← België

Arrest 265838 - Tucht (openbaar ambt) - 26/02/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.838 Rolnummer: A. 243113/XII-9773 Zaak: Arrest 265838 - Tucht (openbaar ambt) - 26/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-02 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.838 van 26 februari 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 265.838 van 26 februari 2026 in de zaak A. 243.113/XII-9773 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5441 ERPE-MERE/LEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 september 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gewone tuchtoverheid van 10 augustus 2024 waarbij aan verzoekster de lichte tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. XII-9773-1/17 Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Samuel Mens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is hoofdinspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.
  6. Op 8 januari 2024 neemt de gewone tuchtoverheid kennis van de feiten. 3.
  7. Op 8 januari 2024 gelast de gewone tuchtoverheid een voorafgaand onderzoek. 3.
  8. Op 13 maart 2024 legt de voorafgaand onderzoeker zijn verslag neer. XII-9773-2/17 3.
  9. Op 28 juni 2024 stelt de gewone tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit inleidend verslag wordt op 2 juli 2024 bij aangetekende zending aan verzoekster aangeboden. Verzoekster dient op 25 juli 2024 een schriftelijk verweer in. Op 7 augustus 2024 wordt verzoekster mondeling gehoord door de gewone tuchtoverheid. 3.
  10. Op 10 augustus 2024 beslist de gewone tuchtoverheid om de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoekster voert in het eerste middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel.
  12. Luidens artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemene procedureregeling) moet het verzoekschrift een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het voornoemde artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling XII-9773-3/17 bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl verzoekster wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan.
  13. Het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord, als volgt samen: “
  14. Bij verzoekschrift voert verzoekster de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur aan. Zij verwijt de verwerende partij een gebrek aan zorgvuldige voorbereiding van de beslissing evenals een gebrek aan zorgvuldige belangenafweging. In het bijzonder is de verwerende partij tekort geschoten op het vlak van haar onderzoeksplicht om alle relevante elementen te betrekken bij haar oordeelsvorming. Meerbepaald heeft verzoekster in haar verweerschrift opgeworpen dat het loutere niet respecteren van de plaats waar het vertrouwelijk overleg doorging – in verhoorlokaal 3 en niet in verhoorlokaal 4 – deel zou kunnen uitmaken van een functioneringsgesprek in het kader van de evaluatieprocedure, gezien zij de definitie van het tuchtvergrijp betwistte. Uit de bestreden beslissing, waaruit zij citeert, leidt verzoekster af dat de tuchtoverheid de overweging heeft gemaakt of het betreffende gegeven niet kon worden afgehandeld met een functioneringsgesprek, maar van oordeel is geweest dat het inleiden van een tuchtprocedure een – haar inziens – correcter/gepaster gevolg is. De tuchtoverheid beschikt weliswaar over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten, maar het aanmerken van de feiten als tuchtrechtelijk strafbaar vergrijp heeft voor verzoekster een ernstiger impact dan een functioneringsgesprek. Een tuchtrechtelijke bestraffing gaat immers uit van een formele te bestraffen tekortkoming, waar een functioneringsgesprek eerder opvoedkundig van aard is. Verzoekster heeft bij haar verhoor haar tekortkoming niet onder stoelen of banken gestoken, en heeft aangegeven open te staan voor een functioneringsgesprek, waarbij zij expliciet aangaf dat het feit gebeurd is toen het druk was, zij toen met verschillende zaken bezig was en hierdoor totaal onbewust niet heeft stilgestaan bij de leefregels. Zij heeft ook haar excuses aangeboden. De drukte is een relevant gegeven om mee in beschouwing te nemen bij voormelde afweging. Het blijkt XII-9773-4/17 geenszins dat de tuchtoverheid voormelde overweging heeft gedaan aan de hand van het gegeven dat het op dat moment druk was voor verzoekster en zij (reeds) met verschillende zaken bezig was, waar de organisatie van een verhoor Salduz IV bovenop is gekomen. Daar is geen enkele aandacht aan gegeven en de tuchtoverheid heeft zich daar niet nader over ingelicht of onderzoek rond gevoerd. Nochtans is werkdruk daarbij een relevant gegeven, dat mede in acht moest worden genomen, minstens voorafgaandelijk onderzoek vergde. De tuchtoverheid heeft verzuimd om te overwegen of dit element al dan niet relevant is om in de weegschaal te leggen en aldus al dan niet mee te nemen in de oordeelsvorming. Verzoekster is er nochtans mee gebaat dat haar onachtzaamheid eerder zou worden benaderd via een functioneringsgesprek, te meer zij voor het overige over een onberispelijke staat van dienst beschikt. Uit niets blijkt, met inachtname van alle elementen inbegrepen de werkdruk, dat de organisatie dan wel maatschappij beter gediend is met een formele bestraffing, dan met een bijsturing/functioneringsgesprek. […]
