id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.854 Rolnummer: A. 242761/X-18810 Zaak: Arrest 265854 - Plannen van aanleg - 27/02/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-02 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.854 van 27 februari 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.854 van 27 februari 2026 in de zaak A. 242.761/X-18.810 In zake :
- I.V.
- R.W.
- STOETERIJ P.W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wannes Thyssen kantoor houdend te 9552 Borsbeke Molendijk 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de stad Gent van 22 april 2024 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 169bis ‘Thematisch RUP Groen, deelgebied “700 - Drongen - Assels” – herneming’. II. Verloop van de rechtspleging
- De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.810-1/26 Auditeur Lise Vandenhende heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wannes Thyssen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Lise Vandenhende heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In 2003 wordt het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS) van de stad Gent goedgekeurd. In uitvoering van het GRS neemt de stad Gent op 15 februari 2012 een gemeentelijk groenstructuurplan aan. Daarin wordt de in het GRS omschreven groenstructuur verfijnd en geconcretiseerd. In het groenstructuurplan wordt het “[p]lanjuridisch beschermen van bestaande groenwaarden” vooropgesteld. 3.2.
- De verzoekende partijen zijn eigenaars van bebouwde percelen en omliggende percelen aan de P.straat te Drongen (hierna: verzoekers’ percelen). X-18.810-2/26 De ligging van verzoekers’ percelen (hierna rood omrand) kunnen als volgt worden weergegeven: X-18.810-3/26 3.2.
- Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 goedgekeurde gewestplan Gentse en Kanaalzone zijn verzoekers’ percelen (rood omrand) gelegen in ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ (gele arcering) en ‘gebied voor verblijfsrecreatie’ (oranje): 3.2.
- Met het bij ministerieel besluit van 1 februari 1988 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg ‘D7 - Piereput’, worden verzoekers’ percelen tot ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ bestemd, met uitzondering van de bebouwde percelen in de noordwestelijke uithoek, die bestemd worden als ‘zone voor waardevolle boerderijen’. 3.2.4.
- De bebouwde percelen van de verzoekende partijen worden vervolgens, door het op 22 februari 2005 goedgekeurde gemeentelijk RUP ‘Assels- Piereput’ (hierna: het gemeentelijk RUP van 2005), tot ‘zone voor wonen en boerderijen’ bestemd. X-18.810-4/26 3.2.4.
- Het stedenbouwkundig voorschrift ‘zone voor agrarisch gebied met ecologisch belang’ van het gemeentelijk RUP van 2005, van toepassing op verzoekers’ andere percelen, bepaalt: “3.10 Z9: ZONE VOOR AGRARISCH GEBIED MET ECOLOGISCH BELANG 3.10.1 Bestemming Deze percelen zijn bestemd voor grondgebonden landbouwactiviteiten en natuurontwikkeling. Alle handelingen en werken die overeenstemmen met dit gebruik, mogen uitgevoerd worden voor zover zij de identiteits-, belevings- en/of informatiewaarde van het landschap en de draagkracht van de natuur niet in gevaar brengen. Para-agrarische en niet-grondgebonden agrarische activiteiten noch hydrocultuur zijn toegelaten. Ook het aanleggen van tuinen is niet toegelaten. Naast beroepslandbouw is ook gelegenheidslandbouw of hobbylandbouw mogelijk, mits hierdoor het natuurlijke milieu en de landschappelijke waarden niet geschaad worden of veranderen. Waardevolle cultuurhistorische en ecologische elementen moeten behouden worden. Dit betekent dat kleine landschapselementen in de zone integraal bewaard dienen te blijven of er zal in identieke vervanging voorzien worden. Onder deze voorwaarden is ook de aanleg van kleinschalige waterzuiveringsinstallaties toegelaten. In functie van de landschappelijke waarde betreft het een bouwvrij gebied, met uitzondering van schuilhokken voor grazend vee. De vestiging van nieuwe bedrijfszetels is verboden. Aan de bestaande woningen binnen deze zone mogen enkel instandhoudings- en onderhoudswerken worden uitgevoerd die betrekking hebben op de stabiliteit, met uitsluiting van verkrotte woningen. Wonen in de vorm van ééngezinswoningen is de enige toegelaten bestemming in het gebouw, nevenbestemmingen zijn in deze gebouwen niet toegelaten. Het oprichten van bijgebouwen is niet toegelaten. Constructies in functie van de individuele behandeling van afvalwater (IBA) zijn bij deze woningen toegelaten. Het oprichten van bijkomende schuilhokken is niet toegelaten. Uithangborden zijn niet toegelaten In deze zone kunnen fiets- en wandelverbindingen gerealiseerd worden. 3.10.2 Aanleg en inrichting Mits steeds gewaakt wordt over de landschappelijke inpasbaarheid, kunnen in deze zone naast handelingen en constructies vervat in een goedgekeurd landinrichtings- of natuurinrichtingsplan, volgende constructies en handelingen worden toegestaan voor zover zij de identiteits-, belevings- en/of informatiewaarde van het landschap en de draagkracht van de natuur niet in gevaar brengen: • alle handelingen en werken die overeenstemmen met het toegelaten agrarische gebruik. X-18.810-5/26 • Het rechtstreeks of onrechtstreeks wijzigen van de waterhuishouding door drainage of andere vormen van ontwatering is vergunningsplichtig. • constructies in functie van kleinschalige waterzuivering • nieuwe aanplantingen gebeuren met inheemse, streekeigen soorten. • kappen of rooien van hoogstammige bomen kan steeds vergund worden indien het gaat om niet streekeigen of niet inheemse soorten. Is dit wel het geval, dan wordt slechts tot kappen of rooien over gegaan bij kaprijpheid, ziekte of ernstige beschadiging. Eventuele heraanplant gebeurt uitsluitend met inheemse, streekeigen soorten. • plaatsen