← België

Arrest 265832 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.832 Rolnummer: A. 246692/IX-10850 Zaak: Arrest 265832 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-02 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-06-18 06:35 Fiche Arrest nr 265.832 van 25 februari 2026 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 265.832 van 25 februari 2026 in de zaak A. 246.692/IX-10.850 In zake: G.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Geert Michiels en Alexander Roosen kantoor houdend te 2300 Turnhout Parklaan 126 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306a bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp

  1. De verzoekschriften, ingediend op 10 december 2025, strekken tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Justitie van 8 augustus 2025, waarbij verzoeker als ongewettigd afwezig wordt beschouwd en in non-activiteit wordt gezet vanaf 25 februari 2025 tot aan de datum van werk- hervatting en waarbij de wedde van verzoeker evenredig wordt verminderd met de duur van de ongewettigde afwezigheid en hij geen aanspraak kan maken op een bevordering of een bevordering in de weddeschaal. IX-10.850-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 17 december 2025 werd de procedurekalen- der vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93, eer- ste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 17, § 4, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 februari
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Joris Claes, die loco advocaten Geert Michiels en Alexander Roosen verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jürgen Van- praet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  4. IX-10.850-2/7 III. Toepassing kortedebattenprocedure – ontvankelijkheid ratione temporis
  5. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve de verwerping van het beroep voorgesteld wegens laattijdigheid. Omdat het onderzoek en de beoor- deling van die exceptie volgens het auditoraat slechts een kort debat vereisen zoals bedoeld in artikel 93, eerste lid, RvS-Wet, is in die zin onverwijld het verslag over het beroep tot nietigverklaring neergelegd. Luidens artikel 93, vijfde lid, RvS-Wet “wordt de zaak definitief beslecht”, indien de Raad “het eens is met de conclusies van het verslag”.
  6. Op 15 oktober 2025 diende verzoeker een eerste maal een be- roep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in van dezelfde thans be- streden beslissing (zaak bekend onder rolnummer A. 246.133/IX-10.758). Die zaak gaf aanleiding tot een tussenarrest nr. 265.214 van 17 december 2025, waarbij de schorsing werd verworpen bij gebrek aan spoedeisendheid. Dat annulatieberoep is thans nog hangende.
  7. Thans vordert verzoeker voor een tweede maal de nietigverkla- ring (en de schorsing) van dezelfde beslissing, met een nieuw annulatieberoep, dat daarom ook onder een afzonderlijk rolnummer is ingeschreven op de rol.
  8. De bestreden beslissing dateert van 8 augustus 2025 en werd op dinsdag 12 augustus 2025 verstuurd met een aangetekende brief met ontvangstmel- ding naar zowel het domicilieadres van verzoeker als het door verzoeker doorge- geven verblijfadres. Uit de gegevens van bpost die verzoeker voorlegt, blijkt dat hij die brieven heeft afgehaald in het postkantoor op 27 en 28 augustus
  9. In het voormelde tussenarrest nr. 265.214 heeft de Raad voorlo- pig aangenomen dat de eerste dag van de beroepstermijn de dag is volgend op de afhaling. De verwerende partij betwist zulks en betoogt dat de afwezigheid van verzoeker op het ogenblik van aanbieding van de zending gelijkgesteld moet IX-10.850-3/7 worden met de weigering ervan en dat de verjaringstermijn de eropvolgende dag ingaat. Voor de oplossing van de huidige zaak, hoeft hierover geen de- finitief standpunt te worden ingenomen. Zelfs indien rekening wordt gehouden met de voor verzoeker méést gunstige aanvang van de beroepstermijn – 29 augustus 2025 – is het beroep op 10 december 2025 immers nog steeds ruim zes weken bui- ten die termijn van zestig dagen ingesteld.
  10. Verzoeker beroept zich vergeefs op artikel 19, tweede lid, RvS- Wet, dat bepaalt dat de beroepstermijn maar begint te lopen vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de beslissing indien de betekening van de akte of van de beslissing met individuele strekking niet de beroepsmogelijkheid, de vormvoorschriften en de termijn vermeldt. De bestreden beslissing vermeldt immers het volgende: “Overeenkomstig de procedurevoorschriften bepaald in de Gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan binnen de 60 dagen vanaf de kennisgeving tegen deze beslissing, per aangetekende brief, beroep worden aangetekend bij de Raad van State, afdeling Administratie, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel.” Hiermee heeft de verwerende partij zich gekweten van de op haar rustende verplichting om de beroepsmogelijkheden te vermelden. Er wordt duidelijk aangegeven dat beroep kan worden “aangetekend” bij de Raad van State, wat de vormvoorschriften zijn – namelijk een aangetekende brief – en wat de termijn is – zestig dagen. Dat er in de kennisgeving sprake is van de afdeling “Administratie” en niet van de afdeling Bestuursrechtspraak – en dat overigens ook de onvermeld gebleven mogelijkheid van een elektronische procesvoering bestaat – is niet relevant en doet niet ter zake. Feit is dat vermeld wordt dat beroep moet worden aangetekend bij de Raad van State, waarvan ook de juiste adresgegevens worden vermeld, hetgeen op zich volstaat. IX-10.850-4/7
  11. Het beroep is laattijdig ingesteld en bijgevolg onontvankelijk, hetgeen desnoods ambtshalve dient te worden vastgesteld. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat een kort debat volstaat om het geschil op te lossen. IV. Vordering tot schorsing
  12. De vordering tot schorsing, die een bijzaak is van het beroep tot nietigverklaring, volgt hetzelfde lot. V. Kosten
  13. Verzoeker vraagt om de kosten van deze procedure ten laste te leggen van de verwerende partij, omdat de door hem bestreden beslissing is inge- trokken bij beslissing van de voorzitter van het directiecomité van 23 januari
  14. Dit verzoek kan in de concrete omstandigheden van deze zaak niet worden bijgevallen. In de eerste plaats is de thans bestreden beslissing niet zomaar ingetrokken, maar is ze bij dezelfde beslissing vervangen door een nieuwe beslis- sing waarbij verzoeker in non-activiteit wordt gezet van 25 februari 2025 tot 5 mei
  15. Bij de sluiting van het debat in de huidige zaak was de beroepstermijn om die nieuwe beslissing van 23 januari 2026 aan te vechten nog niet verstreken, zodat de intrekking nog niet definitief is. Voorts blijkt uit de stukken die aan de Raad zijn voorgelegd dat de verwerende partij tot een nieuwe besluitvorming is gekomen, onafhankelijk van het instellen door verzoeker van zijn tweede beroep, maar wel in het kader van zijn eerste procedure. IX-10.850-5/7 In die omstandigheden kan het manifest laattijdig instellen door verzoeker van een tweede beroep – dat bovendien dezelfde middelen bevat als het eerste beroep – geen reden zijn om de verwerende partij de kosten hiervan te laten dragen.
  16. Verzoeker wenst de door hem verschuldigde rechtsplegingsver- goeding herleid te zien worden tot het minimumbedrag. Hij werkt dit verzoek ech- ter niet uit in functie van de criteria die luidens artikel 30/1, § 2, eerste lid, RvS- Wet daarbij in rekening moeten worden gebracht. Ook deze vraag wordt niet bij- gevallen. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  18. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  19. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwe- rende partij. IX-10.850-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig februari tweeduizend zesen- twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.850-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.832 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.