id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.849 Rolnummer: A. 247203/XIV-40050 Zaak: Arrest 265849 - Overheidsopdrachten - 27/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-02 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.849 van 27 februari 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.849 no lien 287986 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.849 van 27 februari 2026 in de zaak A. 247.203/XIV-40.050 In zake: de BV P. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Charles-Henri de La Vallée Poussin, Mathilde Vilain XIIII en Terence Mauchard Dumont kantoor houdend te 1060 Sint-Gillis Charleroisesteenweg 112 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de ARTESIS PLANTIJN HOGESCHOOL ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 30 januari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen van onbekende datum, waarbij de verwerende partij onder meer heeft besloten om de verzoekende partij niet te selecteren in het kader van de ‘raamovereenkomst met één deelnemer voor de levering en implementatie van een studenteninformatiesysteem en aanvullende diensten’”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 2 februari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-40.050-1/17 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026 om 11.00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mathilde Vilain XIIII, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor leveringen uit met als voorwerp ‘raamovereenkomst met één deelnemer voor de levering en implementatie van een studenteninformatiesysteem en aanvullende diensten’. De gekozen plaatsingsprocedure is de mededingingsprocedure met onderhandeling in de zin van artikel 38 van de wet van 18 april 2017 ‘inzake overheidsopdrachten (hierna: wet van 18 april 2017). Voorts wordt deze procedure geplaatst via occasionele gezamenlijke opdracht, waarbij de verwerende partij ook optreedt in naam en voor rekening van elk van de zeven andere Vlaamse hogescholen. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. XIV-40.050-2/17 3.2. De selectieleidraad die op de opdracht van toepassing is, bepaalt inzake de duurtijd van de opdracht dat de raamovereenkomst wordt afgesloten voor een initiële termijn van acht jaar en viermaal jaarlijks kan worden verlengd, met een maximale totale duur van twaalf jaar. Inzake het verloop van de plaatsingsprocedure bepaalt de selectieleidraad onder meer het volgende: “De plaatsingsprocedure verloopt in twee fasen met volgende kenmerken: (
- i)in een eerste fase dient de kandidaat zijn aanvraag tot deelneming in met naleving van de bepalingen opgenomen in deze selectieleidraad; (
- ii)wanneer de kandidaat wordt geselecteerd op basis van een beoordeling van zijn aanvraag tot deelneming, ontvangt de kandidaat, in zijn hoedanigheid van gegadigde, het bestek betreffende de opdracht, alsook een uitnodiging tot het indienen van een offerte; (iii) de aanbestedende overheid behoudt zich het recht voor om na ontvangst van de eerste offerte de inschrijvers uit te nodigen voor het organiseren van een demosessie. In de bestekfase zal worden bepaald of de resultaten van deze demosessie al dan niet zullen worden meegenomen in de beoordeling van de offertes. Indien de demosessie niet in de gunningscriteria wordt opgenomen, zal zij enkel informatief en ter verduidelijking van de ingediende offerte dienen. (
- iv)de aanbestedende overheid zal het recht hebben om in het kader van de plaatsingsprocedure te onderhandelen over de ingediende offertes zonder hiertoe evenwel verplicht te zijn; indien de aanbestedende overheid beslist om geen onderhandelingen te voeren, zal zij haar beslissing motiveren en aan de inschrijvers meedelen. In toepassing van artikel 8, § 1, 1° juncto artikel 4, 5° en artikel 5, 6° van de Wet van 17 juni 2013 zal de aanbestedende overheid haar gemotiveerde beslissing inzake de selectie of de niet-selectie van kandidaten die een aanvraag tot deelneming hebben ingediend, aan de geselecteerde en de niet- geselecteerde kandidaten overmaken. Pas na het verstrijken van de wachttermijn