van draadafsluitingen voor het afbakenen van graasweiden: deze kunnen enkel bestaan uit metaaldraad bevestigd aan houten palen. Gaasdraad, kunststofdraad en vangrails zijn verboden. De afsluitingen mogen enkel op de perceelsgrenzen zoals aangeduid op het goedgekeurde bestemmingsplan worden voorzien.” In de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP van 2005, onder punt 7.4 ‘Valleigebied en agrarisch gebied met ecologisch belang’, wordt toegelicht: “In het gebied zijn nog een aantal beroepslandbouwers actief. Uitgangspunt is dat zij mee instaan voor de vrijwaring en het behoud van dit traditionele landschap. Om dit ook in de toekomst mogelijk te houden is ervoor geopteerd om een bestemmingswijziging door te voeren die de beroepslandbouw vrijwaart, terwijl tegelijk mogelijkheden worden gecreëerd om natuuruitbreiding te realiseren. […] Het agrarisch gebied met ecologisch belang bevindt zich op de hoger gelegen donk waarop zich akkerland bevindt. Hier blijven landbouwactiviteiten toegelaten, ook wanneer het niet gaat om beroepslandbouw. Weliswaar wordt ook hier als voorwaarde gesteld dat de draagkracht van de natuur niet in gevaar mag worden gebracht en dat de identiteits-, belevings- en/of informatiewaarde van het landschap moet bewaard blijven. Dit verwijst dan naar de aanwezigheid van de donk die zijn van oudsher open karakter nog grotendeels heeft bewaard, terwijl de overgangszone naar de meersen een bulkenkarakter kent met de aanwezigheid van perceelsrandbegroeiingen.” 3.2.
- Verzoekers’ percelen zijn niet gelegen binnen de afbakening van het grootstedelijk gebied Gent, en situeren zich bijgevolg in het buitengebied. 3.
- In 2016 beslist de stad Gent om een thematisch gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) op te maken “om de bestaande waardevolle groenzones planologisch te beschermen”. X-18.810-6/26 3.
- Op 10 juni 2016 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de motivatienota en de lijsten met deelgebieden van het voorgenomen plan goed en geeft zij opdracht aan haar dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning om de opmaakprocedure van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ te starten. De lijsten bevatten een A-lijst, bestaande uit zonevreemde groengebieden die mogelijk kunnen worden herbestemd naar een gepaste groene bestemming, en een B-lijst, die de nieuw te ontwikkelen groengebieden bevat. Binnen de A-lijst worden nog de ‘publiek toegankelijke groengebieden’ (A1) en de ‘bestaande natuur- en bosgebieden’ (A2) onderscheiden. 3.
- Op 16 maart 2017 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent het concept van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ goed. Luidens de toelichtingsnota bij dit plan is de aanleiding voor de opmaak “het behoud van bestaande waardevolle groenzones”, “de ontwikkeling van nieuwe natuur- en bosgebieden en parken”, “een duurzame en klimaatrobuuste stad” en “welzijn”. 3.
- Op 31 augustus 2017 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de startnota met betrekking tot het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ goed. 3.
- Van 18 september tot 19 november 2017 organiseert de stad Gent een raadpleging van de bevolking over de door haar college goedgekeurde start- en procesnota. Op 9 oktober 2017 wordt een informatiemoment over de start- en procesnota georganiseerd. 3.
- Op 28 juni 2018 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent het voorontwerp van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ en de bijgewerkte procesnota goed. X-18.810-7/26 3.
- Het voorgenomen plan vertrekt blijkens de algemene toelichtingsnota van de volgende doelstellingen: “- De juridische bescherming van bestaande groengebieden (wijkparken, woongroen, natuur en bos) - De herbestemming van bijkomende groenzones in functie van de realisatie van de gewenste groenstructuur. De gewenste groenstructuur is oorspronkelijk vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Gent, verder verfijnd in het Groenstructuurplan en bevestigd in de Structuurvisie 2030 - Ruimte voor Gent.” 3.
- Omdat het een thematisch RUP betreft, heeft het voorgenomen plan geen aaneengesloten plangebied. Het plangebied bestaat uit 101 ruimtelijk van elkaar gescheiden onderdelen (deelgebieden) die verspreid zijn over het volledige grondgebied van de stad “en waar het thema ‘groen’ het gemeenschappelijk element vormt”. In de voornoemde algemene toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ wordt de volgende grafische weergave van de verschillende deelgebieden gegeven. Het te dezen relevante deelgebied ‘700 - Drongen - Assels’ wordt hierna blauw omringd: X-18.810-8/26 3.
- De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Gent (hierna: de Gecoro) verleent op 3 oktober 2018 een advies over het voorontwerp van het gemeentelijk RUP. 3.
- Op 6 december 2018 wordt de plenaire vergadering over het voorontwerp van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ georganiseerd. 3.
- Op 29 september 2020 stelt de gemeenteraad van de stad Gent het ontwerp van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ voorlopig vast. In het deelgebied ‘700 - Drongen - Assels’ worden de gronden van de X-18.810-9/26 verzoekende partijen ingekleurd als ‘zone voor natuur’ – de bebouwde percelen van de verzoekende partijen worden buiten de contouren van het plan gehouden. Op het grafisch plan ziet dit er als volgt uit (de percelen van de verzoekende partijen zijn rood omrand): 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 14 december 2020 tot en met 11 februari 2021 over het ontwerp van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ wordt georganiseerd, dienen onder anderen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. 3.
- In zitting van 10 mei 2021 verleent de Gecoro een advies. 3.
