id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.901 Rolnummer: A. 243917/VII-42760 Zaak: Arrest 265901 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.901 van 5 maart 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.901 van 5 maart 2026 in de zaak A. 243.917/VII-42.760 In zake : de NV JALCOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Jadzia Talboom kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de LEIDEND AMBTENAAR VAN HET AGENTSCHAP LANDBOUW EN ZEEVISSERIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 januari 2025, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2425-0é van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 november 2024 in de zaak 2324-RvVb-0221-A. VII-42.760-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 maart
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De provincie Antwerpen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 april
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 19 juni 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joke Derwa, die loco advocaten Stijn Verbist en Jadzia Talboom verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Elliott Missault, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Joram Maes, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.760-2/10 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- In haar verzoek tot voortzetting van de procedure antwoordt de verzoekende partij op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het “verzoek tot voortzetting / replieknota nav auditoraatsverslag” van de verzoekende partij wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
- Het college van burgemeester en schepenen van Sint-Katelijne- Waver verleent aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een paardenopleidingscentrum, gelegen in agrarisch gebied. De verwerende partij tekent hiertegen bestuurlijk beroep aan. 4.
- Op 11 februari 2021 verklaart de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het bestuurlijk beroep ongegrond, en verleent zij de omgevingsvergunning aan de verzoekende partij. De Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) vernietigt die beslissing bij arrest van 3 februari
- VII-42.760-3/10 4.
- De deputatie herneemt de beroepsprocedure. Op 14 september 2023 verklaart zij het bestuurlijk beroep ongegrond, en verleent zij de omgevingsvergunning aan de verzoekende partij. De verwerende partij stelt tegen die beslissing een vernietigingsberoep in bij de RvVb. 4.
- Het bestreden arrest vernietigt de deputatiebeslissing van 14 september 2023, en beveelt de deputatie om een nieuwe beslissing te nemen over het bestuurlijk beroep van de verwerende partij, rekening houdend met de injunctie “om voor de herbeoordeling van de aanvraag een nieuw advies te vragen aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie, met inbegrip van de gegevens die de [verzoekende] partij nog heeft bijgebracht met de nota van 28 augustus 2023 en desgevallend actuele gegevens over haar activiteiten”. V. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC).
- Zij wijst op volgende motieven van het bestreden arrest: “De motivering in de bestreden beslissing volstaat opnieuw niet om de beslissing te dragen dat het aangevraagde overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het agrarisch gebied in het licht van de aanvullende gegevens in het aanvraagdossier, de beroepsargumenten van [de verwerende partij in cassatie] en het (tweede) ongunstig standpunt van de [provinciale omgevingsvergunningscommissie, hierna:] POVC. De [deputatie] heeft opnieuw de negatieve bevindingen uit het verslag van de POVC over de (gewijzigde) aanvraag niet op concrete wijze onderzocht en weerlegd, terwijl de [RvVb] met het vorig arrest erop wees dat ze hiernaar een uiterst nauwkeurig onderzoek moest voeren. Te meer omdat de VII-42.760-4/10 [verzoekende partij in cassatie] het voorwerp van de (initiële) aanvraag op onduidelijke en tegenstrijdige wijze had gekwalificeerd. Het eerste middel is gegrond. […] Overige middelen Gelet op de beoordeling van het eerste middel, waaruit blijkt dat de bestreden beslissing onwettig is, dienen het tweede en derde middel niet te worden beoordeeld, omdat het niet kan leiden tot een ruimere vernietiging.” De verzoekende partij stelt vast dat de RvVb het deputatiebesluit vernietigt omdat op onvoldoende gemotiveerde wijze werd afgeweken van het ongunstig advies van de POVC, met name wat betreft de planologische verenigbaarheid van het project met de bestemming agrarisch gebied. De verzoekende partij wijst vervolgens op volgende motieven van het bestreden arrest: “Bevel met toepassing van artikel 37 DBRC[…]
- Artikel 37, § 1 DBRC[…] verleent de [RvVb] een injunctiebevoegdheid. De [RvVb] kan na de vernietiging van de bestreden beslissing aan [het bestuur] bevelen om een nieuwe beslissing te nemen binnen een door hem te bepalen ordetermijn, met inachtneming van de overwegingen in zijn arrest, waarbij hij kan opleggen dat er bij de totstandkoming van deze beslissing welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten worden betrokken of dat daarbij geen welbepaalde onregelmatige of kennelijk onredelijke motieven mogen worden betrokken, dan wel dat hieraan voorafgaand welbepaalde procedurele handelingen moeten worden gesteld.
