← België

Arrest 265814 - Overheidsopdrachten - 24/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.814 Rolnummer: A. 246839/XIV-40010 Zaak: Arrest 265814 - Overheidsopdrachten - 24/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-27 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-06-18 06:09 Fiche Arrest nr 265.814 van 24 februari 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.814 van 24 februari 2026 in de zaak A. 246.839/XIV-40.010 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Bauwens, Robin Meylemans en Simon Dael kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 23 december 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur-generaal van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie van 24 oktober 2025 waarbij de verzoekende partij niet wordt weerhouden in het kader van de DEFRA-oproep 2025 en niet als partner binnen het consortium R. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 5 januari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. XIV-40.010-1/20 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026, om 14:00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaten Robin Meylemans en Simon Dael, die verschijnen voor de verzoekende partij, en vaandrig-ter-zee Marie-Sofie Thiriaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij dient samen met andere partners op 2 mei 2025 een offerte in voor een thema van de projectoproep DEFRA 2025 en zulks als consortium onder naam R. 3.2. Op 8 oktober 2025 brengt de directeur-generaal van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie het volgende ter kennis van de verzoekende partij: “Eerder dit jaar heeft uw bedrijf [de verzoekende partij] deelgenomen aan de DEFRA Call 2025, met het projectvoorstel [R.] in het kader van het thema C-UAS. In het kader van deze oproep, dienen alle projecten en deelnemers in lijn te zijn met zowel de objectieven en visie van de DEFRA-call als met de belangen van Defensie. Na de volledig evaluatie- en selectieprocedure te hebben doorlopen van de DEFRA-call 2025, zal het bedrijf [de verzoekende partij] niet kunnen weerhouden worden en dus ook niet als partner binnen het consortium [R.].” XIV-40.010-2/20 3.3. Na hiertoe te zijn verzocht door de verzoekende partij, heroverweegt de directeur-generaal van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie zijn voormelde beslissing van 8 oktober 2025. 3.4. Op 24 oktober 2025 wordt het willig administratief beroep verworpen. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd: “Uw e-mails van 17 en 20 oktober 2025 in reactie op mijn brief van 8 oktober 2025 met de mededeling dat de [verzoekende partij] niet als partner binnen het consortium RAVN zal weerhouden worden, [hebben] mijn volle aandacht genoten. De voormelde e-mails worden beschouwd als een willig administratief beroep en hieronder vindt u mijn analyse en beslissing dienaangaande. Veiligheidsmachtiging Vooreerst, als partner in consortium [R.] in het kader van de DEFRA Call 2025 heeft u ongetwijfeld kennisgenomen van het document vermeld in referentie 3 hierboven. In dit document wordt het volgende gesteld: “Based on the assessment of the provided input a security screening by Belgian Defence might be imposed in the contract on ALL partners of the selected project(s). In that case, these beneficiaries should obtain a security clearance before starting work on classified parts of the project. The applicable security framework for the action must be in place at the latest before the signature of the contract and will be considered as an annex to the contract. (…) This security analysis will not be part of the evaluation process but is essential to be able to start the project. Persons that are involved in a project must be nationals of a country of the European Union or nationals of a country of the European Free Trade Association or nationals of a country that is a member of NATO. Persons involved in a project may be subject to a verification. Only after a positive verification, a person can be recruited to the project.” U stelt in uw e-mail van 17 oktober 2025 onder meer dat u niet begrijpt dat [de verzoekende partij] een gevaar zou betekenen voor het imago van Defensie, terwijl er nochtans een veiligheidsmachtiging werd afgeleverd in 2024. De [verzoekende partij] heeft inderdaad op 17 mei 2024 een veiligheidsmachtiging ‘NATO SECRET’ verkregen. Er dient evenwel op gewezen te worden dat na deze datum de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid (hierna: ADIV) kennis heeft gekregen van bijkomende informatie met betrekking tot de (enige) aandeelhouder van de [verzoekende partij]. De inhoud van deze informatie kan u evenwel door ADIV niet worden meegedeeld aangezien deze informatie geclassificeerd is in de zin van de wet XIV-40.010-3/20 van 11 december 1998 ‘betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’. De identiteit van menselijke bronnen en de informatie die deze bronnen leveren, evenals de technieken en de tactieken die ADIV inzet, alsook de bestaande informatiepositie van ADIV en haar actuele kennisniveau worden immers beschermd met toepassing van de voormelde wet van 11 december 1998. Deze informatie wordt geclassificeerd omdat de kennisname ervan schade kan toebrengen aan de door de voormelde wet beschermde belangen, waaronder de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen in België en het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land. Het is dan ook voor ADIV onmogelijk deze informatie aan u vrij te geven. Bovendien is het onmogelijk om in concreto aan te tonen dat het vrijgeven van deze geclassificeerde informatie afbreuk doet aan iemands persoonlijke levenssfeer, een wettelijke geheimhoudingsplicht of de classificatie. Argumenteren in concreto houdt immers een groot risico in dat de identiteit van personen die met ADIV meewerken onthuld wordt, of dat men kennis krijgt van de informatiebronnen van ADIV, de technieken en tactieken die ze inzet, de informatiepositie en de relatie met buitenlandse inlichtingendiensten of internationale instellingen. Deze bijkomende gevoelige en geclassificeerde informatie aangaande de [de enige aandeelhouder van de verzoekende partij] heeft uiteindelijk geleid tot de inschatting van ADIV van een mogelijke imagoschade voor Defensie in geval van samenwerking met de [verzoekende partij] omdat betrokkene de enige aandeelhouder is. Voor alle duidelijkheid, dit advies van ADIV is niet gebaseerd op een integriteitsprobleem in hoofde van de Belgische bestuurders van [de verzoekende partij], zoals aan u overigens ook werd bevestigd in uw onderhoud met de ACOS IS op 15 oktober 2025 en waarnaar uzelf verwijst in uw e-mail van 17 oktober 2025. Wijziging aandeelhouderschap U stelt eveneens in uw onderstaande mail dat er op korte termijn een wijziging zou kunnen komen met betrekking tot het aandeelhouderschap van de [verzoekende partij]. Er kan echter geen rekening mee worden gehouden aangezien dit voor het moment slechts loutere beweringen zijn, die door u niet gestaafd worden en dus ook geen rechtswaarde hebben. Gelet op de hierboven vermelde inschatting van ADIV over de [verzoekende partij] die te wijten is aan een integriteitsprobleem in hoofde van [haar enige aandeelhouder], is het wel zo dat een volledige nieuwe aandelenstructuur zonder inmenging en participatie van [de enige aandeelhouder] (en die geen schijnconstructie

  1. is)eventueel tot een nieuwe integriteitsbeoordeling aanleiding zou kunnen geven. In dat geval is immers de onderneming niet langer verbonden met de persoon die de integriteitsproblemen veroorzaakte. Op basis van deze nieuwe beoordeling zou dan kunnen beslist worden dat de [verzoekende partij] in de toekomst alsnog zou kunnen samenwerken met Defensie, hetzij in het kader van een nieuwe DEFRA-call, hetzij in het kader van een eventuele XIV-40.010-4/20 toekomstige overheidsopdracht. Ondertekening [R.] contract […]. Beslissing In mijn functie als directeur-generaal van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie beschouw ik de veiligheidsanalyse van ADIV van primordiaal belang voor de deelname aan een project binnen Defensie, daarbij ook rekening houdende met de huidige geopolitieke context. Dit belang werd overigens duidelijk gesteld in de ‘Call for proposals’ waar uw firma als voorgestelde partner in het consortium [R.], kennis van heeft kunnen nemen. Ik meen dus dat alle projecten en deelnemers in lijn moeten zijn met zowel de objectieven en visie van de DEFRA-call, als met de belangen van Defensie. Om die reden en ook gelet op de voorgaande paragrafen, bevestig ik mijn eerdere beslissing van 8 oktober 2025 dat de [verzoekende partij] niet kan weerhouden worden in het kader van de DEFRAcall 2025 en dus ook niet als partner binnen het consortium [R.]