← België

Arrest 265863 - Overheidsopdrachten - 02/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.863 Rolnummer: A. 247215/XIV-40053 Zaak: Arrest 265863 - Overheidsopdrachten - 02/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-02 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.863 van 2 maart 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.863 no lien 287997 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.863 van 2 maart 2026 in de zaak A. 247.215/XIV-40.053 In zake: de BV F. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Van Der Snickt en Aala Abdulhaliq kantoor houdend te 9300 Aalst Leopoldlaan 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 februari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van verwerende partij op 16 januari 2026 waarbij de offerte van verzoekende partij […], ingediend op 2 december 2025, in het kader van de plaatsingsprocedure voor de overheidsopdracht van werken met zoals omschreven in het bestek ‘Het ontwerp en de bouw van een opslagloods ‘depot Lourdeshoek’ New-Orleansstraat te Gent’ (FAG/2024/014/PJ/INV/5670) als onregelmatig wordt beschouwd en waarbij tevens definitief wordt besloten de offerte uit de mededingingsprocedure te weren”. II. Verloop van de rechtspleging XIV-40.053-1/17
  2. Bij beschikking van 5 februari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026, om 11.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jan Van Der Snickt en Aala Abdulhaliq, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaten Benjamin Gorrebeeck en Ann-Sofie Custers, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Relevante feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht van werken (Design & Build) uit, met als voorwerp ‘[h]et ontwerp en de bouw van een opslagloods ‘Depot Lourdeshoek’ New Orleansstraat te Gent’, met referentie FAG/2024/014/PJ/INV/
  5. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een mededingingsprocedure met onderhandeling. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. XIV-40.053-2/17 De lastvoorwaarden en de selectieleidraad voor deze opdracht wordt vastgelegd bij beslissing van de gemeenteraad van 25 november
  6. 3.
  7. De eerste fase van de opdracht, te weten de selectiefase, wordt beheerst door de selectieleidraad. De beschrijving van de opdracht zoals uitgewerkt in de selectieleidraad met referentie FAG/2024/014/PJ/INV/5670 luidt: “I.1 Beschrijving van de opdracht Voorwerp van deze werken Het project betreft de realisatie (ontwerp en bouw) van een opslagloods ‘Depot Lourdeshoek’, New-Orleansstraat te Gent. Dit omvat de volledige studieopdracht van het ontwerp voor architectuur (met inbegrip van de coördinatie van alle studies), stabiliteitstudie, studie logistiek, studie van technieken, EPB-verslaggeving, MER-studie en omgevingsaanleg alsook de effectieve uitvoering van de bouwwerken t.e.m. de definitieve oplevering van al de werken waarop het ontwerp slaat. Een onderhoudsperiode van 2 jaar is minimum inbegrepen in de opdracht, waarbij tijdens de onderhandelingsfase een bijkomende onderhoudsperiode als optie kan voorzien worden in de opdracht. De kenmerken van het project en de projectsite worden verder in deze Selectieleidraad bepaald in deel III Technische bepalingen. Aangezien de opdracht betrekking heeft op zowel het ontwerp als de bouw, zal de Opdrachtnemer zich niet kunnen beroepen op fouten in (haar eigen) plannen en/of (eigen) meetstaat. Meerwerken wegens onvolkomenheden of vergetelheden in het ontwerp, in eigen ramingen of in door de Opdrachtnemer opgegeven hoeveelheden, zelfs indien niet opgemerkt door het Opdrachtgevend Bestuur, kunnen geen aanleiding geven tot een bijkomende vergoeding, zelfs indien ze noodzakelijk zijn voor de realisatie van de werken. Plaats van uitvoering: logistieke site Lourdeshoek, New-Orleansstraat te 9000 Gent. Deze opdracht omvat één perceel. De opdracht wordt verder omschreven onder punt III. Technische bepalingen.” Uit de selectieleidraad blijkt, gegeven de aard van de opdracht (Design & Build), dat de kandidaten zich voor de uitvoering ervan dusdanig moeten organiseren dat voldoende aantoonbare deskundigheid, projectervaring en profiel op het vlak van zowel het ontwerp als de bouw voorliggen. In elk van de gevraagde disciplines moet de kandidaat relevante en representatieve referenties voorleggen. Het voorgaande impliceert dat de opdrachtgever vereist dat volgende partijen (verplicht) deel uitmaken van de kandidaat dan wel optreden als onderaannemer van de kandidaat, waarbij het de kandidaat vrij staat om zich te organiseren naar XIV-40.053-3/17 zijn beste inzichten, met dien verstande dat volgende expertises verplicht deel dienen uit te maken van het samenwerkingsverband: “