van vijftien kalenderdagen, zoals bedoeld in artikel 15 juncto artikel 23, § 3 van de Wet van 17 juni 2013, dan wel nadat een beslissing van de bevoegde verhaalsinstantie is tussengekomen, zal het bestek betreffende de opdracht aan de geselecteerde kandidaten of gegadigden worden overgemaakt.” De selectieleidraad bepaalt onder punt 2.3. ook de “voorwaarden voor selectie”, met vermelding van de uitsluitingsgronden, de minimale vereisten op het vlak van de economische en financiële draagkracht en technische en beroepsbekwaamheid waaraan de kandidaat dient te voldoen, alsook de bewijsdocumenten betreffende de selectiecriteria. XIV-40.050-3/17 De selectieleidraad somt onder punt 2.4. ‘Vorm en aanvraag tot deelname’ ook de documenten op die de aanvraag tot deelneming dient te bevatten en beschrijft de wijze waarop de aanvraag tot deelneming elektronisch dient te worden ingediend via e-procurement. 3.3. Uit het proces-verbaal van opening van 17 november 2025 blijkt dat vijf kandidaten een aanvraag tot deelneming indienen. 3.4. Op 20 november 2025 verzoekt de verwerende partij de bv E. om schriftelijke verduidelijking te verstrekken over de exacte rol van de bv E. in de kandidaatstelling onder de volgende bewoordingen: “[…] Naar aanleiding van de administratieve controle werden in de ingediende stukken diverse inconsistenties vastgesteld met betrekking tot de rol van [bv E.] binnen de inschrijving. Meer bepaald stellen wij het volgende vast: • In het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) wordt aangegeven dat u inschrijft als combinatie [bv P] en [bv E.], met [bv P.] als leider van de combinatie; • Op het e-Procurementplatform wordt echter ingeschreven onder de naam van [bv E.] (het indieningsrapport vermeldt [bv E.] als leider van de combinatie); • [De bv E.] wordt daarnaast vermeld als onderaannemer voor de levering en implementatie van de Onderwijscatalogus; • In het aanvraagformulier tot deelneming wordt zowel ingeschreven als natuurlijk persoon en als vennootschap ([bv P.]), terwijl inschrijving slechts onder één hoedanigheid mogelijk is. Deze elementen zijn onderling tegenstrijdig en maken het onmogelijk om de juiste rechtsvorm en deelnemingswijze van uw inschrijving vast te stellen. In toepassing van artikel 66, § 3, van de wet van 17 juni 2016 verzoeken wij u om duidelijke schriftelijke verantwoording te verstrekken over de exacte rol van [de bv E.] in deze inschrijving, en uiterlijk tegen dinsdag 25/11/2025 om 12u.” 3.5. Op 23 november 2025 verstrekt J.J.K., managing director van de bv P. en de bv E., de volgende verduidelijking: “[…] U constateert terecht dat er verschillen zijn tussen de UEA, het e- Procurementplatform en het aanvraagformulier. Dit is helaas veroorzaakt door het (nog) niet aanmelden van [bv P.] op het e-Procurementplatform. XIV-40.050-4/17 Vandaar dat de inschrijving heeft plaatsgevonden met [bv E.] op het platform. Beide bedrijven maken overigens onderdeel uit van [Q.]. Voor het vaststellen van de juiste rechtsvorm geldt dat de inschrijving wordt gedaan met [bv P.] als hoofdaannemer voor het SIS, waarbij [bv E.] als onderaannemer van [bv P.] leverancier is van de Onderwijscatalogus voor het ontwikkelen, onderhouden en publiceren van het curriculum. Wij vertrouwen erop hiermee eenduidigheid en helderheid te hebben geschapen over de inschrijvende partij. Uiteraard zullen wij ervoor zorgen dat ook [bv P.] opgenomen wordt in het e-Procurementplatform en zijn we graag bereid, indien gewenst, zorg te dragen voor de correcte aanlevering van de documenten met [bv P.] als inschrijvende partij. […]”. 