. […]”. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 4. Zowel de verzoekende als de verwerende partij vragen in hun respectievelijk processtuk om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken, die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. 5. Beide partijen hebben (ter terechtzitting) niet het lichten van de vertrouwelijkheid van mekaars stukken gevraagd. V. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Betreffende de pleitnota 6. De verzoekende partij dient op 12 februari 2026 een pleitnota in. 7. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van een pleitnota. In zoverre deze pleitnota de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als een XIV-40.010-5/20 processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre de verzoekende partij in haar mondelinge opmerkingen ter terechtzitting of in de pleitnota die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormt, nieuwe argumenten ter adstructie van het enige middel ontwikkelt waarvan zij niet aantoont dat zij die niet in haar vordering kon ontwikkelen, zijn zij niet-ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd. Te dezen voert de verzoekende partij op het eerste gezicht ook argumenten aan in haar pleitnota die zij pas kon ontwikkelen na kennisneming van de aan het administratief dossier toegevoegde niet‑geclassificeerde versie van de geclassificeerde informatie waarop de bestreden beslissing steunt. Het wordt niet betwist dat de verzoekende partij, in die stand van het geding, niet langer de mogelijkheid had om deze argumenten nog via een in de toepasselijke procedureregeling voorziene weg aan te voeren. In dat geval kan, in de huidige stand van het geding en in het licht van het recht op toegang tot de rechter, de enkele omstandigheid dat deze argumenten zijn opgenomen in een stuk dat niet in de toepasselijke procedureregeling is voorzien — in casu de pleitnota — op zichzelf niet leiden tot hun niet‑ontvankelijkheid. Deze argumenten worden derhalve binnen deze perken hierna in aanmerking genomen en betrokken bij de navolgende beoordeling. B. Betreffende de eis tot samenvatting van de aangevoerde grieven 8. Sinds 1 januari 2025 geldt als een van de algemene procedureregels die van toepassing zijn op elke vordering tot schorsing dat wanneer voor het (ernstig) middel een verdere uiteenzetting vereist is, het verzoekschrift een samenvatting moet bevatten van de aangevoerde grief. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2, § 1, derde en vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de algemene procedureregeling), desgevallend in samenhang te lezen met artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024). XIV-40.010-6/20 De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting van de aangevoerde grief nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). 9. Te dezen deelt de verzoekende partij het enige middel op in drie onderdelen, waarbij voor elk onderdeel — en voor de daarin onderscheiden grieven — een schending van diverse bepalingen en rechtsbeginselen wordt aangevoerd. Elk van deze onderdelen en de daarin vervatte grieven wordt vervolgens uitvoerig toegelicht over meerdere pagina’s, waarbij de verzoekende partij in detail en concreet de argumenten uiteenzet die volgens haar elk middelonderdeel ondersteunen. Hoewel het verzoekschrift wel een hierna weergegeven, zeer beknopte samenvatting bevat, kan die niet worden beschouwd als een samenvatting in de zin als hiervoor is gesteld. De grieven zijn immers op een zeer omstandige wijze ontwikkeld, onderverdeeld in afzonderlijke onderdelen die telkens andere schendingen aanvoeren, en worden telkens in detail toegelicht. De opgenomen samenvatting geeft deze afzonderlijke en inhoudelijk diverse grieven niet weer. Het komt aan de Raad van State niet toe om, in de plaats van deze partij, te doen wat die partij moet doen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven begrijpt als hierna is gedaan. XIV-40.010-7/20 C. Betreffende de eis tot samenvatting van de argumenten van de verwerende