id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.900 Rolnummer: A. 243396/VII-42694 Zaak: Arrest 265900 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-12 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.900 van 5 maart 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.900 van 5 maart 2026 in de zaak A. 243.396/VII-42.694 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de NV MCDONALD’S RESTAURANTS BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yannick Grauwels en Nisrine El Massoudi kantoor houdend te 2600 Berchem Potvlietlaan 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 november 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2425-0036 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 19 september 2024 in de zaak 2223-RvVb-0761-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 23 december
- VII-42.694-1/9 De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. De nv McDonald’s Restaurants Belgium heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 februari
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 16 mei 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Nisrine El Massoudi, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-42.694-2/9 III. Feiten 3.
- De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleent op 1 juni 2023 in graad van bestuurlijk beroep aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de oprichting van een restaurant met omgevingsaanleg en het verplaatsen van een gemeenteweg. 3.
- Met het bestreden arrest verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) het beroep tot nietigverklaring dat de verzoekende partij heeft ingesteld tegen het deputatiebesluit van 1 juni
- IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), artikel 149 van de Grondwet en de rechterlijke motiveringsplicht.
- Zij komt op tegen de beslissing van de RvVb tot verwerping van het annulatiemiddel waarin zij had aangevoerd dat de vergunningsbeslissing een schending inhoudt van de artikelen 1.1.4 en 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), en de zorgvuldigheids- en motiveringsbeginselen als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het bestreden arrest steunt daartoe op volgende motieven: “Verwerende partij verleent de vergunning omdat het project verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, waarbij ze zich aansluit bij het gunstig advies van de [provinciale omgevingsambtenaar]. Ze overweegt daarover in de bestreden beslissing het volgende: ‘[…]’ VII-42.694-3/9 […] Uit geciteerde tekstfragmenten van de bestreden beslissing blijkt dat verwerende partij de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening zorgvuldig onderzoekt en afdoende motiveert, waarbij ze voor de beoordeling hiervan relevante aandachtspunten en criteria inzake onder meer de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik, de visueel-vormelijke elementen en de hinderaspecten concreet in haar beoordeling betrekt. Daaruit blijkt ook dat ze zich een duidelijk beeld heeft gevormd van de relevante in de omgeving van het project bestaande toestand, en op basis van pertinente motieven oordeelt dat de aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Verzoekende partij toont niet aan dat deze beoordeling in de bestreden beslissing foutief of kennelijk onredelijk is, en dat verwerende partij de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend. Haar kritiek vormt eerder opportuniteitskritiek, waarbij ze haar visie over de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening stelt tegenover die van verwerende partij, die overigens in dezelfde lijn ligt als de visies van de [provinciale omgevingsambtenaar] in zijn advies en van het [college van burgemeester en schepenen] in de vergunningsbeslissing in eerste bestuurlijke aanleg. Zoals gesteld komt het niet aan de [RvVb] toe om zijn beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in de plaats te stellen van deze van verwerende partij, die ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. […] Verzoekende partij beoogt feitelijk het behoud van de bestaande toestand, waarbij ze steunt op de algemene doelstelling in artikel 1.1.4 VCRO, dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten in het kader van de ruimtelijke ordening gelijktijdig tegen elkaar moeten worden afgewogen en er hierbij onder meer rekening moet worden gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de sociale gevolgen. Ze meent dat de onbebouwde aanvraagpercelen met de vele bomen voor de verstedelijkte omgeving en haar bewoners een stukje rustgevende en verkoelende waardevolle natuur bieden, dat toegankelijk is via de bestaande buurtweg doorheen het terrein, maar dat door de hoge verhardingsgraad en de beperkte randbegroeiing van het project nagenoeg volledig zal verdwijnen. Verzoekende partij laat na om de overwegingen in de bestreden beslissing met betrekking tot onder meer de functionele inpasbaarheid van het project, het ruimtegebruik en de visueel-vormelijke elementen concreet bij haar kritiek te betrekken. Ze toont ook niet aan dat verwerende partij niet alle voor de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijke of relevante aandachtspunten en criteria in artikel 4.3.1, § 2 VCRO bij haar beoordeling heeft betrokken, dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met de in de omgeving bestaande toestand. Ze maakt niet aannemelijk dat het standpunt van verwerende partij, waarbij het grotendeels verdwijnen van dit stukje rustgevend en verkoelend buurt- of woongroen niet onverenigbaar wordt geacht met de goede ruimtelijke ordening, foutief of kennelijk onredelijk is. Ze voert met name op zich geen ernstige betwisting over de vaststelling door verwerende partij dat de aanvraagpercelen een ‘stuk VII-42.694-4/9 braakliggend en verwilderd privéterrein’ vormen, zodat ze in beginsel enkel kunnen worden doorkruist via de buurtweg, waarvan het gebruik door omwonenden door verwerende partij niet wordt betwist en die enkel wordt verlegd. Ze toont ook niet afdoende concreet aan dat het standpunt van verwerende partij, dat deze percelen geen sociale rol hebben voor de bewoners van de aanpalende straten dan wel een verkoelende plek vormen voor wandelaars, foutief of kennelijk onredelijk is. Haar bewering, in navolging van haar bestuurlijk beroepschrift, dat het buurt- of woongroen op de aanvraagpercelen voor de bewoners van de verstedelijkte omgeving dienst doet als een rustgevend en verkoelend stukje natuur, betreft feitelijk louter een tegengesteld standpunt dan dat van verwerende partij. Ze gaat daarbij bovendien ten onrechte voorbij aan de vaststelling in de bestreden beslissing dat het volume van de nieuwbouw, die wordt voorzien van een groendak en van gevels in traditionele bouwmaterialen in rustieke kleuren, niet uitzonderlijk groot is in verhouding tot de afmetingen van de aanvraagpercelen en dat er ter hoogte van ‘een voldoende brede bouwvrije zijdelingse strook’ ‘ook nog enig groen wordt voorzien op de site, langs de waterloop, achteraan, langs de voetweg en aan de straatzijde’, terwijl er ‘ook verspreid over de parking groenelementen/bomen worden voorzien’ en bijna alle parkeerplaatsen worden aangelegd in grasbetontegels met een groen uitzicht. Ze toont dan ook niet aan dat het standpunt van verwerende partij, dat het terrein na de realisatie van het project ‘globaal niet stenig zal overkomen’ en dat het project de ruimtelijke draagkracht van de aanvraagpercelen niet overschrijdt, foutief of kennelijk onredelijk is. De bestaande buurtweg op de aanvraagpercelen wordt enkel verplaatst en er wordt daarbij voorzien in nieuwe groenaanleg met een bomenrij, zodat de huidige functie hiervan voor de omwonenden in het project wordt geïntegreerd. De vaststelling dat de aanvraagpercelen met de beoogde ingroening van het project ter hoogte van de randen hiervan minder sterk bebost zullen zijn en hun natuurlijk karakter en verkoelingseffect grotendeels zal verdwijnen impliceert niet dat het project onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening.”