(1)een aannemer (die zal instaan voor de bouw en het onderhoud; een onderhoudspartij kan ook afzonderlijk worden aangeduid)
(2)een architectenbureau (ontwerper)
(3)een studiebureau stabiliteit (het is toegelaten dat deze discipline is geïncorporeerd in het architectenbureau)
(4)een studiebureau technieken (HVAC, fluïda, elektriciteit, IT) (het is toegelaten dat deze discipline is geïncorporeerd in het architectenbureau)”. Daarnaast zal de kandidaat / de inschrijver ook moeten beschikken over de nodige expertise inzake logistiek, akoestiek, landschapsarchitectuur, MER-deskundigen, alsook een EPB- en ventilatieverslaggever en een veiligheidscoördinator. Gedurende de volledige studieopdracht zal de aannemer fungeren als coördinator van de opdrachtnemer, en als contactpersoon voor de aanbestedende overheid. 3.3. De aanvragen tot deelneming dienen de verwerende partij te bereiken uiterlijk op 14 januari 2025, om 10:00u. Uit het PV van opening blijkt dat op 14 januari 2025 zes aanvragen tot deelneming werden ingediend waaronder één door de nv A. die later wordt geïntegreerd in de nieuw opgerichte entiteit de bv F., dit is de verzoekende partij. Na onderzoek en beoordeling van de aanvragen tot deelneming op de formele regelmatigheid ervan, op de afwezigheid van uitsluitingsgronden, de aanwezigheid van de vereiste erkenning, en op de kwalitatieve selectiecriteria, blijkt dat alle aanvragen tot deelneming formeel regelmatig zijn bevonden, dat geen enkele kandidaat zich bevond in een toestand van (verplichte of facultatieve) uitsluiting en dat zij voldeden aan de kwalitatieve selectiecriteria. De kandidaten worden vervolgens onderworpen aan een systeem van “doorselectie” op grond van de volgende drie criteria: (i) samenstelling van het bouwteam (20/120); (ii) relevantie referenties aannemer (40/120) en (iii) relevantie XIV-40.053-4/17 referenties architectuur (60/120). Op basis van deze criteria beoogt de verwerende partij maximaal drie
(3)kandidaten te (door)selecteren. De verwerende partij komt, na analyse, tot volgende finale beoordeling in het selectieverslag van 10 februari 2025: Nr. Inschrijver Score Score Score Totale score criterium 1 criterium 2 criterium 3 1 S. 18 26 40 84 2 St. 16 26 34 76 3 [de verzoekende partij] 16 30 42 88 4 W. 12 22 34 68 5 A.O. 16 32 32 80 6 V. 14 20 38 72 In het selectieverslag wordt voorgesteld de drie best gerangschikte kandidaten te selecteren, dit zijn S., A.O. en de verzoekende partij. Op 3 april 2025 keurt het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij het selectieverslag goed en selecteert de drie best gerangschikte kandidaten. De kandidaten worden van deze beslissing en het selectieverslag in kennis gesteld op 15 april
  1. In diezelfde kennisgevingsbrief worden de geselecteerde kandidaten ervan op de hoogte gesteld dat de uitnodiging tot het indienen van een offerte zal worden verstuurd via het e-Procurement platform. 3.
  2. Op 4 juni 2025 worden de drie geselecteerde kandidaten waaronder de verzoekende partij via het e-Procurement platform uitgenodigd om een eerste offerte in te dienen. Er wordt in die uitnodiging nog vermeld dat de offertes moeten worden verstuurd via het e-Procurement platform en dat de eerste offertes de verwerende partij moeten bereiken vóór 2 december 2025 om 10:00 uur. XIV-40.053-5/17 De gunningsleidraad, die op de tweede fase van de procedure van toepassing is, evenals zijn bijlagen worden vastgesteld bij een beslissing van de gemeenteraad van 24 juni
  3. Deze bepaalt dat volgende drie gunningscriteria van toepassing zijn op de opdracht: - Financieel voorstel (35 punten) - Kwaliteit van het projectvoorstel (55 punten) - Plan van aanpak/timing (10 punten) Tevens is onder Punt II.
