id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 Rolnummer: A. 247324/XIV-40063 Zaak: Arrest 265935 - Overheidsopdrachten - 10/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-12 Raadplegingen: 137 - laatst gezien 2026-06-18 06:37 Fiche Arrest nr 265.935 van 10 maart 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 no lien 288058 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.935 van 10 maart 2026 in de zaak A. 247.324/XIV-40.063 In zake: de BV R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sebastiaan De Meue en Junior Geysens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de INTERCOMMUNALE VOOR VUILVERWIJDERING EN- VERWERKING VOOR VEURNE EN OMMELAND (IVVO), opdrachthoudende vereniging, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Gentse Steenweg 323 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan door advocaat Flora Wauters kantoor houdende te 9770 Kruisem Simaeyzestraat 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 februari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 27 januari 2026 van de raad van bestuur van de Intercommunale Vereniging voor Vuilverwijdering en -verwerking voor […] Veurne en Ommeland (‘I.V.V.O.’) tot gunning van de overheidsopdracht met als voorwerp ‘Ophaling aan huis van rest- en GFT-afval in diftarcontainers’ en met referentie IVVO/2025/08 aan [een derde]”. II. Verloop van de rechtspleging XIV-40.063-1/18
- Bij beschikking van 12 februari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026 om 11:00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaten Sebastiaan De Meue en Junior Geysens, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp “Ophaling aan huis van rest- en GFT-afval in diftarcontainers”. De opdracht wordt geraamd op 2.897.444,81 euro (btw niet inbegrepen) of 3.505.908,22 euro (btw inbegrepen). De gekozen plaatsingsprocedure is de openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. XIV-40.063-2/18 3.
- In het bestek dat op de opdracht van toepassing is, wordt de opdracht als volgt toegelicht: “Ophaling aan huis van rest- en/of gft-afval in containers in de gemeenten Ieper, Poperinge, Heuvelland, Mesen, Vleteren, Lo-Reninge, Alveringem, Veurne, Diksmuide en Nieuwpoort. De opdracht is opgedeeld in vaste en voorwaardelijke gedeelten conform artikel 57 Wet Overheidsopdrachten: Vast gedeelte ‘Rest- en GFT-afval te Ieper, Poperinge, Veurne, Diksmuide, Heuvelland, Mesen, Vleteren, Lo-Reninge en Alveringem’ […] Voorwaardelijk gedeelte ‘GFT-afval Nieuwpoort’ […]” Met betrekking tot de prijsvaststelling wordt het volgende bepaald in punt I.4 van het bestek: “De opdracht wordt beschouwd als een opdracht tegen prijslijst. De opdracht tegen prijslijst is een opdracht waarbij de eenheidsprijzen voor de verschillende posten forfaitair zijn en de hoeveelheden, voor zover er hoeveelheden voor de posten worden bepaald, vermoedelijk zijn of worden uitgedrukt binnen een vork. De posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gepresteerde hoeveelheden. De opdracht wordt gegund op basis van de eenheidsprijzen opgegeven in de offerte. Bij het opstellen van de lastvoorwaarden van deze opdracht beschikt de aanbestedende overheid nog niet over de exact benodigde hoeveelheden. Daarom zijn de vermoedelijke hoeveelheden louter indicatief. Zij binden de aanbesteder op geen enkele wijze. De opdrachtnemer kan geen schadevergoeding eisen indien deze vermoedelijke hoeveelheden niet bereikt worden. De prijzen die opgegeven worden, zijn verplicht uitgedrukt in euro en afgerond tot maximaal 4 cijfers na de komma. De inventaris werd als volgt opgemaakt: • Prijs per gemeente en per afvalfractie Per gemeente dient er per afvalfractie (nl. rest of GFT) als volgt prijs worden opgegeven: - Vast prijsgedeelte op basis van het aantal inwoners. (Uitgedrukt in €/inwoner/jaar). Het aantal inwoners wordt jaarlijks per 1 januari aangepast aan de meest recente en beschikbare gegevens volgens Statbel. - Variabel prijsgedeelte op basis van het aantal geledigde containers via inzameling van rest- of GFT-afval met gewichtsdiftar op jaarbasis. Het vast prijsgedeelte gebaseerd op het aantal inwoners moet per gemeente, per jaar en per