verzoeker in het verzoekschrift onder meer uiteen dat de essentie van wat hem wordt verweten, is dat hij bewust de richtlijn niet heeft nageleefd om zelf geen afspraken te boeken in de toepassing Appoint – een webtoepassing die burgers toelaat online een afspraak te maken voor aangiftes op het politiekantoor – “voor verder onderzoek voor eigen onderzoeken” op ogenblikken dat men een onthaaldienst vervult. Volgens verzoeker is de tuchtoverheid niet uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, daar hij in geen van de drie ten laste gelegde gevallen de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.798 XII-9757-4/15 afspraak zelf heeft ingeboekt in de toepassing Appoint. De afspraak L. en de afspraak K. zijn door de burger in kwestie zelf gemaakt. De afspraak V. is geboekt door een hoofdinspecteur van de politiezone. In het tweede middel voegt verzoeker daaraan toe dat de tuchtoverheid, door zonder meer aan te nemen dat verzoeker zelf de afspraak K. heeft geboekt in Appoint, in weerwil van zijn duidelijk verweer waarin hij dat betwiste en zonder dit te verifiëren aan de hand van de logingegevens, tevens het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, zet verzoeker in het kader van het eerste middel in het verzoekschrift voorts uiteen dat de richtlijn verbiedt om zelf een afspraak te maken in Appoint “voor verder onderzoek voor eigen onderzoeken”, doch dat de verwerende partij dit begrip niet heeft verduidelijkt, zodat het naar redelijkheid moet worden geïnterpreteerd. Volgens verzoeker moet dit begrip in die zin worden begrepen dat men reeds een lopend dossier behartigt – wat impliceert dat er minstens sprake is van een aanvankelijk proces-verbaal – en er zich verdere onderzoeksdaden opdringen. In twee van de drie ten laste gelegde gevallen was er volgens verzoeker geen sprake van een lopend dossier, maar van een eerste aangifte door een burger. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker, wat het eerste middel betreft, op het standpunt van de verwerende partij dat verzoeker niet wordt verweten dat hij persoonlijk een afspraak heeft geboekt in Appoint. Hij wijst erop dat de tenlastelegging luidt dat hij de richtlijn desbetreffend niet heeft nageleefd en dat die richtlijn was om niet meer zelf afspraken in te boeken. In repliek op het verweer dat verzoeker in de drie gevallen de burger heeft gesuggereerd, dan wel uitdrukkelijk heeft gevraagd, een afspraak in te boeken op 25 september 2023, wijst verzoeker erop dat de strekking van de kwestieuze onderrichting was om niet zelf een verder onderzoek in een lopend onderzoek in te plannen. Voor elk van de drie feiten geeft verzoeker aan geenszins er op aangestuurd te hebben zijn plantondienst te vullen met “verder onderzoek voor eigen onderzoek”. Verzoeker wijst er voorts op dat het niet opgaat om het begrip “verder onderzoek” achteraf zeer uitgebreid te gaan interpreteren in strijd met wat er in de richtlijn staat. Wat het tweede middel betreft, voert verzoeker aan dat het negeren van de richtlijn met zich brengt dat het verzoeker is die de afspraak heeft ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.798 XII-9757-5/15 vastgelegd. De vermelding in de bestreden beslissing “U heeft deze online afspraak zelf ingegeven” is volgens verzoeker dus wel degelijk relevant, daar dit de tenlastelegging is. In de laatste memorie repliceert verzoeker op het auditoraatsverslag. Wat het eerste middel betreft, voert hij aan dat het auditoraatsverslag het verhoren op uitnodiging als een verder onderzoek beschouwt, terwijl dat niet blijkt uit de richtlijn. Verzoeker kan zich vinden in het standpunt dat er sprake is van een verder onderzoek van zodra er een dossier bestaat. Volgens verzoeker is dat vanaf er politioneel informatie kan worden verwerkt. Met uitzondering van de afspraak V. was er te dezen echter geen dossier. Voorts zet verzoeker uiteen dat het correct is dat hij wetens en willens de burgers ter kennis bracht dat zij een afspraak voor aangifte mochten boeken voor de dag waarop hij plantondienst had, doch dat dit nog niet betekent dat er sprake is van een (bestaand) dossier noch van een “verder onderzoek voor eigen onderzoeken”. Het betrof initiële aangiftes door burgers. Het gegeven dat verzoeker de afspraken niet zelf heeft geboekt, is volgens hem wel degelijk van belang. Hij heeft uit klantvriendelijkheid enkel informatie gedeeld en het stond de burgers vrij een afspraak te boeken op een ander moment. Wat het tweede middel betreft, herhaalt verzoeker dat het er wel degelijk toe doet wie de afspraken heeft geboekt. De bestreden beslissing kwalificeert het gegeven dat verzoeker zelf de afspraak K. heeft ingegeven als een tuchtvergrijp, wat incorrect is.