  4. ‘Indienen van de Offerte’ bepaald dat offertes verplicht elektronisch worden ingediend via het e-Procurement platform. 3.
  5. Uit het PV van opening op 2 december 2025 (10:08 uur), blijkt dat via het e-Procurement platform twee offertes zijn ingediend doch geen door de verzoekende partij. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij op 2 december 2025 zowel telefonisch als per e-mail heeft gemeld problemen te ondervinden met het e-Procurement platform. 3.
  6. Op 4 december 2025 bezorgt de verwerende partij, vervolgens, een audit van het dossier in het e-Procurement platform. Op 19 december 2025 bezorgt de verzoekende partij een brief aan de verwerende partij waarin zij argumenteert waarom de ingediende offerte als rechtsgeldig moet worden beschouwd en om haar offerte dan ook in behandeling te nemen. 3.
  7. Op 9 januari 2026 bezorgt de verwerende partij een e-mail aan de verzoekende partij waarin zij aangeeft dat de offerte van de verzoekende partij niet regelmatig is. Op 12 januari 2026 antwoordt de verzoekende partij dat zij niet akkoord gaat met het standpunt van de verwerende partij en vraagt zij alsnog toegelaten te worden tot het verdere verloop van de gunningsprocedure. XIV-40.053-6/17 Op 16 januari 2026 antwoordt de directeur van de dienst ‘FM Themagebouwen’, per brief, met de redenen waarom is besloten om de offerte van de verzoekende partij “niet verder mee te nemen” en deze, derhalve, niet wordt toegelaten tot het verdere verloop van de gunningsprocedure. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  8. Met een brief van 26 januari 2026 uit de raadsman van de verzoekende partij verschillende bezwaren op de zienswijze van de verwerende partij, waarna op 2 februari 2026 huidige vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingesteld. IV. Vertrouwelijkheid van bepaalde stukken
  9. Beide partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van een aantal door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten, zodat er geen reden is de gevraagde vertrouwelijkheid te lichten, met uitzondering van wat hierna volgt wat de bestreden beslissing betreft. De Raad van State mag overigens deze vertrouwelijke stukken in zijn beoordeling betrekken. Hoewel de verwerende partij ook de te dezen bestreden beslissing, zijnde de brief van 16 januari 2026 van de directeur van de dienst ‘FM Themagebouwen’ als een vertrouwelijk stuk bijbrengt in het administratief dossier (zie supra, punt 3.7), kan op het verzoek om vertrouwelijke behandeling wat die beslissing betreft, niet worden ingegaan. Vooreerst is de verzoekende partij er krachtens artikel 3, eerste lid, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, toe XIV-40.053-7/17 verplicht een afschrift van de bestreden beslissing te voegen bij haar verzoekschrift wat ze ook, niet-vertrouwelijk, heeft gedaan. De Raad van State ziet voorts niet in – en de verwerende partij laat ook na dit op enigerlei wijze te concretiseren – welke “commercieel gevoelige, financiële en technische informatie dewelke niet mag worden verspreid onder derden” de bestreden beslissing wel zou omvatten, daargelaten nog dat een dergelijke handelwijze het recht van verdediging van de verzoekende partij die haar grieven en kritieken op de inhoud en draagwijdte van de bestreden beslissing in haar procedurestukken moet kunnen veruitwendigen en waarop de rechter vervolgens in het kader van zijn rechtsprekende functie in zijn arrest moet antwoorden, op een niet toelaatbare wijze beperkt. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van de middelen Door het auditoraat voorgesteld ambtshalve middel – Bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing Vooraf
  11. Een administratieve rechtshandeling is dan pas wettig wanneer zij uitgaat van het daartoe (wettelijk) aangewezen orgaan. In een rechtsstaat worden de verhoudingen tussen het bestuur, de administratieve overheid en de XIV-40.053-8/17 rechtsonderhorige geregeld door de wet. Het bestuur heeft geen andere bevoegdheden dan deze (uitdrukkelijk) toegekend bij of krachtens de (grond)wet of, zoals te dezen, bij of krachtens het decreet. Om de rechten en vrijheden van de rechtsonderhorige te beschermen en om in het algemeen belang de overheidstaken en de daarmee gepaard gaande beslissingen te verdelen, worden de administratieve taken en bevoegdheden naar hun inhoud gedifferentieerd. Wanneer derhalve aan een administratief orgaan of functie een bevoegdheid wordt toegewezen, moet die toewijzing van bevoegdheid – met behoud van de mogelijkheid tot delegatie – worden geëerbiedigd. Deze fundamentele (rechtsstatelijke) regel die is gesteund op het (principiële) grondwettelijk verbod van delegatie (cfr. artikel 33 van de Grondwet), geldt evenzo op het lokale bestuursniveau.