- Met een besluit van 28 september 2021 stelt de gemeenteraad van de stad Gent het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ definitief vast. 3.
- Met ’s Raads arrest nr. 258.096 van 1 december 2023 wordt het beroep dat de verzoekende partijen tegen het voormelde besluit hebben ingesteld, X-18.810-10/26 verworpen omdat het beroep zonder voorwerp is geworden ingevolge de vernietiging van het deelgebied ‘700 - Drongen - Assels’ bij ’s Raads arrest 258.086 van 1 december
- 3.
- Omdat het vernietigingsarrest nr. 258.086 van 1 december 2023 een onwettigheid heeft vastgesteld op het vlak van de beoordeling van het bezwaar van de verzoekende partij in die zaak, herneemt de stad Gent de procedure voor het deelgebied ‘700 - Drongen - Assels’ op het punt waar de onwettigheid is vastgesteld. 3.
- Op 8 maart 2024 verleent de Gecoro een aanvullend advies. 3.20.
- De algemene toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP blijft ongewijzigd. Punt 5.5 ‘Thema’s die worden uitgesloten uit de afbakening van het thematisch RUP Groen’ van die toelichtingsnota bepaalt met betrekking tot “private tuinen of kasteelparken”: “5.5.
- private tuinen of kasteelparken Op het grondgebied van Gent zijn een aantal grote tuinen en kasteelparken gelegen die een belangrijke rol spelen in de bestaande groenstructuur. Deze private percelen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van private bebouwing, met in de meeste gevallen een woonfunctie, maar ook kantoren of diensten komen voor. Een aantal van deze private percelen hebben eveneens een belangrijke rol binnen de groenstructuur. Omwille van de verschillende functies die dergelijke tuinen of kasteelparken vervullen en de onlosmakelijke relatie met de gebouwen, worden dergelijke gebieden niet opgenomen in het thematisch RUP Groen. Het algemeen principe is dus dat er geen private tuinen of private (kasteel)parken worden opgenomen in het thematisch RUP Groen, maar in sommige gevallen worden deze tuinen beschouwd als een belangrijk en structurerend onderdeel van de bestaande en gewenste natuur- en bosgebieden. Bovendien zijn sommige van dergelijke tuinen of parken dermate groot of op een grote afstand gelegen van de woning/bebouwing, dat nog steeds voldoende stedenbouwkundige mogelijkheden voor de bebouwing behouden kan blijven en tegelijkertijd de belangrijkste natuurkern te beschermen. Omwille van hun waarde binnen de bestaande groenstructuur worden dergelijke tuinen uitzonderlijk als deelgebied binnen het thematisch RUP Groen alsnog meegenomen. Het gaat specifiek over volgende private tuinen of (kasteel)parken: - Indien de tuin en de woning op een apart kadastraal perceel zijn gelegen. In dit geval krijgt enkel het kadastraal perceel met de tuin een X-18.810-11/26 herbestemming, het perceel met de woning blijft de huidige bestemming behouden. Op die manier blijft de woning de bestaande stedenbouwkundige mogelijkheden (d.i. mogelijkheid tot verbouwing, uitbreiding, functiewijziging, enz.) behouden en wordt tegelijkertijd de waarde van de tuin binnen de groenstructuur bestendigd. - Indien in de huidige situatie de woning en de tuin een andere stedenbouwkundige bestemming hebben. In dit geval blijft de stedenbouwkundige bestemming van het gedeelte met de woning behouden en krijgt enkel het achterliggende tuingedeelte een groene bestemming. Opnieuw blijven op die manier de stedenbouwkundige mogelijkheden voor de woning ongewijzigd, maar krijgt het tuingedeelte een groene bestemming. - Indien het gedeelte van tuin/kasteelpark op basis van de biologische waarderingskaart en de feitelijke toestand een duidelijk af te bakenen en samenhangend fysiek groengeheel vormen en de herbestemming geen hypotheek legt op de mogelijkheden van de woning of het kasteel (bijvoorbeeld door de grote oppervlakte van het perceel of het domein, of de grote afstand tot de woning bij zeer diepe tuinen (vanaf 50m)).” 3.20.
- De specifieke toelichtingsnota bij het deelgebied ‘700 - Drongen - Assels’ wordt beperkt aangepast. De meest actuele biologische waarderingskaart (hierna: BWK) wordt toegevoegd. 3.
