← België

Arrest 265868 - Zeevaart - 03/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.868 Rolnummer: A. 243045/XIV-39648 Zaak: Arrest 265868 - Zeevaart - 03/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-11 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-06-18 18:39 Fiche Arrest nr 265.868 van 3 maart 2026 Economische zaken - Zeevaart Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2023 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 265.868 van 3 maart 2026 in de zaak A. 243.045/XIV-39.648 In zake : 1. de BV V. 2. de BV N. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Victor Petitat kantoor houdend te 8000 Brugge Ter Pannestraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 september 2024, strekt tot de nietigverklaring de beslissing “van 26.07.2024 waarin wordt beslist om de eerste verzoekende partij, voor het vissersvaartuig Z38 (eigendom van de tweede verzoekende partij) in de toewijsperiode 01/01/2025-30/06/2025 voor de ICES- gebieden VIIf, g een hoeveelheid van 7.300 kg in mindering te brengen op het tongquotum als ‘sanctie’, in toepassing van artikel 28§2 van het Ministerieel Besluit dd. 20 december 2023 houdende tijdelijke aanvullende maatregelen voor het jaar 2024 tot het behoud van de visbestanden in zee.” XIV-39.648-1/12 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 9 september 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 november 2025. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 26 juli 2024 neemt het agentschap Landbouw en Zeevisserij de volgende beslissing: “Bij een administratieve controle op 30 juni 2024 betreffende de opgeviste XIV-39.648-2/12 tongquota van de vaartuigen in de eerste toewijsperiode in het Bristolkanaal werd vastgesteld dat de [het vissersvaartuig] […] 21011 kg had opgevist. Conform artikel 16, §3, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 houdende tijdelijke aanvullende maatregelen voor het jaar 2024 tot het behoud van de visbestanden in zee, werd voor de eerste toewijsperiode (01/01/2024 - 30/06/2024) een volgende quotumhoeveelheid tong vastgelegd voor een vaartuig van het groot vlootsegment (GVS) […] (Vllfg): ‘ Van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 is het in de ICES-gebieden Vllf, g voor een vissersvaartuig van het GVS verboden bij de tongvangst een hoeveelheid te overschrijden die gelijk is aan 11 kg vermenigvuldigd met het motorvermogen van het vissersvaartuig, uitgedrukt in kW’. De vastgelegde quota werden u ook ter kennis gebracht via een rondschrijven van 21 december 2023 door het Agentschap Landbouw en Zeevisserij. Aangezien uw vissersvaartuig […] bij de aanvang van de toewijsperiode 01/01/2024 - 30/06/2024 op basis van de visvergunning beschikte over 1200 kW, heeft uw vaartuig recht op maximaal 13.200 kg tong in deze toewijsperiode in de ICES-gebieden Vllf, g. De effectief opgeviste tonghoeveelheid door [het vissersvaartuig] in de eerste toewijsperiode bedraagt evenwel beduidend meer, namelijk: periode gebied Recht Benut %benut Overschrijdin (

  1. kg)(
  2. kg)g (
  3. kg)1/1-30/06 7fg 13.200 21.011 159,2 7.811 In artikel 28, §2, van het hierboven vermelde ministerieel besluit van 20 december 2023 wordt de sanctie beschreven die moet toegepast worden bij dergelijke quotaoverschrijdingen: ‘§2. Als de toegewezen vangstmogelijkheden, vermeld in artikel 14 tot en met 25 door het vissersvaartuig worden overschreden, wordt de mate van overschrijding uitgedrukt in kilogram, vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1,2, in mindering gebracht op de vangstmogelijkheden die aan dat vaartuig in de overeenkomstige periode van het jaar 2025 worden toegewezen.’ Gelet op het reeds gelegde beslag op een deel van de overschrijding, wordt hiervan 1.727kg afgetrokken. Op basis hiervan komen we tot volgende berekening Overschrijding (
  4. kg)Coëfficiënt Afhouding (