3.6. Er wordt een selectieverslag opgesteld dat het volgende vermeldt wat het administratief nazicht en onderzoek van de ontvankelijkheid van de aanvragen tot deelneming betreft: “De conformiteit met de voorschriften (o.m. de voorschriften met betrekking tot de ondertekening van de aanvraag tot deelneming, de tijdigheid van de indiening, het bijvoegen van verplichte bijlagen, de taalvoorschriften, enz.) en de wijze van indienen van een aanvraag tot deelneming werd onderzocht. Besluit: A. Regularisatie mogelijk Bij de controle van de indieningsrapporten werd vastgesteld dat zowel [de bv. E.] als […] hun documenten hebben ondertekend met een ingescande handtekening, respectievelijk op het UEA en op het indieningsrapport. Een dergelijke ondertekening voldoet niet aan de in de selectieleidraad opgelegde verplichting om het indieningsrapport te ondertekenen met een gekwalificeerde elektronische handtekening. Een gescande handtekening is een niet-geldige handtekening (RvS nr. 230.176, 12 februari 2015). Overeenkomstig artikel 42, §2 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren (hierna genoemd ‘KB Plaatsing’) is een individuele handtekening op het UEA en de aanvraag tot deelneming niet vereist, voor zover deze documenten globaal worden ondertekend via het indieningsrapport, dat bij het opladen op het elektronisch platform rechtsgeldig moet worden ondertekend. Artikel 42 van het KB Plaatsing benadrukt dat deze globale ondertekening een onmiskenbaar voordeel biedt: indien het UEA niet (geldig) is ondertekend via het indieningsrapport, moet de kandidaat het UEA opnieuw indienen en geldig ondertekenen bij de indiening van zijn offerte. Aangezien [bv E.] en […] hun indieningsrapport niet hebben ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening, maar een ingescande handtekening hebben geplaatst, is de globale ondertekening ongeldig. Dit vormt een vormelijk gebrek dat - nu het gaat om een aanvraag tot deelneming en geen offerte - wel voor regularisatie in aanmerking komt. XIV-40.050-5/17 Daarnaast wordt opgemerkt dat de handtekeningbevoegdheid van de ondertekenaars moet worden aangetoond door middel van correcte en relevante bewijsstukken (zoals statuten, volmachten of officiële registraties). Deze documenten moeten aantonen dat de betrokken personen rechtsgeldig bevoegd zijn om de onderneming/combinatie te verbinden. Indien dergelijke bewijsstukken ontbreken of onvolledig zijn, dient ook dit onderdeel te worden geregulariseerd. Met toepassing van artikel 42 KB Plaatsing wijst de aanbestedende overheid de betrokken kandidaten er dan ook op dat, bij eventuele uitnodiging tot het indienen van een offerte in de volgende fase, het indieningsrapport dat betrekking heeft op hun initiële offerte opnieuw en rechtsgeldig moet worden ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening en de handtekeningbevoegdheid van de ondertekenaar aan te tonen met de vereiste bewijsdocumenten. B. Geen regularisatie mogelijk – onontvankelijkheid aanvraag tot deelneming Tijdens de administratieve controle werden in de aanvraag tot deelneming van [bv E.] diverse tegenstrijdigheden vastgesteld met betrekking tot de identiteit van de inschrijver en de wijze van deelneming: • In het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) wordt aangegeven dat men zich kandidaat stelt als combinatie met [bv P.], met [bv P.] als leider van de combinatie; • Op het e-Procurementplatform wordt echter een aanvraag tot deelneming ingediend onder de naam van [bv E.] (het indieningsrapport vermeldt [bv E.] als leider van de combinatie); • [bv E.] wordt daarnaast vermeld als onderaannemer voor de levering en implementatie van de Onderwijscatalogus; • In de aanvraag tot deelneming wordt zowel ingeschreven als natuurlijk persoon en als vennootschap ([bv P.]), terwijl een kandidaat slechts één aanvraag tot deelneming per opdracht kan indienen (artikel 54, § 1 KB Plaatsing). De aanbestedende overheid heeft de kandidaat hierover om toelichting verzocht. Uit de toelichting blijkt dat de aanvraag tot deelneming op het platform werd ingediend door een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon die volgens de kandidaat de beoogde kandidaat is, nl. [bv P.]