- Bij de beoordeling van het middel werd vastgesteld dat het advies van de POVC steunt op de bijkomende gegevens van 16 augustus 2023 van de [verzoekende partij in cassatie], maar zich nog niet heeft kunnen uitspreken over de bijkomende gegevens die pas zijn voorgelegd in de nota van 28 augustus 2023 met aanvullende stukken. Gelet op de beoordeling van het eerste middel, is het aangewezen om aan de [deputatie] de injunctie op te leggen om voor de herbeoordeling van de aanvraag een nieuw advies te vragen aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie, met inbegrip van de gegevens die de [verzoekende partij in cassatie] nog heeft bijgebracht met de nota van 28 augustus 2023 en desgevallend actuele gegevens over haar activiteiten.” De verzoekende partij zet uiteen dat de discussie voor de RvVb betrekking heeft op de vraag of de deputatie kon afwijken van het ongunstig advies VII-42.760-5/10 van de POVC. Volgens de verzoekende partij kon de deputatie hiervan afwijken omdat het advies van de POVC niet actueel was, want niet gebaseerd op de meest recente gegevens die de verzoekende partij had aangeleverd. Zij wijst erop dat het advies van de POVC overigens niet bindend is. De verzoekende partij stelt vast dat het bestreden arrest bevestigt dat het advies van de POVC niet gebaseerd is op de meest recente gegevens en zelfs de injunctie oplegt om bij de herbeoordeling van het dossier een nieuw advies te vragen van de POVC dat rekening houdt met de gegevens bijgebracht op 28 augustus 2023 en desgevallend ook actuele gegevens over de activiteiten van de verzoekende partij. Hiermee geeft de RvVb volgens de verzoekende partij, minstens impliciet, aan dat het advies van de POVC niet actueel is. Anderzijds beslist de RvVb toch dat op onvoldoende gemotiveerde wijze werd afgeweken van dat advies. Dit is volgens de verzoekende partij een tegenstrijdige motivering. Volgens de verzoekende partij kan de RvVb niet enerzijds bepalen dat het advies van de POVC niet is gebaseerd op de meest actuele informatie uit het aanvraagdossier, en anderzijds oordelen dat de deputatie op onvoldoende gemotiveerde wijze afwijkt van dit advies. Dat een verouderd advies niet wordt gevolgd, is volgens de verzoekende partij evident. In die optiek zou de motivering van het bestreden arrest niet alleen tegenstrijdig zijn, maar ook ontoereikend. Er zou immers uit de motieven niet kunnen worden afgeleid waarom de RvVb oordeelt dat de beslissing op onwettige wijze afwijkt van het advies van de POVC, terwijl het advies zelf niet (meer) actueel is. Wilde de RvVb tot die beoordeling komen, had hij volgens de verzoekende partij moeten aangeven waarom het advies volgens hem nog relevant is. Volgens de verzoekende partij volstaat de vaststelling dat het advies van de POVC verouderd is om ervan af te wijken. VII-42.760-6/10 Beoordeling
- De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek.