  5. kg)6084 1,2 7300 Dit betekent dat voor het vissersvaartuig […] in de toewijsperiode 01/01/2025 - 30/06/2025 in de ICES-gebieden Vllf, g een hoeveelheid van 7300kg in mindering zal worden gebracht op het tongquotum.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.648-3/12 IV. Rechtsmacht van de Raad van State Uiteenzetting van de exceptie 4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de rechtsmacht van de Raad van State. De exceptie is als volgt samengevat in het verslag van het auditoraat: “4.2. De verwerende partij voert een exceptie aan waarin zij betoogt dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer het gaat om een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene niet of niet langer voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij een subjectief recht verliest. In dit geval is er weinig ruimte voor debat. De bestreden beslissing is volledig gebaseerd op artikel 28, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 ‘houdende tijdelijke aanvullende maatregelen voor het jaar 2024 tot het behoud van de visbestanden in zee’. Die bepaling is duidelijk: indien de vangstmogelijkheden overschreden zijn, wordt een mindering uitgevoerd voor de overeenkomende periode in 2025. De verwerende partij stelt dat zij over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt. Een overschrijding leidt onherroepelijk en automatisch tot een vermindering. Aldus is er sprake van een gebonden bevoegdheid, wat ertoe leidt dat de bestreden beslissing niet kan worden onderworpen aan de rechtsmacht van de Raad van State. De inhoud van de middelen leidt er niet toe dat de Raad van State plots toch bevoegd zou zijn. De middelen kunnen evenzeer worden opgeworpen voor de burgerlijke rechtbank.” 5. De verzoekende partijen anticiperen in hun verzoekschrift op deze exceptie en stellen dat de verwerende partij weliswaar over een (onwettige) gebonden bevoegdheid om de geviseerde “sanctie” op te leggen in de zin van artikel 28, §2, eerste lid van het ministerieel besluit van 20 december 2023 ‘houdende tijdelijke aanvullende maatregelen voor het jaar 2024 tot het behoud van de visbestanden in zee’ (hierna: het ministerieel besluit van 23 december 2023) maar de middelen worden niet rechtstreeks afgeleid uit de schendingen van rechtsregels die subjectieve rechten vestigen. In de memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen op de opgeworpen exceptie dat de verwerende partij zich ten onrechte beperkt tot slechts één van de twee voor de beoordeling relevante connexe voorwaarden. Zij erkennen dat de verwerende partij in casu weliswaar in beginsel XIV-39.648-4/12 over een gebonden bevoegdheid beschikt om de betrokken “sanctie” op te leggen overeenkomstig artikel 28, § 2, eerste lid, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 (het petitum, zijnde de eerste voorwaarde). Zij voeren echter gelijktijdig aan dat deze gebonden bevoegdheid zelf onwettig is, zoals uiteengezet in hun tweede middel. De vraag of artikel 28, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 rechtsgeldig een gebonden bevoegdheid vermag in te houden, raakt derhalve aan de grond van de zaak, waarover de Raad van State met rechtsmacht is bekleed. Beoordeling 6. Uitgaande van de leer die voortvloeit uit de arresten van de algemene vergadering van de Raad van State nrs. 257.891 (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.891), 257.892 (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR. 257.892) en 257.893 (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.893) van 14 november 2023, waarin is bevestigd dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer twee connexe voorwaarden zijn vervuld — waarbij niet enkel acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum), maar tevens op het aangevoerde middel (de causa petendi) —, overweegt het auditoraat in zijn verslag het volgende: “4.5. De bestreden beslissing is genomen in toepassing van artikel 28, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 […]. Die bepaling luidt: ‘Als de toegewezen vangstmogelijkheden, vermeld in artikel 14 tot en met 25 door het vissersvaartuig worden overschreden, wordt de mate van overschrijding uitgedrukt in kilogram, vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1,2, in mindering gebracht op de vangstmogelijkheden die aan dat vaartuig in de overeenkomstige periode van het jaar 2025 worden toegewezen. De bevoegde entiteit deelt de berekende vermindering op de vangstmogelijkheden mee aan de eigenaar van het betrokken vissersvaartuig per aangetekende brief’. Uit