← België

Arrest 265903 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.903 Rolnummer: A. 242805/VII-42630 Zaak: Arrest 265903 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-12 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.903 van 5 maart 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.903 van 5 maart 2026 in de zaak A. 242.805/VII-42.630 In zake : F.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Ryckalts en Bruno Lenssens kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partij : de NV V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tariq Pels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Michel De Braeystraat 52/109 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 22 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0918 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 18 juli 2024 in de zaak 2223-RvVb-1032-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 oktober
  3. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. VII-42.630-1/19 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 januari
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 8 mei 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Boris Cresens, die loco advocaten Thomas Ryckalts en Bruno Lenssens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bart De Becker, die loco advocaat Tariq Pels verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-42.630-2/19 III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  6. Verzoeker heeft een pleitnota ingediend met een schriftelijke repliek op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. In zoverre de pleitnota een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt ze beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
  7. Het college van burgemeester en schepenen van Herselt verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een industrieel gebouw en voor de exploitatie van een bouwonderneming. Onder meer verzoeker tekent hiertegen bestuurlijk beroep aan. 4.
  8. Tijdens de beroepsprocedure dient de tussenkomende partij gewijzigde plannen in. Bij besluit van 6 juli 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het bestuurlijk beroep ongegrond, en verleent zij de vergunning overeenkomstig de gewijzigde plannen, en onder voorwaarden. 4.
  9. Met het bestreden arrest verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvB) het beroep tot nietigverklaring dat onder meer verzoeker heeft ingesteld tegen het deputatiebesluit van 6 juli
  10. VII-42.630-3/19 V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoeker voert de schending aan van: - de bewijskracht van het arrest van de RvVb van 9 maart 2023 met nummer RvVb-A-2223-0635, - de artikelen 30, 63, 64 en 74 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), - de artikelen 4.2.1, 4.2.3 en 4.3.1, § 1, tweede en derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), - artikel 7.2.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), - artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), en - artikel 149 van de Grondwet. Hij komt in dit middel op tegen de beslissing tot verwerping van het tweede annulatiemiddel dat de verzoekende partijen voor de RvVb hadden opgeworpen. Het cassatiemiddel wordt verdeeld in twee onderdelen.
  12. In het eerste middelonderdeel zet verzoeker uiteen dat de verzoekende partijen voor de RvVb hebben aangevoerd dat het bestreden vergunningsbesluit artikel 4.3.1, § 1, derde lid, VCRO en artikel 30, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet schendt omdat voor de middels het opleggen van voorwaarden vergunde planaanpassingen geen verzoek tot wijziging werd ingediend door de tussenkomende partij, dat zij daarbij hebben verwezen naar het VII-42.630-4/19 arrest van de RvVb van 9 maart 2023 met nummer RvVb-2223-0635, en dat het bestreden arrest hieromtrent stelt: “Het door de verzoekende partijen aangehaalde arrest van 9 maart 2023 met nummer RvVb-2223-0635 doet niet anders besluiten. De [RvVb] spreekt zich in dat arrest immers niet uit over de vraag of de vrijstellingsregeling al dan niet van toepassing is en oordeelt enkel dat een aanpalende belang heeft bij een middel dat gericht is tegen een constructie (een verliesput) die bij wijze van vergunningsvoorwaarde is opgelegd en een impact kan hebben op de plaatselijke waterhuishouding.” Volgens verzoeker miskent de RvVb zodoende de inhoud van het arrest waarnaar hij zelf verwijst. In dat arrest wordt immers niet louter een standpunt ingenomen over het belang van een verzoekende partij, maar wordt ook een inhoudelijke beoordeling gemaakt aangaande de mogelijkheid die een vergunningverlenende overheid heeft bij het opleggen van een voorwaarde die voorziet in een constructie. Aan die inhoudelijke beoordeling zou het bestreden arrest volgens verzoeker zijn voorbijgegaan. Verzoeker leest in het bestreden arrest ook niet waarom anders zou moeten worden geoordeeld dan in het arrest van 9 maart
