id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.895 Rolnummer: A. 241670/VII-42481 Zaak: Arrest 265895 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-12 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.895 van 5 maart 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.895 van 5 maart 2026 in de zaak A. 241.670/VII-42.481 In zake :
- A.M.
- G.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partijen :
- de VZW OPVANGCENTRUM VOOR VOGELS EN WILDE DIEREN BRASSCHAAT-KAPELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Karolien Beké kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE KAPELLEN
- de GEMEENTE KAPELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ciska Servais en Yannick Ballon kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- VII-42.481-1/17 I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0505 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 maart 2024 in de zaak 2122-RvVb-0527-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 14 juni
- De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. De vzw Opvangcentrum voor vogels en wilde dieren Brasschaat- Kapellen, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen en de gemeente Kapellen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 20 augustus
- De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 30 juni 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. VII-42.481-2/17 Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Vanessa McClelland, die loco advocaten Peter De Smedt en Karolien Beké verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Yannick Ballon, die verschijnt voor de tweede en de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen vragen op de zitting van 8 januari 2026 om de gelegenheid te krijgen schriftelijk te antwoorden op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Op de vraag van de verzoekende partijen wordt niet ingegaan. IV. Feiten 4.
- De tweede tussenkomende partij verleent aan de eerste tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor het wijzigen en uitbreiden van een vogelopvangcentrum, en voor de regularisatie van de infrastructuur ervan. Onder meer de verzoekende partijen stellen hiertegen bestuurlijk beroep in. VII-42.481-3/17 4.
- Bij beslissing van 27 januari 2022 verklaart de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep ongegrond, en verleent de omgevingsvergunning. 4.
- Onder meer de verzoekende partijen stellen bij Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot vernietiging van de beslissing van 27 januari
- Na het sluiten van het debat dienen de verzoekende partijen bij de RvVb een verzoek in tot heropening van het debat. Het bestreden arrest verwerpt het verzoek tot heropening van het debat en het beroep tot vernietiging. V. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van: - de artikelen 13, 23, 146 en 161 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), het recht van toegang tot een rechter, het recht van verdediging, het recht op tegenspraak, het beginsel van behoorlijke rechtspleging, het legaliteitsbeginsel en het beginsel van scheiding van de machten; - de artikelen 149, 159 en 160 van de Grondwet; - de artikelen 6, 7 en 8 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (hierna: Verdrag van Aarhus); - het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van de arresten van de Raad van State, de artikelen 14 en 28 RvS-wet, het gezag van de arresten van de Raad van State nr. 237.669 van 16 maart 2017, nr. 247.816 van 17 juni 2020 en nr. 258.482 van 18 januari 2024, en de artikelen 34 en 37 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’; - de artikelen 2, 771, 772, 773, 774 en 775 van het Gerechtelijk Wetboek; VII-42.481-4/17 - het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), inzonderheid de artikelen 16 en 32 ervan; - het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurebesluit), inzonderheid de artikelen 12, 29, 42, 46, 65/2, 77 en 89 ervan; - de artikelen 9, § 3, 23, § 1, 23bis en 24 van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’; - het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), inzonderheid de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 ervan; - de artikelen 4.4.7 en 5.6.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO); - artikel 4, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2018 ‘tot wijziging van diverse besluiten inzake ruimtelijke ordening, ruimtelijke veiligheidsrapportage en milieueffectrapportage’ (hierna: “besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2018”), en artikel 3, § 2, eerste lid, 15°, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 ‘tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening’ (hierna: “besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000”).