die bepaling volgt dat de bevoegdheid van de verwerende partij gebonden is. Wanneer wordt vastgesteld dat de toegewezen vangstmogelijkheden door een vissersvaartuig zijn overschreden, kan de verwerende partij op grond van deze bepaling immers enkel nog de mate van overschrijding, waarop zij de aangegeven coëfficiënt moet toepassen, in mindering brengen op de vangstmogelijkheden die aan dat vaartuig in de overeenkomstige periode van het jaar 2025 worden toegewezen. XIV-39.648-5/12 Aldus moet worden vastgesteld dat de eerste connexe voorwaarde (het petitum) voor het vaststellen van een gebrek aan rechtsmacht in hoofde van de Raad van State is vervuld. 4.6. De tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) heeft betrekking op de ingeroepen middelen en de vermeende onwettigheden. Opdat een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, in dit geval de verwerende partij, oplegt, en bij de nakoming waarvan die verzoekende partij belang heeft. Niet elk annulatiemiddel valt echter onder de rechtsmacht van de Raad van State. Het is evenwel niet voldoende dat een middel tot nietigverklaring de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State. Wanneer in een middel op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid wordt aangevoerd van (een bepaling van) het reglementair besluit waarop de bestreden beslissing is gesteund, bijvoorbeeld omwille van de onbevoegdheid van de steller ervan, dan kan de Raad van State kennis nemen van het beroep omdat hij zich dan niet uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht. In het tweede middel in het verzoekschrift betogen de verzoekende partijen precies dat artikel 28, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 onwettig is omdat de Vlaamse minister niet de bevoegdheid toegewezen heeft gekregen om andere administratieve sancties of bestuurlijke geldboetes op te leggen dan bepaald in het landbouwdecreet en dat die bepaling om die reden buiten toepassing moet worden gelaten. Die vaststelling alleen al volstaat om te besluiten dat de tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) voor het vaststellen van een gebrek aan rechtsmacht in hoofde van de Raad van State niet is vervuld.” De verwerende partij heeft niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat beperkt de verwerende partij zich er in haar laatste memorie immers toe aan te voeren dat het hanteren van de door het auditoraat ontwikkelde redenering ertoe zou leiden dat nagenoeg elk geschil onder de rechtsmacht van de Raad van State zou kunnen worden gebracht, zolang een verzoekende partij maar een middel opwerpt waarin artikel 159 van de Grondwet wordt ingeroepen. Volgens haar kan dit bezwaarlijk de bedoeling zijn. XIV-39.648-6/12 Deze kritiek heeft echter betrekking op de al dan niet wenselijkheid van het openstellen van een dergelijk beroep bij de Raad van State, en niet op de vraag of de opgeworpen exceptie al dan niet gegrond is. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat de Raad van State in de aangegeven mate rechtsmacht heeft om het voorliggende geschil te beoordelen. Binnen dit kader wordt hierna het tweede middel onderzocht. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 7. De verzoekende partijen voeren in het middel de schending aan “van het verbod op bevoegdheidsoverschrijding”, de artikelen 18 en 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 december 2005 ‘tot de instelling van een visvergunning en houdende tijdelijke maatregelen voor de uitvoering van de communautaire regeling inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden’ (hierna: het besluit van 16 december 2005), de artikelen 55/1 en 58/1 van het decreet van 28 juni 2013 ‘betreffende het landbouw- en visserijbeleid’ (hierna: het decreet van 28 juni 2013) en “ alsook van het wettigheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 14, 33, 105, 108 en 159 van de Grondwet en de artikelen 6 en 7 van het EVRM, en het proportionaliteitsbeginsel.” Het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift, is als volgt samengevat in het verslag van het auditoraat: “De verzoekende partijen betogen dat artikel 28, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 buiten toepassing moet worden verklaard omdat de Vlaamse minister noch krachtens het landbouwdecreet, noch krachtens het [besluit van] 16 december 2005 enige bevoegdheid heeft toegewezen gekregen om andere administratieve sancties of bestuurlijke geldboetes op te leggen dan bepaald in het [decreet van 28 juni 2013]. Daarnaast moet die bepaling evenzeer buiten toepassing worden verklaard XIV-39.648-7/12 ‘ex artikelen 14 van de Grondwet, 6 en 7 EVRM’ omdat ze niet bij wet werd ingevoerd, automatisch wordt opgelegd, zonder mogelijkheid tot uitstel en zodoende afbreuk doet aan het persoonlijk en evenredig karakter van de straf.” 