id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.848 Rolnummer: A. 247273/XII-10033 Zaak: Arrest 265848 - Tucht (openbaar ambt) - 27/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-27 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.848 van 27 februari 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.848 van 27 februari 2026 in de zaak A. 247.273/XII-10.033 In zake: XXXX tegen: de POLITIEZONE 5401 WOKRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te 3500 Hasselt Recorstraat 700/0501 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 februari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 8 december 2025, waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 6 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting op 11 februari
- Bij beschikking van 11 februari 2026 werd de terechtzitting verplaatst naar 26 februari 2026 wegens ziekte van verzoeker. XII-10.033-1/5 De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker heeft op 11 februari 2026 via een bericht op het elektronisch platform laten weten dat hij wegens ziekte niet aanwezig kon zijn op de terechtzitting van 11 februari 2026 om 11u. Om die reden werd de terechtzitting verplaatst naar 26 februari 2026 om 11u.
- Op 26 februari 2026 om 10.37u heeft verzoeker via een bericht op het elektronisch platform laten weten dat hij “door ernstige ziekte van [zijn] zoontje” wederom niet aanwezig kan zijn op de zitting. Bij dit bericht is een attest gevoegd van dr. E.D. van 26 februari 2026 dat inhoudt dat de aanwezigheid van verzoeker thuis dringend en noodzakelijk is omwille van ziekte van een onder hetzelfde dak wonende kind.
- De verwerende partij zet ter terechtzitting uiteen dat verzoeker systematisch ziekte-attesten neerlegt om uitstel te bekomen en dat hij dat ook doorheen de tuchtprocedure voor het bestuur meermaals heeft gedaan, zowel voor XII-10.033-2/5 de tuchtoverheid zelf, als voor de Tuchtraad. Dit gedrag bracht de korpschef van de politiezone er zelfs toe om een klacht in te dienen bij de orde der artsen tegen de huisarts die de ziekte-attesten afleverde. Volgens de verwerende partij heeft zij geen kennis gekregen van het gevolg dat door de Orde der artsen aan die klacht is gegeven. De verwerende partij wijst er voorts op dat verzoeker een bijberoep uitoefent en dat de verklaring voor zijn afwezigheid mogelijk eerder daar gelegen is. Volgens de verwerende partij vormt verzoeker immers een gezin met een thuiswerkende partner en met zijn schoonmoeder, die zich eveneens over zijn ziek kind zouden kunnen ontfermen. De verwerende partij verzet zich daarom tegen een verder uitstel van de zaak. Beoordeling
- Verzoeker is, nadat de terechtzitting een eerste maal werd verplaatst ingevolge de plotse ziekte van verzoeker, opnieuw niet ter terechtzitting verschenen, noch is hij vertegenwoordigd door een advocaat. Ter verantwoording beroept hij zich op de ziekte van zijn zoon. Verzoeker heeft nochtans op 6 februari 2026 zowel een beroep tot nietigverklaring, als een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing ingediend. Hieruit kan worden afgeleid dat, naar de mening van verzoeker, het beroep dringende behandeling door de Raad van State behoeft. Het indienen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing houdt immers in dat, naar de mening van verzoeker, de vordering moet worden behandeld binnen een termijn van vijftien dagen of minder. Het toekennen van enig uitstel van de terechtzitting is, behoudens bijzondere omstandigheden, derhalve niet te verenigen is met de door de wetgever gewilde spoedbehandeling van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-10.033-3/5
- De verwerende partij voert aan dat zij in het herhaaldelijk uitstel vragen een patroon ziet, dat zich ook al afspeelde tijdens de tuchtprocedure, zodat zij vraagt om de zaak te behandelen en geen uitstel te verlenen. Verzoeker – die niet wordt bijgestaan door een advocaat – is evenwel, gelet op zijn afwezigheid, niet in de mogelijkheid hiertegen enig verweer te voeren. Om die reden wordt de behandeling van de zaak een laatste maal uitgesteld. De Raad van State wijst verzoeker erop dat luidens artikel 11 van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ alle partijen moeten verschijnen of vertegenwoordigd zijn en dat wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, de vordering tot schorsing wordt afgewezen. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De zaak wordt opnieuw vastgesteld op de openbare terechtzitting van 11 maart 2026 om 11.00 uur.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-10.033-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Ann Coolsaet XII-10.033-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.848 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.987 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.