  15. In de memorie van antwoord vat de verwerende partij de weerlegging van het eerste middel als volgt samen: “De verwerende partij meent dat – onafgezien van het gebrek aan belang bij het middel – de tuchtoverheid in de bestreden tuchtbeslissing wel degelijk is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en deze correct heeft beoordeeld door ze te kwalificeren als een schuldige gedraging in hoofde van de verzoekende partij en aldus een tuchtinbreuk te weerhouden waarvoor hem een tuchtstraf zou hebben begaan.” Voorts licht de verwerende partij – naast een aantal algemene beschouwingen over het bewijs van de feiten en de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen – toe dat aan verzoeker het “(‘bewust’) ‘negeren van de richtlijn ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.798 XII-9757-6/15 inzake het inplannen van verder onderzoek in eigen dossiers tijdens het uitoefenen van een plantondienst’ ten laste [is] gelegd hetgeen ‘een nefaste invloed heeft op de inspanningen van de korpsleiding (…) om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de burgers en de bestuurlijke overheid die stellen dat er te weinig mogelijkheden zijn om een aangifte in te dienen’”. De tuchtoverheid heeft verzoeker noch ten laste gelegd noch aangenomen dat hij persoonlijk een afspraak heeft ingeboekt in Appoint, zodat het gegeven dat verzoeker geen van de afspraken zelf heeft ingeboekt niet relevant is. Volgens de verwerende partij heeft de tuchtoverheid wel aangenomen dat verzoeker bewust de bijkomende korpsonderrichting heeft genegeerd door in elk van de drie gevallen de betrokken burger minstens te suggereren, dan wel uitdrukkelijk te vragen, om een afspraak in te boeken op 25 september 2023, op een ogenblik dat verzoeker plantondienst had. De bijkomende korpsonderrichting heeft volgens de verwerende partij tot doel om de agenda vrij te houden voor nieuwe feiten en niet afspraken in te plannen inzake feiten waarover al vaststellingen zijn gebeurd of waarvan al kennis is genomen. De tuchtoverheid heeft in redelijkheid geoordeeld dat de afspraken kaderen in “verder onderzoek”, terwijl dergelijke afspraken niet meer toegelaten zijn op grond van de bijkomende korpsonderrichting. Het gaat volgens de verwerende partij niet op dat verzoeker zelf geen afspraak vastlegt op het ogenblik dat hij onthaaldienst heeft, maar wel uitdrukkelijk suggereert aan de betrokkene om een afspraak te maken op het ogenblik dat hij onthaaldienst heeft. Dit miskent ontegensprekelijk de doelstelling van de bijkomende korpsonderrichting. De uiteenzetting in het verzoekschrift over wat als een “lopend dossier” zou moeten worden beschouwd, geeft enkel blijk van de eigen zienswijze en opportuniteitsbeoordeling van verzoeker. In de memorie van antwoord vat de verwerende partij de weerlegging van het eerste onderdeel van het tweede middel als volgt samen: “De verwerende partij meent dat – onafgezien van het gebrek aan belang bij het middelonderdeel – de tuchtoverheid in de bestreden tuchtbeslissing wel degelijk is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en deze correct heeft beoordeeld door ze te kwalificeren als een schuldige gedraging toerekenbaar aan de verzoekende partij.” XII-9757-7/15 Voorts herhaalt de verwerende partij het verweer geformuleerd ten aanzien van het eerste middel, met name door te preciseren wat precies aan verzoeker