. Dit betreft een essentieel element van de aanvraag tot deelneming, aangezien de identiteit rechtstreeks verband houdt met het recht om voor de opdracht een offerte in te dienen, de beoordeling van de selectiecriteria, de mogelijkheid tot het aangaan van een geldige verbintenis met de aanbestedende overheid. Het Hof van Justitie stelt dat wijzigingen die betrekking hebben op de identiteit of bekwaamheden van de kandidaat ‘essentiële elementen’ van de plaatsingsprocedure vormen. Volgens het Hof kan een aanpassing op dit punt neerkomen op ‘een wezenlijke en aanzienlijke wijziging van de oorspronkelijke inschrijving, die eerder lijkt op de indiening van een nieuwe inschrijving’ (HvJ EU, 4 mei 2017, C-387/14, Esaprojekt). Onverminderd het feit dat voormelde rechtspraak betrekking heeft op een offerte en geen aanvraag tot deelneming, dringt zich de vaststelling op dat voor de uiterste indieningsdatum geen regelmatige aanvraag tot deelneming XIV-40.050-6/17 lijkt te zijn ingediend, minstens ernstige onduidelijkheid voorligt omtrent de identiteit van de aanvrager, mogelijks zelfs twee aanvragen voor deelneming zijn ingediend. De onregelmatigheden zijn bijgevolg van die aard dat een regularisatie zoals voorgesteld in de kennisgeving d.d. 23 november 2025, op gespannen voet staat met het gelijkheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 4, eerste lid van de Wet Overheidsopdrachten, nu aan een rechtspersoon/onderneming het recht zou worden verleend om na het verstrijken van de uiterste indieningstermijn alsnog een aanvraag tot deelneming in te dienen. Op basis van de ingediende aanvraag tot deelneming en de daaropvolgende toelichting stelt de aanbestedende overheid vast dat de aanvraag tot deelneming van [bv E.] niet ontvankelijk is en [bv E.] niet wordt geselecteerd. Voor het overige werden er in deze fase van het onderzoek geen gebreken in de aanvragen tot deelneming vastgesteld.” 3.7. Met een niet gedateerde beslissing besluit de verwerende partij tot niet-selectie van de bv E., welke beslissing eveneens de niet-selectie van de verzoekende partij inhoudt. Dit is de bestreden beslissing. Naast de bv E. wordt nog een andere kandidaat niet geselecteerd. De overige drie kandidaten worden wel geselecteerd. 3.8. Op 15 januari 2026 wordt aan de bv. E. meegedeeld dat zij niet geselecteerd werd om deel te nemen aan de tweede fase van de plaatsingsprocedure. Aan de verzoekende partij werd geen kennisgeving verricht. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 4. Beide partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te XIV-40.050-7/17 lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. V. Ontvankelijkheid 5. De verwerende partij werpt in de nota een exceptie van gebrek aan belang op bij de vordering tot schorsing. Een derde die geen aanvraag tot deelneming heeft ingediend, maar enkel een UEA, zoals te dezen de verzoekende partij, getuigt volgens haar niet van het rechtens vereiste belang om de selectiebeslissing aan te vechten. 6. De verwerende partij gaat in haar exceptie voorbij aan het enig middel waarin de vraag naar de identiteit van de kandidaat die de aanvraag tot deelneming heeft ingediend centraal staat. De beoordeling van de exceptie hangt dan ook samen met de beoordeling van het enig middel. De exceptie wordt verworpen. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 7. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XIV-40.050-8/17 VII. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 8. Het eerste en enig middel is genomen uit de schending van de artikelen 4 en 66 van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), de artikelen 4, eerste lid, 5°, en 5, 6°, van de wet van 17 juni 2013, artikel 54 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’, het gelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, de kennelijke beoordelingsfout en machtsmisbruik. Het middel wordt door de verzoekende partij in haar verzoekschrift als volgt samengevat: “De verzoekende partij stelt in essentie dat de verwerende partij de in het enige middel aangehaalde bepalingen en beginselen heeft geschonden door in de bestreden beslissing te oordelen dat de verzoekende partij niet geselecteerd kon worden. Geen enkel van de drie motieven waarop ze steunt kunnen deze beslissing immers dragen: ▪ Met betrekking tot het eerste en het tweede motief stelt de verzoekende partij vast dat de verwerende partij, door te oordelen dat er twijfel bestaat over de identiteit van de indiener van de Aanvraag tot deelneming, zodat de verzoekende partij niet geselecteerd kon worden, het zorgvuldigheids- en het proportionaliteitsbeginsel heeft geschonden. Zij heeft op zijn minst een kennelijke beoordelingsfout gemaakt. ▪ Het derde motief is onjuist en mist feitelijke grondslag. In zoverre de bestreden beslissing het bestaan van twee aanvragen tot deelneming vaststelt die in strijd zouden zijn met artikel 54 van het KB Plaatsing, is zij bijgevolg niet afdoende gemotiveerd en bevat zij op zijn minst een kennelijke beoordelingsfout.” 