  13. De omstandigheden zijn nochtans gelijkaardig, en het is verzoeker niet duidelijk op basis waarvan de RvVb tot een andere conclusie komt. Zodoende schendt het arrest volgens verzoeker ook artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker stelt vervolgens vast dat uit de bestreden vergunningsbeslissing zeer duidelijk blijkt dat het project niet voor vergunning in aanmerking komt zonder het opleggen van de voorwaarde die de tussenkomende partij verplicht tot het oprichten van een voorbehandelingsinstallatie. De voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing van 6 juli 2023 zou echter niet spreken over het vrijstellingsbesluit, en een mogelijke toepassing van het vrijstellingsbesluit zou niet zijn onderzocht tijdens de administratieve procedure. De RvVb zou nochtans menen dat dit impliciet wel gebeurde, doch niet duidelijk maken waarop hij zich baseert. Het was volgens verzoeker de tussenkomende partij die als eerste, in haar schriftelijke uiteenzetting voor de RvVb, op de toepassing van het VII-42.630-5/19 vrijstellingsbesluit heeft gewezen. Als reactie hierop zouden dan de verzoekende partijen voor de RvVb hebben aangevoerd dat van een zorgvuldige overheid mag verwacht worden dat de mogelijke toepassing van het vrijstellingsbesluit op een dergelijke vergunningsvoorwaarde zou worden onderzocht. Hierop antwoordde de RvVb volgens verzoeker dat de verzoekende partijen voor de RvVb “geen belang [hebben] bij deze kritiek omdat ze er niet in slagen om aan te tonen dat een toepassing van het Vrijstellingsbesluit onrechtmatig zou zijn”. Volgens verzoeker kan de RvVb hierin niet gevolgd worden. Uit vaste rechtspraak, de ratio legis van het vrijstellingsbesluit, het omgevingsvergunningsdecreet en de VCRO volgt volgens verzoeker immers dat het vrijstellingsbesluit een uitzondering is op de principiële vergunningsplicht, die restrictief moet worden geïnterpreteerd. Een voorbehandelingsinstallatie is steeds vergunningsplichtig op grond van artikel 4.2.1 VCRO, tenzij ze zou kunnen vallen onder de voorwaarden van het vrijstellingsbesluit (artikel 4.2.3 VCRO). Wanneer dit niet werd onderzocht in de administratieve procedure, zou het volgens verzoeker niet toekomen aan de RvVb om achteraf te onderzoeken of het vrijstellingsbesluit kon worden toegepast, noch zou het aan de verzoekende partijen voor de RvVb toekomen om aan te tonen dat het vrijstellingsbesluit niet kon worden toegepast wanneer dit in de bestreden vergunningsbeslissing niet eens ter sprake kwam. De RvVb kon dan ook volgens verzoeker niet anders dan vaststellen dat tijdens de administratieve procedure niet werd nagegaan of de bewuste voorbehandelingsinstallatie onder toepassing van het vrijstellingsbesluit vrijgesteld kon worden van de vergunningsplicht. De RvVb zou ook ten onrechte de bewijslast omdraaien door te stellen dat de verzoekende partijen voor de RvVb maar moeten aantonen dat het vrijstellingsbesluit niet van toepassing is. De verzoekende partijen voor de RvVb konden dit echter niet doen in hun verzoekschrift nu het vrijstellingsbesluit niet ter sprake kwam in de bestreden vergunningsbeslissing.
  14. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat het bestreden arrest de artikelen 30 en 74 van het omgevingsvergunningsdecreet, artikel 4.3.1 VCRO en artikel 149 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 32 DBRC, miskent. VII-42.630-6/19 Hij wijst op de argumentatie van de verzoekende partijen voor de RvVb betreffende de vergunningsvoorwaarde tot het voorzien van een buffer. Het bestreden arrest zou stellen dat de verzoekende partijen voor de RvVb louter verwijzen naar de omzendbrief van 8 juli 1997 en pas voor het eerst in de toelichtende nota hebben aangevoerd dat de aanvraag ook getoetst moet worden aan de gewestplanvoorschriften. Het bestreden arrest stelt meer bepaald: “In het verzoekschrift was de adstructie van het tweede middel beperkt tot de kritiek dat de verwerende partij een planaanpassing heeft doorgevoerd door het opleggen van vergunningsvoorwaarden zonder dat de aanvrager zelf een initiatief had genomen om een planwijziging