id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.847 Rolnummer: A. 246961/XII-9996 Zaak: Arrest 265847 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 27/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-02 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.847 van 27 februari 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.847 van 27 februari 2026 in de zaak A. 246.961/XII-9996 In zake: R.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dana Dobrin kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britselei 49 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 7 januari 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 12 december 2025 van de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg, Nederlandstalige multidisciplinaire kamer, tot voorlopige schorsing van verzoeksters visum van gezondheidsbeoefenaar. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 15 januari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari
- XII-9996-1/13 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaten Julie Philtjens en Lion Janssens, die verschijnen voor verzoekster, en advocaat Matthias Boydens, die eveneens loco advocaat Jonas De Wit, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is tandarts en werd erkend als zorgbeoefenaar. 3.
- Op 21 juli 2024 ontvangt de Toezichtcommissie een klacht omtrent verzoekster als tandarts. Zij zou op 21 juli 2024 van wacht zijn voor het centrum van Antwerpen maar was de hele dag telefonisch onbereikbaar voor oproepen van het callcenter. Ook bij directe pogingen om haar te bereiken, lukte het niet om contact te maken. Het callcenter moest daarom de oproepen via een noodprocedure naar andere tandartsen leiden, zodat de oproepers toch konden worden geholpen. Volgens de klager zou de website van verzoekster enkel in het Engels zijn en een misleidende foto bevatten. XII-9996-2/13 3.
- Op 13 november 2024 wordt een controle uitgevoerd op de website van de tandartspraktijk Dentallure om te verifiëren of deze voldoet aan de informatievereisten voor zorgverlening in België. Tijdens het nazicht worden de volgende bevindingen genoteerd: “
- Taal van de website: de website van praktijk Dentallure is uitsluitend opgesteld in het Engels. Er werd geen Nederlandstalige versie van de website aangetroffen.
- Foto’s en vermelde talen van de tandartsen: op de website zijn foto’s van twee tandartsen [M.F.] en verzoekende partij zichtbaar. Bij beide tandartsen staat vermeld dat zij Nederlands, Engels en Roemeens spreken.” 3.
- Op 28 november 2024 wordt een controle uitgevoerd om na te gaan of verzoekster beschikt over het vereiste taalcertificaat, conform de wettelijke taalvereisten voor het uitoefenen van haar functie. Tijdens het nazicht wordt het bezit in haar hoofde van een taalcertificaat A2 zowel voor spreken als schrijven vastgesteld. Conform de regelgeving dient een gezondheidszorgbeoefenaar met een basisdiploma van masterniveau te beschikken over een taalcertificaat op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen (hierna: ERK), met uitzondering van de vaardigheid “schrijven”, waarvoor een certificaat op niveau B2 van het ERK is vereist. 3.
- Op 20 mei 2025 wordt van de vaststellingen een proces-verbaal met referentienummer TR/TZC/2025-001 opgemaakt door arts-inspecteur L. R. ten behoeve van de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg. Daarin wordt de volgende inbreuk vermeld: “Als gezondheidszorgbeoefenaar die het diploma secundair onderwijs niet heeft behaald in een Nederland[s]talige, Franstalige of Duitstalige onderwijsinrichting en die niet over een diploma van hoger of universitair onderwijs van een Nederlandstalige, Franstalige of Duitstalige onderwijsinstelling beschikt, de bepalingen van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg niet XII-9996-3/13 nageleefd te hebben door niet te allen tijde de Nederlandse, Franse of Duitse taal voldoende te beheersen om haar gezondheidsberoep op een kwaliteitsvolle manier te kunnen uitoefenen, waarbij onder voldoende taalbeheersing wordt verstaan een taalbeheersing die overeenstemt met een certificaat op het niveau ‘C1’ van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen, met uitzondering van de vaardigheid ‘schrijven’ waarvoor een certificaat op het niveau ‘B2’ van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen volstaat; terwijl zij, als buitenlandse gezondheidszorgbeoefenaar niet op verzoek van en onder verantwoordelijkheid van een Belgische gezondheidszorgbeoefenaar bij een patiënt die onmogelijk medisch verantwoord kon worden verplaatst, welbepaalde uitzonderlijke verstrekkingen inzake gezondheidszorg gesteld te hebben waarvoor de verantwoordelijke Belgische gezondheidszorgbeoefenaar niet over de nodige expertise beschikte om deze correct uit te voeren en waarvoor de buitenlandse gezondheidszorgbeoefenaar gekend is voor haar uitzonderlijke expertise. Inbreuk op artikel 45, eerste lid, 2° juncto artikel 11, 11/1 en 11/2 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.” 3.
