← België

Arrest 265977 - Dierenwelzijn - 12/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.977 Rolnummer: A. 245823/XII-9920 Zaak: Arrest 265977 - Dierenwelzijn - 12/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Arrest nr 265.977 van 12 maart 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.977 van 12 maart 2026 in de zaak A. 245.823/XII-9920 In zake : A.P. woonplaats kiezend te 3010 Kessel-Lo Martelarenlaan 4/0601 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Vanoverwalle kantoor houdend te 3200 Aarschot Herseltsesteenweg 5A tegen : het VLAAMSE GEWEST ------------------------------------------------------------------------------------------------ I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 september 2025, strekt tot de nietigverklaring van de “inbeslagname van acht konijnen eigendom van de verzoeker”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. XII-9920-1/5 Advocaat Raf Vanoverwalle, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Regelmatigheid van de rechtspleging Over de pleitnota van verzoeker 3. Daags voor de terechtzitting legt verzoeker een pleitnota neer om zijn argumenten ter kennis te brengen betreffende de door hem aangevoerde annulatiemiddelen. 4. Artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van een pleitnota na het auditoraatsverslag. In zoverre deze pleitnota de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre verzoeker in zijn mondelinge opmerkingen ter terechtzitting of in de pleitnota die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormt, nieuwe argumenten ter adstructie van zijn aangevoerde middelen ontwikkelt waarvan hij – zoals te dezen – niet aantoont dat hij die niet in zijn verzoekschrift kon ontwikkelen, zijn zij niet-ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd. XII-9920-2/5 IV. Toepassing kortedebattenprocedure Ambtshalve excepties over de ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de ambtshalve excepties 5. Het auditoraat werpt in zijn verslag ambtshalve de niet- ontvankelijkheid van het beroep op, op grond van de volgende overwegingen: “2. Bij beslissing van 20 mei 2025 van de inspectie Dierenwelzijn worden acht konijnen van de verzoekende partij, in toepassing van artikel 72, § 1, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024, administratief in beslag genomen. Artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: ‘Het beslag, vermeld in paragraaf 1, wordt van rechtswege opgeheven door de beslissing, vermeld in paragraaf 3, of, bij het uitblijven van de voormelde beslissing, na zestig dagen vanaf de datum van de inbeslagname’. Het op grond van artikel 72, § 1, opgelegde beslag is derhalve ondertussen van rechtswege opgeheven ingevolge een bestemmingsbeslissing als bedoeld in artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. In zoverre het beroep tot nietigverklaring is gericht tegen de beslissing tot inbeslagname, wat zou moeten blijken uit de omschrijving van het voorwerp van het beroep, heeft het bijgevolg geen voorwerp meer. 3. Als bestreden beslissing is evenwel de bestemmingsbeslissing van 4 juli 2025 opgenomen, waarbij onder meer de acht konijnen in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn in volle eigendom worden gegeven aan het erkend asiel waar ze verblijven. De verzoekende partij ontwikkelt in het verzoekschrift drie kritieken: ‘1. Schending van het Vlaams Dierenwelzijnsdecreet van 15 maart 2019, art. 30 e.v. ◦ De politie mag dieren enkel in beslag nemen:

  1. a)op bevel van de procureur des Konings,
  2. b)in samenwerking met de inspectie Dierenwelzijn,
  3. c)bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor het dier. ◦ Geen van deze voorwaarden was hier vervuld. 2. Procedurefout – ontbreken van een dierenarts ◦ De beoordeling van de toestand van de dieren behoort toe aan een bevoegde inspecteur of dierenarts. ◦ Het louter optreden van de politie maakt de inbeslagname ongeldig. 3. Schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur ◦ Geen voorafgaand overleg, waarschuwing of mogelijkheid tot verweer’. 4. De eerste twee kritieken – schending van ‘het Vlaamse Dierenwelzijnsdecreet van 15 maart 2019, artikelen 30 e.v.’ en ‘[s]ubstantieel procedurefout – ontbreken van een dierenarts’ zijn duidelijk kritieken die zijn gericht tegen de beslissing tot inbeslagname. Zoals reeds overwogen, zijn kritieken tegen die beslissing niet langer dienstig omdat die uit het XII-9920-3/5 rechtsverkeer is verdwenen ten gevolge van de daaropvolgende bestemmingsbeslissing. Daarenboven heeft het auditoraat geen kennis van een ‘Dierenwelzijnsdecreet van 15 maart 2019’. De laatste kritiek roept de schending van ‘de rechten van verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur’ in. Indien wordt aangenomen dat die kritiek de bestemmingsbeslissing viseert, kan het volgende worden overwogen. Het recht van verdediging is enkel van toepassing in straf- en in tuchtzaken, tenzij eraan op basis van een specifieke rechtsregel een ruimer toepassingsgebied wordt verleend. Het recht van verdediging is niet van toepassing op de beslissing tot bestemming van de dieren. Ten slotte bestaat er niet zoiets als “het beginsel van behoorlijk bestuur”. Er zijn meerdere beginselen van behoorlijk bestuur en de verzoekende partij verduidelijkt niet van welke de schending wordt ingeroepen. In zoverre is de kritiek onontvankelijk. 5. De kritieken kunnen niet leiden tot een vernietiging van de bestemmingsbeslissing.” Beoordeling 6. Wanneer de ontvankelijkheid van het beroep in vraag wordt gesteld – en zulks des te meer wanneer dit zoals te dezen gebeurt in het beredeneerd verslag dat over de zaak is opgesteld door het daartoe aangestelde lid van het auditoraat – dan moet die partij daarover een standpunt innemen en de nodige verduidelijkingen bijbrengen. Ter terechtzitting, dit is bij de eerste procedurele gelegenheid die zich voor verzoeker in het kader van de toegepaste procedure van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ daarvoor aanbood, heeft hij niets daartegen ingebracht. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring, om al de redenen aangevoerd in het auditoraatsverslag, niet- ontvankelijk is. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. XII-9920-4/5 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9920-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.