voor te stellen. De [RvVb] kan geen rekening houden met latere, in een toelichtende nota vermelde bijsturingen, aanpassingen of uitbreidingen van een middel, wanneer blijkt dat die al bij de indiening van het verzoekschrift vermeld hadden kunnen worden.” De RvVb zou aldus uitgaan van een foutieve lezing van het verzoekschrift tot nietigverklaring, en niet antwoorden op de grieven van de verzoekende partijen voor de RvVb. In het verzoekschrift werd volgens verzoeker inderdaad voorgehouden dat de opgelegde voorwaarde aangaande de buffering onvoldoende duidelijk is, maar werd daarenboven ook duidelijk gesteld dat het niet voorzien van een buffer bij een dergelijk bedrijf onwettig is, onder verwijzing naar de rechtspraak van de RvVb, met name het arrest van 24 september 2019 met nummer RvVb/A/1920/0079 dat betrekking heeft op de verplichting om de bufferzone in een randperceel van een industriegebied aan te leggen op het industrieterrein zelf. Met de uiteenzetting in de toelichtende nota zouden de verzoekende partijen voor de RvVb het middel niet hebben uitgebreid of aangepast, maar louter hebben herhaald wat reeds was opgenomen in het verzoekschrift en hebben gereageerd op de uiteenzetting van de tussenkomende partij. Door hiermee geen rekening te houden is er volgens verzoeker sprake van een motiveringsgebrek en een schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC. Ook zou de RvVb hiermee de inhoud van het verzoekschrift tot vernietiging miskennen. VII-42.630-7/19 Verzoeker zet ten slotte uiteen dat hij zich niet kan verzoenen met volgende beoordeling van de RvVb: “In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat er aan de zuidelijke perceelsgrens onvoldoende ruimte is om een buffer aan te leggen, laat staan een buffer van 15 m breed, merkt de [RvVb] op dat in de bestreden beslissing niet wordt opgelegd dat er aan de zuidelijke perceelsgrens een buffer van 15 m breed moet aangelegd worden. De voorwaarde behelst alleen dat de groenstrook daar versterkt moet worden met een rij inheemse bomen met onderliggende houtkant, zonder dat er een minimale breedte wordt opgelegd. Indien de uitvoering van die voorwaarde tot gevolg zou hebben dat er een deel van de aanwezige verharding zou moeten verwijderd worden, betreft dat een planaanpassing die echter wordt gedekt door het uitdrukkelijke verzoek van de tussenkomende partij om, voor zover als nodig, een vergunningsvoorwaarde op te leggen met het oog op de versterking van de bestaande groenbuffers. De verwerende partij heeft dus niet gehandeld in strijd met artikel 4.3.1, § 1, tweede en derde lid VCRO samen gelezen met artikel 30, eerste lid, [van het o]mgevingsvergunningsdecreet.” Volgens verzoeker is wat de RvVb beschrijft geen voldoende precieze voorwaarde die voldoende garantie geeft op de aanleg van een buffer, wat de verzoekende partijen voor de RvVb net aan de kaak wilden stellen. In de bestreden vergunningsbeslissing werd volgens verzoeker wel degelijk rekening gehouden met een breedte van 15 meter van de buffer. Het is echter volgens verzoeker onduidelijk of dit gerealiseerd kan worden, zodat dit niet louter als voorwaarde kon worden opgelegd in toepassing van artikel 4.3.1, § 1, VCRO en artikel 30 van het omgevingsvergunningsdecreet. Beoordeling Eerste onderdeel
  15. Het bestreden arrest overweegt: “De verzoekende partijen betwisten de toepasselijkheid van het Vrijstellingsbesluit, maar ze reiken geen gegevens aan waaruit bij voorbaat zou blijken dat het plaatsen van een bijkomende septische put geen van de vergunningsplicht vrijgestelde handeling zou zijn. De verzoekende partijen verwijzen slechts in algemene bewoordingen naar een aantal voorwaarden VII-42.630-8/19 van het Vrijstellingsbesluit, zonder daarbij een specifieke bepaling te benoemen en zonder die voorwaarden te betrekken op de voorliggende zaak. Het gegeven dat de septische put een onlosmakelijk deel uitmaakt van het project omdat deze als vergunningsvoorwaarde werd opgelegd, doet geen afbreuk aan de toepasselijkheid van het Vrijstellingsbesluit. Het door de verzoekende partijen aangehaalde arrest van 9 maart 2023 met nummer RvVb-A-2223-0635 doet niet anders besluiten. De [RvVb] spreekt zich in dat arrest immers niet uit over de vraag of de vrijstellingsregeling al dan niet van toepassing is en oordeelt enkel dat een aanpalende belang heeft bij een middel dat gericht is tegen een constructie (een verliesput) die bij wijze van vergunningsvoorwaarde is opgelegd en een impact kan hebben op de plaatselijke waterhuishouding.”