afvalfractie minimaal 60 % en mag maximaal 80 % bedragen XIV-40.063-3/18 van de totale jaarlijkse vergoeding voor de huis-aan-huis ophaling per gemeente en per afvalfractie. Een fictief voorbeeld ter verduidelijking: […] • Prijs per groep soortgelijke gemeenten Groep 1 Gemeenten : Ieper, Poperinge, Diksmuide en Veurne Type gemeente = grotere gemeente >10.000 inw - ophaling restafval via restafvalcontainers en met kleine restafvalzakken – ophaling gft-afval uitsluitend via gft-containers Groep 2 Gemeenten : Vleteren, Lo-Reninge, Alveringem, Heuvelland, Mesen Type gemeente = kleinere gemeente ophaling gft-afval uitsluitend via gft-containers De kostprijs per inwoner per gemeente binnen elke groep mag slechts maximaal 10% in meer afwijken van het gewogen gemiddelde van de kostprijs per inwoner van de betrokken groep van gemeenten. De kostprijs per inwoner per gemeente wordt als volgt berekend: • de totale kostprijs per gemeente = vast prijsgedeelte obv aantal inwoners aantal inwoners + variabel prijsgedeelte obv aantal geledigde containers aantal geledigde containers • de kostprijs per inwoner = totale kostprijs per gemeente / aantal inwoners van die gemeente Het gewogen gemiddelde van de kostprijs per inwoner per groep van gemeenten wordt als volgt berekend : • de totale kostprijs per groep van gemeenten = de som van de kostprijs van alle gemeenten binnen die groep (dus inclusief vast en variabel gedeelte) • het gewogen gemiddelde van de kostprijs per inwoner per groep = de totale kostprijs per groep van gemeenten / som van het aantal inwoners van diezelfde groep van gemeenten De kostprijs per inwoner per gemeente mag slechts maximaal 10% in meer afwijken van het gewogen gemiddelde van de kostprijs per inwoner van de betrokken groep van gemeenten. Een fictief voorbeeld ter verduidelijking: […] • Jaarlijkse totaalprijs voor gebruik en onderhoud identificatie- en weegsysteem (zie post 37 van de betrokken inventaris) De opdrachtnemer dient een jaarlijkse totaalprijs op te geven voor het gebruik, onderhoud en ijking van alle ingezette identificatie- en weegsystemen zoals omschreven in paragraaf “III.7 Boordapparatuur” van huidig bestek. Bijzondere bepalingen: […] Elementen in de prijs begrepen : XIV-40.063-4/18 De inschrijver wordt verondersteld in zijn prijzen alle kosten en heffingen van welke aard en omvang ook die op de opdracht wegen te hebben ingerekend, waaronder:
- de administratie en het secretariaat;
- het transport en de daarbij horende kilometerheffing van het afval naar de verwerker, met uitzondering van de btw en de verzekering;
- de documentatie die met de diensten verband houdt;
- de levering van documenten of stukken die inherent zijn aan de uitvoering;
- de verpakkingen;
- de voor het gebruik noodzakelijke vorming;
- in voorkomend geval, de maatregelen die door de wetgeving inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers worden opgelegd voor de uitvoering van hun werk” Het bestek vermeldt als gunningscriteria: prijs (gewicht: 80), kwaliteit en technische waarde van de ingezette middelen (gewicht: 10) en kwaliteit van de voorgestelde diensten (gewicht: 10). Het tweede gunningscriterium wordt in het bestek als volgt verduidelijkt: “Dit gunningscriterium wordt beoordeel[d] op basis van de volgende elementen […] o.a.: - De technische kenmerken, de kwaliteit en de milieuvriendelijkheid van de voertuigen en reservevoertuigen (zie ook paragraaf ‘III.6 Beschrijving van de voertuigen’ van huidig bestek; - Richtlijn (EU) 2019/1161 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen(zie ook paragraaf ‘III.6 Beschrijving van de voertuigen’ van huidig bestek); - De inzet en de voorziene bijscholingen van het uitvoerend personeel bv. op basis van de opleidingsuren zoals vermeld in de laatste neergelegde sociale balans (zie ook paragraaf ‘III.10 Personeel’ van huidig bestek); - Modaliteiten inzake hygiëne en inzake onderhoud van de voertuigen en bijbehorende uitrusting (zie ook paragrafen ‘III.6 Beschrijving van de voertuigen’ en ‘III.7 Boordapparatuur’) van huidig bestek” Daarbij bepaalt het bestek ook de beoordelingsmethodiek voor dit gunningscriterium onder de vorm van een ordinale schaal. 3.
