id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.007 Rolnummer: A. 245182/IX-10690 Zaak: Arrest 266007 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 13/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Arrest nr 266.007 van 13 maart 2026 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 266.007 van 13 maart 2026 in de zaak A. 245.182/IX-10.690 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF STEDELIJK ONDERWIJS ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 juni 2025, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de personeelsdirecteur van het autonoom gemeentebedrijf stedelijk onderwijs Antwerpen (hierna: AGSO), zoals goedgekeurd op de zitting d.d. 26 mei 2025 van AGSO, om verzoekster met ingang van 1 september 2025 bij wijze van ordemaatregel te affecteren aan de instelling Stedelijk secundair onderwijs ‘het Gymnasium’”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 10 september
- IX-10.690-1/9 Op 5 december 2025 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 februari
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Yasin Gürbüz Lemstra, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Daniël Plas heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State Standpunt van de partijen
- Verzoekster meent dat in de voorliggende zaak de termijn voor het indienen van een memorie van wederantwoord geen aanvang heeft genomen en dat bijgevolg in haar geval van de sanctie voorzien in artikel 21, tweede lid, van IX-10.690-2/9 de gecoördineerde wetten op de Raad van State geen toepassing kan worden gemaakt. In dat verband doet verzoekster gelden dat zij op 10 september 2025 een e-mailbericht van de griffie van de Raad van State heeft ontvangen. Daarin werd zij erop gewezen dat een memorie van antwoord was neergelegd op het uitwisselingsplatform e-ProAdmin. Er werd haar gevraagd dat platform te raadplegen. Tot slot werd haar meegedeeld dat zij over zestig dagen beschikt om een memorie van wederantwoord in te dienen en dat een niet-tijdige neerlegging van die memorie van wederantwoord tot gevolg heeft dat de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang moet vaststellen. Wat dat laatste betreft, werden artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (“algemeen procedurereglement”) uitdrukkelijk vermeld. Bij raadpleging van het platform, zo gaat verzoekster voort, kreeg zij wel de memorie van antwoord te zien, maar géén afzonderlijk schrijven van de griffie met de mededeling van de termijn om de memorie van wederantwoord in te dienen. Volgens verzoekster volgt uit artikel 85bis, § 13, van het algemeen procedurereglement dat de kennisgeving een van het procedurestuk te onderscheiden stuk is, dat elke kennisgeving gebeurt middels de neerlegging ervan in het elektronisch dossier en dat een louter elektronisch bericht de kennisgeving niet vervangt wanneer de ontvangst ervan een termijn doet ingaan.
- De verwerende partij wijst vooreerst erop dat de Raad van State “essentieel belang” hecht aan de e-mailberichten die de griffie van de Raad van State verstuurt in het kader van de elektronische procesvoering. Wanneer verzoekster zo een e-mailbericht ontvangt, is zij op de hoogte vanaf wanneer de termijn voor het indienen van de memorie van wederantwoord begint te lopen. IX-10.690-3/9 Verzoekster bevestigt overigens dat deze termijn in het e-mailbericht van de griffie was vermeld. Zelfs zonder dat een e-mailbericht wordt verstuurd, rust op advocaten een waakzaamheidsplicht, vindt de verwerende partij. Zulks leest zij in rechtspraak van de Raad van State. Een advocaat dient zich ervan te vergewissen of reeds een memorie van antwoord werd neergelegd, ook zonder kennisgeving door de griffie. Het niet-noteren van de termijn is te wijten aan de eigen onzorgvuldigheid van verzoekster. Voor de verwerende partij is het onbegrijpelijk dat verzoekster geen enkel initiatief heeft genomen om de griffie te raadplegen waarom een afzonderlijk schrijven – de kennisgeving – ontbrak. Nochtans moet een advocaat de procedureregels en de daaraan verbonden sancties kennen. De Raad van State heeft in dat verband trouwens al geoordeeld dat wanneer de griffie nalaat een specifieke verwittiging te geven omtrent de in artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde sanctie, zulks geen afbreuk doet aan de toepasselijkheid ervan. De verwerende partij argumenteert voorts dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gewild dat in beginsel geen enkel excuus kan worden aanvaard voor het niet of niet-tijdig neerleggen van een memorie. Met de sanctie zoals voorzien in artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat het indienen van een memorie van wederantwoord wordt beschouwd als een formele blijk van blijvende belangstelling bij het ingestelde beroep. Die formele belangstelling moet blijken gedurende de volledige procedure. Dat verzoekster nalaat om haar memorie van wederantwoord tijdig neer te leggen, getuigt volgens de verwerende partij ontegensprekelijk van een gebrek aan belang. De verwerende partij wijst nog erop dat volgens vaste rechtspraak alleen toevallige omstandigheden, overmacht of onoverwinnelijke IX-10.690-4/9 dwaling toelaten om de sanctie van het meervermelde artikel 21, tweede lid, te vermijden. Het feit dat verzoekster stelt dat door het niet ontvangen van een afzonderlijk schrijven van de griffie de datum voor het neerleggen van de memorie van wederantwoord niet werd geagendeerd, is géén overmacht of onoverwinnelijke dwaling, maar een “tekortkoming in de interne organisatie”. Beoordeling
- Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Artikel 7, eerste lid, van het algemeen procedurereglement leert dat de termijn om een memorie van wederantwoord in te dienen, zestig dagen bedraagt. Artikel 14bis, § 2, van het algemeen procedurereglement bepaalt: “Bij de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij of wanneer hij haar ervan in kennis stelt dat zo’n memorie niet binnen de voorgeschreven termijn is ingediend, maakt de hoofdgriffier melding van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, alsmede van de eerste paragraaf van dit artikel.”