  16. Het bestreden arrest voegt aldus na de afwijzing van een argument van de verzoekende partijen een overweging toe waarin wordt uiteengezet waarom het door die partijen aangehaalde arrest van de RvVb van 9 maart 2023 “niet anders [doet] besluiten”. Het Belgische recht kent geen precedentenwerking. Het is de RvVb dan ook verboden om zijn beslissing te steunen op de oplossing die een bepaalde rechtsvraag heeft gekregen in een andere zaak. Wanneer de RvVb niettemin een rechterlijke uitspraak waarnaar een partij heeft verwezen ter ondersteuning van haar argumentatie in zijn beoordeling betrekt, gaat het dan ook om overtollige motieven die zijn beslissing niet kunnen schragen. In zoverre in het eerste middelonderdeel de schending wordt aangevoerd van de bewijskracht van het arrest van de RvVb van 9 maart 2023 en van de in artikel 149 van de Grondwet uitgedrukte rechterlijke motiveringsplicht, wordt de kritiek dan ook gericht tegen overtollige motieven en is het middelonderdeel niet ontvankelijk.
  17. In zoverre verzoeker aanvoert dat het bestreden arrest impliciet aanneemt dat de mogelijke toepassing van het vrijstellingsbesluit werd onderzocht tijdens de administratieve procedure, berust zijn kritiek op een verkeerde lezing van het arrest, en kan zij niet tot cassatie leiden. VII-42.630-9/19
  18. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In zoverre in het middelonderdeel kritiek wordt uitgebracht op de beoordelingen van het bestreden arrest dat: - de verzoekende partijen voor de RvVb geen belang hebben bij hun argument dat de verwerende partij moest nagaan of aan alle voorwaarden van het vrijstellingsbesluit voldaan is of kan worden, - het de verzoekende partijen voor de RvVb toekomt om aan te tonen dat het vrijstellingsbesluit niet kan worden toegepast, maakt verzoeker onvoldoende duidelijk hoe uit zijn kritiek een schending kan worden afgeleid van een als geschonden opgegeven wettelijke bepaling. Het middelonderdeel is ook in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  19. De kritiek dat het bestreden arrest zou uitgaan van een verkeerde lezing van het verzoekschrift van de verzoekende partijen voor de RvVb is vreemd aan de wettelijke bepalingen waarvan de schending in het tweede middelonderdeel wordt aangevoerd, en is bijgevolg niet ontvankelijk.
  20. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde VII-42.630-10/19 beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het bestreden arrest stelt vast dat de verzoekende partijen voor de RvVb de adstructie van het tweede annulatiemiddel in hun verzoekschrift hebben beperkt tot de kritiek dat de verwerende partij een planaanpassing heeft doorgevoerd door het opleggen van vergunningsvoorwaarden zonder dat de aanvrager zelf een initiatief had genomen om een planwijziging voor te stellen. Met het motief dat de RvVb geen rekening houdt met de in een toelichtende nota vermelde bijsturingen, aanpassingen of uitbreidingen van een middel, wanneer blijkt dat die al bij de indiening van het verzoekschrift vermeld hadden kunnen worden, heeft het bestreden arrest geantwoord op het argument van de verzoekende partijen voor de RvVb dat de aanvraag getoetst moet worden aan de gewestplanvoorschriften en dat er een voldoende buffer binnen het projectgebied moet worden ingericht. De aangevoerde schending van de rechterlijke motiveringsplicht mist feitelijke grondslag.