- In het “eerste lid” van het middel komen de verzoekende partijen op tegen de weigering van de RvVb om het debat te heropenen, die in het bestreden arrest wordt gesteund op volgende redenen: “Op 28 maart 2023 voegt de raadsman van de verzoekende partijen een bijkomend stuk 11 aan zijn inventaris toe. Het is een beslissing van de verwerende partij van 17 november
- Op 20 januari 2024 bezorgen de verzoekende partijen het arrest van de Raad van State van 18 januari 2024, nr. 258.482 als bijkomend overtuigingsstuk
- VII-42.481-5/17 Geen van de overige partijen verzet zich tegen de neerlegging van de bijkomende stukken. De [RvVb] ziet zelf ook geen reden om de twee stukken als bijkomende inlichtingen zelf uit het debat te weren. Bij de indiening van het stuk 12 vragen de verzoekende partijen om de debatten te heropenen. Het stuk 12 slaat louter op een verwerpingsarrest van de Raad van State. Meer bepaald wordt het beroep van de verzoekende partijen tegen de beslissing van de deputatie van 17 november 2022 onontvankelijk verklaard omdat ze enerzijds geen belang hebben en het anderzijds niet gericht is tegen een aanvechtbare rechtshandeling. De verzoekende partijen duiden niet waarom die uitspraak een invloed heeft op de huidige zaak en de debatten heropend moeten worden. De [RvVb] ziet zelf ook geen redenen om de debatten te heropenen. Het verzoek wordt verworpen.” De verzoekende partijen stellen vast dat de RvVb, na het verzoek tot heropening te hebben verworpen, het arrest van de Raad van State nr. 258.482 zonder tegenspraak betrekt in zijn beoordeling van het eerste annulatiemiddel, en dat middel als ongegrond afwijst. De verzoekende partijen zetten uiteen dat noch het DBRC noch het procedurebesluit een regeling bevatten voor de heropening van het debat, zodat de regels betreffende de heropening van het Gerechtelijk Wetboek op grond van artikel 2 van dat wetboek, hierop van toepassing zijn. Verder wijzen zij op artikel 16 DBRC waaruit volgens hen volgt dat de (aanvullende) behandeling schriftelijk en op tegenspraak gebeurt, en dat het beroep op de (nieuwe) zitting wordt behandeld, tenzij de partijen hiervan in onderling overleg afzien. Met de opgegeven reden dat de verzoekende partijen “niet [duiden] waarom die uitspraak een invloed heeft op de huidige zaak en de debatten heropend moeten worden” schendt het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen de artikelen 2, 771, 772, 773, 774 en 775 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 16 DBRC, het recht van verdediging, het beginsel van de scheiding van de machten, de artikelen 13, 146 en 161 van de Grondwet en het versterkt legaliteitsbeginsel, omdat deze bepalingen en beginselen zich ertegen verzetten dat de RvVb het inwilligen van een verzoek tot heropening van het debat ondergeschikt maakt aan de voorwaarde dat de verzoekende partijen moeten VII-42.481-6/17 duiden waarom het nieuwe stuk of feit een invloed heeft op de zaak. Zij wijzen in het bijzonder op artikel 773 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat in de aanvraag tot heropening “het nieuwe stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting”. Ook met het motief dat de RvVb “zelf ook geen redenen [ziet] om de debatten te heropenen” schendt het arrest volgens de verzoekende partijen de artikelen 2, 773 en 774 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 16 DBRC, de artikelen 13 en 23 van de Grondwet, het recht van toegang tot een rechter, het recht van verdediging en artikel 89 van het procedurebesluit. De verzoekende partijen wijzen vervolgens op de artikelen 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, a), 1.1.2, 13° en 7.7.4, § 1, VCRO, artikel 23 van de Grondwet en artikel 89 van het procedurebesluit, en zetten uiteen dat het eerste annulatiemiddel dat zij hebben aangevoerd voor de RvVb precies betoogt dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning betrekking heeft op een inrichting die geen bestaand rechtsgeldig opvangcentrum is, en dat de onwettigheid van de exploitatie werd bepaald door het gezag van de vernietigingsarresten van de Raad van State nr. 237.669 van 16 maart 2017 en nr. 247.816 van 17 juni
- In het arrest nr. 258.482 van 18 januari 2024 heeft de Raad van State volgens de verzoekende partijen geoordeeld dat de onwettige vergunning van 28 april 2014 een onbestaande rechtshandeling is. In het bestreden arrest heeft de RvVb aangegeven dat het voor de toepassing van artikel 3, § 2, 15°, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 volstaat dat er op het ogenblik van de aanvraag sprake is van een (vogel)opvangcentrum. Bijgevolg was er volgens de verzoekende partijen wel degelijk een evidente en gedegen reden om alle procespartijen toe te laten hun standpunt mee te delen met betrekking tot de impact van het arrest van de Raad van State nr. 258.482 van 18 januari 2024 op het beroep. De heropening van het debat was volgens de verzoekende partijen nodig en verplicht omdat de vergunning van 28 april 2014 een onbestaande rechtshandeling is, en het de vraag is of er op 4 februari 2021 wel een bestaand rechtsgeldig opvangcentrum bestond. VII-42.481-7/17 Het recht van verdediging en het recht op tegenspraak zijn volgens de verzoekende partijen eveneens geschonden doordat het door hen meegedeelde nieuwe stuk eerst wordt aangemerkt als een toelaatbare bijkomende inlichting en vervolgens zonder tegenspraak wordt betrokken bij de beoordeling van een annulatiemiddel.