ten laste is gelegd en dat de tuchtoverheid niet ten laste heeft gelegd noch aangenomen dat hij persoonlijk een afspraak heeft ingeboekt in Appoint, zodat het gegeven dat verzoeker geen van de afspraken zelf heeft ingeboekt niet relevant is. Voorts herhaalt de verwerende partij dat de tuchtoverheid wel heeft aangenomen dat verzoeker bewust de bijkomende korpsonderrichting heeft genegeerd door in elk van de drie gevallen de betrokken burger minstens te suggereren, dan wel uitdrukkelijk te vragen, om een afspraak in te boeken op 25 september 2023, op een ogenblik dat verzoeker plantondienst had. Aanvullend wijst de verwerende partij erop dat de vermelding onder punt 3 (van de bestreden beslissing), dat de verzoekende partij de boeking zelf heeft ingegeven, niet relevant is en geen bevestiging vindt in de eigenlijke tenlastelegging of de bespreking van het verweer en het bewijs, de toerekening en de kwalificatie van de tuchtvergrijpen (punten 6, 7 en 8 van de bestreden beslissing). Het opvragen van de technische gegevens over wie de boeking daadwerkelijk heeft uitgevoerd, is volgens de verwerende partij in de gegeven omstandigheden niet relevant. In de laatste memorie verwijst de verwerende partij naar de memorie van antwoord, herhaalt zij ten dele wat daarin is aangevoerd en sluit zij zich voorts aan bij het auditoraatsverslag. Beoordeling
  16. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. XII-9757-8/15 Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  17. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  18. Verzoeker en de verwerende partij verschillen van mening over wat het aan verzoeker verweten tuchtvergrijp precies omvat. Volgens verzoeker wordt hem verweten dat hij persoonlijk afspraken heeft geboekt in Appoint voor “verder onderzoek voor eigen onderzoeken” in strijd met de richtlijn desbetreffend. De verwerende partij van haar kant voert aan dat verzoeker weliswaar het “negeren van de richtlijn inzake het inplannen van verder onderzoek in eigen dossiers tijdens het uitoefenen van een plantondienst” ten laste wordt gelegd, doch niet dat verzoeker persoonlijk een afspraak heeft ingeboekt in Appoint, zodat het gegeven dat verzoeker geen van de afspraken zelf heeft ingeboekt, niet relevant is. Wat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.798 XII-9757-9/15 volgens de verwerende partij de tuchtoverheid wel verwijt aan verzoeker, is dat hij bewust de bijkomende korpsonderrichting heeft genegeerd door in elk van de drie vermelde gevallen de betrokken burger minstens te suggereren, dan wel uitdrukkelijk te vragen, om een afspraak in te boeken op 25 september 2023, op een ogenblik dat verzoeker plantondienst had. De relevante onderdelen van de bestreden beslissing om te beoordelen wat verzoeker precies ten laste wordt gelegd, luiden: “
  19. Uiteenzetting van de feiten [...] Op maandag 25/09/2023 was u voorzien met een plantondienst. U heeft deze dienst niet uitgevoerd wegens ziekte. Bij het voorzien van een vervanger werd vastgesteld dat er 3 aangiftes gepland stonden die voortvloeiden uit eerdere dossiers en/of vaststellingen. Het betreft:
  20. Een aangifte om 09.00 u voor Dhr [D.L.] - type verkeersongeval aangeven. Dit betreft een dossier van 21 september.
  21. Een aangifte om 13.30 u voor Mevr [P.K.] - type verkeersongeval aangeven. Dit betreft een dossier met vaststellingen op 12 september.