  12. De onbevoegdheid van de steller van een administratieve rechtshandeling is een vernietigingsgrond die de openbare orde raakt en aanleiding kan geven tot nietigverklaring, zelfs ongeacht het belang van de verzoekende partij bij dit middel. Het middel gesteund op de onbevoegdheid van de steller van de akte mag door de Raad van State – ook in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid – ambtshalve in aanmerking worden genomen. Het middel mag ambtshalve worden aangevoerd tot de sluiting van het debat, met inachtneming van de beginselen van een loyale procesvoering. Te dezen, voorafgaand aan de terechtzitting, heeft het met het onderzoek van de vordering tot schorsing belaste lid van het auditoraat met een e- mail van 18 februari 2026 met het oog op het onderzoek naar de ernst van de ingestelde vordering de verzoekende partij en de verwerende partij verzocht om standpunt in te nemen omtrent de vraag in welke mate de steller van de bestreden beslissing bevoegd is om deze te nemen. Op 23 februari 2026 hebben beide partijen hun standpunt bezorgd. De partijen zijn aldus in de mogelijkheid gesteld om hun standpunten over de bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing uiteen XIV-40.053-9/17 te zetten. Deze standpunten die zij op de terechtzitting nog nader hebben kunnen toelichten, worden hierna weergegeven voor zover nuttig voor de beoordeling van dit ambtshalve aangevoerde middel. Standpunt van de partijen
  13. In haar aanvullende nota van 23 februari 2026 waarin zij haar standpunt weergeeft, beperkt de verwerende partij zich ertoe als volgt te antwoorden: “
  14. De bevoegdheid om beslissingen in de gunningsprocedure te nemen (prijsverantwoording, bijkomende info…) en begeleidende briefwisseling te voeren werd gedelegeerd aan de algemeen directeur (zie het nieuw neergelegde stuk 15). De bevoegdheid werd verder gedelegeerd aan de verschillende departementshoofden en diensthoofden (zie het nieuw neergelegde stuk 16). Er is geen sprake van een bevoegdheidsincident”. Zij voegt bij deze aanvullende nota de twee genoemde nieuwe stukken. Het betreft, eensdeels, een delegatiebesluit van 25 januari 2018 waarin het college van burgemeester en schepenen een aantal bevoegdheden delegeert aan de stadsecretaris (lees: algemeen directeur) en, anderdeels, een delegatiebesluit van 25 januari 2018 waarbij de algemeen directeur deze bevoegdheden subdelegeert aan de departementshoofden en diensthoofden.
  15. De verzoekende partij stelt in haar antwoord van 23 februari 2026 in essentie dat zij er rechtmatig mocht van uitgaan dat de beslissing uitgaat van de aanbestedende overheid: alle communicatie verliep via de bevoegde stedelijke dient, de beslissing werd meegedeeld via de officiële contactpersoon en ondertekend door de directeur van de dienst ‘FM Themagebouwen’. Van de verzoekende partij kan niet worden verwacht dat zij kennis heeft van de interne bevoegdheidsverdeling binnen de Stad Gent, weet welke “interne delegatiebesluiten” bestaan of de interne organisatie van de stad kan doorgronden. Zelfs indien er discussie zou bestaan over delegatie of mandaat, raakt dit aan de wettigheid van de beslissing, niet aan haar bestaan of aanvechtbaarheid. XIV-40.053-10/17 Op de terechtzitting herhaalt ze het voorgaande en verwijst naar de verwerende partij waaraan het toekomt de bevoegdheidsgrondslag van de steller van de akte aan te duiden. Beoordeling
  16. De bestreden beslissing is ondertekend door F.L. in zijn hoedanigheid van directeur FM Themagebouwen. Artikel 56, § 3, 4°, van het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 wijst uitdrukkelijk de bevoegdheid voor “het voeren van de plaatsingsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten” toe aan het college van burgemeester en schepenen. Artikel 57, eerste lid, van ditzelfde Decreet bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bij reglement de uitoefening van bepaalde bevoegdheden aan de algemeen directeur kan toevertrouwen. Het laatste lid van datzelfde artikel voorziet dat de algemeen directeur de hem met toepassing van het eerste lid toevertrouwde bevoegdheden kan toevertrouwen aan andere personeelsleden van de gemeente.
