id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.010 Rolnummer: A. 246909/XII-9991 Zaak: Arrest 266010 - Dierenwelzijn - 13/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 138 - laatst gezien 2026-06-18 06:39 Fiche Arrest nr 266.010 van 13 maart 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.010 no lien 288127 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.010 van 13 maart 2026 in de zaak A. 246.909/XII-9991 In zake: A.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Rochtus kantoor houdend te 2288 Bouwel Echelpoel 6A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 30 december 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestemmingsbeslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn van 5 november 2025 waarbij een minipaard in volle eigendom wordt gegeven aan een erkend dierenasiel. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 12 januari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
- XII-9991-1/9 De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, advocaat Dirk Rochtus, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaten Bart Staelens en Joost Hoste verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 5 juli 2025 doet de lokale politie – naar aanleiding van een melding – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot het minipaard van verzoekster. Het minipaard bevindt zich op dat ogenblik bij derden. 3.
- Op 5 juli 2025 wordt het minipaard van verzoekster bestuurlijk in beslag genomen. 3.
- Op 31 juli 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 het minipaard – in de bestemmingsbeslissing “witte shetlandpony” genoemd – in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar het dier op dat ogenblik verblijft. XII-9991-2/9 3.
- Op 20 oktober 2025 meldt verzoekster aan de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid dat zij vernam dat haar minipaard in beslag werd genomen, dat zij daarvan niet in kennis is gesteld en dat ze haar minipaard terug wil. 3.
- Bij brief van 27 oktober 2025 wordt verzoekster uitgenodigd om haar schriftelijk verweer in te dienen betreffende een mogelijke bestemmingsbeslissing. Verzoekster dient vervolgens een schriftelijk verweer in tegen de vooropgestelde datum. 3.
- Op 5 november 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 het minipaard – in de bestemmingsbeslissing “witte shetlandpony” genoemd – in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar het dier op dat ogenblik verblijft. Deze beslissing vermeldt dat ze de bestemmingsbeslissing van 31 juli 2025 “vervangt”. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Het minipaard is inmiddels door een derde ‘geadopteerd’. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
- In de nota met opmerkingen werpt de verwerende partij op dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang en dat er mogelijk vragen rijzen of het verzoekschrift wel beantwoordt aan de vereisten van artikel 3bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XII-9991-3/9 Beoordeling
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn, indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- In het verzoekschrift zet verzoekster uiteen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” veroorzaakt, daar 1) het eigendomsrecht definitief wordt ontnomen, 2) het dier juridisch en feitelijk onherroepelijk wordt losgekoppeld van verzoekster, 3) een nietigverklaring een herstel in natura niet meer mogelijk maakt, en, 4) het emotioneel en affectief verlies van het dier niet compenseerbaar is. Volgens verzoekster is de schade niet louter financieel, maar raakt zij aan het wezen van het eigendomsrecht. XII-9991-4/9 Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.010 XII-9991-5/9 verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Het verzoekschrift bevat geen formele uiteenzetting van de spoedeisendheid, maar enkel een uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is – als één van de cumulatieve voorwaarden opdat de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden bevolen – evenwel reeds met ingang van 1 maart 2014 vervangen door de voorwaarde van de spoedeisendheid. De uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan derhalve slechts in aanmerking worden genomen voor zover daaruit de gegevens die de spoedeisendheid van de vordering verantwoorden, op voldoende duidelijke wijze blijken.
- In de mate dat verzoekster aanvoert dat haar het eigendomsrecht “definitief” wordt ontnomen, volstaat de vaststelling dat de eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing ipso facto impliceert dat ook de eigendomstoewijzing aan het asiel – die net de essentie is van de bestreden beslissing – ongedaan wordt gemaakt en wel met terugwerkende kracht. Verzoekster zet voorts niet uiteen waarom zij de eigendomsoverdracht lopende de procedure tot nietigverklaring niet kan verdragen. Dit argument kan derhalve de spoedeisendheid niet verantwoorden.
- In de mate dat verzoekster aanvoert dat het dier juridisch en feitelijk onherroepelijk wordt losgekoppeld van verzoekster, is niet duidelijk in hoeverre dit argument verschilt van het vorige. Wat het ‘feitelijk loskoppelen’ van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.010 XII-9991-6/9 verzoekster betreft, merkt de Raad van State overigens op dat – volgens verzoeksters verklaring in het administratief dossier - het dier zich al sinds 2012 bij een derde bevond en dat verzoekster het dier voor het laatst in 2022 bezocht. Dit argument kan de spoedeisendheid derhalve evenmin verantwoorden.
- Dat een nietigverklaring een herstel in natura niet meer mogelijk zou maken, zoals verzoekster nog aanvoert, wordt in het licht van wat hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 10) en bij gebrek aan verdere toelichting in het verzoekschrift evenmin bijgevallen. Dit argument kan de spoedeisendheid derhalve evenmin verantwoorden.
- Tot slot voert verzoeker aan dat het emotioneel en affectief verlies van het dier niet compenseerbaar is. Nog daargelaten dat het contact tussen verzoekster en het dier al geruime tijd voorafgaand aan de bestreden beslissing verbroken is (zie supra, nr. 11), zodat de vraag rijst welke emotionele en affectieve band er nog bestaat tussen verzoekster en het dier, is het aangevoerde verlies louter moreel van aard, zodat het in beginsel door een vernietigingsarrest kan worden goedgemaakt.
- Voorts wijst de Raad van State erop dat, in tegenstelling tot een nietigverklaring, een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing enkel uitwerking heeft voor de toekomst. Een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing zou tot gevolg hebben dat in toepassing van artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 het daaraan voorafgaande beslag, vermeld in paragraaf 1 van die bepaling, van rechtswege wordt opgeheven, omdat in die hypothese de bestreden beslissing moet worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat er sprake is van het uitblijven van een bestemmingsbeslissing, zoals bedoeld in artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei
- Daar de schorsing enkel uitwerking heeft voor de toekomst, heeft zij evenwel niet dezelfde gevolgen als een nietigverklaring. In geval van schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou de bestreden beslissing wel degelijk blijven voortbestaan – ook al heeft zij geen uitwerking meer – zodat ook het eraan voorafgaande beslag blijft bestaan. Verzoekster heeft de aan de bestreden beslissing voorafgaande beslagbeslissing ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.010 XII-9991-7/9 voorts niet aangevochten. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou derhalve de door verzoekster aangevoerde argumenten en omstandigheden om de spoedeisendheid te verantwoorden, niet ongedaan maken. De schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing moet een nuttig effect hebben en moet verzoekster behoeden voor de gevreesde schade. Wanneer de schorsing van de bestreden beslissing het aangevoerde nadeel niet kan verhinderen of ongedaan maken, wordt de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing niet aangetoond.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XII-9991-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Ann Coolsaet XII-9991-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.