  21. Met zijn overige kritiek nodigt verzoeker de Raad van State uit om opnieuw te oordelen of de verwerende partij gehandeld heeft in strijd met artikel 4.3.1, § 1, VCRO en artikel 30 van het omgevingsvergunningsdecreet door de vergunningsvoorwaarde met betrekking tot de buffer op te leggen. Het is de Raad van State als cassatierechter echter niet toegelaten om in de beoordeling van de zaak zelf te treden (artikel 14, § 2, RvS-wet). Het middelonderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. VII-42.630-11/19 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  22. Verzoeker voert de schending aan van de bewijskracht van de stukken, van artikel 32 DBRC en van artikel 149 van de Grondwet. Hij komt in dit middel op tegen de beslissing van de RvVb tot verwerping van het derde annulatiemiddel dat de verzoekende partijen voor de RvVb hadden opgeworpen. Bij de beoordeling van dat derde annulatiemiddel overweegt het bestreden arrest: “De [RvVb] stelt vast dat in de mobiliteitsstudie niet wordt voorgehouden dat de activiteiten van de aanvrager en de voormalige eigenaar zonder meer gelijkaardig zijn. Zo staat in de mobiliteitsstudie te lezen dat de bouwactiviteiten (slechts) ‘enigszins vergelijkbaar’ zijn en worden de verschillen en gelijkenissen duidelijk toegelicht: […] De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het bedrijf [B.] veel groter wordt voorgesteld dan het in realiteit was, omdat er verwezen wordt naar tien werknemers. Uit de jaarrekening van 2020 blijkt dat er in het bedrijf ‘amper 1,7 VTE werden tewerkgesteld’, terwijl het bij de aanvrager om 36,1 VTE ging. De [RvVb] stelt vast dat in de betrokken passage van de mobiliteitsstudie wordt aangegeven dat het bedrijf [B.] ‘op haar hoogtepunt’ tien werknemers in dienst had. De verzoekende partijen tonen niet aan dat die stelling feitelijk incorrect is. Ze tonen immers niet aan dat de jaarrekening van 2020 de toestand van het bedrijf ‘op haar hoogtepunt’ weerspiegelt. […] De kritiek van de verzoekende partijen miskent de inhoud van de mobiliteitsnota en de bestreden beslissing en mist dan ook feitelijke grondslag. De mobiliteitsstudie houdt immers niet voor dat leveranciers slechts enkele malen per jaar komen leveren. Er wordt integendeel aangegeven dat er twee tot drie leveringen met vrachtwagens en een zestal leveringen met een bestelwagen per week verwacht worden. Uit de tabel met het overzicht van de leveringen, die is opgenomen in de mobiliteistsstudie en hernomen in de bestreden beslissing, kan afgeleid worden dat slechts welbepaalde leveranciers enkele keren per jaar langskomen. Het gaat dan meer bepaald om een vrachtwagen (trekker oplegger 40 ton) voor de levering van leien (4x per jaar), een vrachtwagen (tankwagen) voor het ledigen van putten (2x per jaar) en een vrachtwagen (geen trekker oplegger) voor de VII-42.630-12/19 levering van ladderhaken en andere kleine metalen elementen (5x per jaar). De verzoekende partijen betrekken deze gegevens niet in hun kritiek. Evenmin betwisten of ontkennen ze de aanname in de mobiliteitsstudie en de bestreden beslissing dat materieel en materialen veelal rechtstreeks op de werven worden geleverd en slechts occasioneel ook op de site van het bouwbedrijf. Verder werd in de mobiliteitsstudie wel degelijk opgenomen dat er dagelijks een eigen vrachtwagen zal rijden tussen de werven en de werkplaats. Er wordt immers toegelicht dat aannemer [B.] een vrachtwagen had die dagelijks tussen de site en de werven reed en dat dit ook bij de activiteiten van [de tussenkomende partij] het geval zal zijn.” Verzoeker laat gelden dat de verzoekende partijen voor de RvVb nochtans in het verzoekschrift hadden opgeworpen: “In het kader van de beroepsprocedure werd tevens opgeworpen dat de aanvrager de vergunningverlenende overheid tracht te misleiden door foutieve gegevens op te nemen in de mobiliteitsstudie. Zo moet in hoofdzaak verwezen worden naar de mobiliteitsnota, waar wordt uitgegaan van de foute premisse dat de activiteiten van [de tussenkomende partij] gelijkaardig zijn aan deze van [B.], de voormalige eigenaar en gebruiker van het perceel van de aanvraag. De mobiliteitsnota is in deze ook intern tegenstrijdig […]. Zo wordt gesteld op pagina 3 dat er bij [B.] geen permanente activiteit was