← België

Arrest 265836 - Examens (onderwijs) - 26/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.836 Rolnummer: A. 245723/IX-10729 Zaak: Arrest 265836 - Examens (onderwijs) - 26/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-02 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.836 van 26 februari 2026 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Afstand Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 265.836 van 26 februari 2026 in de zaak A. 245.723/IX-10.729 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Werner-Édouard de Saeger van Nattenhaesdonck kantoor houdend te 3500 Hasselt Thonissenlaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS BERINGEN EN LUMMEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Greet Louwet kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 september 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Beringen en Lummen van 27 augustus 2025 waarbij aan verzoekster een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 264.137 van 11 september 2025 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en de vordering tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel verworpen. IX-10.729-1/7 Het genoemde arrest is op 26 september 2025 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Op 3 november 2025 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Werner-Édouard de Saeger van Nattenhaesdonck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Greet Louwet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Daniël Plas heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. Naar luid van artikel 17, § 10, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of IX-10.729-2/7 een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
  6. Verzoekster heeft op 3 september 2025 haar verzoekschrift op het elektronisch platform van de Raad van State neergelegd en bijgevolg voor de elektronische procesvoering gekozen. Op 15 september 2025 is het voormelde arrest van 11 september 2025, samen met een kennisgevingsbrief, op het elektronisch platform ter kennis gebracht van verzoekster. Daarvan is zij met een e-mail van 15 september 2025 op de hoogte gesteld. Omdat werd vastgesteld dat verzoekster de betrokken documenten niet raadpleegde, is aan verzoekster op 22 september 2025 een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Aangezien verzoekster dat herinneringsbericht evenmin heeft geraadpleegd, worden het arrest en de kennisgevingsbrief, overeenkomstig artikel 85bis, § 13, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (“algemeen procedurereglement”), geacht ter kennis te zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd – dit is op 26 september
  7. In de kennisgevingsbrief, namens de hoofdgriffier, is haar meegedeeld dat zij “beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van deze kennisgeving om een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen”. In deze brief wordt bovendien de aandacht gevestigd op artikel 17, § 10, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 11/3 van het algemeen procedurereglement, die op de tweede bladzijde van de brief worden geciteerd. IX-10.729-3/7
  8. Verzoekster heeft pas op 3 november 2025 een verzoek tot voortzetting van de annulatieprocedure ingediend. Dat is buiten de voormelde termijn van dertig dagen vanaf 26 september 2025 en dus laattijdig.
  9. In de vraag om gehoord te worden van dezelfde datum, voert de raadsman van verzoekster aan dat hij “op geen enkel moment voorafgaand aan vandaag [lees: 3 november 2025] in kennis werd gesteld van enige communicatie of beslissing afkomstig van de Raad van State in dit dossier”. Ter terechtzitting doet dezelfde raadsman gelden dat hij, na ontvangst van de uitnodiging tot het indienen van een vraag om te worden gehoord, overleg heeft gehad met de griffie van de Raad van State, maar dat hij nog steeds “niet weet wat er technisch is gebeurd”; “misschien”, zo besluit hij, “zijn de e- mailberichten in de spamfolder terechtgekomen”. In wezen beroept verzoekster zich ter zake dus op overmacht.
  10. Op een verzoekende partij die overmacht inroept om aan te tonen dat in haren hoofde het voormelde wettelijk vermoeden niet geldt, rust de last om op geloofwaardige wijze haar grond tot overmacht aan te voeren en aannemelijk te maken.
  11. In dat verband moet vooreerst worden opgemerkt dat verzoekster, zoals gezien, bij het indienen van haar verzoekschrift ervoor heeft gekozen om gebruik te maken van de elektronische procesvoering zoals geregeld bij artikel 85bis van het algemeen procedurereglement. Overeenkomstig artikel 85bis, § 4, van het algemeen procedurereglement is deze keuze in het kader van de betrokken zaak definitief voor de dossierbeheerder – dit is de raadsman van verzoekster. Bijgevolg behoorde verzoekster én haar raadsman ook te weten dat, door de keuze voor de elektronische procesvoering, de processtukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen alléén nog via neerlegging in het IX-10.729-4/7 elektronisch dossier zouden worden ter kennis gebracht (artikel 85bis, § 13, eerste lid, van het algemeen procedurereglement). Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster – en bij uitbreiding, haar raadsman – erover moest waken dat haar informaticamiddelen haar toelaten om kennis te nemen van alle voormelde mededelingen van de Raad van State.
  12. Uit het elektronisch dossier maakt de Raad van State op dat de hiervóór vermelde e-mailberichten van 15 en 22 september 2025 zijn verstuurd en dat géén melding is gekomen dat deze berichten niet bij de bestemmeling ervan – de raadsman van verzoekster – konden worden afgeleverd.
  13. De raadsman van verzoekster beweert vooreerst dat hij nooit vóór 3 november 2025 “in kennis werd gesteld van enige communicatie of beslissing afkomstig van de Raad van State”. Deze bewering is hoogst merkwaardig en daardoor ongeloofwaardig. Verzoekster heeft, zoals gezien, op 3 september 2025 een annulatieberoep, samen met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State ingediend. Niet alleen moest de raadsman van verzoekster – net als verzoekster zelf – weten dat over die vordering snel een uitspraak zou volgen, aangezien artikel 17, § 5, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad ertoe verplicht zijn arrest over zo’n vordering “uiterlijk binnen vijf werkdagen na de terechtzitting” uit te spreken. Bovendien is de houding van verzoekster waarvan de voormelde verklaring blijk geeft – namelijk dat verzoekster of haar raadsman in de periode tussen de terechtzitting over haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (9 september 2025) en de datum van neerlegging van het verzoek tot voorzetting (3 november 2025) IX-10.729-5/7 op geen enkel ogenblik heeft geïnformeerd naar de uitkomst van die vordering tot schorsing – volkomen in tegenspraak met de uiterst dringende noodzaak die zij zelf aan haar vordering toeschrijft. Waarom zij in die tussentijd geen enkele inlichting heeft ingewonnen over de stand van haar zaak, licht zij niet nader toe en laat zich evenmin spontaan begrijpen.
  14. Wat het argument betreft dat de e-mailberichten “misschien” in een spamfolder zijn terechtgekomen, dient vooreerst opgemerkt dat wordt nagelaten om zelfs maar een begin van bewijs daarvan bij te brengen. De formulering van de argumentatie geeft blijk ervan dat verzoekster of haar raadsman niet eens zelf onderzoek hebben gedaan of de e-mailberichten daadwerkelijk in een spamfolder zijn beland – dat is “misschien” het geval. Dat verzoekster niet verder komt dan dat, klemt des te meer aangezien de terechtzitting werd georganiseerd precies om haar toe te laten de nodige bewijzen of aannemelijke verklaringen bij te brengen om de Raad van State ervan te overtuigen dat het wettelijk vermoeden in haar geval niet mag gelden. Bovendien dient in herinnering te worden gebracht dat verzoekster, door haar keuze voor de elektronische procesvoering en de gevolgen die deze keuze heeft voor de wijze van procesvoeren, erover moest waken dat haar informaticamiddelen haar toelaten om kennis te nemen van alle voormelde mededelingen van de Raad van State.
  15. Uit wat voorafgaat, volgt dat in de concrete omstandigheden van de zaak verzoekster het bestaan van overmacht niet aannemelijk maakt. Het wettelijk vermoeden van afstand van het geding is van toepassing. BESLISSING
  16. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit. IX-10.729-6/7
  17. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.729-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.836 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.