- Drie inschrijvers dienen een offerte in, onder wie de verzoekende partij, die tevens zittende opdrachtnemer is. 3.
- Op 16 januari 2026 wordt een gunningsverslag opgesteld. XIV-40.063-5/18 De drie offertes worden onderworpen aan een regelmatigheidsonderzoek. Met betrekking tot het prijsonderzoek, vermeldt het gunningsverslag: “4.2.
- Prijs- of kostenonderzoek (art. 35 KB Plaatsing) De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende offertes aan een prijs- of kostenonderzoek conform art. 35 KB Plaatsing. Uit het prijs- of kostenonderzoek blijkt dat er geen prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal hoog of laag lijken. Bijgevolg wordt geen van de inschrijvers onderworpen aan een verdere prijs- of kostenbevraging” Alle offertes worden regelmatig bevonden. Na toetsing van de offertes aan de gunningscriteria wordt de offerte van de bv L. als eerste gerangschikt met een totaalscore van 99 %. De offerte van de verzoekende partij wordt als tweede gerangschikt met een totaalscore van 94,99 %. De derde inschrijver behaalt een totaalscore van 66,67 %. Voorgesteld wordt om de opdracht te gunnen aan de bv L. 3.
- Op 27 januari 2026 beslist de raad van bestuur van I.V.V.O. om de opdracht met als voorwerp ‘Ophaling aan huis van rest- en GFT-afval in diftarcontainers’ overeenkomstig het gunningsverslag te gunnen aan de bv L. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Met een e-mailbericht en aangetekend schrijven van 28 januari 2026 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- De partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. XIV-40.063-6/18 Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. V. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Betreffende de eis tot samenvatting van de aangevoerde grieven
- Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid van dat besluit – van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin, zoals te dezen, nog geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630).
- Het verzoekschrift bevat weliswaar een uiteenzetting van het enig middel met een zeer beknopte uiteenzetting van de wijze waarop de in het middel aangehaalde normen zijn geschonden (“doordat”) en een zeer beknopte ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 XIV-40.063-7/18 uiteenzetting van de wijze waarop die normen hadden moeten worden toegepast (“terwijl”), maar het bevat geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl het verzoekschrift omstandige toelichtingen over meerdere pagina’s bevat, waarin de verzoekende partij in detail en concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Het komt aan de Raad van State niet toe om, in de plaats van deze partij, te doen wat die partij moet doen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven begrijpt als hierna is gedaan. B. Betreffende de eis tot samenvatting van de argumenten van de verwerende partij
- Sinds 1 januari 2025 geldt als een van de algemene procedureregels die van toepassing zijn op elke vordering tot schorsing (hoofdstuk I van titel II van het koninklijk besluit van 19 november 2024), de verplichting dat, wanneer voor het beantwoorden van de middelen een nadere uiteenzetting nodig is, de nota met opmerkingen een samenvatting moet bevatten van de argumenten van de verwerende partij (art. 7, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 2024). Bij gebreke aan een afwijkende bijzondere regeling in hoofdstuk II van titel II van hetzelfde koninklijk besluit, is deze algemene verplichting eveneens van toepassing op een vordering tot schorsing die, zoals in dit geval, wordt ingesteld bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Derhalve moet de nota met opmerkingen een samenvatting van de aangevoerde argumenten bevatten, telkens wanneer voor het beantwoorden van de middelen een nadere uiteenzetting noodzakelijk is.