op de site, behalve boekhouding en administratie, terwijl er bij [de tussenkomende partij] wel handenarbeid zal worden uitgevoerd op de site. In de mobiliteitsnota wordt vervolgens beweerd dat [B.] 10 werknemers in dienst had die zich verplaatsten van en naar het bedrijf, terwijl [de tussenkomende partij] 40 mensen tewerkstelt. Dit is reeds een groot verschil, doch men neemt hier kennelijk een loopje met de waarheid. Zo stelt men het bedrijf [B.] veel groter voor dan het in realiteit was. Het ging wel degelijk om een kleinschalige aannemer. Zo blijkt alvast uit de jaarrekening voor het boekjaar 2020, amper 1,7 VTE werden tewerkgesteld bij [B.]: […] De mobiliteitsstudie werd niet objectief opgemaakt en gaat uit van foutieve gegevens. De conclusie van deze mobiliteitsstudie kon dus niet zondermeer worden aangenomen. Het aantal leveringen via zware vracht wordt duidelijk onderschat. Er kan niet worden aangenomen dat leveranciers slechts enkele malen per jaar komen leveren. Klaarblijkelijk zal ook een eigen vrachtwagen dagelijks rijden tussen de werven en de werkplaats, dit werd evenwel niet opgegeven onder de titel leveringen en zwaar verkeer. Ook werd het ophalen van de afvalstoffen niet mee in rekening gebracht in de mobiliteitsstudie. Het is tot slot opvallend dat de mobiliteitsdeskundige in de conclusie aangeeft dat een toekomstige ontsluiting van het kmo-gebied zal zorgen voor VII-42.630-13/19 een betere en veiligere ontsluiting. Dit is zoals reeds aangehaald een onzeker feit. Op heden is hiervoor geen enkel plan. De aanvrager stelt dat de meerderheid van de werknemers zich verplaatst met de fiets. Daarvoor wordt verwezen naar de huidige ligging van het bedrijf [van de tussenkomende partij]. Er wordt geen rekening gehouden met het feit dat ingevolge huidige aanvraag het bedrijf zich verder van de kern van Herselt zal bevinden én bovendien op 3 kilometer fietsen van de huidige hoofdzetel. Er kan dus verwacht worden dat minder werknemers zich zullen verplaatsen met de fiets. De aanvrager kan voor het bepalen van de noodzakelijke parkeerplaatsen dus niet zomaar uitgaan van de huidige situatie. In dit opzicht moet dan ook worden vastgesteld dat 16 parkeerplaatsen voor 40 werknemers en bezoekers ruim onvoldoende is. […] Het perceel kent bovendien een slechte Mobiscore van 5,4, openbaar vervoer is bovendien zeer beperkt. […] Er valt te verwachten dat een meerderheid van de werknemers regelmatig de wagen zal nemen voor het woon-werk verkeer. Het vermoeden dat werknemers zich voornamelijk zullen verplaatsen met de wagen wordt versterkt door het feit dat de aanvrager niet eens ruimte voorziet voor het stallen van fietsen. Hierover wordt in de mobiliteitsnota gesteld dat er ruimte zal worden voorzien in de loods, net zoals dit het geval is op de huidige site van [de tussenkomende partij]. Er wordt verwezen naar een foto van de huidige fietsenstalling. Hiermee wordt echter nog niet aangetoond dat in de nieuwe situatie tevens fietsenstalling kan voorzien worden. Het gaat daarenboven niet enkel om de hoeveelheid mobiliteit de aanvraag zal veroorzaken, maar tevens om de soort mobiliteit die onlosmakelijk verbonden is met het aangevraagde. In de omgeving zijn reeds enkele bedrijven gevestigd die zwaar vrachtverkeer genereren. De wegenis in het gebied heeft een gemiddelde breedte van 3 - 3,5 meter, hierdoor kunnen twee wagens elkaar niet kruisen, laat staan dat een vrachtwagen eenvoudig kan passeren. Er zijn geen uitwijkmogelijkheden, gelet dat de wegen begrensd worden door zachte bermen en baangrachten. De bestaande wegenis is duidelijk niet dienstig voor een dergelijk bedrijf als [de tussenkomende partij]. Niet enkel is de bestaande wegenis veel te smal, deze is bovendien niet aangelegd om aanhoudend zwaar vrachtverkeer te weerstaan.” Volgens verzoeker geeft de RvVb aan de mobiliteitstoets een uitleg die niet verenigbaar is met de inhoud ervan, en schendt hij zodoende de bewijswaarde van dat stuk. Zo stelt de RvVb dat de verschillen en gelijkenissen tussen de bedrijven van de tussenkomende partij en van B. duidelijk zijn, terwijl de verzoekende partijen voor de RvVb net hebben aangetoond dat de uitleg in de VII-42.630-14/19 mobiliteitsstudie intern tegenstrijdig is. In de studie wordt gesteld dat de activiteiten