  22. Een aangifte om 16.45 u voor Dhr [K.V.] - type verkeersongeval aangeven Dit betreft een dossier met vaststellingen op 18 september. In haar e-mail van 27/09/2023 verzoekt 1CP [H.C.] u om per aangifte te verduidelijken wat uw motivatie was om deze aangiftes (te laten) inboeken tijdens uw plantondienst. Betreffende de aangifte op 25/09/2023 om 09.00 u stelt u […] Betreffende de aangifte op 25/09/2023 om 13.30 u stelt u […] Betreffende de aangifte op 25/09/2023 om 16.45 u stelt u […] Uit bovenvermelde elementen blijkt dat u bewust de richtlijnen van uw directeur operaties negeert. Het negeren van de richtlijn inzake het inplannen van verder onderzoek in eigen dossiers tijdens het uitvoeren van een plantondienst heeft een nefaste invloed op de inspanningen die de korpsleiding levert om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de burgers en de bestuurlijke overheid die stellen dat er te weinig mogelijkheden zijn om een aangifte in te dienen. […]
  23. Bewijs en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier; Gelet op het inleidend verslag, vermeld in punt 2.4; Gelet op uw verweerschriften, vermeld in punt 2.19; Gelet op uw administratief verhoor, vermeld in punt 2.18; Gelet op de e-mail dd 01/09/2023 van 1CP [H.C.], directeur operaties, met onderwerp ‘afspraken appoint’, stuk TU/2023/004/
  24. Overwegende dat het vanaf 04/09/2023 niet meer toegelaten was om ‘verder onderzoek’ voor eigen onderzoeken in te boeken via de toepassing ‘appoint’. Gelet op de e-mail dd 27/09/2023 van 1CP [H.C.], directeur operaties, met onderwerp ‘aangiftes tijdens plantondienst 25/09’, stuk TU/2023/004/
  25. Overwegende dat door 1CP [H.C.]werd vastgesteld dat u de richtlijn uit haar e-mail van 01/09/2023 negeert. XII-9757-10/15 Gelet op het feit dat u op 25/09/2023 voorzien was met een plantondienst. Gelet op het feit dat er vastgesteld werd dat er op 25/09/2023 3 aangiftes gepland stonden die voortvloeiden uit eerdere dossiers en/of vaststellingen. Overwegende dat deze afspraken gezien worden als ‘verder onderzoek’. Gelet op uw e-mail dd 28/09/2023, met onderwerp ‘Re: aangiftes tijdens plantondienst 25/09’, stuk TU/2023/004/
  26. Deze e-mail is uw antwoord op het verzoek van de directeur operaties om te verduidelijken wat uw motivatie was om deze afspraken in te boeken tijdens uw plantondienst. Overwegende dat u stelt dat betreffende de aangifte op 25/09/2023 om 09.00 u u Dhr [L.] uitlegde hoe hij een afspraak kon maken waarbij u hem meedeelde dat u toevallig de eerstvolgende maandag plantondienst had. Overwegende dat u stelt dat betreffende de aangifte op 25/9/2023 om 13.30 u u Mevr [K.] uitgenodigd had om langs te komen op 25/09/
  27. Overwegende dat u stelt dat betreffende de aangifte op 25/09/2023 om 16.45 u u Dhr [V.], na overleg met HINP [B.D.], heeft uitgenodigd voor verhoor op uw eerstvolgende werkdag, toevallig ook op uw plantondienst. Overwegende dat u verklaart dat u er eigenlijk niet echt bij stilgestaan hebt dat dit een eigen verder onderzoek was. Overwegende dat u de richtlijn van uw directeur operaties heeft genegeerd. Overwegende dat u dit mogelijks bewust heeft gedaan. Overwegende dat het negeren van de richtlijn inzake het inplannen van verder onderzoek in eigen dossiers tijdens het uitvoeren van een plantondienst een nefaste invloed heeft op de inspanningen die de korpsleiding levert om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de burgers en de bestuurlijke overheid. Overwegende dat het bewust negeren van richtlijnen de reputatie van de politiezone, uw collega’s en oversten in diskrediet kan brengen. meen ik dat de tuchtfeiten vermeld in punt 3 vaststaan en aan u dienen te worden toegerekend.