  15. Bij memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de verwerende partij lijkt uit te gaan van een verkeerd begrip van het middel. Verzoekster stelt niet simpelweg dat de tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest door niet alsnog af te zien van het opleggen van een tuchtstraf, en meent ook niet dat de door haar opgeworpen werkdruk in elk geval een verplichting creëert voor de tuchtoverheid om van tuchtrechtelijke bestraffing af te zien. Even zo min gaat het er verzoekster om een eigen opportuniteitsbeoordeling in de plaats te willen stellen. Wel gaat het er in essentie om dat de tuchtoverheid zelf stelt de overweging te hebben gemaakt om in de plaats van een tuchtprocedure op te starten middels betekening van een inleidend verslag een functioneringsgesprek te houden. Verzoekster meent dat de tuchtoverheid bij deze overwegingen niet zorgvuldig is geweest gezien uit niets blijkt dat rekening is gehouden met het pertinent daaromtrent aangebrachte element, met name de werkdruk op het moment van de feiten. Dit is nochtans een relevant gegeven. De tuchtoverheid heeft daar geen enkele aandacht voor gehad, heeft zich daaromtrent niet laten voorlichten en heeft geen onderzoek gevoerd. Deze benadering is door verwerende partij niet in zijn kern ontmoet.”
  16. In de laatste memorie herhaalt verzoekster dat de tuchtoverheid de afweging heeft gemaakt of zij de feiten zou remediëren via een functioneringsnota dan wel een tuchtstraf, maar dat de tuchtoverheid daarbij niet heeft onderzocht of het op het moment van de feiten druk was op de dienst. Volgens verzoekster was dat vereist om met kennis van zaken die afweging te kunnen maken. Verzoekster preciseert dat zij niet aanvoert dat de werkdruk de naleving van de betreffende richtlijn absoluut in de weg stond, want dan had zij overmacht aangevoerd. Zij zag en ziet in dat er een inbreuk is geweest, maar daar een mens fouten kan maken, speelt de werkdruk mee in het oordeel over de aard van de reactie op de fout, met name tucht of een functioneringsnota. Volgens verzoekster komt het middel erop neer dat zij op geen enkel moment heeft ontkend dat er een inbreuk was gebeurd, schuldbewust was en haar excuses aanbood, maar er wel op wees dat ze de regel onbewust over het hoofd had gezien door professionele drukte. XII-9773-5/17 Verzoekster besluit dat zij de professionele drukte geenszins een maar beperkte relevantie heeft toegedicht, daar haar tuchtrechtelijk verhoor neerkomt op, eensdeels, een voorbehoudloze erkenning van de inbreuk, en, anderdeels, een verklaring ervoor, zijnde de professionele drukte. Beoordeling
  17. Het auditoraat heeft het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, nr. 6). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht.
  18. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten, die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  19. Zoals verzoekster in de memorie van wederantwoord aangeeft, komt het eerste middel er in essentie op neer dat de tuchtoverheid zelf stelt de overweging te hebben gemaakt om in de plaats van een tuchtprocedure op te starten XII-9773-6/17 een functioneringsgesprek te houden, en dat verzoekster van oordeel is dat de tuchtoverheid bij deze afweging onzorgvuldig is geweest, daar uit niets blijkt dat rekening is gehouden met de werkdruk op het moment van de feiten. Het eerste middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
  20. Artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet) luidt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij feiten en onachtzaamheden gepleegd door politieambtenaren als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Uit de enkele lezing van artikel 3 van de tuchtwet volgt dat elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, een tuchtvergrijp kan uitmaken. Het loutere feit van tekort te komen aan de beroepsplichten of de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is bijgevolg in rechte voldoende opdat tuchtrechtelijk kan worden ingegrepen. Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht het bestuur om de tuchtprocedure binnen een bepaalde termijn op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene.