8. Het antwoord van de verwerende partij in de memorie van antwoord is als volgt samengevat in het verslag van het auditoraat: Het middel mist juridische grondslag. Er is immers geen sprake van een sanctie. De maatregel voorzien in artikel 28, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 moet worden gezien als een manier van ‘herverdeling’ van quota, een administratieve maatregel of een ‘corrigerende beheersmaatregel’. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden, betreft de geviseerde maatregel een maatregel zoals gedelegeerd in artikel 18 van het [besluit van] 16 december 2005. Dat er geen sprake is van een sanctie, volgt ook voort uit het feit dat naast de desbetreffende maatregel ook nog een handhavingsprocedure bestaat die kan resulteren in een bestuurlijke maatregel. Het is die mogelijkheid waarnaar artikel 20 van het [besluit van] 16 december 2005 verwijst. De verwerende partij verduidelijkt nog dat in België wordt gewerkt met een collectief benuttingssysteem, waarbij het uitgangspunt is dat de toegewezen quota vasthangen aan het vaartuig, in tegenstelling tot een individueel quotum waarover een vissersvaartuig vrij kan beschikken. Indien iemand zijn quota overschrijdt, wordt er middels het bepaalde in artikel 28 van het ministerieel besluit van 20 december 2023 voor gezorgd dat diegene het volgende jaar een dergelijke hoeveelheid minder mag opvissen om het door de betrokkene veroorzaakte verstoorde evenwicht binnen het collectieve quotasysteem te herstellen. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in de standpunten die zij reeds in haar memorie van antwoord heeft uiteengezet. Tevens merkt zij, “los hiervan”, op dat het principe van het hanteren van een coëfficiënt geenszins uit de lucht valt, maar berust op toepasselijke regelgeving van de Europese Unie. In dat verband verwijst zij naar artikel 105 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (hierna: verordening (EG) nr. 1224/2009). Daarnaast verwijst zij naar XIV-39.648-8/12 artikel 89 van dezelfde Verordening, waaruit volgt dat de lidstaten “passende maatregelen” dienen te nemen. Volgens de verwerende partij moet een herverdeling van quota zonder toepassing van een correctiecoëfficiënt worden beschouwd als strijdig met die verplichting, aangezien een dergelijke herverdeling niet als passend kan worden aangemerkt. Voorts verwijst zij naar de delegatiebepaling in artikel 18 van het besluit van 16 december 2005, waaruit blijkt dat de minister, in uitvoering van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, bevoegd is om maatregelen te nemen inzake de instandhouding en duurzame exploitatie van visbestanden. Wanneer wordt vastgesteld dat de opgelegde quota niet worden nageleefd, beschikt de minister volgens de verwerende partij over de bevoegdheid om een maatregel van herverdeling toe te passen. Deze maatregel moet passend worden gemaakt, en in dat opzicht wordt een correctiecoëfficiënt gehanteerd. Deze coëfficiënt staat volgens haar los van de in het decreet van 28 juni 2013 voorziene sanctioneringsmogelijkheden, en kan daarmee parallel en gelijktijdig worden toegepast. Beoordeling 9. Het auditoraat besluit op grond van de volgende overwegingen dat het tweede middel, gegrond is: “Artikel 33 van de Grondwet bepaalt dat alle machten uitgaan van de Natie en dat zij dienen te worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald. Artikel 108 van de Grondwet draagt de uitvoering van wetten op aan de Koning. Delegatie is in beginsel verboden behoudens indien zij bij wet is voorzien, dan wel indien het gaat om de regeling van