- Met het bestreden besluit van 22 april 2024 stelt de gemeenteraad van de stad Gent het gemeentelijk RUP nr. 169bis ‘Thematisch RUP Groen, deelgebied “700 - Drongen – Assels” – herneming’ definitief vast, waarbij er niets gewijzigd wordt aan de bestemming ‘zone voor natuur’ van verzoekers’ percelen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 2.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening X-18.810-12/26 (hierna: VCRO), alsook van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en motiveringsbeginsel. Zij vatten het middel in hun verzoekschrift als volgt samen: “Doordat, de verwerende partij het hier bestreden RUP - waarbinnen de eigendom van de verzoekende partijen (voor een deel) begrepen is - definitief vaststelde, waardoor dit RUP de ruimtelijke bestemming vastlegt en het definitieve toetsingskader is geworden voor vergunningsaanvragen; terwijl, de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP een negatieve impact veroorzaken op de eigendom van de verzoekende partijen en de bouwmogelijkheden en het gebruik(sgemak) ernstig inperken; en terwijl, de verzoekende partijen vaststellen dat de verantwoording om de gronden van de verzoekende partijen te herbestemmen niet consequent en niet consistent is; dat de herbestemming niet te verantwoorden is vanuit het algemene planopzet dat aan dit RUP ten grondslag ligt; dat de eigendom van de verzoekende partijen van de nevengeschikte functies landbouw en natuur wordt omgezet naar een exclusieve natuurfunctie, zonder dat er een redelijke verantwoording bestaat voor deze ruimtelijke optie; en terwijl, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot doel hebben de relatie tussen de overheid en de burger te regelen; dat het gaat om beginselen die tot stand zijn gekomen op basis van jurisprudentie; dat het o.m. gaat om de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, … en terwijl, het beginsel van de materiële motiveringsplicht voorschrijft dat een administratieve rechtshandeling slechts rechtsgeldig kan worden genomen, wanneer de motieven waarop deze beslissing steunt in rechte en in feite correct zijn en dus, na deugdelijk onderzoek, kunnen dienen om deze beslissing te onderbouwen; en terwijl, het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijft dat de verwerende partij haar beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden en derhalve dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld; dit houdt de verplichting in zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van het - in casu - gemeenteraadsbesluit houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht en afgewogen worden, zodat met kennis van zaken kan worden beslist; dat deze beslissing dus op kennelijk redelijke motieven moet gestoeld zijn; en terwijl, de weerlegging van de bezwaren - zoals ook dat van de verzoekende partijen - expliciet en afdoende gemotiveerd moet blijken uit de motieven van het bestreden besluit of toch minstens uit het advies van de GECORO en/of het administratief dossier, zodat kan worden nagegaan of de planopmakende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; X-18.810-13/26 en terwijl, in casu, op de planopmakende overheid een verzwaarde motiveringsplicht rustte, rekening houdend met de uitdrukkelijke bezwaren en opmerkingen van de verzoekende partijen, zoals verwoord in hun bezwaarschrift van 10 februari 2020; en terwijl, het bestreden besluit op vlak van deze (verzwaarde) motiveringsplicht ernstig in gebreke blijft; dat, samen met de verzoekende partijen, moet worden vastgesteld dat er dus geen afdoende motivering en/of een in concreto-toetsing in het bestreden besluit is terug te vinden; zodat het bestreden besluit de in dit middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt.” Beoordeling 5.
- De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat er geen redelijke verantwoording bestaat om hun percelen tot een ‘zone voor natuur’ te bestemmen. 5.
- In de specifieke toelichtingsnota bij het kwestieuze deelgebied staat te lezen dat de bestemming tot ‘zone voor natuur’ geschiedt in het licht van de doelstelling van het gemeentelijk RUP om in een nieuw te ontwikkelen groengebied te voorzien: “Het deelgebied is geselecteerd als nieuw te ontwikkelen groengebied in de Leievallei, aansluitend op het erkend natuurreservaat ‘Gentse Leievallei’ en de andere (potentiële) natuurgebieden in de omgeving. Het deelgebied heeft een totale oppervlakte van 55,5 ha en is bijna volledig in private eigendom. Er zijn twee percelen in eigendom van het OCMW. Langs de R4 zijn een aantal smallere percelen in eigendom van de Vlaamse Overheid.” In de voormelde specifieke toelichtingsnota wordt ook het volgende vermeld (onder punt
- ‘motivatie wijziging en gewenste bestemming’): “Het deelgebied is een belangrijk onderdeel van de Leievallei en is een onderdeel van een cluster natuur- en meersengebieden. De ruimtelijke opties zoals bedoeld in het RUP Assels/Piereput kunnen blijvend ondersteund worden. Er wordt echter vastgesteld dat het gebied steeds meer aangesneden wordt in functie van private paardenpistes en hobbylandbouw. Hierdoor nemen zowel de landschappelijke kwaliteiten, de natuurwaarden en de belevingswaarde van het gebied snel af. Door de opname van het deelgebied in het RUP Groen wordt echter expliciet gekozen om het gebied een natuurbestemming te geven en zo X-18.810-14/26 mogelijkheden te creëren in functie van nieuwe natuurontwikkeling. De herbestemming van het deelgebied Assels heeft dan ook de bedoeling om het gebied te vrijwaren van verdere aantasting en privatisering en in kader van verdere natuurontwikkeling en het verhogen van de aanwezige natuurkwaliteiten. Dit betekent ook dat op die manier de uitbreiding van het aanpalende erkend natuurreservaat ‘Gentse Leievallei’ mogelijk wordt. Om de structurerende onderdelen van de gewenste groenstructuur te beschermen en kansen te geven om uit te groeien tot waardevolle natuur, wordt dit gebied expliciet herbestemd naar ‘zone voor natuur’. De private woningen en hieraan gekoppelde tuinen kunnen hun bestaande bestemming behouden. Het is niet de bedoeling om deze woningen in een ruimtelijk kwetsbare zone onder te brengen, waardoor hun basisrechten zoals opgenomen in de VCRO beperkt zouden worden. Voor de twee woningen gelegen op de Leieoever, momenteel gelegen in een zone voor valleigebied, wordt een strook van 50 m ten opzichte van de straatzijde niet opgenomen in het RUP Groen. De delen van de tuin gelegen achter deze 50 m-zone, worden echter wel herbestemd in voorliggend RUP Groen. Dit heeft de bedoeling om tuinconstructies e.d. tot diep in de open ruimte te beperken. In kader van een gewenst nieuw wandelpad […] en het aanwezige veer, zijn bijzondere voorschriften van toepassing.” In het advies van de Gecoro van 10 mei 2021 wordt erop gewezen dat “[h]et deelgebied Assels […] niet [wordt] opgenomen in het RUP Groen met als doel de bestaande natuurwaarden te beschermen, maar wel om nieuwe natuurwaarden in de Leievallei te creëren”. 5.