  28. Kwalificatie van de tuchtvergrijpen Na analyse van het tuchtdossier ben ik van oordeel dat de feiten bedoeld in punt 3 tuchtvergrijpen uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Artikel 3 van de tuchtwet: […] Ik weerhoud lastens u de volgende tuchtvergrijpen: ‘Als eerste inspecteur, lid van de politiezone Gavers, de waardigheid van zijn ambt in het gedrang hebben gebracht en tekort zijn gekomen aan zijn beroepsplichten door: • het negeren van een richtlijn; • nagelaten te hebben zijn eed tot gehoorzaamheid aan de wetten van het Belgische volk te respecteren; • nagelaten te hebben de voorbeeldfunctie die elk lid van de geïntegreerde politie moet inspireren, te respecteren.’ De ten laste gelegde feiten maken tekortkomingen uit aan de professionele en deontologische verplichtingen, in het bijzonder: […].” Uit de bestreden beslissing blijkt aldus dat verzoeker als tuchtvergrijp het (bewust) negeren van een richtlijn wordt verweten. XII-9757-11/15
  29. De richtlijn die verzoeker volgens de bestreden beslissing heeft genegeerd, betreft een e-mail van 1 september 2023 met als onderwerp “afspraken appoint” die luidt: “Er komen steeds meer (officiële) klachten inzake de beschikbaarheid van onze aangiftendienst. Burgers kunnen vaak 2 tot 3 dagen later dan wanneer ze de website raadplegen een afspraak inboeken. Om meer opening te creëren voor aangiftes, is het vanaf maandag 4 september niet meer mogelijk om een verder onderzoek voor eigen onderzoeken in te boeken in appoint. Op deze manier proberen we extra beschikbare ruimte te geven aan burgers om langs te komen voor een aangifte. Ik wil jullie ook meegeven dat de klachten zo frequent en veelvuldig zijn de laatste maanden dat wij de optie om extra aangifteshifts gaan bekijken (een tweede persoon voorzien met een tweede agenda, langere/meer openingstijden met aanpassing van de (gesplitste) plantonshiften,…). Met ander[e] woorden meer capaciteit voorzien voor aangiftes. Dit voor een eventuele aanpassing voor volgend jaar. […]”. De richtlijn houdt aldus een verbod in om een afspraak met een derde voor “verder onderzoek voor eigen onderzoeken” in te boeken in Appoint. Dat verbod heeft tot doel “extra beschikbare ruimte te geven aan burgers om langs te komen voor een aangifte”. Het negeren van die richtlijn – wat aan verzoeker wordt verweten – impliceert bijgevolg dat verzoeker persoonlijk afspraken inboekt en wel voor “verder onderzoek voor eigen onderzoeken”.