detailaangelegenheden. Artikel 24, 6°, van het [decreet van 28 juni 2013] bepaalt dat de Vlaamse regering, voor de zeevisserij, de invoering en de uitvoering van controleregelingen, inclusief de controle op illegale, niet-gemelde en ongereglementeerde visserij regelt, ‘evenals de handhaving daarvan’. Overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van het [besluit van] 16 december 2005, kan de minister onder meer ‘de vangst per vissersvaartuig […] met het oog op een optimale benutting van de vangstmogelijkheden, beperken, toewijzen of herverdelen’, alsook ‘de visvergunning van een vissersvaartuig beperken of intrekken’. Aldus is aan de minister, op het vlak van handhaving, uitdrukkelijk de bevoegdheid gedelegeerd om visvergunningen te beperken of in te trekken. Artikel 16, § 3, eerste lid, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 schrijft voor dat het van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 in de ICES- gebieden VIIf, g voor een vissersvaartuig van het GVS verboden is bij de XIV-39.648-9/12 tongvangst een hoeveelheid te overschrijden die gelijk is aan 11 kg vermenigvuldigd met het motorvermogen van het vissersvaartuig, uitgedrukt in kW. Artikel 28, § 2, eerste lid, van hetzelfde ministerieel besluit bepaalt dat als de toegewezen vangstmogelijkheden, waaronder deze bepaald als in voormeld artikel 16, § 3, eerste lid, door een vissersvaartuig worden overschreden, ‘de mate van overschrijding uitgedrukt in kilogram, vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1,2, in mindering [wordt] gebracht op de vangstmogelijkheden die aan dat vaartuig in de overeenkomstige periode van het jaar 2025 worden toegewezen’. Tussen de partijen bestaat onenigheid of er in deze bepaling sprake is van een sanctie, dan wel van een maatregel tot herverdeling van de vangst per vissersvaartuig, waarvan sprake in artikel 18, eerste lid, van het [besluit van] 16 december 2005. De verwerende partij maakt in de bestreden beslissing zelf uitdrukkelijk gewag van een ‘sanctie’ die wordt beschreven in artikel 28, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 en die ‘moet toegepast [worden] bij dergelijke quotaoverschrijdingen’. Anders dan zij thans in de memorie van antwoord betoogt, kan deze quotumvermindering niet worden begrepen als een maatregel tot herverdeling van de vangst per vissersvaartuig in de zin van artikel 18, eerste lid, van het [besluit van] 16 december 2005. Met name voorziet artikel 28, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 immers niet in een loutere herverdeling van vangstmogelijkheden, d.i. het in mindering brengen op het quotum voor de volgende toewijsperiode van de teveel opgeviste hoeveelheid in de huidige toewijsperiode. Integendeel koppelt die bepaling aan die maatregel ook een coëfficiënt, waardoor voor het vissersvaartuig niet louter het teveel opgeviste in mindering wordt gebracht op het quotum voor de volgende toewijsperiode, maar wel deze teveel opgeviste hoeveelheid, vermenigvuldigd met een factor 1,2. In de memorie van antwoord argumenteert de verwerende partij dat de quotumvermindering ‘een vorm van rectificatie [betreft] in jaar N+1 van het in jaar N door de overschrijding veroorzaakte voordeel voor de betrokken reder en in jaar N veroorzaakte nadeel voor alle andere reders door in jaar N+1 een hoeveelheid af te nemen, welke hoeveelheid vervolgens toekomt aan de benadeelde andere reders, vermeerderd met 20% omdat de andere reders een jaar moeten wachten vooraleer de door de overschrijder aan hen berokkende schade hersteld is’. Op die manier geeft de verwerende partij zelf aan dat de quotumvermindering niet gericht is op een (loutere) herverdeling van de vangst per vissersvaartuig als zodanig, maar in essentie veeleer bedoeld is om de veroorzaakte voor- en nadelen voor de betrokken reders in evenwicht te brengen, alsook dat de verrekening met een factor 1,2 strekt tot schadeherstel van de benadeelde reders en het in wezen dus om een strafcoëfficiënt gaat. Gelet op al het voorgaande moet met de verzoekende partijen worden aangenomen dat er wel degelijk sprake is van een bestuurlijke sanctie. In zijn arrest nr. 199.004 van 17 december 2009, waaraan de verwerende partij zelf refereert, heeft