- In dit geval omvat het antwoord van de verwerende partij op de aangevoerde middelen uitvoerige opmerkingen, verspreid over meerdere bladzijden, waarin zij gedetailleerd en concreet ingaat op de argumenten die haar standpunt moeten schragen. Zij verzuimt evenwel om een samenvatting te geven van deze argumenten. XIV-40.063-8/18 Het komt aan de Raad van State niet toe om, in de plaats van deze partij, te doen wat die partij moet doen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verwerende partij moet verdragen dat de Raad van State de argumenten begrijpt als hierna is gedaan. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VII. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in het eerste en enig middel de schending aan van artikel 84 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016), de artikelen 33 en 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017), artikel 4, eerste lid, 8° van de wet van 17 juni 2013, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: wet van 29 juli 1991), het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, “doordat, verwerende partij besluit tot gunning van de voorliggende overheidsopdracht aan de besloten vennootschap [L.], omdat zij de economisch meest voordelige regelmatige offerte zou hebben ingediend, XIV-40.063-9/18 terwijl, de door de gekozen inschrijver in haar offerte opgegeven totaalprijs (3.622.941,79 EUR) als schijnbaar abnormaal voorkomt in de gegeven omstandigheden, met name omdat zij met die prijs 10 nieuwe Euro-6 ophaalwagens inzet, daar waar verzoekende partij, met een bijna identieke prijs (3.716.419,22 EUR), slechts 3 nieuwe en 7 bestaande Euro-6 ophaalwagens inzet; dat de schijnbare abnormaliteit van deze prijs ook wordt bevestigd door de totale offerteprijs (5.301.074,74 EUR) van de [derde gerangschikte inschrijver], dewelke 9 nieuwe Euro-6 ophaalwagens inzet; dat aldus sprake is van een schijnbaar abnormale prijs, minstens van een aanwijzing dat de prijs aangeboden door de gekozen inschrijver abnormaal laag zou kunnen zijn; dat verwerende partij in de gegeven omstandigheden dan ook had moeten overgaan tot een nader onderzoek van de offerte van de gekozen inschrijver; dat minstens geen doorgedreven inhoudelijke motivering voorligt om over de schijnbare abnormaliteit van totale offerteprijs van de gekozen inschrijver heen te stappen.” In de toelichting bij haar middel betoogt de verzoekende partij in essentie dat de verwerende partij in het kader van het prijsonderzoek op grond van artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 had moeten vaststellen dat de totale offerteprijs van de gekozen inschrijver als kennelijk abnormaal overkomt, gelet op de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak. De gekozen inschrijver heeft immers een totaalprijs geboden die iets lager is dan de prijs van de verzoekende partij en veel lager dan de prijs van de derde inschrijver terwijl de gekozen inschrijver erin voorziet om 10 nieuwe Euro- 6 ophaalwagens in te zetten en de verzoekende partij maar in 3 nieuwe wagens voorziet en voor de rest gebruik kan maken van bestaande voertuigen. Zij wijst erop dat het voorwerp van de opdracht de ophaling aan huis is van rest- en GFT- afval in diftarcontainers in de verschillende gemeenten die binnen het werkingsgebied van de verwerende partij vallen zodat redelijkerwijze aangenomen kan worden dat de verschillende inschrijvers bij het formuleren van hun prijzen rekening houden met dezelfde componenten, met name kosten voor de huur of aankoop van de ophaalwagens, onderhouds- en brandstofkosten voor die ophaalwagens, personeelskosten, overhead, administratiekosten