partij 10. Eveneens sinds 1 januari 2025 geldt als een van de algemene procedureregels die van toepassing zijn op elke vordering tot schorsing, de verplichting dat, wanneer voor het beantwoorden van de middelen een nadere uiteenzetting nodig is, de nota met opmerkingen een samenvatting moet bevatten van de argumenten van de verwerende partij (art. 7, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 2024). Derhalve moet de nota met opmerkingen een samenvatting van de aangevoerde argumenten bevatten, telkens wanneer voor het beantwoorden van de middelen een nadere uiteenzetting noodzakelijk is. 11. Te dezen omvat het antwoord van de verwerende partij op het enige aangevoerde middel zeer uitvoerige opmerkingen, verspreid over meerdere bladzijden, waarin deze partij gedetailleerd en concreet ingaat op de argumenten die haar standpunt moeten schragen. Zij verzuimt evenwel een samenvatting te geven van haar eigen argumenten. Het komt aan de Raad van State niet toe om, in de plaats van deze partij, te doen wat die partij moet doen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure waarin ook het recht van verdediging van de andere partij is beperkt, de verwerende partij moet verdragen dat de Raad van State haar argumenten begrijpt als hierna is gedaan. VI. Schorsingsvoorwaarden 12. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een XIV-40.010-8/20 versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VII. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 13. In het enige middel voert de verzoekende partij de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van het materiëlemotiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginel, het redelijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, de hoorplicht, het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Zij vat het middel als volgt samen: “83 In het enige middel zal [de verzoekende partij] aantonen dat de bestreden beslissing niet verenigbaar is met de voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, doordat zij deels steunt op niet meegedeelde motieven waarvan de feitelijke juistheid en relevantie betwist is en doordat niet met de vereiste zorgvuldigheid werd afgewogen welke maatregel [de verzoekende partij] zou kunnen nemen om enig risico van “imagoschade” voor het Ministerie van Defensie te vermijden. De verwerende partij koos er integendeel voor om, onder andere op basis van feitelijk onjuiste dan wel irrelevante motieven, de meest ingrijpende maatregel op te leggen, terwijl die beslissing niet proportioneel is. Minstens blijkt nergens uit de bestreden beslissing waarom de verwerende partij gemeend heeft dat uitsluiting, na belangenafweging, toch als evenredig overkwam.” In het enig middel onderscheidt de verzoekende partij drie onderscheiden middelonderdelen. In het eerste komt de schending van de formelemotiveringsplicht aan bod; in het tweede de schending van de materiëlemotiveringsplicht, het patere legem-beginsel, het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel en in het derde onderdeel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de hoorplicht, het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Elk van deze onderdelen maakt het voorwerp uit van een omstandige argumentatie en uiteenzetting van de erin vervatte grieven. XIV-40.010-9/20 Beoordeling A. Eerste middelonderdeel. 14. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie wat dit middelonderdeel betreft. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien het middelonderdeel ernstig zou worden bevonden, hetgeen zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 15. De verzoekende partij voert in essentie aan dat de bestreden beslissing de formelemotiveringsplicht miskent doordat ze niet de feitelijke motieven bevat die eraan ten grondslag liggen. Louter is vermeld dat de uitsluiting van de verzoekende partij zou zijn ingegeven door mogelijke “imagoschade” voor het ministerie van Defensie, terwijl “een dergelijke , bijzonder summiere opgave van redenen […] evenwel niet [kan] gelden als een afdoende motivering.” Voorts stelt zij dat de toevoeging in een e-mail van 8 december 2025 dat de bestreden beslissing expliciet zou zijn ingegeven door “integriteitsproblemen” in hoofde van de aandeelhouder van de verzoekende partij, laattijdig is en hoe dan ook gebrekkig wegens gebrek aan preciesheid wat het begrip “integriteit” betreft. 16. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem XIV-40.010-10/20 aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. Artikel 4, 4°, van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de bij die wet voorgeschreven formelemotiveringsplicht niet van toepassing is indien de motivering van de bestuurshandeling afbreuk kan doen aan de bepalingen inzake de zwijgplicht. Voorts bepaalt artikel 4, 1° van de wet van 29 juli 1991 dat de bij die wet voorgeschreven motiveringsplicht niet van toepassing is indien de motivering van de bestuurshandeling de uitwendige veiligheid van de Staat in het gedrang kan brengen. Zonder dat in de huidige stand van het geding de Raad van State moet onderzoeken of te dezen de laatst vermelde uitzonderingsgrond niet geldt, moet hoe dan ook indien deze uitzondering te dezen niet van toepassing is of zou zijn, in elk geval de hiervoor omschreven formelemotiveringsplicht worden verzoend met te dezen de bepalingen van de wet van 11 december 1998 ‘betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst’ (hierna: de wet van 11 december 1998) en de noodzakelijke eis tot geheimhouding van de overeenkomstig die wet geclassificeerde informatie. Deze classificatie van informatie is categorisch, wat prima facie betekent dat die (geheime) informatie niet mag worden meegedeeld aan de bestuurde. In dit verband kan daarom — althans op het eerste gezicht — worden aanvaard dat, om redenen van de noodzakelijke vrijwaring van de geheimhouding van geclassificeerde informatie, die immers geclassificeerd is ter bescherming van een of meer van de in artikel 3, § 1, van de wet van 11 december XIV-40.010-11/20 1998 opgesomde belangen, deze informatie niet wordt bekendgemaakt. In dergelijke omstandigheden volstaat, in overweging nemend het recht op toegang tot de rechter, op het eerste gezicht een beknopte motivering, waarbij de administratieve overheid slechts in algemene termen aanduidt welke overwegingen haar tot de bestreden beslissing hebben gebracht, met dien verstande dat die formele motivering niet zodanig summier of laconiek mag zijn dat het voor de bestuurde onmogelijk wordt om te begrijpen om welke redenen de administratieve overheid tot haar besluit is gekomen. 17. De bestreden beslissing steunt op de hiervoor onder punt 3.4 weergegeven motieven. Er wordt naar verwezen. Uit deze motivering kan de verzoekende partij vernemen dat het determinerende motief waarop de bestreden beslissing steunt, het feit is dat de veiligheidsanalyse van de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid (hierna: ADIV) van bijkomende gevoelige en geclassificeerde informatie waarvan ADIV kennis kreeg, aan het licht bracht dat er in hoofde van de enige aandeelhouder van de verzoekende partij, een integriteitsprobleem rijst dat maakt dat de verzoekende partij niet kan worden “weerhouden.” Het bestaan van een integriteitsprobleem in hoofde van de enige aandeelhouder lijkt derhalve de determinerende overweging te zijn om tot de bestreden beslissing te komen. Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, blijkt dit determinerend motief op het eerste gezicht wel degelijk uit de onder punt 3.4. aangehaalde bestreden beslissing en is het niet (louter) in een latere e-mail aan toegevoegd. Zoals hiervoor is gesteld, moet immers bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht rekening worden gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, is het determinerende motief voor de uitsluiting van de verzoekende partij niet de mogelijke imagoschade voor het ministerie van Defensie, dat veeleer een (mogelijks) gevolg zou zijn, zo lijkt, van de samenwerking met de verzoekende XIV-40.010-12/20 partij wiens enige aandeelhouder een integriteitsprobleem kent. De kritiek van de verzoekende partij lijkt zich dan ook te richten tegen een overtollig motief. 18. Uit de bestreden beslissing blijkt derhalve dat, in het licht van de hiervoor uiteengezette afweging tussen enerzijds de eis tot formele motivering en anderzijds de eis tot geheimhouding van geclassificeerde informatie en los van de vraag of te dezen de uitzonderingsgrond vermeld in artikel 4, 1° van de wet van 29 juli 1991 niet geldt, op het eerste gezicht de formele motivering ter zake aan de verzoekende partij voldoende duidelijkheid verschaft over het determinerende motief waarom de overheid de verzoekende partij uitsloot. Dit volstaat in het licht van de door de verzoekende partij geschonden geachte formelemotiveringsplicht. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen hoe dan ook niet zover dat ze ertoe zou verplichten het uitgedrukte motief gesteund op het integriteitsprobleem in hoofde van de enige aandeelhouder nader te expliciteren en uiteen te zetten wat hieronder wordt bedoeld. De enkele omstandigheid dat de verzoekende partij zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig. 19. In de mate dat de verzoekende partij van oordeel is dat zij niet in staat zou zijn zich afdoende te verweren, maakt zij prima facie niet aannemelijk dat de formele motivering van de bestreden beslissing — die de essentie weergeeft van de reden van uitsluiting —, afgewogen tegen de noodzakelijke vertrouwelijkheid van de aan het determinerende motief ten grondslag liggende redenen, haar recht van verdediging zodanig heeft miskend dat deze motivering haar niet zou hebben toegelaten om met afdoende kennis van zaken uit te maken of het aangewezen was de beslissing met een (schorsings- en annulatie)beroep te bestrijden, te meer dat uit wat voorafgaat (supra, punt 7) blijkt dat zij in de mogelijkheid was om bijkomende kritieken te formuleren over de nadien aan het dossier toegevoegde niet geclassificeerde versie van de geheime informatie. 20. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. XIV-40.010-13/20 B. Tweede middelonderdeel Betreffende de schending van de materiëlemotiveringsplicht 21. De verzoekende partij voert in het middelonderdeel aan dat de bestreden beslissing de materiëlemotiveringsplicht schendt, in essentie, vooreerst doordat het motief inzake de “imagoschade” een dermate arbitrair en onvoorzienbaar concept vormt dat het de bestreden beslissing niet kan dragen. Imagoschade is evenmin voorzien als een geldige uitsluitingsgrond en ook de link met de “huidige geopolitieke context” en wat daarmee wordt bedoeld, is onduidelijk. 22. Het determinerende motief van de bestreden beslissing is hiervoor gegeven (zie supra, punt 17). De kritiek van de verzoekende partij dat de imagoschade, al dan niet gelinkt aan “de huidige politieke context”, niet afdoende is om de bestreden beslissing te dragen, richt zich op een overtollig motief. De eventuele onwettigheid van dit motief kan niet de nietigverklaring van de bestreden beslissing met zich meebrengen en dus ook niet de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan. De eventuele ontoereikendheid of onjuistheid van een ten overvloede ingeroepen motief tast de geldigheid van de bestreden handeling niet aan. De kritiek die de verzoekende partij op dat overtollig motief uitoefent, is derhalve niet ter zake dienend. 23. De verzoekende partij gaat voorts uit van het standpunt dat zij geen risico voor de veiligheid van de Staat vertoont wat volgens haar blijkt uit het feit dat zij beschikt over zowel een veiligheidsmachtiging als een machtiging tot, samengevat, uit- en doorvoer van defensiegerelateerde producten. Deze kritiek vertoont evenmin de vereiste ernst. Het beschikken over deze machtigingen verhindert prima facie op zichzelf niet dat de verwerende partij — wanneer zij, zoals te dezen, kennisneemt van geclassificeerde XIV-40.010-14/20 informatie betreffende de integriteit van de enige aandeelhouder van de verzoekende partij — deze informatie mede betrekt in haar beoordeling en op grond daarvan beslist om de verzoekende partij van de opdracht uit te sluiten. De omstandigheid dat de verzoekende partij een andere mening is toegedaan over de weging en het belang van het feit dat zij over beide machtigingen beschikt, toont op het eerste gezicht niet aan dat de verwerende partij tot een conclusie is gekomen waaruit de schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken. 24. In haar pleitnota stelt de verzoekende partij dat de motieven van de bestreden beslissing “blijkbaar” overeenstemmen met de inhoud van verschillende persartikels uit 2024. Deze stelling vindt evenwel geen steun in de niet‑geclassificeerde nota, noch in de geclassificeerde informatie