- Met een aangetekende brief van 16 juni 2025 wordt het voornoemde proces-verbaal ter kennis gebracht van verzoekster, met de melding dat haar visum op basis van tekortkomingen desgevallend kon worden ingetrokken of kon worden geschorst, dat het behoud ervan afhankelijk kan gemaakt worden van welbepaalde voorwaarden of dat een verbeterplan kan worden opgelegd. Aan verzoekster wordt de kans geboden om schriftelijke opmerkingen in te dienen binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van deze aangetekende brief. Binnen een zelfde termijn van 30 dagen kan zij vragen om te worden gehoord. 3.
- Op 11 juli 2025 dient verzoekster schriftelijke opmerkingen in. Aanvullend bezorgt verzoekster op 2 september 2025 het bewijs van inschrijving voor de opleiding Nederlands tweede taal. 3.
- Op 3 september 2025 wordt verzoekster uitgenodigd om te worden gehoord door de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg op 10 oktober
- XII-9996-4/13 3.
- Op 2 oktober 2025 meldt verzoeksters advocaat haar tussenkomst en vraagt om (digitale) inzage te kunnen nemen van het dossier. Inzage wordt verleend en verzoeksters advocaat heeft alle stukken kunnen downloaden. 3.
- Op 10 oktober 2025 verschijnen verzoekster en haar advocaat voor de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg. Er wordt namens verzoekster een schriftelijke verweernota en een stukkenbundel ingediend. 3.
- Op 10 november 2025 wordt verzoekster per e-mail bericht dat de uitspraak, eerder voorzien op 7 november 2025, wordt uitgesteld naar 12 december
- 3.
- Op 12 december 2025 beslist de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg, Nederlandstalige multidisciplinaire kamer, verzoeksters visum van gezondheidsbeoefenaar voorlopig te schorsen op grond van de volgende overwegingen: “Na erover beraadslaagd te hebben, en overwegende dat: - deze Kamer middels melding van 24.10.2024 in kennis werd gesteld van een mogelijke taalproblematiek in hoofde van de gezondheidszorgbeoefenaar, namelijk het onvoldoende beheersen door de gezondheidszorgbeoefenaar van één van de landstalen, zijnde Frans, Nederlands of Duits (art. 11 juncto art. 11/1 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg); - de gezondheidszorgbeoefenaar te allen tijde ‘voldoende’ de Nederlandse, Franse of Duitse taal dient te beheersen om haar gezondheidszorgberoep op een kwaliteitsvolle manier [te] kunnen uitoefenen (art. 11/1, eerste lid van de Kwaliteitswet); - er in de concreet aan deze Kamer voorliggende casus onder ‘voldoende’ taalbeheersing dient te worden verstaan : ‘een taalbeheersing die overeenstemt met het niveau Cl van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor talen’, met uitzondering van de vaardigheid ‘schrijven’ waarvoor een niveau B2 volstaat (artikel 11, derde lid, 3° van de Kwaliteitswet); - op basis van de stukken waarvan deze Kamer vermocht kennis te nemen, blijkt dat de gezondheidszorgbeoefenaar enkel over een taalcertificaat A2 beschikt daterende van 14.01.2022, hetgeen niet volstaat om aan te tonen dat zij de te dezen vereiste graad van kennis van één der landstalen bezit; XII-9996-5/13 - de gezondheidszorgbeoefenaar bij aangetekend schrijven van 16.06.2025 met de voornoemde vaststellingen werd geconfronteerd teneinde haar toe te laten ter zake verweer te voeren, zulks in toepassing van artikel 54 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg; - de gezondheidszorgbeoefenaar