en winstmarge. Zij voegt daaraan toe dat in het bestek een groot belang gehecht wordt aan de specificaties van de ophaalwagens, dat de ophaalwagens blijkens het bestek “uitsluitend” voor de betrokken opdracht worden ingezet en dat de aard en specificaties van de aangeboden ophaalwagens ook worden betrokken bij de XIV-40.063-10/18 beoordeling van de kwaliteit van de offertes en in het bijzonder het tweede gunningscriterium. De verzoekende partij benadrukt dat zij als zittende opdrachtnemer in staat was om een “scherpe” totale offerteprijs op te geven omdat zij een beroep kan doen op bestaande ophaalwagens die nog steeds voldoen aan alle normen, maar waarvan de aankoopprijs reeds volledig is afgeschreven tijdens de uitvoering van de vorige opdracht en aldus geen zware investeringskosten meer moet dragen voor haar ophaalwagens. Gelet op de aankoopprijs van een ophaalwagen die voldoet aan de bestekvereisten (ongeveer 290.400 euro, btw inbegrepen) en het feit dat deze aankoopprijs kan worden afgeschreven over zes of acht jaar, kan volgens de verzoekende partij redelijkerwijze worden gesteld dat de offerteprijs, die slechts op één jaar betrekking heeft, per nieuwe ophaalwagen een bedrag van 48.800 euro (290.400 euro/6) of 36.300 euro (290.400 euro/8) in aanmerking moet nemen. Logischerwijze zou de door de verzoekende partij aangeboden prijs dan ook slechts geëvenaard kunnen worden door een andere inschrijver die eveneens reeds afgeschreven ophaalwagens kan aanwenden. Voor de andere kosten, zoals brandstof en personeel, zijn er volgens haar immers slechts beperkte verschillen denkbaar. Gelet op het feit dat de gekozen inschrijver 7 nieuwe Euro-6 ophaalwagens méér moet inzetten dan de verzoekende partij, ligt het volgens haar in de rede dat haar totale offerteprijs significant hoger moet liggen dan de totale offerteprijs van de verzoekende partij, hetgeen niet het geval blijkt te zijn zodat de totaalprijs van deze inschrijver als kennelijk abnormaal voorkomt. Dit wordt volgens de verzoekende partij ook bevestigd doordat de totale offerteprijs van de derde gerangschikte inschrijver, die uitsluitend nieuwe Euro-6 ophaalwagens inzet, significant hoger ligt. Minstens rijst volgens de verzoekende partij de vraag of de gekozen inschrijver zijn totaalprijs niet laag houdt door op andere posten te besparen op een wijze die zou kunnen leiden tot de onregelmatigheid van de offerte, zoals miskenning van milieu-, arbeids-, fiscale- of sociale regels. De verwerende partij had dan ook een bijzonder prijsonderzoek overeenkomstig artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 moeten voeren dan wel een inhoudelijk doorgedreven motivering moeten opnemen om ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 XIV-40.063-11/18 over de schijnbaar abnormale prijs heen te stappen. De vermelding in het gunningsverslag dat de offertes aan een prijsonderzoek werden onderworpen conform artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 en dat daaruit zou gebleken zijn dat er geen prijzen worden aangeboden die abnormaal hoog of laag lijken, is nietszeggend en laat niet toe te begrijpen hoe het prijsonderzoek werd gevoerd en waarom de verwerende partij van oordeel is dat de totale offerteprijs van de gekozen inschrijver aanvaardbaar is, in weerwil van de schijnbare abnormaliteit. Beoordeling