zoals gerelateerd in het advies van ADIV, die de Raad van State heeft ingezien. In die mate vertrekt de kritiek van de verzoekende partij betreffende de door haar aangehaalde persartikels van een onjuist feitelijk uitgangspunt. Zij is derhalve niet ernstig. Voorts voert de verzoekende partij in haar pleitnota aan dat de niet‑geclassificeerde nota van ADIV geen bewijs bevat van “een link tussen [haar enige aandeelhouder] en de [XXX] georganiseerde misdaad”. Deze kritiek van de verzoekende partij vereist op het eerste gezicht een toetsing aan de inhoud van de geclassificeerde informatie. Los van de vraag of niet (uitsluitend) het Comité I bevoegd is om zich hierover uit te spreken, blijkt dat de verzoekende partij zich in wezen beperkt tot het poneren van een eigen opvatting en een eigen feitelijke lezing van de elementen die in de niet‑geclassificeerde nota van ADIV zijn opgenomen, en de Raad van State aldus uitnodigt tot een herbeoordeling, wat niet tot diens bevoegdheid behoort. Aldus maakt zij niet aannemelijk dat de verwerende partij, door zich bij haar besluitvorming op deze veiligheidsanalyse van ADIV te steunen, de grenzen van haar (discretionaire) beoordelingsruimte heeft overschreden. Het argument dat de verzoekende partij ter terechtzitting tot slot heeft opgeworpen, namelijk dat de beweringen van de verwerende partij XIV-40.010-15/20 tegenstrijdig zouden zijn omdat deze in haar nota enerzijds stelt dat de bestreden beslissing steunt op informatie die werd verkregen na de toekenning van de veiligheidsmachtiging, terwijl zij anderzijds verwijst naar publieke informatie van vóór die toekenning, raakt niet aan de wettigheid van de bestreden beslissing en is derhalve niet ter zake dienend. Het is de wettigheid van de bestreden beslissing die thans voorligt en niet het betoog of de analyse van de verwerende partij in haar processtuk. De Raad van State bemerkt overigens dat de bestreden beslissing — enkel stelt dat ADIV na de datum van de veiligheidsmachtiging “kennis heeft gekregen van bijkomende informatie met betrekking tot de (enige) aandeelhouder van [de verzoekende partij]”, zonder dat hierbij enig oordeel wordt geveld over de vraag of deze bijkomende informatie betrekking heeft op feiten of gegevens van vóór dan wel van ná de veiligheidsmachtiging. Zowel informatie die betrekking heeft op feiten en omstandigheden van vóór de veiligheidsmachtiging als informatie die nadien werd verkregen, kan derhalve op het eerste gezicht deel uitmaken van de “bijkomende informatie”. Betreffende de schending van de overige aangevoerde beginselen 25. De verzoekende partij voert in het tweede middelonderdeel ook de schending aan van het patere legem-beginsel, het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel. 26. In de mate dat de verzoekende partij de schending aanvoert van het transparantiebeginsel is dit geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In die mate is het middel niet ontvankelijk. 27. In de mate dat de verzoekende partij een schending van het patere legem-beginsel ziet in het feit dat de verwerende partij een uitsluitingscriterium “in verband met imagoschade” voorafgaandelijk kenbaar had moeten maken — met name vóór de indiening van de offertes door de geïnteresseerde consortia — berust dit standpunt op een verkeerde lezing van het determinerende motief van de bestreden beslissing. (zie voor dit motief supra, punt XIV-40.010-16/20 17). Dat er volgens de verzoekende partij geen sprake zou zijn van een “veiligheidskwestie”, kan niet worden bijgetreden. Een veiligheidsanalyse zoals de voorliggende is per definitie een aangelegenheid van veiligheid, uitgevoerd door ADIV, dat wettelijk in het bijzonder belast is met het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen betreffende factoren die de nationale en internationale veiligheid (kunnen) beïnvloeden. Kortom, wanneer — zoals in casu — ADIV optreedt en daarbij geclassificeerde informatie verzamelt die aanleiding geeft tot een negatief veiligheidsadvies, betreft dit per definitie een kwestie van (inter)nationale veiligheid. In de mate dat de verzoekende partij ter adstructie van haar standpunt verwijst naar de regeling betreffende de uitsluitingsgronden inzake overheidsopdrachten, zij het als “referentiekader”, faalt dit standpunt in rechte. De desbetreffende regelgeving is te dezen niet toepasselijk, noch bestaat er enige grond om de regeling inzake uitsluitingsgronden in overheidsopdrachten als een juridisch bindend “referentiekader” te beschouwen. De argumentatie van de verzoekende partij die hierop steunt, kan derhalve niet aantonen dat de bestreden beslissing onwettig is. 28. In de mate dat de verzoekende partij tot slot ook nog de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, valt dit samen met wat hiervóór al is besproken. 29. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. C. Derde middelonderdeel Betreffende de schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel 30. De verzoekende partij voert in het middelonderdeel vooreerst aan dat zij op geen enkel moment in de selectie op de hoogte werd gebracht van haar mogelijke uitsluiting noch werden haar vragen gesteld. Dit schendt volgens haar de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. XIV-40.010-17/20 31 Deze kritiek druist op het eerste gezicht in tegen de stukken van het administratief dossier en mist feitelijke grondslag. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij tegen de initiële beslissing een willig beroep heeft ingesteld, waarna de verwerende partij is overgegaan tot een heroverweging ervan, die heeft geleid tot een nieuwe — met name de thans bestreden — beslissing. Het stond de verzoekende partij vrij om in het kader van dat willig beroep alle argumenten aan te voeren die zij nuttig achtte ter ondersteuning van haar standpunt. Er kan dan ook niet ernstig worden volgehouden dat te dezen het hoorrecht van de verzoekende partij zou zijn geschonden bij het nemen van de bestreden beslissing, te meer daar de verzoekende partij bovendien niet aangeeft met welke essentiële elementen of doorslaggevende gegevens de verwerende partij heeft rekening gehouden die zij redelijkerwijze niet kon of niet moest kennen bij het indienen van haar willig beroep, en waarop zij derhalve niet heeft kunnen anticiperen. Om dezelfde reden is er evenmin reden om te besluiten dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld. Betreffende de schending van het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel 32. De verzoekende partij voert in het middelonderdeel voorts aan dat hoewel zij verschillende passende maatregelen had kunnen nemen – die zij gedetailleerd toelicht -, de verwerende partij niettemin besloot om haar op definitieve wijze de commerciële opportuniteit rond het DEFRA- en EDA_project te ontnemen. Een dergelijke handelwijze schendt volgens haar het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel. 33. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteitsbeginsel) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire XIV-40.010-18/20 beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteitsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan de verzoekende partij de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door de verzoekende partij in het middel aangevoerde argumenten die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel miskent. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die door de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. 34. Het is eigen aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid — zoals de bevoegdheid waarover de verwerende partij te dezen beschikt — dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn, die alle de toets aan de redelijkheid en de proportionaliteit doorstaan. De enkele omstandigheid dat de verzoekende partij andere passende maatregelen had kunnen nemen — waardoor een beslissing tot uitsluiting zich volgens haar niet zou opdringen — betreft de opportuniteit van de gemaakte keuze en impliceert op zichzelf niet dat de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid heeft overschreden door de verzoekende partij van deelneming aan het DEFRA‑project uit te sluiten. XIV-40.010-19/20 35. Het derde middelonderdeel is niet ernstig. D. Conclusie 36. Het enige middel is niet ernstig. VIII. Conclusie 37. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-40.010-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.814 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.815 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.