van de tussenkomende partij en B. gelijkaardig zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat de activiteiten op de locatie gelijkaardig zijn, en het is precies dat dat volgens verzoeker duidelijk blijkt uit de mobiliteitsnota: “Een verschil met de nieuwe activiteiten is wel dat er vroeger ten tijde van [B.] nagenoeg geen permanente activiteit was op de site (uitgezonderd de boekhouding en planning/administratie), in de nieuwe toestand bij [de tussenkomende partij] zal er wél handenarbeid worden uitgevoerd op de site. Daar waar vroeger bijna alle werknemers van het bouwbedrijf op de werven actief waren en rechtstreeks naar de werf reden zal er nu wel wat volk op de site tewerk gesteld zijn en/of van thuis naar de site rijden en dan vanaf de site met een werkbusje vertrekken en dus zal hun wagen of fiets daar de hele dag geparkeerd zijn.” Toch zou er volgens diezelfde mobiliteitsstudie een gelijkaardige (hoeveelheid) mobiliteit gegenereerd worden, wat volgens verzoeker weinig waarschijnlijk lijkt gezien op de site voorheen geen activiteiten waren, met uitzondering van planning en boekhouding. Verzoeker wijst ook op volgende passage in de mobiliteitsstudie: “Wat zwaar vervoer betreft blijft alles principieel ook vergelijkbaar: materieel en materialen worden veelal rechtstreeks op de werven geleverd en occasioneel ook op de site van het bouwbedrijf. Dat was vroeger zo en zal in de nieuwe toestand ook zo zijn. Aannemer [B.] had een vrachtwagen die ook dagelijks tussen de site en de werven reed. Occasioneel werden ook zeer grote tot zelfs uitzonderlijke transporten tot op de site geleverd ten tijde van de activiteiten van [B.]. Ook bij de activiteiten van [de tussenkomende partij] zal dit het geval zijn.” Deze passage strookt volgens verzoeker niet met de eerdere vaststelling dat er op de site voorheen geen permanente activiteit was en dit na vergunning wel het geval zal zijn. Ook de volgende passage: “Los van de nieuwe activiteiten van [de tussenkomende partij] die op alle vlakken gelijkaardig zijn dan ten tijde van [B.], bestaat er een risico van sluiproutes tussen Wolfsdonk en de hele KMO zone of zelfs voor verkeer VII-42.630-15/19 tout-court naar de N212 Blaubergsesteenweg langs Wezel, Zandstraat en Bleidenhoek” strookt volgens verzoeker niet met eerdere vaststellingen, noch met het voorwerp van de aanvraag dat voorziet in een smidse, steenkapperij, wasplaats en houtzagerij op de locatie, waar voorheen louter activiteiten van planning en boekhouding plaatsvonden samen met beperkte stockage. De RvVb kon volgens verzoeker dan ook onmogelijk voorhouden dat de activiteiten “enigszins vergelijkbaar” zijn, althans toch niet op de locatie van de aanvraag. Het bestreden arrest zou de mobiliteitsstudie uitleggen op een wijze die afbreuk doet aan de werkelijke inhoud van deze studie en meer, aan de inhoud van de aanvraag, en aldus de bewijskracht miskennen van de mobiliteitsstudie, van de verklarende nota en van andere stukken bij de aanvraag. Verzoeker wijst vervolgens nog op de stelling van het bestreden arrest dat de verzoekende partijen voor de RvVb niet aantonen dat de jaarrekening van B. van 2020 de toestand van de onderneming “op haar hoogtepunt” weerspiegelt. Hij laat gelden dat de mobiliteitsstudie niet verduidelijkt wanneer de tien vaste werknemers daar werkzaam zouden zijn geweest of wanneer het “hoogtepunt” moet worden gesitueerd. Voor de RvVb hebben de verzoekende partijen volgens verzoeker aangetoond dat wanneer B. op de site actief was, er slechts sprake was van twee vaste medewerkers, wat ook wel kan kloppen met de activiteiten van boekhouding en planning op de locatie. De RvVb zou echter stellen dat de verzoekende partijen niet bewijzen dat de stelling in de mobiliteitsstudie feitelijk onjuist is. Die vaststelling van de RvVb doet volgens verzoeker weinig afbreuk aan het feit dat de stelling in de mobiliteitsstudie onzinnig is. Het zogezegde “hoogtepunt” van de onderneming B. kan volgens verzoeker gesitueerd worden in de jaren 1980 of 1990, of op een andere locatie, doch in elk geval was er de laatste jaren maar sprake van maximaal twee vaste medewerkers. Het zou dan ook niet opgaan de aanvraag te vergelijken met een situatie die zich mogelijk in het verleden heeft voorgedaan