- Artikel 84 van de wet van 17 juni 2016 luidt: “De aanbestedende overheid voert een prijzen- of kostenonderzoek uit op de ingediende offertes, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels. De Koning kan in uitzonderingen voorzien op het prijzen- of kostenonderzoek voor de door Hem te bepalen opdrachten. Op haar verzoek verstrekken de inschrijvers tijdens de plaatsingsprocedure alle nodige inlichtingen om dit onderzoek mogelijk te maken.” Artikel 33 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 luidt: “Na de verbetering van de offertes overeenkomstig artikel 34, gaat de aanbestedende overheid over tot het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 en, in geval van vermoeden van abnormaal hoge of lage prijzen of kosten, gaat zij over tot de in artikel 36 bedoelde prijzen- of kostenbevraging.” Artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 verplicht een aanbestedende overheid om de ingediende offertes te onderwerpen aan een prijs- of kostenonderzoek. Een aanbestedende overheid die overeenkomstig het zorgvuldigheidsbeginsel wenst te handelen, is ertoe gehouden de regelmatigheid van een offerte na te gaan. Een essentieel onderdeel van dit regelmatigheidsonderzoek bestaat erin na te gaan of de offerte geen abnormale prijzen bevat. Het algemeen prijsonderzoek is derhalve gericht op het detecteren XIV-40.063-12/18 van eventuele abnormale prijzen, en op de aanbestedende overheid rust in dit verband een onderzoeksplicht. Ter beoordeling of de aanbestedende overheid zorgvuldig te werk is gegaan bij het algemeen prijsonderzoek, moet die beoordeling worden gekaderd binnen de onderzoeksplicht van het algemeen prijsonderzoek enerzijds en binnen de beoordelingsbevoegdheid ter zake van de aanbestedende overheid. De onderzoeksplicht die op de aanbestedende overheid rust in het raam van het algemeen prijsonderzoek houdt in dat de aanbestedende overheid in deze eerste fase alleen moet nagaan of de in de offertes aangeboden prijzen abnormaal lijken, met andere woorden of de ingediende offertes een aanwijzing bevatten dat deze abnormaal zouden kunnen zijn. Dat kan met name het geval zijn wanneer de in een offerte aangeboden prijs aanmerkelijk hoger of lager is dan de prijs van de andere offertes of dan de gebruikelijke marktprijs. Indien de ingediende offerten geen dergelijke aanwijzing bevatten en dus niet abnormaal laag lijken, mag de aanbestedende overheid doorgaan met de evaluatie en de procedure tot gunning van de opdracht. De aanbestedende overheid beschikt ter zake over een beoordelingsruimte. De Raad van State mag, gesteld voor de toetsing van de beoordeling van de motieven van een aanbestedende overheid om prijzen al dan niet als (schijnbaar) abnormaal te beschouwen en om al dan niet met toepassing van artikel 36 van voormeld koninklijk besluit een prijsverantwoording te vragen, zijn eigen beoordeling niet in de plaats stellen van die van het bestuur. Het komt aan de Raad van State wel toe om desgevraagd na te gaan of de betrokken motieven om geen bijzonder onderzoek te voeren naar behoren zijn bewezen en of de beoordeling van het bestuur met de vereiste zorgvuldigheid is geschied.
- De kritiek die door de verzoekende partij in het enig middel wordt aangevoerd blijkt in het bijzonder betrekking te hebben op het gevoerde algemeen prijsonderzoek wat de totaalprijs van de offerte van de gekozen inschrijver betreft. De verzoekende partij steunt haar twijfels omtrent de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 XIV-40.063-13/18 zorgvuldigheid waarmee het prijsonderzoek inzake de totaalprijzen is uitgevoerd, in essentie op het beperkte verschil tussen haar totale offerteprijs en die van de gekozen inschrijver, terwijl zij slechts 3 nieuwe en 7 bestaande Euro-6 ophaalwagens inzet en de gekozen inschrijver 10 nieuwe Euro-6 ophaalwagens inzet. De verzoekende partij wordt niet bijgevallen in haar kritiek om de volgende redenen.