  30. Verzoeker voert aan dat hij tijdens de hoorzitting voor de gewone tuchtoverheid heeft opgeworpen – wat wordt bevestigd in het proces- verbaal van de hoorzitting – dat hij geen van de drie ten laste gelegde afspraken zelf heeft ingeboekt, maar dat twee afspraken zijn ingeboekt door de burger zelf en de derde is ingeboekt door een collega. Verzoeker wijst er terecht op dat het administratief dossier geen enkel stuk bevat waaruit onweerlegbaar blijkt dat verzoeker de drie afspraken waarmee hij de richtlijn zou hebben genegeerd, zelf heeft ingeboekt in Appoint. Uit de bestreden beslissing blijkt nochtans – zoals verzoeker eveneens terecht onderstreept – dat de tuchtoverheid erkent dat de systeembeheerders, waaronder eerste commissaris van politie H.D., “een aantal extra functies ter beschikking [hebben] waaronder het bekijken van de loggingsgevens [sic]” en dat die gegevens onder meer omvatten “wie welke afspraak heeft gemaakt”. Nog volgens de bestreden beslissing achtte de XII-9757-12/15 tuchtoverheid zich echter “op een duidelijke en volledige wijze” ingelicht op basis van de e-mail van eerste commissaris van politie H.D. van 27 september
  31. Gelet op de formele ontkenning van verzoeker voor de tuchtoverheid dat hij de afspraken zelf had ingeboekt en het ontbreken in het tuchtdossier van de logingegevens waaruit blijkt wie de afspraken in kwestie had ingeboekt, steunt de bestreden beslissing niet op motieven die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld en waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen. De bestreden beslissing miskent in die mate de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.
  32. Het verweer namens de tuchtoverheid dat zij niet ten laste heeft gelegd noch heeft aangenomen dat verzoeker de drie afspraken persoonlijk heeft ingeboekt in Appoint en dat dit zelfs niet relevant is, faalt. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nrs. 13-14), wordt verzoeker verweten de richtlijn van eerste commissaris van politie H.D. van 27 september 2023 te hebben genegeerd en vereist het negeren van die richtlijn als constitutief element dat verzoeker de afspraken persoonlijk heeft ingeboekt, een bewijs dat te dezen niet wordt geleverd.
  33. Voorts voert de verwerende partij aan dat verzoeker de richtlijn bewust heeft genegeerd door in elk van de drie gevallen de burger te suggereren, dan wel te vragen, een afspraak te boeken op 25 september 2023, zijnde een dag dat verzoeker een plantondienst had, terwijl het de bedoeling is om de agenda vrij te houden voor “nieuwe feiten”. Dit verweer faalt evenzeer. Uit de richtlijn blijkt (zie supra, nr. 14) dat het niet meer mogelijk is om een verder onderzoek voor eigen onderzoeken in te boeken in Appoint en dat het de bedoeling is om op die manier meer ruimte te creëren voor burgers om langs te komen voor een aangifte. Door verzoeker te verwijten de richtlijn te negeren door de burgers te suggereren, dan wel te vragen, een afspraak te boeken op een bepaalde datum, geeft de bestreden beslissing aan de richtlijn van eerste commissaris van politie H.D. van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.798 XII-9757-13/15 27 september 2023 een draagwijdte en interpretatie die niet verenigbaar is met de tekst ervan. Een eventuele suggestie of zelfs vraag om een afspraak te boeken via Appoint doet geen afbreuk aan de vaststelling dat het niet verzoeker was, maar wel de burger (of een collega), die de afspraak boekte. De verwerende partij kan evenmin worden gevolgd in het standpunt dat verzoeker ontegensprekelijk de doelstelling van de richtlijn zou miskennen, daar, volgens die richtlijn, het opgelegde verbod juist tot doel heeft burgers zelf toe te laten afspraken te maken, wat te dezen – bij gebrek aan enig bewijs van het tegendeel – ook blijkt te zijn gebeurd.
  34. De vraag of de drie afspraken die verzoeker worden verweten al dan niet moeten worden beschouwd als een vorm van “verder onderzoek voor eigen onderzoeken” mag onbeantwoord blijven, daar het antwoord op deze vraag niet tot een ruimere vernietiging kan leiden.
  35. Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gewone tuchtoverheid van 5 december 2023 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd.
  37. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
  38. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-9757-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9757-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.798 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.