9. De verwerende partij vat haar verweer om tot het besluit te komen dat het enig middel niet ernstig is als volgt samen: “Verzoekende partij slaagt er […] niet in om het motief op basis waarvan de aanvraag tot deelneming van verzoekende partij als niet ontvankelijk werd verworpen, te weerleggen. Het is immers onbetwistbaar dat, op basis van de ingediende aanvragen tot deelneming, er onduidelijkheid voorlag met XIV-40.050-9/17 betrekking tot de identiteit van de kandidaat die de aanvraag tot deelneming had ingediend. Geconfronteerd met deze onduidelijkheid heeft verwerende partij verzoekende partij gevraagd om duidelijkheid te verstrekken […]. Deze toelichting, zoals opgenomen in de kennisgeving d.d. 23 november 2025 [….], houdt de bevestiging in dat de aanvraag tot deelneming is ingediend door een andere kandidaat dan verzoekende partij, waarbij wordt erkend dat verzoekende partij op dat tijdstip niet in de mogelijkheid was om op een regelmatige wijze tijdig een aanvraag tot deelneming in te dienen. Nu verzoekende partij bevestigt dat het wel degelijk de bedoeling was dat zij als kandidaat een aanvraag tot deelneming zou indienen en bijgevolg als gegadigde zou worden geselecteerd, dringt zich de vaststelling op dat verzoekende partij geen tijdige en rechtsgeldige aanvraag tot deelneming heeft ingediend en dat er ook geen mogelijkheid voorligt om alsnog door middel van een regularisatie op basis van de ingediende aanvraag tot deelneming verzoekende partij als kandidaat en bij uitbreiding als gegadigde te aanvaarden. Een dergelijke handelswijze zou immers een schending inhouden van artikel 83 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 in samenhang met het gelijkheidsbeginsel.” Beoordeling 10. In het enig middel betwist de verzoekende partij, een vennootschap naar Nederlands recht, de motieven op grond waarvan de verwerende partij besloten heeft dat zij niet geselecteerd kon worden. 11. De verwerende partij werpt in de nota een exceptie van gebrek aan belang op bij het enig middel omdat de verzoekende partij volgens haar geen aanvraag tot deelneming heeft ingediend. Om dezelfde redenen als reeds uiteengezet bij de beoordeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering wordt ook deze exceptie verworpen. 12. Artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 bepaalt dat de aanbesteders de ondernemers “op gelijke en niet-discriminerende wijze” behandelen en dat de aanbesteders “op een transparante en proportionele wijze” handelen. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 5°, van de wet van 17 juni 2013 stelt de aanbestedende instantie een gemotiveerde beslissing op “wanneer ze beslist over de selectie van de kandidaten ingeval de procedure een eerste fase met de indiening van aanvragen tot deelneming omvat”. Artikel 5, 6°, van voormelde XIV-40.050-10/17 wet bepaalt voorts dat deze gemotiveerde beslissing “de namen van de al dan niet geselecteerde kandidaten of inschrijvers en de juridische en feitelijke motieven voor de beslissingen die daarop betrekking hebben” dient te bevatten. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. 13. De motieven op grond waarvan de verwerende partij besloten heeft tot niet-selectie van de bv E., hetgeen tevens de niet-selectie van de verzoekende partij inhoudt, zijn hoger weergegeven in punt 3.6. van het feitenrelaas. Er wordt naar verwezen. 