- Verzoekster heeft op 27 juni 2025 haar verzoekschrift op het elektronisch platform van de Raad van State neergelegd en bijgevolg voor de elektronische procesvoering gekozen. IX-10.690-5/9 Die elektronische procesvoering wordt geregeld in artikel 85bis van het algemeen procedurereglement. Paragraaf 13 van dit artikel luidt, voor zover in deze zaak relevant, als volgt: “De Raad van State deelt de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. […] De dossierbeheerders en hun gedelegeerden worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht. Een elektronisch afschrift van de hun toegezonden berichten wordt op de website bewaard. De termijnen die deze berichten doen ingaan, nemen een aanvang wanneer de bestemmeling het stuk voor het eerst raadpleegt, ongeacht het de dossierbeheerder dan wel een van zijn gedelegeerden betreft. […]”
- Uit de voormelde bepalingen vloeit voort dat, in het geval van de elektronische procesvoering, de memorie van antwoord van de verwerende partij en de kennisgeving ervan aan de verzoekende partij – waarbij aan de hoofdgriffier wordt opgedragen om melding te maken van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, evenals van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedurereglement – worden meegedeeld door middel van de neerlegging ervan in het elektronisch dossier. Van die neerlegging – zowel van de memorie van antwoord als van de kennisgeving – wordt een partij verwittigd met een elektronisch bericht van de griffie.
- In de voorliggende zaak wordt vastgesteld dat het elektronisch dossier de memorie van antwoord van de verwerende partij bevat. Van de kennisgeving van deze memorie aan verzoekster met de daarin op te nemen vermelding van de bepalingen van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedurereglement, is evenwel géén spoor te bekennen. Dat doet besluiten dat de memorie van antwoord niet op de voorgeschreven wijze aan verzoekster ter kennis is gebracht. IX-10.690-6/9
- Het in het elektronisch dossier aangetroffen e-mailbericht van 10 september 2025 van de griffie gericht aan de raadsvrouw van verzoekster doet niet anders besluiten. Dat e-mailbericht leest als volgt: “Een verwerende partij heeft een memorie van antwoord neergelegd op het uitwisselingsplatform e-ProAdmin in de zaak G/A 245.
- Gelieve e-ProAdmin te raadplegen om er kennis van te nemen. U beschikt over zestig dagen om een memorie van wederantwoord in te dienen (artikel 7 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’). Als u niet tijdig een memorie van wederantwoord indient, moet de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vaststellen (artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit). Hoogachtend, De griffie bestuursrechtspraak” Dat bericht is echter slechts het ‘elektronisch bericht’ dat bedoeld is om de verzoekende partij ervan te verwittigen dat er een nieuw processtuk op het platform is neergelegd. Dit kan niet worden gelijkgesteld met de neerlegging van het processtuk of de kennisgeving op datzelfde platform. Immers, van dit elektronisch bericht is het onmogelijk na te gaan of en wanneer een partij het heeft geraadpleegd. Het platform laat daarentegen wel toe héél precies uit te maken wanneer in het elektronisch dossier neergelegde processtukken of kennisgevingen zijn geraadpleegd. Dat verzoekster in de voorliggende zaak bevestigt wanneer zij kennis heeft genomen van dat elektronisch bericht, doet geen afbreuk aan wat voorafgaat, laat staan dat zulks vermag goed te maken dat de kennisgeving is geschied op een wijze die niet spoort met de toepasselijke procedureregels. Overigens dient in dat verband nog te worden opgemerkt dat het hiervóór aangehaalde e-mailbericht, in tegenstelling tot de eigenlijke kennisgeving, ook niet is ondertekend “Namens de Hoofdgriffier”. IX-10.690-7/9
- Dat verzoekster niet zelf contact met de griffie heeft gezocht, doet evenmin anders besluiten. Partijen die zijn betrokken in een procedure bij de Raad van State, moeten ervan op aan kunnen dat de diensten van de Raad van State zélf de regels van de rechtspleging eerbiedigen en dat, wanneer zulks héél uitzonderlijk niet het geval is, dit hoe dan ook wordt rechtgezet. In tegenstelling tot mogelijke andere correspondentie tussen de organen van de Raad van State en de partijen in een geding – zoals, bijvoorbeeld, een vraag om inlichtingen, die ook al eens met een gewone brief of zelfs per e-mail gebeurt – dient een partij stellig erop te mogen vertrouwen dat mededelingen die termijnen doen ingaan, strikt volgens het boekje geschieden, gelet op de zeer zware sanctie die gepaard gaat met de miskenning ervan.
- De verwijzingen van de verwerende partij naar de gevallen van overmacht of onoverwinnelijke dwaling zijn niet ter zake dienend. Immers, verzoekster doet geen beroep op overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Haar betoog luidt wezenlijk dat de procedurevoorschriften niet zijn nageleefd.
- Zoals hiervóór gezien, moet dat standpunt van verzoekster worden bijgevallen. Bijgevolg is er geen reden om met toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14bis van het algemeen procedurereglement vast te stellen dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
- Het debat wordt heropend.
- De Raad van State verwijst de zaak naar de gewone procedure. IX-10.690-8/9
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.690-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.