en niet meer de situatie is zoals die laatst gekend was. In de laatste tien jaar zouden er immers in de omgeving ook allerhande zaken VII-42.630-16/19 zijn veranderd die een invloed konden hebben op de lokale mobiliteit. Verzoeker wijst erop dat de verzoekende partijen voor de RvVb concrete stukken hebben bezorgd die de aanzienlijke verschillen tussen de bestaande situatie en de gewenste situatie aantoonden, en voert aan dat hieraan niet zomaar kon worden voorbijgegaan. Verzoeker wijst ten slotte op een motiveringsgebrek, waar het bestreden arrest stelt: “De verzoekende partijen wijzen er in hun toelichtende nota voor het eerst op dat de wegenis ter plaatse deel uitmaakt van een fietsroute en frequent gebruikt wordt door fietsers en wandelaars. Dit betreft echter een nieuw element dat in de uiteenzetting van het derde middel in het verzoekschrift niet ter sprake is gekomen. Het gaat dus om een uitbreiding van het middel waarmee de [RvVb] geen rekening kan houden.” Volgens verzoeker kwam dit gegeven echter niet voor het eerst ter sprake in de toelichtende nota. In het verzoekschrift zou reeds duidelijk zijn gewezen op het feit dat voornamelijk het soort verkeer problematisch is voor de bestaande wegenis, en dat er sprake is van een fietsnetwerk in de omgeving. Er zou dan ook geen enkele reden zijn geweest om de beperkte aanvulling die reeds in het verzoekschrift was opgenomen, uit het debat te weren. Op die wijze wordt volgens verzoeker niet geantwoord op een grief onder het voorwendsel van ‘een nieuw element’. Hij besluit dat het arrest artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC schendt. Beoordeling
  23. De artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek verplichten de rechter de bewijskracht van akten te eerbiedigen. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift VII-42.630-17/19 een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, miskent echter de bewijskracht van die akte niet.
  24. Verzoeker verwijt de RvVb de bewijskracht te hebben miskend van de bij de aanvraag van de tussenkomende partij gevoegde mobiliteitsnota. Zijn argumentatie komt echter neer op een herhaling van de kritiek op deze mobiliteitsnota die de verzoekende partijen voor de RvVb hebben gevoerd, en waarin met name aan de mobiliteitsnota wordt verweten tegenstrijdigheden, misleidende gegevens en onjuiste beoordelingen van de plaatselijke mobiliteitssituatie te bevatten. In het bestreden arrest besluit de RvVb, na een uitvoerige bespreking van de kritiek, dat de verzoekende partijen er niet in slagen hun beweringen in dit verband aan te tonen. Verzoeker legt niet op een voldoende nauwkeurige wijze uit hoe de RvVb daarbij aan de mobiliteitsnota een uitleg zou hebben gegeven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Hij nodigt de Raad van State met de aangevoerde schending van de bewijskracht van de mobiliteitsnota in werkelijkheid uit om opnieuw de kritiek op die nota te beoordelen. De Raad van State kan als cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf treden (artikel 14, § 2, RvS-wet). Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  25. Verzoeker voert ook in het algemeen aan dat ook de bewijskracht zou zijn miskend van de verklarende nota en van andere stukken bij de aanvraag, doch legt niet uit hoe het bestreden arrest de bewijskracht van die stukken zou hebben miskend, en maakt bovendien niet duidelijk over welke stukken het precies zou gaan. Het middel is ook in zoverre niet ontvankelijk.
  26. Met het in het middel aangehaalde motief dat niet wordt ingegaan op het argument dat de wegenis ter plaatse deel uitmaakt van een fietsroute en frequent gebruikt wordt door fietsers, omdat het een nieuw element is waarmee geen rekening wordt gehouden, heeft de RvVb geantwoord op dat argument. Uit de eventuele omstandigheid dat het niet om een nieuw element zou gaan, volgt geen schending van de rechterlijke motiveringsplicht. De aangevoerde VII-42.630-18/19 schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC kan niet worden aangenomen. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  28. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.630-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.903 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.