  21. Te dezen heeft de gewone tuchtoverheid op 28 juni 2024 de tuchtprocedure ingeleid met een inleidend verslag waarin het volgende tuchtvergrijp ten laste wordt gelegd: “
  22. Kwalificatie van de mogelijke tuchtvergrijpen: […] Als HINP, lid van de dienst interventie & projectwerking van de politiezone Erpe- Mere/Lede, de waardigheid van [haar] ambt in het gedrang te hebben gebracht en tekort zijn gekomen aan [haar] beroepsplichten door: XII-9773-7/17 De interne onderrichtingen hernomen in de leefregels en korpswerking, inzonderheid de bepalingen van punt ‘5.2.5 De camera’s in de verhoorlokalen’ niet te hebben in acht genomen (vertrouwelijk overleg met advocaat laten doorgaan in lokaal waar een camera aanwezig is) […].” In het verzoekschrift betwist verzoekster noch de materiële grondslag van het tuchtvergrijp noch de kwalificatie ervan als tuchtvergrijp. In de laatste memorie erkent zij integendeel dat zij inzag en inziet dat er een inbreuk is geweest. Evenmin voert verzoekster aan dat de door haar aangevoerde werkdruk op het ogenblik van de feiten overmacht of een verschoningsgrond zou vormen. Verzoekster betwist voor de Raad van State met andere woorden niet dat de ten laste gelegde feiten werden begaan noch dat ze als een tuchtvergrijp kunnen worden gekwalificeerd. In die omstandigheden behoort het tot de discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid om daarvoor een tuchtprocedure in te leiden en een tuchtsanctie op te leggen. De zorgvuldigheidsplicht reikt niet zo ver dat de tuchtoverheid bovendien, voorafgaand aan het inleiden van de tuchtprocedure, de afweging moet maken of de feiten – die zij meent te kunnen bewijzen, kwalificeren als een tuchtvergrijp en toerekenen aan het personeelslid in kwestie – niet op een andere manier kunnen of moeten worden geremedieerd, laat staan dat zij daarbij bepaalde elementen in overweging zou moeten nemen. Het eerste middel faalt aldus in rechte.
  23. In de mate dat verzoekster verwijst naar haar verweer voor de gewone tuchtoverheid, waarin zij “de definitie van het tuchtvergrijp” betwistte – iets dat zij voor de Raad van State niet meer doet – en aanvoerde dat de feiten het voorwerp zouden kunnen vormen van een functioneringsgesprek, merkt de Raad van State op dat dit verweer uiteraard dateert van na het inleiden van de tuchtprocedure, zodat het niet in overweging nemen van dit verweerelement bij de aan de tuchtprocedure voorafgaande afweging en beslissing om een tuchtprocedure op te starten, niet kan leiden tot de vaststelling dat de tuchtoverheid onzorgvuldig XII-9773-8/17 handelde. Wat (nog) niet werd aangevoerd, kan immers niet in overweging worden genomen.
  24. In de mate dat verzoekster verwijst naar het verhoor door de voorafgaand onderzoeker, stelt de Raad van State vast dat zij op het einde van dat verhoor, in antwoord op de vraag of zij nog iets wenste toe te voegen, louter heeft verklaard dat zij “zou kunnen begrijpen dat er bijvoorbeeld een functioneringsnota wordt opgesteld”. Deze verklaring brengt, zoals hiervoor is uiteengezet (zie supra, nr. 12), niet ipso facto met zich dat de tuchtoverheid op grond van de zorgvuldigheidsplicht ertoe gehouden zou zijn om, voorafgaand aan het inleiden van de tuchtprocedure, de afweging te maken of de feiten niet met een functioneringsnota kunnen worden geremedieerd. Dat het op het ogenblik van de feiten druk zou zijn geweest, diende de tuchtoverheid bijgevolg al evenmin te betrekken bij haar beslissing om een tuchtprocedure in te leiden, te meer verzoekster in dat verhoor door de voorafgaand onderzoeker weliswaar aanhaalt dat het toen druk was, maar – in tegenstelling tot wat in het verzoekschrift wordt gesuggereerd – dat gegeven in het verhoor niet heeft betrokken op haar verklaring dat ze zou kunnen begrijpen dat er een functioneringsnota wordt opgesteld. Dat de werkdruk een relevant gegeven zou zijn bij de beoordeling of de feiten met een functioneringsverslag dan wel met een tuchtstraf zouden moeten worden aangepakt, doet, gelet op wat hiervoor werd geoordeeld (zie supra, nr. 12), evenmin anders oordelen. Om dezelfde reden moest de tuchtoverheid niet onderzoeken hoe druk het precies was op het ogenblik van de feiten.