- De nieuwe specifieke toelichtingsnota maakt in navolging van de geactualiseerde BKW voorts melding van natuurwaarden in het kwestieuze deelgebied: “Op de geactualiseerde BWK valt op dat er al wat meer biologisch waardevolle elementen aanwezig zijn binnen het deelgebied Assels (en ook in de omgeving). Dit is te verklaren door een aantal zaken. Sinds de BWK van 2017 zijn een aantal percelen aangekocht door Natuurpunt en krijgen ze een natuurbeheer. Dit heeft tot gevolg dat op een aantal percelen al een verhoogde natuurwaarde is ontstaan. Daarbovenop zijn nu ook alle kleine landschapselementen (zoals bomenrijen) gekarteerd. Deze kleine landschapselementen zijn biologisch waardevolle elementen op een soms minder waardevol perceel. Deze kartering (aanduiding van de kleine landschapselementen als tweede of derde eenheid) zorgt voor een arcering. Dit heeft tot gevolg dat sommige ‘zeer soortenarme ingezaaide graslanden’ toch een inkleuring hebben gekregen omdat er bijvoorbeeld een houtkant of een soortenrijke berm op de rand aanwezig is. Dit betekent ook dat er op X-18.810-15/26 deze percelen nog altijd veel potentieel aanwezig is voor natuurontwikkeling.” 5.
- Voorts wordt opgemerkt dat de bestemming van verzoekers’ percelen tot ‘zone voor natuur’ precies wordt toegelicht vanuit de doelstelling van het gemeentelijk RUP van 2005 om het natuurlijk milieu en de landschappelijke waarden niet te schaden of te veranderen. Waar in het gemeentelijk RUP van 2005 reeds als voorwaarde wordt gesteld “dat de draagkracht van de natuur niet in gevaar mag worden gebracht en dat de identiteits-, belevings- en/of informatiewaarde van het landschap moet bewaard blijven”, stelt de specifieke toelichtingsnota bij de bestreden beslissing vast dat “het gebied steeds meer aangesneden wordt in functie van private paardenpistes en hobbylandbouw”, dat hierdoor “zowel de landschappelijke kwaliteiten, de natuurwaarden en de belevingswaarde van het gebied snel af[nemen]”, en dat door de opname van het deelgebied in het bestreden gemeentelijk RUP “expliciet [wordt] gekozen om het gebied een natuurbestemming te geven en zo mogelijkheden te creëren in functie van nieuwe natuurontwikkeling”, waarbij de herbestemming van het kwestieuze deelgebied “dan ook de bedoeling [heeft] om het gebied te vrijwaren van verdere aantasting en privatisering”, en dit “in [het] kader van verdere natuurontwikkeling en het verhogen van de aanwezige natuurkwaliteiten”. 5.
- Gelet op wat voorafgaat, blijkt wel degelijk een afdoende verantwoording voor de bestemming van verzoekers’ percelen tot ‘zone voor natuur’. Dat die percelen langsheen en niet “binnen” de perimeter van de “groenklimaatas 6” liggen, zoals de verzoekende partijen nog aanvoeren, doet niet anders besluiten, temeer gezien de vaststelling in de specifieke toelichtingsnota dat “[h]et deelgebied […] een belangrijk onderdeel [is] van de Leievallei en […] een onderdeel [is] van een cluster natuur- en meersengebieden”, en gezien het antwoord van de Gecoro dat het verantwoord is “om de paardenpiste en weides […] op te nemen in de zone voor natuur omwille van het hoge natuurpotentieel door de ligging op een donk”. De verzoekende partijen spreken dit niet overtuigend tegen. X-18.810-16/26 Verzoekers’ betoog dat “[h]et mag […] verbazing wekken” dat de geactualiseerde BWK thans door middel van arcering wél natuurwaarden aangeeft, en dat zijzelf “ervoor zorgen dat de landschappelijke waarden volledig gevrijwaard worden […] en zelfs versterkt worden”, doet evenmin anders besluiten. 5.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 2.2.21 VCRO, alsook van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en motiveringsbeginsel. Zij vatten het middel in hun verzoekschrift als volgt samen: “Doordat, de verwerende partij het hier bestreden RUP - waarbinnen de eigendom van de verzoekende partijen (voor een deel) begrepen is - definitief vaststelde, waardoor dit RUP de ruimtelijke bestemming vastlegt en het definitieve toetsingskader is geworden voor vergunningsaanvragen; terwijl, de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP een negatieve impact veroorzaken op de eigendom van de verzoekende partijen en de bouwmogelijkheden en het gebruik(sgemak) ernstig inperken; en terwijl, de verzoekende partijen een bezwaarschrift indienden tijdens het openbaar onderzoek dat over dit RUP werd georganiseerd; en terwijl, de verzoekende partijen moeten vaststellen dat uit het advies van de GECORO en/of het hier bestreden besluit blijkt dat het bezwaar van de verzoekende partijen stiefmoederlijk werd behandeld; dat het bezwaar van de verzoekende partijen niet op een zorgvuldige en afdoende manier werd weerlegd; en terwijl, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot doel hebben de relatie tussen de overheid en de burger te regelen; dat het gaat om beginselen die tot stand zijn gekomen op basis van jurisprudentie; dat het o.m. gaat om de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, … en terwijl, het beginsel van de materiële motiveringsplicht voorschrijft dat een administratieve rechtshandeling slechts rechtsgeldig kan worden X-18.810-17/26 genomen, wanneer de motieven waarop deze beslissing steunt in rechte en in feite correct zijn en dus, na deugdelijk onderzoek, kunnen dienen om de beslissing te onderbouwen; en terwijl, het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijft dat de verwerende partij haar beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden en derhalve dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld; dit houdt de verplichting in zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van het - in casu - gemeenteraadsbesluit houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht en afgewogen worden, zodat met kennis van zaken kan worden beslist; dat deze beslissing dus op kennelijk redelijke motieven moet gestoeld zijn; en terwijl, de weerlegging van de bezwaren - zoals ook dat van de verzoekende partijen - expliciet en afdoende gemotiveerd moet blijken uit de motieven van het bestreden besluit of toch minstens uit het advies van de GECORO en/of het administratief dossier, zodat kan worden nagegaan of de planopmakende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; en terwijl, in casu, op de planopmakende overheid een verzwaarde motiveringsplicht rustte, rekening houdend met de uitdrukkelijke bezwaren en opmerkingen van de verzoekende partijen, zoals verwoord in hun bezwaarschrift van 10 februari 2020; en terwijl, het bestreden besluit op vlak van deze (verzwaarde) motiveringsplicht ernstig in gebreke blijft; dat, samen met de verzoekende partijen, moet worden vastgesteld dat er dus geen afdoende motivering en/of een in concreto-toetsing in het bestreden besluit is terug te vinden; zodat het bestreden besluit de in dit middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt.” Beoordeling 7.