- Uit het gunningsverslag blijkt dat er drie regelmatige offertes werden ingediend voor de voorliggende opdracht, met volgende totale offerte- prijzen (btw inbegrepen): - de derde gerangschikte: 5.301.074,74 euro; - de verzoekende partij: 3.716.419,22 euro; - de gekozen inschrijver: 3.622.941,79 euro. Tevens blijkt uit het gunningsverslag dat de verwerende partij een algemeen prijs- en kostenonderzoek heeft gevoerd. Dit vindt op het eerste gezicht ook bevestiging in de als vertrouwelijk neergelegde stukken van het administratief dossier, die de Raad van State heeft kunnen inzien. Daaruit blijkt op het eerste gezicht dat de verwerende partij een algemeen prijsonderzoek heeft uitgevoerd waarbij zij onder meer de totale offerteprijs van elke offerte heeft vergeleken met de raming en met de gemiddelde offerteprijs en een maximale afwijking van 15% ten opzichte van de gemiddelde offerteprijs hanteerde om mogelijks abnormale prijzen op te sporen. Op basis daarvan heeft zij vastgesteld dat de prijs van de gekozen inschrijver minder dan 15% afweek van dat gemiddelde van de offerteprijzen. Daarnaast blijkt zij ook een prijsonderzoek te hebben uitgevoerd op de eenheidsprijzen.
- De verzoekende partij lijkt in haar kritiek eraan voorbij te gaan dat de totaalprijs van de gekozen inschrijver niet alleen minder dan 15% afweek van het gemiddelde van de offerteprijzen, maar ook dat de offerteprijs van de gekozen inschrijver, net als die van de verzoekende partij boven de raming ligt. In beginsel mag de door de aanbestedende overheid opgestelde raming mee als ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 XIV-40.063-14/18 maatstaf worden gehanteerd bij het prijsonderzoek. Dit lijkt in dit geval ook zo te zijn nu deze raming gebaseerd blijkt op de prijsgegevens van de vorige opdracht, die gegund werd aan de verzoekende partij. Het realistisch karakter van de raming op zich wordt door de verzoekende partij niet betwist. Er blijkt alvast niet dat de verwerende partij op grond van het algemeen prijsonderzoek dat ze voerde aan de hand van een vergelijking van de totaalprijzen onderling en in relatie tot de raming een duidelijke aanwijzing had moeten vinden die ernstige twijfels deed rijzen over het schijnbaar normaal karakter van de totaalprijs van de offerte van de gekozen inschrijver.
- In zoverre de verzoekende partij van oordeel is dat de verwerende partij dergelijke aanwijzing wel had moeten bespeuren in het feit dat de totale offerteprijs van de gekozen inschrijver lager is dan haar eigen totaalprijs in het licht van een vergelijking van de inzet van de voertuigen, lijkt de verzoekende partij haar eigen totaalprijs en haar eigen prijsopbouw, waarin slechts met de aankoop van drie nieuwe ophaalwagens rekening werd gehouden, als maatstaf naar voor te schuiven om de normaliteit van de totaalprijs van de gekozen inschrijver af te meten. Zij overtuigt daarin op het eerste gezicht echter niet. In de eerste plaats wordt vastgesteld dat de voorliggende opdracht een opdracht tegen prijslijst betreft. De prijs van de ophaalwagens was geen aparte post in het bestek, zodat de verwerende partij op het eerste gezicht niet ertoe gehouden was om deze prijs als eenheidsprijs te onderzoeken in het kader van het algemeen prijsonderzoek. Op grond van de inventaris gevoegd bij het bestek moesten de inschrijvers in hun offerte een prijs per gemeente en per afvalfractie opgeven, bestaande uit een vast en een variabel gedeelte. Alle kosten van de ophaling moesten in de eenheidsprijs worden opgenomen, waaronder dus ook kosten zoals de inzet van de ophaalwagens en de personeelskosten. Daarnaast diende ook een prijs te worden opgegeven per groep soortgelijke gemeenten en een jaarlijkse totaalprijs voor gebruik en onderhoud van het