  17. Wanneer een decretale bepaling – zoals, te dezen, artikel 57 van het Decreet Lokaal Bestuur doet –, een delegatie door het college van burgemeester en schepenen van een aan dat college toegewezen bevoegdheid – te dezen “het voeren van de plaatsingsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten” – uitdrukkelijk toestaat dan mag het op grond daarvan door het college genomen delegatiereglement (en dus niet, zo lijkt, een “interne” delegatiebeslissing zoals de verzoekende partij meent) – in acht genomen hetgeen supra onder punt 6 is uiteengezet – niet “allesomvattend” of onbeperkt zijn. Het is dan ook terecht dat artikel 57 van het Decreet Lokaal Bestuur specificeert dat het college van burgemeester en schepenen (slechts) “de uitoefening van bepaalde bevoegdheden aan de algemeen directeur” vermag te delegeren, wat impliceert dat dergelijk delegatiereglement voldoende nauwkeurig en precies moet zijn zodat, zo lijkt, alvast niet het wezen zelf, noch de totaliteit van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.863 XIV-40.053-11/17 die toegewezen bevoegdheid worden gedelegeerd of “overgedragen”. Voorts, omdat de delegatie, zelfs wanneer ze krachtens decreet is toegelaten, afwijkt van het principiële verbod van delegatie (zie supra, punt 6), moeten dergelijke delegaties restrictief worden geïnterpreteerd.
  18. De bestreden beslissing verwijst zelf niet uitdrukkelijk naar een bevoegdheidsgrondslag noch maakt het uitdrukkelijk melding van een delegatie aan de directeur FM Themagebouwen. Het door de verwerende partij bijgebrachte delegatiebesluit dat de verwerende partij aanwijst als bevoegdheidsgrondslag van de bestreden beslissing – waarvan vooralsnog overigens nog niet is aangetoond dat het is bekendgemaakt volgens de ter zake geldende bepalingen van het Decreet Lokaal Bestuur –, is een besluit van 25 januari 2018 van het college van burgemeester en schepenen (dat nog is genomen op grond van artikel 58 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2015). Artikel 1 ervan luidt: “Artikel 1: Stelt het reglement vast met betrekking tot de hierna opgesomde delegaties, overeenkomstig artikel 58 van het gemeentedecreet, als volgt : -Het college delegeert hierbij zijn bevoegdheid voor aangelegenheden van dagelijks bestuur met een waarde minder dan 30.000 euro, zonder belasting over de toegevoegde waarde, die verrekend worden op kredieten ingeschreven in het exploitatie- en investeringsbudget aan de stadssecretaris. Deze verrichtingen komen op een soepele wijze tot stand via een ondertekende bestelbon/overeenkomst, mits de uitgave ontstaat op initiatief van de stad. Voor overheidsopdrachten zijn de algemene beginselen van gelijkheid, niet-discriminatie en transparantie van toepassing en dienen, indien mogelijk, meerdere ondernemers geraadpleegd te worden. Evenmin mag een opdracht kunstmatig opgedeeld worden om onder voornoemde grens te blijven. De aan de stadsecretaris gedelegeerde bevoegdheid kan het voorwerp uitmaken van een subdelegatie aan de departementshoofden, de diensthoofden of andere door haar te bepalen personeelsleden. -Het college delegeert hierbij de hierna opgesomde beslissings- en ondertekeningsbevoegdheid inzake de uitvoering van overheidsopdrachten, aan de stadssecretaris : -beslissingen in de gunningsprocedure (prijsverantwoording, bijkomende info....) en begeleidende briefwisseling -beslissingen inzake borgstelling, keuringen, ingebrekestelling, oplevering en begeleidende briefwisseling - processen-verbaal van vorderingsstaten en uitnodigingen indienen facturen en begeleidende briefwisseling XIV-40.053-12/17 -attesten van goede uitvoering en het afroepen van bestellingen binnen reeds gesloten overeenkomsten tegen prijslijst/goedgekeurde prijsvaststelling, ongeacht de waarde van de individuele bestelling en begeleidende briefwisseling. De aan de stadsecretaris gedelegeerde bevoegdheid kan het voorwerp uitmaken van een subdelegatie aan de departementshoofden, de diensthoofden of andere door haar te bepalen personeelsleden.” In de voorafgaande samenvatting bij