- De verzoekende partijen voeren in hun middel in essentie aan dat hun bezwaren niet afdoende werden beantwoord. 7.
- Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State, wettigheidsrechter zijnde, om zijn beoordeling van de tijdens het openbaar X-18.810-18/26 onderzoek aangevoerde bezwaren in de plaats te stellen van die van de bevoegde bestuurlijke overheid. Het komt aan de verzoekende partij toe om concreet uiteen te zetten in welke zin zij de weerlegging van haar bezwaar onvoldoende acht om een niet afdoende weerlegging aan te tonen. Ten slotte bestaat er in hoofde van de overheid een plicht om de bezwaarschriften op een ernstige wijze te behandelen, doch geen plicht tot het inwilligen ervan. 7.3.
- Een eerste punt van kritiek van de verzoekende partijen heeft betrekking op de “opsplitsing” van hun percelen, waarbij hun woning en stallingen zich buiten het beheersingsgebied van het gemeentelijk RUP situeren, en hun paardenpiste en weides erbinnen. 7.3.
- Wat betreft verzoekers’ kritiek dat het natuurpotentieel om de opname van hun paardenpiste en weides in de zone voor natuur te verantwoorden niet uit de stukken van het dossier blijkt, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van het eerste middel hiervoor (zie randnummers 5.1 en volgende). Anders dan de verzoekende partijen menen, ligt wel degelijk een afdoende verantwoording voor de opname van deze percelen in het plangebied voor. 7.3.
- De verzoekende partijen wijzen er voorts op dat hun percelen een “private tuin” betreffen, en dat onder punt ‘5.5.
- private tuinen of kasteelparken’ van de algemene toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP nr. 169 als algemeen principe wordt vooropgesteld dat er geen private tuinen in het plangebied worden opgenomen. In dit verband weze opgemerkt dat de algemene toelichtingsnota weliswaar als algemeen principe vooropstelt “dat er geen private tuinen of private (kasteel)parken worden opgenomen in het thematisch RUP Groen”, maar dat deze nota er ook in voorziet dat “in sommige gevallen […] deze tuinen [worden] beschouwd als een belangrijk en structurerend onderdeel van de bestaande en gewenste natuur- en bosgebieden” (zie randnummer 3.20.1). De Gecoro stelt in dit verband dat zij het “[s]pecifiek in deze situatie [verantwoord] vindt […] om de paardenpiste en weides […] op te nemen in de zone voor natuur X-18.810-19/26 omwille van het hoge natuurpotentieel door de ligging op een donk”. Gezien dit laatste blijkt geen schending van de principes van de algemene toelichtingsnota met betrekking tot de opname van private tuinen in het plangebied voor te liggen. In het licht van wat voorafgaat, moet verzoekers’ kritiek op de overweging van de Gecoro dat “nergens [is] vermeld dat huiskavels bij bedrijven niet worden opgenomen in het RUP Groen”, als kritiek op een overtollig motief worden beschouwd, die niet van aard is om het bestreden besluit te vitiëren. 7.4.
- Als tweede punt van kritiek voeren de verzoekende partijen aan dat de Gecoro hun activiteit ten onrechte als recreatieve landbouwactiviteit kwalificeert, daar een paardenfokkerij annex africhtingsstal ontegensprekelijk een agrarische activiteit betreft, zelfs met een professioneel karakter. 7.4.
- Deze kritiek tast de wettigheid van de bestreden beslissing evenmin aan. De Gecoro betwist immers niet dat de activiteit van de verzoekende partijen een “agrarische activiteit” betreft. De verzoekende partijen tonen niet aan dat “het al dan niet professioneel karakter” van hun landbouwactiviteiten determinerend zou zijn, zoals zij in hun laatste memorie voorhouden. 7.5.
- Het derde punt van kritiek van de verzoekende partijen betreft hun bezwaar waarin zij aanvoeren dat het onduidelijk is waaruit mag blijken dat de landschappelijke kwaliteit afneemt, dat zij bereid zijn om tot streekeigen aanplantingen over te gaan om de landschappelijke integratie van hun activiteiten te bewerkstelligen, dat de belevingswaarde een subjectief gegeven is dat geen draagkrachtig argument vormt voor de herbestemming van hun percelen, en dat de huidige situatie zal behouden blijven, zodat de nagestreefde verbetering zich niet zal voordoen. 7.5.