identificatie- en weegsysteem. Aangezien de kost die de verschillende inschrijvers hebben ingecalculeerd voor de inzet van de ophaalwagens op het eerste gezicht niet klaar en duidelijk bleek uit de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 XIV-40.063-15/18 inventaris van de offertes, kon deze op het eerste gezicht ook geen indicatie vormen voor een schijnbaar abnormale totaalprijs. De verzoekende partij brengt op het eerste gezicht ook geen overtuigende aanwijzingen aan die de verwerende partij er in ieder geval toe noopten om een meer doorgedreven prijsonderzoek van de kost van de inzet van de ophaalwagens uit te voeren. Het loutere feit dat een gelijkaardige totaalprijs werd geboden door een inschrijver die grotendeels heeft inschreven met ophaalwagens waarvan de aankoopprijs is afgeschreven en een inschrijver die de inzet van nieuwe ophaalwagens vooropstelt, volstaat hiertoe op het eerste gezicht niet. Daarbij wordt in de eerste plaats vastgesteld dat de verzoekende partij in haar redenering uitsluitend rekening lijkt te houden met de investeringskost van de betrokken ophaalwagens. De verwerende partij wijst er in haar nota voorts op dat het totaalbedrag van de gekozen inschrijver boven de raming ligt, die gebaseerd is op de lopende opdracht waarbij eveneens volledig nieuwe Euro-6 wagens werden ingezet. Zij wijst er ook op dat de wijze van afschrijving van de ophaalwagens per inschrijver verschillend is en afhankelijk van de technische levensduur en opvolgende inzetbaarheid van het aangekochte type en merk ophaalwagens. Zij maakt aldus op het eerste gezicht aannemelijk waarom niet blijkt dat de totaalprijs van de offerte van de gekozen inschrijver in de gegeven omstandigheden duidelijk als een schijnbaar abnormale prijs had moeten worden beschouwd. Ook de berekening die de verzoekende partij nog bijbrengt van de kost van de inzet van nieuwe ophaalwagens doet op het eerste gezicht geen afbreuk aan deze conclusie. De verzoekende partij verwijst weliswaar naar een vermeende jaarlijkse kost van 36.600 tot 48.800 euro per ophaalwagen, maar zet niet uiteen waarom de door de gekozen inschrijver opgegeven totaalprijs onmogelijk met dergelijke afschrijvingskost kan hebben rekening gehouden.
- In zoverre de verzoekende partij nog betoogt dat uit het gunningsverslag niet blijkt waarom de verwerende partij van oordeel is dat de totale offerteprijs van de gekozen inschrijver aanvaardbaar is, herinnert de Raad van State eraan dat indien een aanbestedende overheid in het kader van het algemeen prijs- en kostenonderzoek tot de vaststelling komt dat er geen abnormale prijzen zijn, de formelemotiveringsplicht niet lijkt te vereisen dat dit onderzoek in ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 XIV-40.063-16/18 extenso wordt weergegeven in het gunningsverslag of in de bestreden beslissing. De motieven op grond waarvan de aanbestedende overheid alsdan van oordeel is dat de aangeboden prijzen niet abnormaal zijn, kunnen ook uit de stukken van het dossier blijken zodat deze motieven aan de toetsing door de Raad van State kunnen worden onderworpen. Gelet op voorgaande overwegingen blijkt enige bijkomende motivering naast diegene die op dit punt werd opgenomen in het gunningsverslag dan ook niet vereist.
- De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door niet te besluiten tot een schijnbaar abnormale totaalprijs in de offerte van de gekozen inschrijver, de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. Het enig middel is niet ernstig. VIII. Besluit
- Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-40.063-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-40.063-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.935 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div