14. Daarbij wordt op het eerste gezicht reeds vastgesteld dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de omstandigheid dat op het e-Procurement platform de aanvraag tot deelneming werd opgeladen door de gevolmachtigde van de bv E., die tevens de gevolmachtigde van de verzoekende partij is, automatisch heeft geleid tot een beslissing tot niet-selectie. Wel heeft de verwerende partij discrepanties vastgesteld met betrekking tot de identiteit van de inschrijver en de wijze van deelneming om welke reden zij de bv E. verzocht heeft om in toepassing van artikel 66, § 3, van de wet van 17 juni 2016 schriftelijke verduidelijking te verstrekken over de exacte rol van de bv. E. in de aanvraag tot deelneming. Het past om in dit verband in herinnering te brengen dat het in de eerste plaats aan dat kandidaat staat om zijn aanvraag tot deelneming met de nodige zorgvuldigheid op te stellen en correct in te dienen. Dat neemt niet weg dat de verwerende partij te dezen op het eerste gezicht gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om in het licht van de door haar vastgestelde discrepanties met toepassing van artikel 66, § 3 van de wet van 17 juni 2016 de kandidaat om verduidelijking te vragen. XIV-40.050-11/17 15. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat de verwerende partij uit de door de kandidaat verstrekte toelichting afleidt dat de aanvraag tot deelneming op het platform werd ingediend door een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon die volgens de kandidaat de beoogde kandidaat is, met name de verzoekende partij. Aldus dringt zich volgens de verwerende partij de vaststelling op dat voor de uiterste indieningsdatum geen regelmatige aanvraag tot deelneming lijkt te zijn ingediend, minstens ernstige onduidelijkheid voorligt omtrent de identiteit van de aanvrager en mogelijks zelfs twee aanvragen tot deelneming zijn ingediend. Aangezien de identiteit van de kandidaat een essentieel element vormt van de aanvraag tot deelneming, betreft het volgens de verwerende partij een onregelmatigheid die niet kan worden geregulariseerd omdat dit op gespannen voet zou staan met het gelijkheidsbeginsel. 16. In de bestreden beslissing wordt als één van de discrepanties die door de verwerende partij werden vastgesteld en waarover om toelichting werd verzocht gesteld dat “in de aanvraag tot deelneming […] zowel [wordt] ingeschreven als natuurlijke persoon en als vennootschap ([bv P.]), terwijl een kandidaat slechts één aanvraag tot deelneming per opdracht kan indienen (artikel 54, § 1, KB Plaatsing).” Uit de stukken van het administratief dossier, meer bepaald de aanvraag tot deelneming die als vertrouwelijk werd neergelegd, maar die de Raad van State heeft kunnen inzien, blijkt dat het deelnameformulier gevoegd als bijlage 14 bij de aanvraag tot deelneming, niet alleen als kandidaat-vennootschap de verzoekende partij, met als gevolmachtigde J.J.K., managing director, vermeldt, maar dat diezelfde gevolmachtigde, met vermelding van zijn hoedanigheid als managing director, nogmaals wordt vermeld onder de rubriek “voor een kandidaat – natuurlijke persoon”. In de nota met opmerkingen stelt de verwerende partij dat aldus niet kon worden uitgesloten dat J.J.K. de aanvraag tot deelneming in de hoedanigheid van natuurlijk persoon heeft ingediend. In de bestreden beslissing wordt na de beoordeling van de verstrekte toelichting echter gemotiveerd dat de aanvraag tot deelneming op het platform werd ingediend door een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon die volgens de kandidaat de beoogde kandidaat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.849 XIV-40.050-12/17 is. Er wordt dus niet langer voorgehouden dat J.J.K. heeft ingeschreven als natuurlijk persoon. Het lijkt aldus geen motief tot niet-selectie te zijn dat het deelnameformulier zowel werd ingevuld in de hoedanigheid van natuurlijk persoon als in de hoedanigheid van vennootschap en dat er om die reden sprake zou zijn van het indienen van twee aanvragen tot deelneming nu de verwerende partij na de bevraging op 20 november 2025 is uitgegaan van één aanvraag tot deelneming ingediend door een vennootschap. Minstens lijkt het niet gehanteerd te zijn als een zelfstandig motief om tot niet-selectie te besluiten. 17. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt voorts dat zowel het voorblad van de aanvraag tot deelneming als het deelnameformulier de verzoekende partij, de bv P., vermeldt als kandidaat-vennootschap. Het deelnameformulier wordt door de gevolmachtigde van de verzoekende partij ondertekend met een ingescande handtekening. In de inleiding van de aanvraag tot deelneming wordt ook uitdrukkelijk vermeld dat de verzoekende partij hoofdaannemer is en de bv E. onderaannemer. De bv E. blijkt in de aanvraag tot deelneming opgenomen te zijn zowel in de lijst van entiteiten waarop een beroep op de draagkracht wordt gedaan als in de lijst van onderaannemers. De aanvraag tot deelneming bevat ook een verbintenis van de bv E. ten behoeve van de verzoekende partij inzake het ter beschikking stellen van de noodzakelijke middelen voor de uitvoering van de opdracht. Er worden voorts twee UEA’s toegevoegd aan de aanvraag tot deelneming. In het UEA van de bv E. wordt uitdrukkelijk vermeld dat zij optreedt als onderaannemer. De verzoekende partij is als andere ondernemer die gezamenlijk aan de aanbestedingsprocedure deelneemt, vermeld. Het UEA van de verzoekende partij vermeldt dat zij samen met de bv E. aan de aanbestedingsprocedure deelneemt en dat zij optreedt als leider binnen de combinatie. Daarnaast wordt in dit UEA echter ook vermeld dat men beroep doet op de draagkracht van andere entiteiten en dat men beroep doet op de bv. E. als onderaannemer. XIV-40.050-13/17 Voorts blijkt op het eerste gezicht dat, na het opladen van de betrokken aanvraag tot deelneming op het platform e-Tendering, het automatisch gegenereerde proces-verbaal van opening voor de opdracht bij de “Ondernemingsgegevens” melding maakt van de bv E. Onder de rubriek “Informatie over gezamenlijke indiening” in het proces-verbaal wordt voorts vermeld dat de bv E. optreedt als “leider van een combinatie” en de verzoekende partij als “lid van een combinatie”. 18. Zoals de verwerende partij terecht vaststelt in de bestreden beslissing betreffen de discrepanties die aanleiding hebben gegeven tot een vraag tot verduidelijking te dezen geen offerte, maar een aanvraag tot deelneming. 19. Aangenomen wordt dat de handelswijze van de verzoekende partij bij het opladen van de aanvraag tot deelneming op het e-procurement platform en het invullen van haar UEA vragen kon doen rijzen. Niettemin gaat, in het licht van alle voormelde gegevens samengenomen en de door de betrokken kandidaat verstrekte verduidelijking, de beoordeling in de bestreden beslissing dat er sprake is van de indiening van een aanvraag tot deelneming op het platform door de bv E., en dus een andere rechtspersoon dan de beoogde kandidaat en dat de aanvraag tot deelneming om die reden onregelmatig is, op het eerste gezicht de grenzen van een zorgvuldige beoordeling te buiten. Anders dan de verwerende partij het ziet, kan de verduidelijkingsbrief van 23 november 2025 immers niet zonder meer gelezen worden als een bevestiging dat de aanvraag tot deelneming zoals opgeladen op het platform werd ingediend door de bv E. en dus een andere rechtspersoon dan de verzoekende partij. Er wordt op het eerste gezicht enkel verduidelijkt dat om technische redenen “de inschrijving heeft plaatsgevonden met de bv E. op het platform” en dat “beide bedrijven […] overigens onderdeel uit[maken] van [Q.]”, maar dat “voor het vaststellen van de juiste rechtsvorm geldt dat de inschrijving wordt gedaan met [de verzoekende partij] als hoofdaannemer voor het SIS, waarbij [de bv E.] als onderaannemer van [de verzoekende partij] leverancier is van de XIV-40.050-14/17 Onderwijscatalogus voor het ontwikkelen, onderhouden en publiceren van het curriculum.” Ook het automatisch gegenereerde proces-verbaal van opening blijkt op het eerste gezicht als kandidaat niet alleen de bv E. te vermelden maar ook de verzoekende partij. 