- In het “tweede lid” van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het arrest berust op tegenstrijdige motieven, en aldus artikel 149 van de Grondwet schendt, nu het enerzijds het verzoek tot heropening afwijst, en vervolgens het nieuw bijgebrachte stuk zonder tegenspraak betrekt bij de beoordeling van het eerste annulatiemiddel. Hierdoor worden volgens de verzoekende partijen in het bijzonder ook de artikelen 2, 771, 772, 773, 774 en 775 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 16 DBRC, de artikelen 13, 146, 160 en 161 van de Grondwet, en artikel 6 EVRM geschonden. Door het stuk niet te weren uit het debat, behoorde het volgens de verzoekende partijen de RvVb om de partijen de gelegenheid te geven hierover in een aanvullende nota hun standpunt uiteen te zetten.
- In het “derde lid” van het middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de verwerping van het verzoek tot heropening van het debat artikel 89 van het procedurebesluit schendt omdat de RvVb hiermee op onwettige wijze heeft afgezien van de verplichting om zelf ambtshalve de vraag - die de openbare orde zou aanbelangen - op te werpen of er op 4 februari 2021 wel een bestaand rechtsgeldig opvangcentrum was, en deze ambtshalve op te werpen vraag vervolgens pas te beantwoorden na de partijen het recht op schriftelijke behandeling, op tegenspraak, en op een behandeling ter zitting, te hebben gewaarborgd. Aldus schendt het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen, naast voormeld artikel 89 van het procedurebesluit, ook de artikelen 2, 16, 32 en 35 DBRC, het wettigheidsbeginsel, het recht van verdediging, “het recht van een procespartij om in elke stand van het geding een middel dat van openbare orde is, op te werpen”, de verplichting van de RvVb tot onderzoek van het middel van VII-42.481-8/17 openbare orde, het koninklijk besluit van 4 oktober 1979 tot vaststelling van het gewestplan Antwerpen, en artikel 5 van het inrichtingsbesluit.
- In het “vierde lid” van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het motief dat de RvVb “zelf ook geen redenen [ziet] om de debatten te heropenen” en de overweging in het bestreden arrest dat de deputatie in de bestreden beslissing “correct [overweegt] dat die [annulatie-]arresten niet dienstig zijn”, onwettig zijn. Zij betogen dat artikel 4.4.7, § 2, eerste lid, VCRO en artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2018 (dat onder meer het punt 15° heeft toegevoegd aan artikel 3, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000) zijn aangenomen met miskenning van de artikelen 6, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus. Zij stellen daarbij de vraag of de regeling van artikel 4, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2018 ook rechtsgeldig tot voordeel kan strekken van een exploitatie die niet meer bestaat ingevolge het gezag van gewijsde van vernietigingsarresten van de Raad van State, en het gegeven dat een formeel overblijvende opgeheven gemeentelijke milieuvergunning onbestaande is. Het behoorde de RvVb volgens de verzoekende partijen om zelf ambtshalve de wettigheidsvraag op te werpen of krachtens artikel 159 van de Grondwet de toepassing van artikel 4, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2018, aangenomen zonder inspraak van het publiek, niet moet geweigerd worden wegens strijdigheid met de artikelen 6, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus, en met het recht op toegang tot een rechter en het recht op een effectieve rechtsbescherming, en om deze ambtshalve op te werpen vraag pas te beantwoorden na aan de partijen het recht op schriftelijke behandeling, op tegenspraak, en op behandeling ter zitting, te hebben gewaarborgd. De vraag naar de wettigheid van voormeld artikel 4, 5°, raakt volgens de verzoekende partijen de openbare orde. Hieruit zou volgen dat de deputatie niet geldig kon besluiten dat er een exploitatie was in 2021, en dat de RvVb evenmin geldig kon besluit dat die beoordeling van de deputatie niet foutief VII-42.481-9/17 was. Door louter te overwegen dat hij geen redenen ziet om het debat te heropenen, en aansluitend te oordelen dat de deputatie correct overweegt dat de vernietigingsarresten van de Raad van State niet dienstig zijn, zou het bestreden arrest in het bijzonder een schending inhouden van de artikelen 159 en 160 van de Grondwet, de artikelen 6, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus, artikel 13 van de Grondwet, het recht van toegang tot een rechter, het recht op effectieve rechtsbescherming en het recht op rechtsherstel, het gezag van de vernietigingsarresten van de Raad van State, de artikelen 34 en 37 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en de artikelen 14 en 28 RvS- wet.