- In antwoord op deze bezwaren stelt de Gecoro in haar advies van 10 mei 2021: “In principe kan ook na de herbestemming de stoeterij verder gezet worden, maar natuurontwikkeling blijft het streefdoel voor deze plek. X-18.810-20/26 Op dit moment heeft de eigenaar/uitbater (nog) geen enkel initiatief genomen ifv een landschappelijke inkleding van de paardenpiste, dit is althans op het terrein niet waarneembaar. De algemene stelling uit de toelichtingsnota dat de landschappelijke kwaliteiten, natuurwaarden en belevingswaarde van het gebied afneemt, blijft overeind.” En nog: “
- De Gecoro apprecieert de bereidwilligheid om streekeigen beplantingen te doen, maar stelt vast dat de bezwaarindiener op heden nog [g]een enkel concreet initiatief heeft genomen. De Gecoro stelt voor dat de Stad verder in overleg gaat met de eigenaar i.f.v. landschappelijke inpassing van de bedrijfsgronden. De belevingswaarde op zich is niet de hoofdoelstelling tot herbestemming, wel de beoogde natuurontwikkeling.
- Het klopt dat de bedrijfsvoering zonder verkoop van de gronden, verder gezet kan worden. De uitvoering van natuurinrichting voor het deelgebied Assels wordt dan ook gefaseerd voorzien. De nagestreefde ‘verbetering’ waarnaar de bezwaarindiener verwijst, zal voor het volledige gebied Assels gefaseerd verlopen, op basis van minnelijke aankopen. Mogelijk blijven de betreffende gronden op korte of middellange termijn privatief, dit betekent niet dat de natuurdoelstellingen op lange termijn geschrapt moeten worden.
- Zoals hierboven al duidelijk aangegeven gaat het hier niet om een landbouwactiviteit in hoofdberoep, is het trainen van paarden geen professionele landbouwactiviteit en is de fokkerij vermoedelijk ook niet te beschouwen als professionele landbouwactiviteit wegens te weinig paarden. De historische donk is een van de weinige, zo niet enige, onbebouwde donk in het Gentse. Dergelijke donk is van oudsher open, terwijl op deze plek stelselmatig schuilhokken en grote hoeveelheid afsluitingen geplaatst zijn. Deze zijn mogelijk wel essentieel voor het bedrijf, maar daarom niet minder storend in het landschap.” 7.5.
- Anders dan de verzoekende partijen het zien, heeft de Gecoro hun bezwaren aldus op afdoende wijze beantwoord, minstens tonen zij het tegendeel niet aan. Waar zij in hun verzoekschrift de vraag stellen “in welke mate de piste afbreuk doet aan het onbebouwd karakter van de donk waarop zij is gelegen”, blijkt het antwoord daarop genoegzaam uit het advies van de Gecoro: “op deze plek [zijn] stelselmatig schuilhokken en grote hoeveelheid afsluitingen geplaatst”. Het betoog in de laatste memorie van de verzoekende partijen dat de landschappelijke kwaliteit van het kwestieuze gebied niet is aangetoond, overtuigt evenmin, temeer nu deze kwaliteit reeds in meerdere bestemmingsvoorschriften werd erkend (zie randnummers 3.2.2 en volgende). X-18.810-21/26 7.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van artikel 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM), alsook van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, en motiveringsbeginsel. Zij vatten het middel in hun verzoekschrift als volgt samen: “Doordat, de verwerende partij het hier bestreden RUP - waarbinnen de eigendom van de verzoekende partijen (voor een deel) begrepen is - definitief vaststelde, waardoor dit RUP de ruimtelijke bestemming vastlegt en het definitieve toetsingskader is geworden voor vergunningsaanvragen; terwijl, de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP een negatieve impact veroorzaken op de eigendom van de verzoekende partijen en de bouwmogelijkheden en het gebruik(sgemak) ernstig inperken; en terwijl, de verwerende partij motiveert waarom zij haar planinitiatief slechts aan een plan-m.e.r.-screening onderwierp (en dus niet aan een plan- MER); dat het gaat om kleine gebieden op lokaal niveau of kleine (bestemmingsmatige) wijzigingen; en terwijl, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot doel hebben de relatie tussen de overheid en de burger te regelen; dat het gaat om beginselen die tot stand zijn gekomen op basis van jurisprudentie; dat het o.m. gaat om de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, … en terwijl, het beginsel van de materiële motiveringsplicht voorschrijft dat een administratieve rechtshandeling slechts rechtsgeldig kan worden genomen, wanneer de motieven waarop deze beslissing steunt in rechte en in feite correct zijn en dus, na deugdelijk onderzoek, kunnen dienen om de beslissing te onderbouwen; en terwijl, het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijft dat de verwerende partij haar beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden en derhalve dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld; dit houdt de verplichting in zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van het - in casu - gemeenteraadsbesluit houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische X-18.810-22/26 aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht en afgewogen worden, zodat met kennis van zaken kan worden beslist; en terwijl, in de plan-m.e.r.-screening voor het deelgebied van de Assels wordt aangegeven dat de Assels momenteel niet bebouwbaar zouden zijn; dat deze aanname niet klopt; dat het (vorige) RUP ‘Assels-Piereput’ wel degelijk (agrarische) bebouwing toeliet, zij het dat er aandacht moest zijn voor o.m. de landschappelijke inkleding (nu landbouw en natuur nevengeschikte functies uitmaakten); dat de plan-m.e.r.