20. Daarnaast lijkt ook de beoordeling dat er, na de verstrekte verduidelijking, alsnog een ernstige onduidelijkheid voorligt omtrent de identiteit van de kandidaat, de grenzen van een zorgvuldige beoordeling te buiten te gaan. De voormelde onvolkomenheden van de verzoekende partij ten spijt, kan op het eerste gezicht niet worden voorgehouden dat het, in het licht van de voormelde gegevens samengenomen en na de verduidelijking die door de verwerende partij werd gevraagd, niet helder was dat de verzoekende partij een aanvraag tot deelneming had ingediend met de bv E. als onderaannemer. 21. De aanbestedende overheid beschikt op grond van artikel 66, § 3, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016, onder de daarin vermelde voorwaarden, waaronder het gelijkheidsbeginsel, over de mogelijkheid om een kandidaat te vragen om de inlichtingen en documenten met betrekking tot de selectie aan te vullen of toe te lichten. De verwerende partij, die van deze mogelijkheid gebruik gemaakt heeft, maakt in het licht van het geheel van de door de betrokken kandidaat voorgelegde documenten op het eerste gezicht niet aannemelijk dat zij, door het in aanmerking nemen van de verduidelijking dat de aanvraag tot deelneming wel degelijk wordt ingediend door de verzoekende partij, met de bv E. als onderaannemer, de gelijkheid onder de kandidaten in het gedrang zou hebben gebracht, noch zou toelaten om in weerwil van artikel 83 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 een nieuwe laattijdige aanvraag tot deelneming in te dienen. De verduidelijking spoort op het eerste gezicht immers met het geheel van de inhoud van de aanvraag tot deelneming waaruit de bedoeling van de verzoekende partij blijkt om de aanvraag tot deelneming alleen in te dienen, met XIV-40.050-15/17 de bv E. als onderaannemer op wiens draagkracht beroep wordt gedaan voor de selectie. Het nuttig effect van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten vereist voorts dat de aanbestedende dienst beschikt over een zo nauwkeurig en volledig mogelijke kennis van de situatie van elke ondernemer die verzoekt om deel te nemen aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht teneinde zich ervan te kunnen vergewissen dat hij voldoet aan de gestelde selectiecriteria en dat kan worden nagegaan dat er ten aanzien van de betrokken kandidaat geen uitsluitingsgronden bestaan. De verwerende partij betoogt echter niet dat zij hiertoe niet in staat was op basis van de documenten gevoegd bij de aanvraag tot deelneming. Zo blijkt de aanvraag tot deelneming op het eerste gezicht onder meer een verbintenis van de bv E. te bevatten om de verzoekende partij voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen evenals een UEA voor beide ondernemingen. Er blijkt ook niet dat in het kader van de verduidelijkingsbrief aanvullende documenten werden neergelegd. In die zin lijkt de voorliggende zaak dan ook te verschillen van de zaak die geleid heeft tot het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 4 mei 2017, C-387/14, Esaproject (ECLI:EU:C:2017:338) dat in de bestreden beslissing wordt aangehaald, evenals van het arrest van 22 januari 2026, C-812/24, LIPOR (ECLI:EU:C:2026:38) waar de verwerende partij op de terechtzitting nog naar verwijst, zodat de verwijzing naar voormelde rechtspraak alleen al om die reden niet dienstig lijkt. 22. Uit wat voorafgaat, volgt dat te dezen geen in feite en in rechte afdoende draagkrachtige motieven voorliggen om de bestreden beslissing tot niet- selectie te ondersteunen. Het eerste en enig middel is in de aangegeven mate ernstig. XIV-40.050-16/17 VIII. Besluit 23. Het eerste en enig middel is in de aangegeven mate ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de niet gedateerde beslissing van de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen in het kader van de overheidsopdracht met als voorwerp ‘raamovereenkomst met één deelnemer voor de levering en implementatie van een studenteninformatiesysteem en aanvullende diensten’ tot niet-selectie van de bv E., welke beslissing eveneens de niet-selectie van de verzoekende partij inhoudt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Inge Vos XIV-40.050-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.849 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:EU:C:2017:338 ECLI:EU:C:2026:38 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div