op 07.11.2025 haar schriftelijk verweer bezorgde waarin zij stelt zich te zullen inschrijven voor een taalcursus voor het behalen van niveau C1; - zij hiermee zelf te kennen lijkt te geven dat zij thans nog niet aan het krachtens de Kwaliteitswet vereiste niveau van beheersing van één der landstalen voldoet; - deze Kamer op 08.08.2025 besliste om de gezondheidszorgbeoefenaar alsnog op te roepen ter zitting van deze Kamer van 10.10.2025; - de gezondheidszorgbeoefenaar dienaangaande, deels bij monde van haar raadsman, ter zitting van deze Kamer van 10.10.2025 verklaart dat: o zij in 2018 werd gerekruteerd om in België te komen werken en zij zich in 2019 effectief in België heeft gevestigd; o het niet ernstig is dat er nu van haar een taalcertificaat C1 wordt verwacht, terwijl de bepalingen omtrent de taalvereisten in de Kwaliteitswet pas in werking zijn getreden op 10.06.2024; o zij nooit enig probleem heeft ondervonden in de communicatie met haar patiënten; - het inderdaad correct is dat de bepalingen omtrent de taalbeheersing in de Kwaliteitswet (zijnde artikelen 11 t.e.m. 11/3) werden ingevoegd bij wet van 18 mei 2024 tot wijziging van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg en van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen voor wat betreft de taalbeheersing van gezondheidszorgbeoefenaars, die inderdaad in werking trad op 10.06.2024; - de wetgever bij de invoering van deze taalvereisten niet in overgangsmaatregelen heeft voorzien voor gezondheidszorgbeoefenaars die op het moment van inwerkingtreding van de voormelde wet van 18 mei 2024 nog niet beschikten over het vereiste niveau van taalbeheersing; - élke gezondheidszorgbeoefenaar dan ook (onmiddellijk) sedert 10.06.2024 te allen tijde de Nederlandse, Franse of Duitse taal voldoende dient te beheersen (artikel 11/1 van de Kwaliteitswet); - het daarenboven niet aan deze Kamer, die ertoe gehouden is de wet toe te passen, toekomt om zelf in overgangsmaatregelen te voorzien en derwijze een toestand te tolereren die in strijd is met een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift; - er daarenboven door deze Kamer op wordt gewezen dat de Koning evenmin van de Hem krachtens artikel 11/3 van de Kwaliteitswet verleende bevoegdheid om vrijstelling te verlenen, gebruik heeft gemaakt voor de categorie van gezondheidszorgbeoefenaars waartoe de bij deze procedure betrokken persoon behoort; - het algemeen rechtsbeginsel ‘nemo censetur ignora legem’ verder inhoudt dat niemand wordt verondersteld de wet niet te kennen of, met andere woorden, dat eenieder geacht wordt de wet te kennen; - de gezondheidszorgbeoefenaar aldus sedert 10.06.2024, derhalve anderhalf jaar, de tijd had om de nodige stappen te zetten om het door de Kwaliteitswet vereiste niveau van taalbeheersing te behalen; - de gezondheidszorgbeoefenaar thans enkel een inschrijvingsattest voorlegt van een taalcursus ‘NT2 Threshold 1 schriftelijk persoonlijk’ en ‘NT2 Threshold 2 schriftelijk publiek’, hetgeen overeenkomt met een niveau B1 XII-9996-6/13 voor schrijven, hetgeen hoe dan ook en afgezien van hetgeen hierna volgt, wederom onvoldoende is; - er daarenboven voor de vaardigheid ‘spreken’ geen enkel inschrijvingsattest voorligt; - het daarenboven met het al dan niet volgen van een taalopleiding door de gezondheidszorgbeoefenaar is dat door de wetgever als beoordelingscriterium werd weerhouden; - dat het enige