  25. Het eerste middel is ongegrond. XII-9773-9/17 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  26. Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel in relatie tot het recht van verdediging. Wat de verplichting betreft om het middel samen te vatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is, verwijst de Raad van State naar wat hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 5).
  27. Het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord, als volgt samen: “
  28. Bij verzoekschrift voert verzoekster een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur aan, in relatie tot het recht van verdediging als algemeen rechtsbeginsel en beginsel van behoorlijk bestuur. Bij haar verweerschrift had verzoekster opgemerkt dat uit het inleidend verslag bleek dat (door de korpschef) het politiecollege (de dag zelf) in spoed werd bijeengeroepen en in kennis werd gesteld van het incident, maar dat de notulen van het politiecollege niet waren gevoegd aan het dossier zodat de verdediging niet met voldoende kennis de debatten kon voeren. In repliek werd door de tuchtoverheid opgemerkt dat het politiecollege werd ingelicht in toepassing van artikel 45 WGP, dat het gegeven of hier al dan niet notulen van zijn opgemaakt van ondergeschikt belang is en dat indien de hogere tuchtoverheid haar evocatierecht had willen uitvoeren ze dat wel kenbaar zou hebben gemaakt. Dat is evenwel naast de kwestie. Verzoekster wijst erop dat problematieken van al dan niet video- of audio-opnames van een vertrouwelijk overleg van een burger met diens advocaat in toepassing van de Salduzregelgeving in de betrokken zone een politieke dimensie heeft, zeker in een verkiezingsjaar. Immers is de zone enige jaren geleden het voorwerp geweest van een onderzoek door het COC omtrent dergelijke problematiek, waarnaar bij verweerschrift ook werd verwezen en waarbij er proces-verbaal werd opgesteld en de korpschef werd geschorst. Eén en ander heeft ook uitgebreid de media gehaald. Alwaar artikel 45 WGP inderdaad voorziet dat de korpschef het politiecollege inlicht ‘over alles wat het lokaal politiekorps en de uitvoering van zijn opdracht aangaat’, stelt zich de vraag of elke individuele disfunctie van een personeelslid aldus ter kennis dient gebracht van het politiecollege en of dat ook wel gebeurt in andere gevallen. Dit dan nog in spoed bijeen te roepen diezelfde dag. Dat dit desalniettemin is gebeurd, indiceert het gegeven dat één en ander voor het politiecollege relevant om weten is, gelet op de gebeurtenissen in het verleden. Het is opvallend dat de tuchtoverheid het gegeven of er al dan niet notulen zijn ontwijkt, door dit af te doen als ‘van ondergeschikt belang’. Verzoekster acht dit nochtans heel relevant, gezien de meningen en uitingen van het politiecollege – met spoed diezelfde dag bijeengeroepen, waar burgemeesters in regel veel te doen hebben – van invloed kunnen zijn op de oordeelsvorming van de korpschef als gewone XII-9773-10/17 tuchtoverheid, ook indien het politiecollege als hogere tuchtoverheid de zaak niet evoceert. Mogelijk is daarvan een spoor te ontwaren in de bestreden beslissing, waar op p. 14 bovenaan is vermeld: ‘overwegende dat de tucht een strenge en passende bestraffing van het foutief gedrag oplegt’. In het kader van de noodzakelijke evenredigheid, redelijkheid en proportionaliteit dringt zich in voorkomend geval inderdaad een ‘passende straf’ [op], maar stellen dat tucht principieel een ‘strenge’ bestraffing oplegt, staat haakt op deze beginselen en is gebeurlijk ingegeven door verzuchtingen van het politiecollege dat vreest voor mediabelangstelling – alwaar het politiecollege uit politici bestaat – en niet de indruk wil geven ‘niets te doen’. Er ligt geen enkele informatie voor omtrent wat al dan niet is gezegd, meegedeeld en/of gereageerd op de zitting van het politiecollege dat nochtans – met spoed – exclusief was gewijd aan deze