- Het “vijfde lid” van het middel wordt gericht tegen volgende overwegingen van het bestreden arrest bij de beoordeling van het eerste annulatiemiddel dat de verzoekende partijen hebben opgeworpen: “De verzoekende partijen lijken er ten onrechte vanuit te gaan dat er op het ogenblik van 26 september 2011 een (vogel)opvangcentrum voor wilde dieren op de site aanwezig moest zijn. Voor de toepassing van artikel 3, § 2, 15° van het [besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000] volstaat het dat er op het ogenblik van de aanvraag sprake is van een (vogel)opvangcentrum. De verwerende partij kon in de bestreden beslissing dan ook terecht vaststellen dat het gebouw enerzijds sinds 26 september 2011 vergund is als verzorgingsplaats voor dieren en anderzijds dat het [vogelopvangcentrum] binnen die functie er zijn activiteiten uitoefent. Het besluit dat er sprake is van een uitbreiding/wijziging van een opvangcentrum voor wilde dieren komt dus niet als foutief voor.” Hiermee schendt het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen artikel 159 van de Grondwet en de artikelen 6, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2018 is aangenomen zonder de inspraak van het publiek, zoals bepaald in de artikelen 6, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus. Ingevolge artikel 159 van de Grondwet en de exceptie van onwettigheid moet de RvVb volgens de verzoekende partijen de toepassing weigeren van die bepaling en VII-42.481-10/17 het door die bepaling ingevoerde artikel 3, § 2, 15°, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei
- Beoordeling
- In het bestuursrecht belangt een middel de openbare orde aan wanneer het betrekking heeft op de schending van een regel die een bepaald fundamenteel openbaar belang beoogt te behartigen of te bestendigen. Het moet met andere woorden gaan om een regel die essentiële waarden in de samenleving of fundamenteel de werking van de rechtsstaat aangaat en die om die reden steeds tegenover de gemeenschap in haar geheel gewaarborgd moet worden. Omdat de handhaving van die fundamentele regel de persoonlijke belangen van de rechtsonderhorige die onder de schending ervan kan lijden overschrijdt, is de bestuursrechter, op gevaar af het gehele rechtssysteem in gevaar te brengen, verplicht elke beslissing waarover hij moet oordelen aan die regels te toetsen. Het bestreden arrest verwerpt het eerste middel dat de verzoekende partijen hebben opgeworpen ter vernietiging van de deputatiebeslissing van 27 januari 2022, en waarin zij volgens het bestreden arrest in essentie hebben aangevoerd dat de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe inrichting en dus niet beschouwd kan worden als een uitbreiding of wijziging van een opvangcentrum in de zin van artikel 3, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000, zodat artikel 4.4.7, § 2, VCRO geen toepassing kon vinden, minstens dat de deputatie de toepassing ervan niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Dergelijk annulatiemiddel belangt de openbare orde niet aan. In zoverre de verzoekende partijen in de uiteenzetting van hun cassatiemiddel uitgaan van een andere rechtsopvatting, is hun kritiek ongegrond.
- Wanneer de RvVb na de sluiting van het debat kennis neemt van een nieuw stuk of feit, beoordeelt hij onaantastbaar of het aangewezen is om het VII-42.481-11/17 debat te heropenen. In zoverre de verzoekende partijen opkomen tegen de beslissing om het debat niet te heropenen en daarbij de Raad van State uitnodigen deze beoordeling over te doen, is het middel niet ontvankelijk.