te dezen in aanmerking te nemen criterium echter de daadwerkelijke beheersing van de taal overeenkomstig het bij wet vastgestelde niveau is en het de gezondheidszorgbeoefenaar is die ter zake de bewijslast draagt (‘Alle gezondheidszorgbeoefenaars moeten te allen tijde over een niveau van taalbeheersing zoals naar aanleiding van het advies van de Raad van State verduidelijkt in artikel 11/1, het eerste lid beschikken. Ten gepast[e] tijden zullen ze dat moeten kunnen aantonen’ (MvT bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg en de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen voor wat betreft de taalbeheersing van gezondheidszorgbeoefenaars, Parl. St. Kamer, 2023-2024, doc. 55-3972/001, p. 11); - de gezondheidszorgbeoefenaar te dezen tot op heden niet in deze bewijslast slaagt; - deze Kamer zich dan ook op basis van alle voornoemde elementen genoodzaakt ziet om visum van de gezondheidszorgbeoefenaar voorlopig te schorsen tot op het ogenblik dat de betrokkene het voormelde bewijs te genoegen van recht levert; - deze schorsing zich inderdaad te dezen, bij uitsluiting van andere mogelijke maatregelen, opdringt, gelet op het grote belang dat de wetgever bij de totstandkoming van de voormelde wet van 18 mei 2024 aan een voldoende taalbeheersing in hoofde van de gezondheidszorgbeoefenaar hechtte: ‘Door de wijzigingen van kwaliteitswet wordt de taalbeheersing van de gezondheidszorgbeoefenaar als kwaliteitseis in de wetgeving ingeschreven. Opstellers zijn er immers van overtuigd dat taalbeheersing van gezondheidszorgbeoefenaars onontbeerlijk is met het oog op een kwaliteitsvolle en veilige gezondheidszorgverstrekking. Niet enkel faciliteert het de communicatie en andere gezondheidszorgbeoefenaars, taalbeheersing is tevens noodzakelijk om bijvoorbeeld op de hoogte te blijven van vakliteratuur en toepasselijke regelgeving, om zelf bijdragen te kunnen leveren aan moeten onderzoeksresultaten te bestuderen en interpreteren, om door te verwijzen naar andere gezondheidszorgbeoefenaars, om geneesmiddelen voor te schrijven ... ’ […]; (MvT bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg en de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen voor wat betreft de taalbeheersing van gezondheidszorgbeoefenaars, Parl. St. Kamer, 2023-2024, doc. 55- 3972/001, p. 4). Toepassing makend van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, inzonderheid de artikelen 11 tot en met 11/3, 44, 45, 46, 56 en 58, §2 daarvan en het Koninklijk besluit van 4 december 2022 tot vaststelling van de werking van de Toezichtcommissie als bedoeld in de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, inzonderheid het eerste hoofdstuk daarvan. Met éénparigheid van stemmen; XII-9996-7/13 Beslist deze kamer op tegenspraak: - het visum van de gezondheidszorgbeoefenaar voorlopig te schorsen; - haar Secretaris op te dragen om deze beslissing bij aangetekend schrijven ter kennis te brengen van de gezondheidszorgbeoefenaar en per gewone post of per email aan de raadsman van de gezondheidszorgbeoefenaar.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Op 29 januari 2026, legt verzoekster, uit eigen initiatief, een “memorie van antwoord/nota met opmerkingen” en bijkomende stukken neer. Ter terechtzitting verzet de verwerende partij zich tegen het neerleggen van de “memorie van antwoord/nota met opmerkingen” en het toevoegen van de nieuwe stukken aan het dossier.