gebeurtenis. Zo ook geen notulen, als deze al bestaan. Derwijze heeft verzoekster haar licht daarover ook niet kunnen laten schijnen. De tuchtoverheid heeft niet de noodzakelijke informatie in het debat gebracht die relevant is of minstens kan zijn na beoordeling voor verzoekster, in het kader van de uitoefening van haar recht op verdediging. Ook het ontwijken van de tuchtoverheid van de vraag naar het ontbreken van de notulen in het tuchtdossier vormt op zichzelf al een inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht van verdediging. Door de kwestie af te doen als ‘van ondergeschikt belang’, blijft verzoekster in het ongewisse of er al dan niet voor haar nuttige dan wel dienstige elementen blijken uit dergelijke notulen. Het komt verzoekster zelf toe uit te maken of een bepaald element voor haar al dan niet nuttig dan wel dienend is om deel uit te maken van haar verweer. Dit al zeker niet in een situatie waar het voor de tuchtoverheid nochtans eenvoudig is om klare taal te spreken. […]
  29. Bij memorie van wederantwoord stelt verzoekster [dat zij] geen intenties heeft tot het voeren van een welles-/nietesdiscussie, en zij meent haar visie afdoende te hebben weergegeven bij de ontwikkeling van het middel bij verzoekschrift.”
  30. In de laatste memorie voegt verzoekster daaraan toe dat het gegeven dat er van de betreffende vergadering van het politiecollege geen notulen bestaan, geen afbreuk doet aan de gegrondheid van het middel, temeer dit het onmogelijk maakt te beoordelen wat aldaar al dan niet is gezegd, wat relevant kan zijn geweest voor de opstart en afhandeling van de tuchtvervolging. Verzoekster wijst erop dat zij niet het gegeven bekritiseert dat het politiecollege werd bijeengeroepen, maar wel dat dit werd bijeengeroepen omtrent een handeling door haar gesteld waaraan een tuchtrechtelijk gevolg is gegeven. Volgens verzoekster is het mogelijk dat de gewone tuchtoverheid is beïnvloed om te kiezen voor een tuchtstraf eerder dan een bijsturing. De onwetendheid desbetreffend belemmert verzoekster in de uitoefening van haar recht van verdediging, daar zij niet beschikt over alle elementen van de tuchtvervolging. Volgens verzoekster bestaat er weliswaar geen wettelijke verplichting om notulen op te stellen van het politiecollege, maar alleen officiële notulen leveren het bewijs van wat al dan niet is besproken en laten toe vast te stellen of het besluitvormingsproces van het XII-9773-11/17 collegiaal orgaan rechtsgeldig is verlopen. Het recht van verdediging is geschonden, omdat verzoekster in het duister moet tasten, terwijl de (gewone) tuchtoverheid zelf volle kennis van zaken heeft, daar zij bij de samenkomst betrokken was. Voorts preciseert verzoekster dat haar verwijzing naar de zinsnede “overwegende dat de tucht een strenge en passende bestraffing van het foutief gedrag oplegt” mogelijk verwijst naar politieke inzichten van het politiecollege om “iets” te doen, terwijl de media een bijsturing via een functioneringsnota als “niets” zouden kunnen kwalificeren en waardoor verzoekster het slachtoffer is van een verleden binnen de politiezone waarmee zij niets te maken heeft. Verzoekster benadrukt dat de bespreking op het politiecollege met de gewone tuchtoverheid niet aan tegenspraak mag worden onttrokken, gelet op het recht van verdediging. Volgens verzoekster is het niet geloofwaardig dat het politiecollege is samengeroepen louter om de gewone tuchtoverheid toe te laten het incident te melden, zonder dat daaraan een bespreking is gekoppeld. Dat verzoekster geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel inroept, doet daar niet aan af. Beoordeling
  31. Het auditoraat heeft het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, nr. 17). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht.
  32. De draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel werd hiervoor uiteengezet (zie supra, nr. 9). Er wordt naar verwezen.