- De verzoekende partij zet uiteen dat het bestreden arrest aldus niet heeft geantwoord op drie punten van kritiek die zij in haar verzoekschrift had uiteengezet, zodat het arrest een gemis aan motivering vertoont, in strijd met artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC en de rechterlijke motiveringsplicht. Het eerste punt waarop niet zou zijn geantwoord, is de aangevoerde omstandigheid dat de vergunningsbeslissing tegenstrijdige motieven bevat, doordat zij enerzijds stelt dat de bestaande buurtweg in gebruik is door de omwonenden, en anderzijds stelt dat het terrein geen sociale rol speelt voor de VII-42.694-5/9 bewoners van de aanpalende straten of als een verkoelende plek voor de wandelaars. Het bestreden arrest zou vervolgens niet hebben geantwoord op de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij zet uiteen dat zij in haar verzoekschrift daartoe had aangevoerd dat het onderzoek naar de functie als buurt- of woongroen onzorgvuldig was gebeurd doordat enkel werd stilgestaan bij de sociale rol van het terrein, maar geen onderzoek werd gevoerd naar de functie als wijk- en woongroen, en met name wat de gevolgen zijn voor het leefmilieu van het verdwijnen van dat stuk groen. Ten slotte zou het bestreden arrest volgens de verzoekende partij hebben nagelaten te antwoorden op de door haar aangevoerde kennelijk onredelijke beoordeling van de MER-toets. Beoordeling
- De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. VII-42.694-6/9 De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen.
- Ten aanzien van de vaststelling in het vergunningsbesluit dat de aanvraagpercelen een stuk braakliggend en verwilderd privéterrein vormen die geen sociale rol hebben voor de bewoners van de aanpalende straten, oordeelt het bestreden arrest dat de verzoekende partij niet afdoende concreet aantoont dat dit standpunt foutief of kennelijk onredelijk is. Ten aanzien van de buurtweg die deze percelen doorkruist, stelt het bestreden arrest vast dat in het vergunningsbesluit het gebruik ervan door de omwonenden niet wordt betwist, en dat deze weg enkel wordt verlegd. Met deze motieven heeft het bestreden arrest impliciet doch zeker aangegeven dat de vermelde motieven van het vergunningsbesluit betrekking hebben op verschillende gegevens en aldus niet tegenstrijdig zijn. De kritiek van de verzoekende partij dat het bestreden arrest niet antwoordt op de door haar aangevoerde tegenstrijdigheid van de motieven, mist feitelijke grondslag.
- Uit het geheel van de in het middel aangehaalde motieven van het bestreden arrest blijkt ook dat de RvVb heeft geantwoord op de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Na in het algemeen te hebben uiteengezet dat de bestreden vergunningsbeslissing de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening “zorgvuldig onderzoekt en afdoende motiveert” en dat de verzoekende partij niet aantoont dat deze beoordeling foutief of kennelijk onredelijk is, gaat het bestreden arrest nog verder in op punten van kritiek van de verzoekende partij. Daarbij wijst de RvVb er onder meer op dat de bewering van de verzoekende partij dat het buurt- of woongroen op de aanvraagpercelen voor de bewoners van de omgeving dienst doet als een VII-42.694-7/9 rustgevend en verkoelend stukje natuur, feitelijk louter een tegengesteld standpunt is dan dat van de verwerende partij. Het bestreden arrest heeft aldus impliciet doch zeker aangeduid dat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel neerkomt op een louter tegenspreken van het standpunt van de vergunningverlenende overheid. De kritiek dat het bestreden arrest niet antwoordt op de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, mist aldus eveneens feitelijke grondslag.
- Wat ten slotte het gemis aan motivering aangaande de aangevoerde onredelijke beoordeling van de MER-toets betreft, maakt de kritiek van de verzoekende partij waarop niet zou zijn geantwoord geen afzonderlijk middel(onderdeel) uit maar slechts een argument van de verzoekende partij in het kader van de door haar aangevoerde schending van de artikelen 1.1.4 en 4.3.1 VCRO, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en de zorgvuldigheids- en motiveringsbeginselen als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij voerde in haar verzoekschrift voor de RvVb in dat verband immers slechts aan dat “ook” in de m.e.r.-screeningsnota abstractie werd gemaakt van de aantasting van het leefmilieu van de mensen door verlies van een stuk buurt- en woongroen. Met de in het vorige randnummer vermelde motieven heeft de RvVb dit argument beantwoord. Deze kritiek mist aldus eveneens feitelijke grondslag. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.694-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.694-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.900 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div