id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.987 Rolnummer: A. 247273/XII-10033 Zaak: Arrest 265987 - Tucht (openbaar ambt) - 12/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-13 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Arrest nr 265.987 van 12 maart 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2026 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.987 van 12 maart 2026 in de zaak A. 247.273/XII-10.033 In zake: XXXX wonende te tegen: de POLITIEZONE 5401 WOKRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te 3500 Hasselt Recorstraat 700/0501 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 februari 2026, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslis- sing van de hogere tuchtoverheid van 8 december 2025, waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 6 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting op 11februari
- De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-1/9 Bij arrest nr. 265.848 van 27 februari 2026 werd het debat her- opend. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor de ver- werende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker was eerste inspecteur van politie bij de lokalepolitie- zone. 3.
- Op diverse tijdstippen in de loop van januari 2025 krijgt de ge- wone tuchtoverheid kennis van een aantal feiten. 3.
- Op 15 januari 2025 gelast de gewone tuchtoverheid een vooraf- gaand onderzoek. 3.
- Op 2 mei 2025 legt de voorafgaand onderzoeker haar verslag neer. 3.
- Op 3 mei 2025 beslist de gewone tuchtoverheid om de zaak aan- hangig te maken bij de hogere tuchtoverheid. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-2/9 3.
- Op 5 mei 2025 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend ver- slag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit inleidend verslag wordt op 7 mei 2025 bij aangete- kende zending aan verzoeker aangeboden. Verzoeker dient binnen de wettelijke termijn geen schriftelijk verweer in. Hij wordt op 10 juni 2025 door de hogere tuchtoverheid mondeling gehoord en legt bij die gelegenheid een schriftelijke nota neer. 3.
- Op 13 juni 2025 keurt de hogere tuchtoverheid het ontwerp van voorstel van zware tuchtstraf goed. Op 13 juni 2025 vraagt de hogere tuchtoverheid aan de procureur des Konings om hierover advies te verlenen. Op 2 juli 2025 verleent de procureur des Konings advies. 3.
- Op 3 juli 2025 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tucht- straf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverwe- ging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 3 december 2025 adviseert de Tuchtraad: “dat de feiten, zoals hoger omschreven onder randnummer 5.1, bewezen zijn en aan [verzoeker] dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 TWP, dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is.” 3.
- Op 8 december 2025 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoe- ker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-3/9 Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker heeft op 10 januari 2026 een nota met opmerkingen, een nieuwe inventaris en een aanvullend stuk ingediend.
- De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijk- heid voor verzoeker om een nota in te dienen. In zoverre deze nota de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als processtuk, maar als loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre verzoeker in zijn mondelinge opmerkingen ter terechtzitting of in de nota die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormt, nieuwe argumenten ter adstructie van zijn vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid ontwikkelt, waarvan hij niet aantoont dat hij die niet in zijn verzoekschrift kon ontwikkelen, zijn zij niet- ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd. De toepasselijke procedureregeling voorziet evenmin in de mo- gelijkheid om een nieuwe versie van de inventaris of nieuwe stukken in te dienen. Verzoeker zet overigens niet uiteen hoe de nieuwe inventaris – waarvan de Raad van State vaststelt dat niet alle erin vermelde stukken daadwerkelijk zijn ingediend – zich verhoudt tot de oorspronkelijke, bij het verzoekschrift gevoegde inventaris. De nieuwe inventaris wordt uit het debat geweerd. Wat de nieuw ingediende stuk- ken betreft, stelt de Raad van State vast dat verzoeker niet uiteenzet waarom hij deze niet eerder kon indienen. Ook deze nieuwe stukken worden uit het debat ge- weerd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-4/9 dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietig- verklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverkla- ring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeen- komstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of min- der, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker zet in het verzoekschrift uiteen dat het ontslag van ambtswege onmiddellijke en onomkeerbare gevolgen heeft, met name inkomens- verlies, reputatieschade en verlies van loopbaanperspectief. Voorts verwijst ver- zoeker naar de aangevoerde ernstige middelen en de onmiddellijke gevolgen van de bestreden beslissing. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voorde Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-5/9 van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst drin- gende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van pre- cieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoer- legging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde- zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schor- sings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te ver- krijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Op- dat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende nood- zakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzake- lijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden onder- steund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-6/9 bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting, doch vereist het aanreiken van concrete, specifiek op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het re- sultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onher- roepelijke schadelijke gevolgen, wat, zoals hierna zal blijken, de verzoeker te de- zen nalaat te doen.
- De toepassing van de procedure bij uiterst dringende noodzake- lijkheid kan bovendien alleen worden aanvaard indien ook de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Dit impliceert dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie is opgetre- den. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende nood- zakelijkheid.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat, wie meent in een geval te verkeren waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de bestreden beslis- sing moet worden bevolen, dienovereenkomstig moet handelen. Een verzoekende partij die zonder afdoende reden talmt met het instellen van de vordering tot schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geeft er blijk van die uiterst dringende noodzakelijkheid zelf niet ernstig te nemen.
- Te dezen stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 8 december
- Verzoeker voert aan dat hij de bestreden beslissing op 9 december 2025 heeft ontvangen, wat wordt bevestigd door het administratief dossier. Vervolgens wacht hij tot 6 februari 2026 om een verzoekschrift tot schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen, waarmee hij bijna de vol- ledige beroepstermijn uitput. Dit tijdsinterval van 59 dagen spreekt de uiterst drin- gende noodzakelijkheid tegen. Het laat zich des te minder verantwoorden in het licht van het concrete nadeel dat verzoeker laat gelden, zoals het onmiddellijke inkomensverlies. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-7/9
- Voorst stelt de Raad van State vast dat verzoeker in zijn verzoek- schrift niet verklaart waarom hij bijna de volledige beroepstermijn heeft afgewacht om zijn vordering in te dienen. Verzoeker voert derhalve geen enkele verantwoor- ding aan voor zijn gebrek aan diligentie.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Ann Coolsaet ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR. 265.987 XII-10.033-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.987 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.