id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.837 Rolnummer: A. 232000/IX-10784 Zaak: Arrest 265837 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 26/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-03 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.837 van 26 februari 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.837 no lien 287975 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 265.837 van 26 februari 2026 in de zaak A. 232.000/IX-10.784 In zake: C.V. tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Fien Duymelinck kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Carina VAN CAUTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse Regering van 17 juli 2020 tot benoeming van Carina Van Cauter tot gouverneur van de provincie Oost- Vlaanderen. IX-10.784-1/5 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 258.177 van 8 december 2023 wordt het debat heropend en wordt aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft de gestelde prejudiciële vraag bij arrest nr. 114/2024 van 24 oktober 2024 beantwoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een aanvullend verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 20 augustus
- Op 31 oktober 2025 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fien Duymelinck, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Robrecht Van Steenkiste, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-10.784-2/5 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- In het aanvullend auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. Verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
- Wanneer aan verzoeker vervolgens behoorlijk – met een aangetekende zending – wordt meegedeeld dat hij over een termijn van vijftien dagen beschikt om te vragen om te worden gehoord, deelt verzoeker met een e- mailbericht van 12 november 2025 mee wat volgt: “Ik verblijf momenteel in een rusthuis [waar] ik niet over de nodige middelen beschik om u een aangetekende [zending] te sturen. Kan u uitzonderlijk mijn e-mail ontvankelijk verklaren?”
- Gelet op de concrete omstandigheden, heeft de Raad van State beslist om de zaak op een openbare terechtzitting op te roepen.
- De betekening aan verzoeker van de beschikking waarbij partijen worden opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van 12 januari ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.837 IX-10.784-3/5 2026, lokt bij verzoeker het volgende antwoord uit – verzonden met een e- mailbericht van 6 januari 2026: “Voor alle duidelijkheid [wil] ik u mededelen dat ik momenteel in een rusthuis verblijf waarvan de directie de briefwisseling achterhoudt of met veel vertraging bezorgt. Ik heb aan mijn raadsman, Mr. [X], gevraagd mij op de zitting van 12 januari aanstaande te vertegenwoordigen, maar kreeg hiervan nog geen bevestiging. Zodra ik meer weet zal ik u inlichten.”
- Noch op de terechtzitting, waar verzoeker niet verschijnt of vertegenwoordigd is, noch zelfs in de hiervóór aangehaalde e-mailberichten aan de Raad, slaagt verzoeker erin een bewijs van overmacht of onoverwinnelijke dwaling te leveren. Verzoeker laat na zijn verklaring dat de directie van het woonzorgcentrum waar hij op dit ogenblik verblijft “de briefwisseling achterhoudt of met veel vertraging bezorgt”, te staven. Deze opmerking van verzoeker bevreemdt voorts, nu de gebruikelijke manier om een aangetekende zending in ontvangst te nemen, veronderstelt dat de bestemmeling zijn identiteitskaart toont en tekent voor ontvangst. Hoe “de directie” een aangetekende zending die voor verzoeker was bestemd, in ontvangst zou kunnen nemen, verduidelijkt verzoeker niet. Evenmin geeft hij, ter ondersteuning van zijn beweringen, aan zich daarover bij de postdiensten te hebben beklaagd. Overigens laat verzoeker op geen enkel ogenblik verstaan dat hij het aanvullend auditoraatsverslag niet of niet te nuttiger tijd heeft ontvangen. Verzoeker betoogt nog dat hij “niet over de nodige middelen [beschikt] om […] een aangetekende [zending] te sturen”, maar maakt ook die bewering op geen enkele manier aannemelijk.
- De conclusie is bijgevolg dat het vermoeden van afstand van geding te dezen van toepassing is. IX-10.784-4/5 BESLISSING
- De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.784-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.837 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div