id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.906 Rolnummer: A. 247097/XII-10012 Zaak: Arrest 265906 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 05/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-12 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-06-18 06:36 Fiche Arrest nr 265.906 van 5 maart 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.906 van 5 maart 2026 in de zaak A. 247.097/XII-10.012 In zake: de BV DE BRUGSE PAARDENTRAM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nadia Decock kantoor houdend te 8370 Blankenberge Koning Albert-I-laan 84, glv bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonas De Wit en Julie Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
- de BV KOETSEN WENTEIN
- de BV RUNO
- de BV HIPPO TAXI
- de BV HIPPO SERVICE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 2F5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 5 januari 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge van 3 november 2025 waarbij dertien vergunningen worden verleend voor het maken van rondritten met huurkoetsen. XII-10.012-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 3 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 maart
- De nota met opmerkingen, het administratief dossier en de verzoeken tot tussenkomst werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nadia Decock, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Julie Swerts, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Meindert Gees, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij biedt in de stad Brugge rondritten aan met paardenkoetsen. 3.
- De exploitatie van paardenkoetsen is in de stad Brugge onderworpen aan een vergunningenstelsel en aan een bijzondere regeling in de gemeentelijke politieverordeningen. Deze regelgeving omvat onder meer XII-10.012-2/8 bepalingen inzake standplaatsen, beurtrolsystemen, operationele voorwaarden en toezicht. In artikel 4, § 2, van de politieverordening van 20 december 2021 ‘op toeristische rondritten en excursies’ wordt bepaald dat de lopende vergunningen voor het inrichten van toeristische rondritten of excursies in de stad, onder meer met huurkoetsen en -trams, verstrijken op 31 december 2025 en dat voor de daaropvolgende exploitatieperiode vergunningen zullen worden verleend op grond van een transparante marktbevragingsprocedure. 3.
- Op 26 mei 2025 beslist de gemeenteraad van de stad Brugge om een marktbevraging te starten voor onder meer het toekennen van dertien vergunningen voor huurkoetsen en drie vergunningen voor huurtrams voor de periode van 1 januari 2026 tot 31 december
- 3.
- De verzoekende partij dient op 23 juli 2025 een aanvraag in voor het verkrijgen van een vergunning voor de exploitatie van drie huurkoetsen en drie huurtrams. 3.
- Met de thans bestreden beslissing van 3 november 2025 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge dertien vergunningen voor het maken van rondritten met huurkoetsen in de stad. De vergunningen worden verdeeld over zeven exploitanten. De verzoekende partij verkrijgt een vergunning voor de exploitatie van één huurkoets. IV. Tussenkomst
- De bv Koetsen Wentein, de bv Runo, de bv Hippo Taxi en de bv Hippo Service blijken begunstigd te zijn door de bestreden beslissing waardoor zij er belang bij hebben dat de vordering wordt afgewezen.
- Bijgevolg moeten hun verzoeken tot tussenkomst worden ingewilligd. XII-10.012-3/8 V. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partij heeft op 18 februari 2026 een nota met opmerkingen ingediend waarin de middelen “nog wat meer toegelicht worden”. Ter terechtzitting vragen de verwerende partij en de tussenkomende partijen deze nota uit het debat te weren.
- Het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ voorziet er niet in dat de verzoekende partij een nota met opmerkingen als processtuk kan neerleggen. De nota met opmerkingen van de verzoekende partij wordt dan ook uit het debat geweerd. VI. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij niet over het vereiste belang beschikt om de integrale nietigverklaring van de bestreden beslissing na te streven. De belangen van de verzoekende partij zouden immers niet gediend worden door een nietigverklaring die meebrengt dat haar enige vergunning voor het exploiteren van een paardenkoets wegvalt.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XII-10.012-4/8 VII. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VIII. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de verzoekende partij
- Aangaande deze schorsingsvoorwaarde zet de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift het volgende uiteen: “Het moeilijk te herstellen nadeel ligt hem in het feit dat de vergunningen reeds van kracht zijn gegaan op 1 januari 2025 en deze gelden voor 10 jaar en dit voor verzoekster aanleiding heeft tot onomkeerbare economische gevolgen, die door een latere vernietiging niet ongedaan gemaakt kan worden. Er zal bovendien ook bekwaam personeel moeten ontslagen worden, waarvan geen zekerheid geboden kan worden dat bij een vernietiging van huidige beslissing en een her toebedeling van de vergunningen, waarbij verzoekster toch haar 2 koetsen bekomt, dit bekwaam personeel nog beschikbaar zal zijn. De schade die uit de uitvoering van het besluit voortvloeit is dus ernstig, actueel en onomkeerbaar, wat de noodzaak van een schorsing wettigt.” Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot XII-10.012-5/8 wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een — voortdurende — tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken. Er moet een causaal verband bestaan tussen de aangevoerde nadelige gevolgen en het bestreden besluit zodat deze nadelen voorkomen kunnen worden door een schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd.
- De verzoekende partij voert in de eerste plaats een financieel nadeel aan. Een financieel nadeel volstaat in beginsel niet om de behandeling van een zaak bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteit moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf door de bestreden beslissing daadwerkelijk in gevaar wordt gebracht. In de beknopte uiteenzetting van de verzoekende partij vallen dergelijke bijzondere redenen niet te bespeuren, laat staan dat ze met concrete verifieerbare gegevens worden onderbouwd. XII-10.012-6/8
- Voorts maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat zij ten gevolge van de bestreden beslissing vakbekwaam personeel zal moeten laten afvloeien. In dit verband wordt vastgesteld dat zij in de periode voorafgaand aan de bestreden beslissing slechts titularis was van een vergunning voor het maken van rondritten met één huurkoets. Bovendien valt op het eerste gezicht niet in te zien waarom personeelsleden die gebeurlijk niet langer ingezet kunnen worden voor het maken van rondritten met een huurkoets, niet werkzaam zouden kunnen zijn in het kader van de uitvoering van de rondritten met de drie paardentrams waarvoor de verzoekende partij een afzonderlijke vergunning heeft verkregen.
- De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond. IX. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De verzoeken van de bv Koetsen Wentein, de bv Runo, de bv Hippo Taxi en de bv Hippo Service tot tussenkomst worden ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering. XII-10.012-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Peter Sourbron XII-10.012-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.906 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div