dit reglement, wordt aangegeven dat het ertoe strekt “bepaalde bevoegdheden inzake aangelegenheden van dagelijks bestuur bij reglement te delegeren aan de stadsecretaris die de haar gedelegeerde bevoegdheden kan subdelegeren aan de departementshoofden, de diensthoofden of andere door haar te bepalen personeelsleden”. In de motivering die de hiervoor aangehaalde bepaling voorafgaat, wordt nog gesteld dat het “beslissingen [betreft] met een beperkte waarde [van] minder dan 30.000 euro (voor diensthoofden zal dit weliswaar beperkt blijven tot 8.500 euro zoals op vandaag reeds geldt) en anderzijds een aantal beslissingen in het kader van de uitvoering van overheidsopdrachten. De grens van 30.000 euro is het nieuwe drempelbedrag zoals bepaalde in de regelgeving overheidsopdrachten om te werken met de soepeler regeling van aanvaarde factuur. De beslissingen in het kader van de uitvoering van overheidsopdrachten impliceren in de meeste gevallen een loutere toepassing van het bestek en/of de van toepassing gemaakte uitvoeringsbepalingen en vergen een geringe appreciatie”.
  19. De verwerende partij verwijst in haar aanvullende nota, als bevoegdheidsgrondslag voor het bestreden besluit, meer concreet naar de delegatie van “beslissings- en ondertekeningsbevoegdheid inzake de uitvoering van overheidsopdrachten” en, meer specifiek, naar “beslissingen in de gunningsprocedure (prijsverantwoording, bijkomende info…) en begeleidende briefwisseling” (zie het supra in punt 11 aangehaalde artikel 1). Eveneens met een besluit van 25 januari 2018 subdelegeert de stadssecretaris de hem hiervoor vermelde (gedelegeerde) bevoegdheden op zijn beurt en in dezelfde bewoordingen aan “de departementshoofden en diensthoofden”. XIV-40.053-13/17 Uit de beperkte toelichting die de verwerende partij geeft in randnummer 18 van de aanvullende nota (zie supra, punt 7) kan, op het eerste gezicht worden begrepen dat zij meent dat deze grondslag volstaat om de bestreden beslissing te nemen waarmee de (offerte van de) verzoekende partij wordt uitgesloten van het verdere verloop van de gunningsprocedure en waaruit dan volgt dat deze elke kans op de gunning van de opdracht verliest.
  20. De verwerende partij kan, in de huidige stand van het geding, om de hierna volgende redenen in die visie niet worden bijgevallen. Daargelaten nog dat de Raad van State niet is meegedeeld noch is aangetoond (hoewel door het Auditoraat uitdrukkelijk werd verzocht om aan te geven in welke mate de steller van de bestreden beslissing bevoegd is om die te nemen) of F.L. is aangesteld als “departementshoofd”, “diensthoofd” dan wel een “ander door [de algemeen directeur] te bepalen personeelslid” (in welk geval overigens een specifieke delegatie vereist zou zijn), laat het delegatiebesluit van 25 januari 2018 zich, op het eerste gezicht, immers lezen als een delegatie van bevoegdheden die betrekking hebben op het dagelijks bestuur en/of overheidsopdrachten met een geringe waarde. Ook de bepalingen in dat besluit die niet uitdrukkelijk verwijzen naar een limietbedrag laten zich, in de mate ze betrekking hebben op “beslissingen in het kader van de uitvoering van overheidsopdrachten”, lezen binnen een context van administratieve eenvoud en een geringe appreciatie waarbij louter de opdrachtdocumenten moeten worden toegepast of eenvoudige briefwisseling moet worden gevoerd. Te dezen, dient echter vastgesteld dat de voorliggende Design & Build - opdracht de Europese drempels bereikt en de geraamde waarde ervan de vastgestelde bedragen in voormeld delegatiebesluit ver overstijgt. In elk geval maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat de bestreden beslissing kadert binnen het dagelijks bestuur. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.863 XIV-40.053-14/17 getuigen van eenvoud en de noodzaak tot geringe appreciatie. De diverse e-mails en brieven die zijn gevoerd (en veelal als vertrouwelijk stuk in de inventaris van het administratief dossier zijn opgenomen), getuigen van een duidelijk verschil in visie, opvatting en appreciatie tussen de verzoekende partij en de verwerende partij waarbij ook in de bestreden beslissing zelf wordt aangegeven dat intern overleg noodzakelijk was. Indien de visie van de verwerende partij zou worden gevolgd, zou uit de aangehaalde delegatie, namelijk wat “beslissingen in de gunningsprocedure (prijsverantwoording, bijkomende info....) en begeleidende briefwisseling” betreft, een algemene delegatie moeten blijken waarbij departementshoofden en diensthoofden voor elke overheidsopdracht kunnen beslissen tot het nemen van rechtshandelingen, ongeacht het daaraan verbonden rechtsgevolg. Een dergelijke algemene en onbeperkte delegatie lijkt, op het eerste gezicht, onwettig. Een dergelijke lezing van het delegatiereglement lijkt op het eerste gezicht ook geen steun te vinden in de bewoordingen, noch in de geest of de (begeleidende) motieven van het te dezen toepasselijke algemene delegatiebesluit. Wat gedelegeerde “beslissingen in de gunningsprocedure” betreft, wordt in het delegatiereglement overigens bij wijze van voorbeeld verwijzen naar beslissingen inzake vragen om “prijsverantwoording, bijkomende info…” wat veeleer lijkt te wijzen op (louter) voorbereidende handelingen doch niet op een aanvechtbare (voor)beslissing zoals het bestreden besluit er één is. In de aanvullende nota geeft de verwerende partij immers zelf aan dat de bestreden rechtshandeling een direct en definitief nadeel aan de verzoekende partij bezorgt omdat ze haar kansen in rechte determineert, in welk geval het een aanvechtbare (voor)beslissing betreft, wat te dezen “met zekerheid aan de orde [is]”.
  21. Aldus dient in de huidige stand van het geding worden vastgesteld dat niet is aangetoond dat de bestreden beslissing is genomen door het daartoe bevoegd orgaan.
  22. Tot slot, in de mate de verwerende partij in de aanvullende nota aandringt op een uitspraak over de middelen, lijkt zij eraan voorbij te gaan dat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.863 XIV-40.053-15/17 wanneer, zoals ten deze, geen beslissing van een daartoe bevoegd orgaan voorligt, de middelen ook niet kunnen worden gerekend als kritiek op motieven die het bevoegd orgaan zou veruitwendigen in een (door dat orgaan nog te nemen) beslissing. Er kan immers door de Raad van State bezwaarlijk worden vooruitgelopen op de appreciatie van de feiten door het bevoegd orgaan en de conclusie die het daaraan zou verbinden in het bijzonder op het vlak van het te verlenen rechtsgevolg. De Raad van State merkt in dit verband nog op, los nog van het karakter van openbare orde van het ambtshalve middel, dat evenmin uit het oog mag worden verlopen dat het met het oog op het verdere verloop van de gunningsprocedure vereist is, zo lijkt, om in deze fase van het geding uitspraak te doen over de bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing. Zoals de verwerende partij immers zelf aangeeft in de aanvullende nota manifesteert de bestreden beslissing zich als een zogenaamde vóórbeslissing waarvan de onwettigheid (ook) kan worden ingeroepen om een eindbeslissing te bestrijden. Wanneer geen beoordeling wordt gedaan over de bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing lijkt het, op het eerste gezicht, niet onmogelijk dat die rechtsvraag voor het eerst zou worden behandeld wanneer een eindbeslissing wordt bestreden. VII. Besluit
  23. Het ambtshalve aangevoerde middel is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. VIII. Kosten
  24. Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, in beraad te houden. XIV-40.053-16/17 BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de directeur FM Themagebouw van 16 januari 2026 waarbij werd beslist om de offerte van de verzoekende partij voor de opdracht van werken – bijzonder bestek nr. FAG/2024/014/PJ/INV/5760 ‘Het ontwerp en de bouw van een opslagloods ‘Depot Lourdeshoek’, New Orleansstraat, 9000 Gent’, “niet verder mee te nemen”. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-40.053-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.863 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.