  33. Het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging, dat zowel geldt in strafzaken als in tuchtzaken, houdt onder meer in dat in principe niets wat medebepalend kan zijn voor de beslissing van de bevoegde overheid aan het op tegenspraak gevoerde debat onttrokken mag blijven. XII-9773-12/17
  34. Verzoekster voert in het tweede middel in wezen aan dat haar recht van verdediging is geschonden, daar zij geen enkele informatie heeft over wat er al dan niet is gezegd of opgedragen aan de gewone tuchtoverheid ter gelegenheid van de bijeenkomst van het politiecollege en de gewone tuchtoverheid, waarop verslag is uitgebracht over de feiten die ten grondslag liggen aan de tuchtsanctie.
  35. Het inleidend verslag vermeldt onder de titel “
  36. Uiteenzetting van de feiten” hoe de gewone tuchtoverheid kennis heeft genomen van de feiten, dat zij daarvan onmiddellijk het ambt van de procureur des Konings heeft ingelicht en dat zij ook het politiecollege in spoed heeft bijeengeroepen en diezelfde dag in kennis heeft gesteld “van het gemelde incident”. In repliek op het verweer dat het tuchtdossier daarvan geen notulen bevat, vermeldt de bestreden beslissing dat het politiecollege werd ingelicht overeenkomstig artikel 45 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: wet van 7 december 1998) en dat de vraag of daarvan notulen werden opgemaakt, van ondergeschikt belang is “wat betreft het weerhouden tuchtvergrijp”.
  37. Artikel 45 van de wet van 7 december 1998 luidt: “De korpschef oefent de in artikel 44 bedoelde bevoegdheden uit onder het gezag van de burgemeester of van het politiecollege. Met het oog op een goed beheer van het politiekorps, licht de korpschef zo spoedig mogelijk de burgemeester of het politiecollege in over alles wat het lokaal politiekorps en de uitvoering van zijn opdrachten aangaat. Hij licht hem ook in over de initiatieven die de lokale politie overweegt te nemen en die betrekking hebben op het zonale veiligheidsbeleid. Hij moet elke maand verslag uitbrengen aan de burgemeester of aan het politiecollege over de werking van het korps en hem op de hoogte brengen van de klachten van buitenaf aangaande de werking van het korps of het optreden van zijn personeel.” Artikel 44 van de wet van 7 december 1998, waarnaar artikel 45 van dezelfde wet verwijst, luidt: XII-9773-13/17 “Elk lokaal politiekorps staat onder de leiding van een korpschef. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van het lokaal politiebeleid, en meer bepaald, voor de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan. Hij staat in voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps. Hiertoe kan de burgemeester of het politiecollege hem sommige van zijn bevoegdheden delegeren. In de uitoefening van deze functie is hij verantwoordelijk voor de uitvoering door het politiekorps van de lokale opdrachten, van de richtlijnen met betrekking tot de opdrachten met een federaal karakter en van de opvorderingen evenals van de toepassing van de normen bedoeld in de artikelen 141 en
  38. Voor de uitoefening van zijn functie, kan de korpschef de in artikel 104, 1°, bedoelde hulp inroepen.” Uit artikel 45 van de wet van 7 december 1998 volgt dat de korpschef – die de gewone tuchtoverheid van verzoekster is – zo spoedig mogelijk het politiecollege inlicht over alles wat het lokaal politiekorps en de uitvoering van zijn opdrachten aangaat. Partijen betwisten terecht niet dat het “incident” dat aanleiding gaf tot de tuchtprocedure lastens verzoekster, onder de toepassing van de voormelde bepaling valt. De korpschef was dus niet enkel gerechtigd, maar ook verplicht, dit incident aan het politiecollege te melden. De retorische vraag van verzoekster of in andere gevallen wel elke disfunctie van een personeelslid aan het politiecollege wordt gemeld, doet daaraan geen afbreuk. Gelet op de voorafgaande context, die door de beide partijen wordt geschetst, is het voorts begrijpelijk dat “[d]e (juridische) gevoeligheid van de problematiek” binnen de politiezone – zoals de verwerende partij aanvoert – ertoe heeft geleid dat de korpschef het politiecollege onverwijld heeft ingelicht.