- Het bestreden arrest verwerpt het voormelde annulatiemiddel op grond van onder meer de volgende redenen: “3.1 In de bestreden beslissing erkent de verwerende partij de strijdigheid van de aanvraag met de gewestplanbestemming. Omdat de aanvraag volgens haar voldoet aan artikel 4.4.7, §2 VCRO staat ze een afwijking op die bestemmingsvoorschriften toe. De planologische verenigbaarheid beoordeelt ze als volgt: […] Met die overwegingen maakt de verwerende partij duidelijk dat ze de aanvraag kwalificeert als de uitbreiding of wijziging van een opvangcentrum voor wilde dieren. Ze besluit daartoe omdat het [vogelopvangcentrum] op de aanvraaglocatie al sinds 26 september 2011 stedenbouwkundig vergund is voor de opvang en verzorging van dieren. De uitbating was volgens haar op dat ogenblik niet onderworpen aan de milieuvergunningsplicht. Verder overweegt ze dat het [vogelopvangcentrum] al bestaat sinds 22 december 2005 en haar activiteiten vanaf 26 september 2011 heeft verhuisd naar het vergunde gebouw. De kritiek over het gebrek aan een milieuvergunning vindt de verwerende partij dan ook niet relevant. 3.2 Tegen die beoordeling brengen de verzoekende partijen vooreerst in essentie in dat het opvangcentrum op 26 september 2011 niet vergund was als opvangcentrum voor wilde dieren. Het zou louter gaan om de huisvesting van gedomesticeerde dieren. […] De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing […] niet onredelijk dat ‘de functie ‘opvang en verzorging van dieren’’ een vergunde functie uitmaakt en dat sinds de vergunning van 26 september 2011 ‘vogels [worden] opgevangen en verzorgd in het daarvoor vergunde gebouw.’. 3.3 […] De verwerende partij kon in de bestreden beslissing […] terecht vaststellen dat het gebouw enerzijds sinds 26 september 2011 vergund is als verzorgingsplaats voor dieren en anderzijds dat het [vogelopvangcentrum] binnen die functie er zijn activiteiten uitoefent. Het besluit dat er sprake is van een uitbreiding/wijziging van een opvangcentrum voor wilde dieren komt dus niet als foutief voor. 3.4 Waar de verzoekende partijen verder nog een schending van het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State opwerpen, verdient hun betoog geen bijval. Het gezag van gewijsde heeft tot doel om een geschilpunt VII-42.481-12/17 dat in een zaak reeds beslecht werd niet te laten voortduren. Het verbindt de procespartijen en strekt zich uit tot de motieven die noodzakelijk aan een vernietiging ten grondslag liggen. In de aangehaalde arresten spreekt de Raad van State zich enkel uit over verschillende (herstel)beslissingen over de milieuvergunningsaanvraag van 18 december
- Die milieuvergunningsaanvraag werd ondertussen ingetrokken en de verzoekende partijen hun beroep tegen die intrekking is afgewezen met het arrest van 18 januari 2024, nr. 258.
- Met de alhier bestreden beslissing spreekt de verwerende partij zich uit over een andere zaak, namelijk de omgevingsvergunningsaanvraag met zowel stedenbouwkundige handelingen als de uitbating van het opvangcentrum voor wilde dieren. Alleen al daarom ligt geen schending van het gezag van gewijsde voor. Anders dan wat de verzoekende partijen beweren, volgt uit die vernietigingsarresten, en daaruit afgeleid het gebrek aan een milieuvergunning, ook niet dat er op het ogenblik van de aanvraag geen vogelcentrum aanwezig zou zijn op het aanvraagperceel. In de bestreden beslissing overweegt de verwerende partij net dat de loutere opvang van vogels niet vergunningsplichtig is. Dat stellen de verzoekende partijen niet in vraag. Het is net met de omgevingsvergunningsaanvraag dat de eerste tussenkomende partij de uitbreiding van de bestaande activiteit beoogt met de opvang van andere wilde dieren. In de bestreden beslissing overweegt de verwerende partij dan ook correct dat die arresten niet dienstig zijn.” Het bestreden arrest heeft aldus geoordeeld dat de deputatie uit de omstandigheid dat het vogelopvangcentrum sinds 26 september 2011 op dezelfde locatie stedenbouwkundig vergund is voor de opvang en verzorging van dieren, kon afleiden dat de aanvraag betrekking heeft op de wijziging en uitbreiding van een opvangcentrum in de zin van artikel 3, § 2, eerste lid, 15°, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000, zodat met toepassing van artikel 4.4.7, § 2, VCRO kon worden afgeweken van de stedenbouwkundige voorschriften. Volgens het bestreden arrest heeft de deputatie ook correct geoordeeld dat de aangehaalde vernietigingsarresten van de Raad van State niet dienstig zijn, nu die arresten geen afbreuk doen aan de vaststelling dat het opvangcentrum sinds 26 september 2011 op dezelfde locatie stedenbouwkundig vergund is.