-screening derhalve vertrekt van een foutief uitgangspunt om te komen tot de afwezigheid van (aanzienlijk) negatieve effecten; dat de afwezigheid van dergelijke effecten trouwens uitdrukkelijk afhankelijk wordt gesteld van een doeltreffend flankerend (landbouw)beleid; en terwijl, de verwerende partij zich zeer goed bewust is van het feit dat het hier bestreden RUP negatieve milieueffecten met zich meebrengt voor de - al dan niet professionele - landbouwers die geconfronteerd worden met de herbestemming van hun landbouwareaal, zoals o.m. de verzoekende partijen; dat de verwerende partij dientengevolge een landbouweffectenrapport (LER) liet opmaken om de impact van het RUP Groen in te schatten en milderende maatregelen voor te stellen; en terwijl, de verzoekende partijen vaststellen dat uit het landbouweffectenrapport duidelijk blijkt dat er een nadelige invloed is op de landbouwsector en dus bij uitbreiding op hun professionele activiteiten; dat er zodoende nood is aan milderende maatregelen; dat deze milderende maatregelen o.m. bestaan in een gefaseerde aankoop, een gefaseerde uitvoering, een ‘eigen’ natuurbeheer, …; en terwijl, uit het LER blijkt dat er voor de verzoekende partijen een ingeschat negatief effect is; dat de effectiviteit van een doeltreffend flankerend (landbouw)beleid een des te grotere rol speelt om de negatieve impact te vermijden of minstens te beperken; en terwijl, de vooropgestelde milderende maatregelen onmogelijk kunnen leiden tot een concrete en afdoende remediëring van de negatieve effecten die met de herbestemming tot een zone voor natuur gepaard gaan; dat de maatregelen immers op geen enkele mogelijke manier een nuttig milderend effect kunnen hebben voor de verzoekende partijen; zeker niet in relatie tot de premisse dat de uitgangspunten van het (vorige) RUP ‘Assels-Piereput’ behouden blijven (zie hierover het eerste middel); dat dit niet getuigt van redelijk en zorgvuldig overheidshandelen; zodat het bestreden besluit de in dit middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt. Het derde middel is gegrond.” Beoordeling 9.
- De verzoekende partijen betogen in het middel dat een “loutere” plan-MER-screening niet volstaat, en dat de opmaak van een plan-MER noodzakelijk is. X-18.810-23/26 9.
- Waar de verzoekende partijen voorhouden dat het gemeentelijk RUP ten onrechte slechts aan een plan-MER-screening werd onderworpen omdat het plan een klein gebied op lokaal niveau of kleine bestemmingsmogelijkheden zou betreffen, laten zij na ook maar enige concrete kritiek dienaangaande aan te voeren. In zoverre kan het middel allerminst overtuigen. 9.
- De verzoekende partijen stellen dat de aanname in de plan-MER- screening dat het kwestieuze gebied momenteel niet bebouwbaar zou zijn, niet klopt. Om die reden zou ten onrechte worden besloten dat er geen aanzienlijke negatieve milieueffecten zijn. 9.
- De stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP van 2005 bepalen voor de bestemming ‘zone voor agrarisch gebied met ecologisch belang’, waartoe verzoekers’ percelen behoren, evenwel het volgende: “3.10 Z9: ZONE VOOR AGRARISCH GEBIED MET ECOLOGISCH BELANG 3.10.1 Bestemming […] In functie van de landschappelijke waarde betreft het een bouwvrij gebied, met uitzondering van schuilhokken voor grazend vee. De vestiging van nieuwe bedrijfszetels is verboden. […] Het oprichten van bijkomende schuilhokken is niet toegelaten. […]” 9.
- Het uitgangspunt van het middel, te weten dat het kwestieuze gebied bebouwbaar gebied betreft, wordt in het licht van de hiervoor geciteerde stedenbouwkundige voorschriften niet bijgevallen. 9.
- In de plan-MER-screening wordt specifiek ingegaan op het kwestieuze deelgebied, waarbij er, wat de discipline ‘Mens’ betreft, wordt op gewezen dat hinderaspecten niet als relevant worden beschouwd, daar “[de] invulling van gebieden met een groene bestemming eerder positieve effecten teweegbreng[t], maar zeker geen negatieve impact”. Redelijkerwijze dient X-18.810-24/26 inderdaad aangenomen te worden dat een exclusieve natuurbestemming de natuurbelangen alleen maar tot voordeel strekt. 9.
- In verband met verzoekers’ kritiek dat de “opmaak van een plan- MER […] noodzakelijk [is]”, nu er “aanzienlijk negatieve effecten zijn” voor hun landbouwactiviteiten, merkt de Raad van State op dat het geschonden geachte artikel 4.2.3 DABM, thans artikel 4.3.2 DABM – dat bepaalt wanneer een plan aan milieueffectrapportage is onderworpen – de natuurbelangen en niet de landbouwbelangen beoogt te beschermen. De verzoekende partijen blijken met het middel evenwel enkel voor hun landbouwbelangen op te komen. Hun betwisting van het door de plan-MER-screening vastgestelde “fragiel karakter” van de natuur, die bij verlies “gecompenseerd zou moeten worden”, dient evenzeer in dit licht te worden gezien. Een dergelijk belang is niet verenigbaar met het belang dat door de ingeroepen rechtsregel van artikel 4.2.3 wordt beschermd. 9.
- Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de plan-MER- screening er in verband met de landbouwbelangen op wijst dat “de eigenaars die meer dan 0,5 ha bezit[ten], in principe kapitaalschade kunnen vragen aan de VLM”, dat een “doeltreffend flankerend beleid” wordt gevoerd, en dat de bestemming ‘zone voor natuur’ bovendien “niet uit[sluit] dat (extensief) agrarisch gebruik in de praktijk kan blijven bestaan”. De verzoekende partijen spreken dit niet overtuigend tegen. 9.
- Het middel wordt verworpen.
- De middelen zijn ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-18.810-25/26
- De verzoekende partijen worden, elk voor een derde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, waarnemend voorzitter, staatsraad Patricia De Somere, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Stephan De Taeye X-18.810-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.854 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div