  39. De verwerende partij bevestigt in de memorie van antwoord dat er geen notulen bestaan betreffende de melding van het incident door de korpschef aan het politiecollege. In de laatste memorie erkent verzoekster dat er geen verplichting daartoe bestaat. In de mate dat verzoekster aanvoert dat dit niet belet dat enkel officiële notulen het bewijs leveren van wat al dan niet is besproken, gaat zij eraan voorbij dat luidens artikel 28 van de wet van 7 december 1998, samen gelezen met het artikel 104, derde lid, van de nieuwe gemeentewet waarnaar het verwijst, “[a]lleen de beslissingen” van het politiecollege worden opgenomen in de notulen. In de mate dat het middel ervan uitgaat dat alles wat wordt gezegd en besproken in het politiecollege in notulen moet worden opgenomen, faalt het in rechte. In de mate dat verzoekster van oordeel is dat het recht van verdediging en XII-9773-14/17 de zorgvuldigheidsplicht de verplichting zouden omvatten om in weerwil van de artikelen 45 en 28 van de wet van 7 december 1998, het laatste samen gelezen met het artikel104, derde lid, van de nieuwe gemeentewet, toch notulen op te stellen van de melding door de korpschef aan het politiecollege overeenkomstig artikel 45 van de wet van 7 december 1998 en van de gebeurlijke bespreking ervan, geeft verzoekster hieraan een draagwijdte die er niet in vervat is. Dat het incident dat aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt en door de korpschef aan het politiecollege is gemeld, wellicht ook – gelet op de specifieke voorgeschiedenis binnen de politiezone – besproken zal zijn binnen de politiezone en het politiecollege, betekent niet dat het recht van verdediging inhoudt – zoals verzoekster ten onrechte aanneemt – dat louter omdat er voor haar een tuchtprocedure uit is gevolgd, zij het recht kan laten gelden op een alomvattende kennis van elke bespreking van dat incident binnen de politiezone. Het recht van verdediging impliceert immers te dezen enkel dat niets dat medebepalend kan zijn geweest aan het tegensprekelijk debat kan worden onttrokken.
  40. In dat verband wijst de Raad van State erop dat op verzoekster een stelplicht rust. Het komt haar te dezen toe om in concreto aan te tonen dat iets wat medebepalend kan zijn geweest voor de beslissing van de gewone tuchtoverheid aan het op tegenspraak gevoerde debat is onttrokken. Verzoekster beperkt zich evenwel tot de loutere veronderstelling dat de mening van de leden van het politiecollege, naar aanleiding van de melding door de gewone tuchtoverheid overeenkomstig artikel 45 van de wet van 7 december 1998, van invloed kan zijn geweest op de gewone tuchtoverheid en er daarvan mogelijk een spoor is te ontwaren in de bestreden beslissing in de zinssnede “overwegende dat de tucht een strenge en passende bestraffing van het foutief gedrag oplegt”. Daar die zin volgens verzoekster haaks staat op het evenredigheidsbeginsel, is hij mogelijk ingegeven door de verzuchtingen van het politiecollege dat niet de indruk wil geven niets te doen. Daarbij benadrukt verzoekster dat “dit niet zeker is”, gelet op het ontbreken van notulen en informatie. XII-9773-15/17 Met deze loutere veronderstellingen komt verzoekster niet tegemoet aan de op haar rustende stelplicht en maakt zij niet aannemelijk dat er sprake zou zijn geweest van enige instructie, druk of mening van het politiecollege noch enig ander element dat medebepalend zou zijn geweest ten aanzien van de gewone tuchtoverheid. Uit de zinssnede in de bestreden beslissing “[o]verwegende dat de tucht een strenge en passende bestraffing van het foutief gedrag oplegt” en die eerder een stijlformule lijkt, blijkt dit evenmin. Het loutere gegeven dat verzoekster niet weet wat er is gezegd tijdens de bijeenkomst van het politiecollege waarbij de korpschef het incident heeft gemeld, kan evenmin doen besluiten tot een schending van het recht van verdediging of het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster maakt immers niet aannemelijk dat dit gebrek aan kennis over wat er precies werd gezegd, haar heeft gehinderd in de uitoefening van het recht van verdediging ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.
  41. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt het beroep.
  43. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  44. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. XII-9773-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9773-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.838 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.