- De in het middel aangehaalde motieven van het bestreden arrest die betrekking hebben op de beoordeling van het gegrond bevonden annulatiemiddel, worden voorafgegaan door volgende motieven: “De POVC oordeelt in het ongunstig advies van 17 augustus 2023 opnieuw dat de aanvraag niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, omdat het zuiver (of hoofdzakelijk) trainen van paarden tot renpaarden, geen (para-)agrarische activiteit is. De POVC gaat ook in op de gegevens die de [verzoekende partij in cassatie] verstrekt heeft in de nota van 16 augustus 2023 […]. De bestreden beslissing stelt over de bijkomende informatie die verstrekt is op 28 augustus 2023: […] Uit deze motivering blijkt opnieuw niet dat de [deputatie] de verenigbaarheid met de planologische voorschriften van het agrarisch gebied afdoende en zorgvuldig beoordeeld heeft in het licht van het (tweede) negatief verslag van de POVC. De POVC herhaalt haar standpunt uit het eerder negatief verslag dat ze een opleidingscentrum als hoofdactiviteit niet aanvaardt in agrarisch gebied. Ze herhaalt dat er sprake moet zijn van een als landbouw te beschouwen activiteit om eventueel een bijkomstige activiteit van het africhten van paarden te kunnen toelaten. Daarna stelt ze met concrete gegevens het nieuwe verhaal van de [verzoekende partij in cassatie] in vraag. Concreet meent ze dat er geen sprake is van een volwaardige paardenfokkerij, zelfs als de VII-42.760-7/10 aanvraag niet als een aparte inrichting wordt bekeken maar samen met de andere locatie van de [verzoekende partij in cassatie], omdat de [verzoekende partij in cassatie] niet bewijst dat de fokactiviteiten door haar zelf en ter plaatse gebeuren. Volgens de POVC is er slechts sprake van een paardenfokkerij wanneer de [verzoekende partij in cassatie] het fokken van paarden daadwerkelijk zelf doet op locatie aan de [B] en die fokactiviteiten een volwaardig inkomen genereren. Dit ongunstig standpunt van de POVC steunt op de bijkomende nota van 16 augustus 2023 van de [verzoekende partij in cassatie]. De [deputatie] verwijst naar de laatste bijkomende informatie van de [verzoekende partij in cassatie] van 28 augustus 2023 en leidt hieruit af dat het wel degelijk een fokkerij is en dus in overeenstemming met de landbouwbestemming. Daarbij geeft ze in de bestreden beslissing enkel aan dat het africhten van de paarden gebeurt op de site aan de [B]. Nochtans benadrukte de POVC uitdrukkelijk dat er maar sprake kan zijn van een paardenfokkerij als hoofdactiviteit wanneer ook het fokken van paarden op diezelfde site gebeurt en door de [verzoekende partij in cassatie] zelf. Dit laatste heeft de [deputatie] niet onderzocht, minstens blijkt dit niet uit de motieven in de bestreden beslissing. Uit het onderzoek van de [deputatie] blijkt eerder het tegendeel gelet op de vaststelling in de bestreden beslissing dat de aanvraag kadert binnen ‘de uitbreiding van een trainingscentrum’ (zoals de [verwerende partij in cassatie] terecht opmerkt) en dat het fokken van de paarden ‘niet mogelijk is op de site van [de verzoekende partij in cassatie] zelf’ (zoals [de deputatie] zelf afleidt uit de laatste bijkomende informatie van 28 augustus 2023 van de [verzoekende partij in cassatie]). Om welke reden ze dan in afwijking van het advies van de POVC besluit dat het fokken niet ter plaatse moet gebeuren om het bedrijf als een fokkerij te beschouwen, blijft evenwel onduidelijk.”
- Uit deze motieven blijkt dat de RvVb niet heeft vastgesteld of geoordeeld dat het ongunstig advies van de POVC van 17 augustus 2023 niet meer actueel was ten tijde van de bestreden vergunningsbeslissing. Het arrest oordeelt enkel dat de bijkomende gegevens die de verzoekende partij na dat ongunstig advies heeft bezorgd aan de deputatie, en waarop de deputatie zich beroept om af te wijken van dat advies, niet van aard zijn de uitgangspunten van dat ongunstig advies te ontkrachten. Uit de omstandigheid dat het bestreden arrest aan de deputatie vervolgens de injunctie geeft om “voor de herbeoordeling van de aanvraag een nieuw advies te vragen aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie, met inbegrip van de gegevens die de [verzoekende partij in cassatie] nog heeft VII-42.760-8/10 bijgebracht met de nota van 28 augustus 2023 en desgevallend actuele gegevens over haar activiteiten” volgt evenmin dat de RvVb heeft geoordeeld dat het ongunstig advies van de POVC van 17 augustus 2023 niet meer actueel was ten tijde van de bestreden vergunningsbeslissing. Met deze injunctie wil de RvVb zich enkel ervan verzekeren dat de beslissing die na zijn (tweede) vernietigingsarrest zal worden genomen, wordt voorafgegaan door een nieuw advies van de POVC dat rekening houdt met de meest actuele stand van zaken. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motieven berust aldus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het middel kan niet worden aangenomen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.760-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.760-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.901 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div