de Raad van State over een vergelijkbare bepaling [- met name artikel 12, § 5, van het ministerieel besluit van 17 december 2004 ‘houdende tijdelijke aanvullende maatregelen tot het behoud van de visbestanden in zee’, BS 24 december 2004, p. 85.653. -] overigens gesteld dat de ‘verwerende partij [terecht stelt] dat de vaststelling van quotumoverschrijdingen en de sanctionering ervan automatisch gebeurt, en dat deze sanctionering los staat van de eventuele strafrechtelijke beteugeling van overtredingen’. Ook uit dat arrest moet derhalve worden geconcludeerd dat de desbetreffende maatregel, met toepassing van een coëfficiënt, een vorm van sanctionering uitmaakt. Dat dergelijke (bestuurlijke) sanctionering ‘automatisch’ gebeurt of ‘los staat van de eventuele strafrechtelijke beteugeling van overtredingen’, doet er niets aan af dat de Raad van State de XIV-39.648-10/12 verwerende partij in dat dossier is bijgevallen in de als terecht beoordeelde stellingname dat er sprake is van sanctionering. Waar nog kan worden aangenomen dat een (loutere) quotumvermindering als een maatregel tot herverdeling zou kunnen worden aanzien, geldt dit alleszins niet langer wanneer aan die vermindering een bijkomende strafcoëfficiënt wordt gekoppeld. Bijgevolg voorziet het ministerieel besluit van 20 december 2023 in een vorm van bestuurlijke handhaving waarvoor de minister niet bevoegd is, nu in artikel 18, eerste lid, van het BVR 16 december 2005 enkel wordt voorzien in de mogelijkheid voor de minister om de visvergunning te beperken of in te trekken. De vastgestelde onwettigheid die kleeft aan artikel 28, § 2, eerste lid, van het ministerieel besluit van 20 december 2023 leidt ertoe dat die bepaling met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. Zij tast bijgevolg tevens de rechtsgeldigheid aan van het thans bestreden besluit dat rechtsgrond zoekt in deze bepaling.” Het argument in de laatste memorie gesteund op de artikelen 89 en 105 van Verordening nr. 1224/2009 weerlegt het voormelde standpunt van het auditoraat niet. Geen van beide bepalingen van deze Verordening leggen immers de verplichting op dat een individueel vissersvaartuig of de eigenaar ervan een individuele quotumvermindering moet worden opgelegd met een strafcoëfficiënt van 20 %, of dat dit zou moeten worden begrepen onder de “passende maatregelen.” Evenmin leidt artikel 18 van het besluit van 16 december 2005 tot een ander standpunt dan dat van het auditoraat. Deze bepaling geeft weliswaar de bevoegdheid aan de Vlaamse minister bevoegd voor de zeevisserij (art. 1, 14° van hetzelfde besluit) om “alle aanvullende tijdelijke maatregelen” te nemen voor de uitvoering van de unierechtelijke regeling inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden en om inzonderheid “de vangst per vissersvaartuig, per categorie van vissersvaartuigen of per twee of meer samenwerkende vissersvaartuigen met het oog op een optimale benutting van de vangstmogelijkheden, te beperken, toe te wijzen of te herverdelen en de visvergunning van een vissersvaartuig te beperken of in te trekken”, maar deze bepaling machtigt de minister niet om bij overschrijding van de vangstbeperkingen een strafcoëfficiënt op te leggen van 20 %. 10. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, in de aangegeven mate het tweede middel, gegrond. XIV-39.648-11/12 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing “van 26.07.2024 waarin wordt beslist om de eerste verzoekende partij, voor het vissersvaartuig Z38 (eigendom van de tweede verzoekende partij) in de toewijsperiode 01/01/2025- 30/06/2025 voor de ICES-gebieden VIIf, g een hoeveelheid van 7.300 kg in mindering te brengen op het tongquotum als ‘sanctie’, in toepassing van artikel 28§2 van het Ministerieel Besluit dd. 20 december 2023 houdende tijdelijke aanvullende maatregelen voor het jaar 2024 tot het behoud van de visbestanden in zee.” 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.648-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.868 Gerelateerde publicatie(
  6. s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.891 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.893 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.