- De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot het neerleggen van een “memorie van antwoord/nota met opmerkingen”. In zoverre dit procedurestuk de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre verzoekster in haar mondelinge opmerkingen ter terechtzitting, of in de “memorie van antwoord/nota met opmerkingen” die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormt, nieuwe argumenten ter adstructie van de spoedeisendheid ontwikkelt, waarvan zij – zoals te dezen – niet aantoont dat zij die niet in haar enig verzoekschrift kon ontwikkelen, zijn deze niet ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één XII-9996-8/13 ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Standpunt van verzoekster
- Verzoekster lijkt ter verantwoording van de spoedeisendheid te laten gelden: “c. Een moeilijk te herstellen nadeel Bovendien zal verzoekster een moeilijk te herstellen nadeel ondervinden wanneer de bestreden beslissing niet vernietigd wordt aangezien door de bestreden beslissing voor verzoekster het uitvoeren van haar activiteiten onmogelijk maakt, wat zowel moeilijk te herstellen materiele en morele schade betreft.” Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep XII-9996-9/13 tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Ter verantwoording van de spoedeisendheid lijkt verzoekster te laten gelden dat door de bestreden beslissing het uitvoeren van haar activiteiten XII-9996-10/13 onmogelijk wordt gemaakt, wat zowel moeilijk te herstellen materiële als morele schade tot gevolg heeft. Verzoekster beroept zich aldus vooreest op een financieel- economisch nadeel. Een dergelijk nadeel verantwoordt evenwel in de regel de spoedeisendheid niet. Het voorgaande neemt niet weg dat op grond van bijzondere redenen er toch van spoedeisendheid sprake is wanneer daaruit blijkt dat verzoekster niet kan wachten op een uitspraak ten gronde. Het komt aan verzoekster toe om concrete, op haar situatie betrokken (verifieerbare) gegevens aan te brengen om de spoedeisendheid aan te tonen. Hoewel het zich laat verstaan dat de voorlopige schorsing van haar visum voor verzoekster ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak, dan nog is vereist dat verzoekster, wil zij de spoedeisendheid verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens én stavingstukken, dat het door haar aangevoerd financiële nadeel onomkeerbaar is en dat de omvang cq impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat verzoekster de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Verzoekster beperkt zich te dezen echter tot het louter poneren van haar vermeende nadeel dat zij zelf situeert in een “moeilijk te herstellen materiele […] schade”, zonder enige verdere duiding. Dit volstaat op zich niet om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden, nu zij, bij gebrek aan enig concreet, precies en dienstig gegeven ter staving van haar aangevoerde betoog, niet doet blijken dat zij zich thans in een toestand zou bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. XII-9996-11/13
- Verzoekster lijkt zich voorts ter verantwoording van de vermeende spoedeisendheid te beroepen op morele schade. Verzoekster maakt evenwel niet aannemelijk dat die morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak ten gronde, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat verzoekster ze niet kan lijden totdat over nietigverklaring van de zaak uitspraak wordt gedaan. Te dezen beperkt verzoekster zich tot het louter poneren van haar standpunt, zonder dit te staven met concrete gegevens en overtuigende argumenten die door de Raad van State op hun merites kunnen worden onderzocht. Bijgevolg maakt het door haar aangevoerde argument, niettegenstaande zulks doet blijken van de ongemakken en gevolgen die verbonden zijn aan het uitvoerbaar karakter van de bestreden beslissing, niet aannemelijk dat het aangevoerde moreel nadeel van dien aard en omvang is dat verzoekster het niet kan lijden totdat over de nietigverklaring van de zaak uitspraak wordt gedaan en zulks los van de vraag of de ingeroepen morele schade van dien aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen.
- Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat de verzoekende partij niet aantoont dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten, zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-9996-12/13 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9996-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.847 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.482 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div