- De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of VII-42.481-13/17 onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De RvVb oordeelt in het bestreden arrest dat hij geen reden ziet om het debat te heropenen. Het door de verzoekende partij na de sluiting van het debat daartoe bijgebrachte stuk -het arrest van de Raad van State van 18 januari 2024 nr. 258.482- wordt door de RvVb daarbij aangeduid als een “bijkomende inlichting”. De hiervoor aangehaalde passage van het arrest waarin dat arrest van de Raad van State wordt vermeld, is hiermee niet tegenstrijdig. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet mist dan ook feitelijke grondslag. De vermelding van het arrest van de Raad van State van 18 januari 2024 nr. 258.482 in de hiervoor aangehaalde motivering voegt bovendien niets inhoudelijks toe aan deze motieven. Het gaat slechts om een terloopse vermelding van een feitelijk gegeven -een inlichting- waaraan geen rechtsgevolg wordt verbonden. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de RvVb dat arrest van de Raad van State in zijn beoordeling betrekt, en hieruit de schending afleiden van verschillende bepalingen en beginselen, mist hun kritiek feitelijke grondslag.
- In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van het gezag van de vernietigingsarresten van de Raad van State nr. 237.669 van 16 maart 2017 en nr. 247.816 van 17 juni 2020, nodigen de verzoekende partijen de Raad van State uit om opnieuw te beoordelen of de deputatie correct tot het besluit kon komen dat die arresten niet dienstig zijn voor de beoordeling van de voorliggende VII-42.481-14/17 aanvraag voor een omgevingsvergunning. Als cassatierechter kan de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak treden, zodat het middel in zoverre niet ontvankelijk is.
- De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 4.4.7, § 2, VCRO en artikel 4, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2018, dat het punt 15° heeft toegevoegd aan artikel 3, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000, werden aangenomen met miskenning van de artikelen 6, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus, zodat deze bepalingen met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing dienen te worden gelaten, en aldus niet wettig kunnen dienen als grondslag om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften. In zoverre deze kritiek betrekking heeft op artikel 4.4.7, § 2, VCRO kan zij niet slagen, nu het gaat om een decretale bepaling die niet onder het toepassingsgebied van artikel 159 van de Grondwet valt. Artikel 6 van het Verdrag van Aarhus bevat regels betreffende de inspraak in besluiten over specifieke activiteiten, en is als zodanig niet van toepassing op reglementaire besluiten zoals het besluit van de Vlaamse regering van 28 september
- De artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus zijn evenmin van toepassing op de aanneming van artikel 4, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 september
- Met dat artikel wordt immers enkel geraakt aan de regels die van toepassing zijn op de toets van een aanvraag aan de stedenbouwkundige voorschriften, en wordt aldus geen plan of programma betreffende het milieu aangenomen in de zin van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Evenmin kan voormeld artikel 4, 5°, beschouwd worden als een regel die een aanzienlijk effect kan hebben op het milieu in de zin van artikel 8 van het Verdrag van Aarhus. Deze kritiek kan dan ook niet worden aangenomen. VII-42.481-15/17
- Met de overige kritiek die in het middel wordt aangevoerd, wordt geen afbreuk gedaan aan de beoordeling dat de deputatie uit de omstandigheid dat het vogelopvangcentrum sinds 26 september 2011 op dezelfde locatie stedenbouwkundig vergund is voor de opvang en verzorging van dieren, kon afleiden dat de aanvraag betrekking heeft op de wijziging en uitbreiding van een opvangcentrum in de zin van artikel 3, § 2, eerste lid, 15°, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000, zodat met toepassing van artikel 4.4.7, § 2, VCRO kon worden afgeweken van de stedenbouwkundige voorschriften. Die overige kritiek kan dan ook niet tot cassatie leiden, en is niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 450 euro, elk voor een derde. VII-42.481-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.481-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.895 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div