← België

Arrest 266017 - Wegenwezen - 13/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.017 Rolnummer: A. 241403/X-18607 Zaak: Arrest 266017 - Wegenwezen - 13/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-06-18 06:38 Fiche Arrest nr 266.017 van 13 maart 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 266.017 van 13 maart 2026 in de zaak A. 241.403/X-18.607 In zake :

  1. A.D.
  2. T.P. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD HALLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingediend op 4 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle van 11 augustus 2023 waarbij aan verzoekers een last tot herstel wordt opgelegd tot het vrijmaken van voetweg nr. 99 te Breedhout. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den Broeck heeft een verslag opgesteld. X-18.607-1/17 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 november
  5. Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Jory Brabant-D’Hooghe, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. In het gehucht Breedhout van de stad Halle bevindt zich ten westen van de Gaasbeeksesteenweg een terrein (hierna: het betrokken terrein). De Ferrariskaart van 1777 duidt langs de zuidkant van het betrokken terrein een weg aan die vanaf de Gaasbeeksesteenweg naar het westen loopt. Ter verduidelijking volgt hierna een in het administratief dossier opgenomen uittreksel van die kaart, waarop een benaderende aanduiding is aangebracht. X-18.607-2/17 3.
  8. Op de in uitvoering van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen opgestelde Atlas der Buurtwegen wordt de weg ten zuiden van het betrokken terrein ingetekend als voetweg nr.
  9. 3.
  10. Op 10 februari 1984 wordt door twee erkende landmeters die respectievelijk door de eigenaars van het betrokken terrein en de gemeente aangesteld zijn, een proces-verbaal van afpaling van voetweg nr. 99 opgesteld. Hierna volgt een uittreksel uit het bij dit proces-verbaal horend landmetersplan (hierna: het landmetersplan uit 1984), waarop een benaderende aanduiding is aangebracht. X-18.607-3/17 3.
  11. In hun verzoekschrift stellen verzoekers “begin deze eeuw” eigenaar geworden te zijn van het betrokken terrein. De op dit terrein staande hoeve met schuur hebben zij verbouwd tot hun woning. Het oostelijke segment van voetweg nr. 99 doet dienst als toegangsweg vanaf de Gaasbeeksesteenweg naar twee woningen, te weten de woning van verzoekers en de woning ten zuiden van het betrokken terrein. Volgens verzoekers eindigt deze weg aan de toegangen tot deze woningen en loopt hij “sinds jaar en dag” niet verder westwaarts langs de schuur op het betrokken terrein. Wanneer hierna sprake is van buurtweg of voetweg nr. 99 heeft dit geen betrekking op de voormelde toegangsweg, maar op het westelijke segment, dit is het gedeelte ten zuiden van de schuur op het betrokken terrein en verder westwaarts. 3.5.
  12. Met een besluit van 18 juli 2008 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle aan verzoekers een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van de bestaande hoeve op het betrokken terrein. In dit besluit wordt naar aanleiding van een ingediend bezwaar het volgende gesteld: “Het college van burgemeester en schepenen stelt vast dat dit bezwaarschrift handelt over: X-18.607-4/17 Voetweg nr. 99 naast de bestaande schuur [op het betrokken terrein] is niet terug te vinden op het [bouw]plan […]. De bezwaarindieners wensen dat de afpaling die vastgelegd werd volgens plan en proces verbaal van 10 februari 1984 gerespecteerd [wordt]. De voetweg nr. 99 dient men […] met correcte afmetingen terug te vinden op het [bouw]plan van [verzoekers]. Het college van burgemeester en schepenen neemt omtrent dit bezwaarschrift het volgende standpunt in: Naast de bestaande schuur bevindt zich inderdaad voetweg nr. 99 waarvan er dd. 10.02.1984 een proces verbaal van afpaling werd gemaakt. Dit dient inderdaad gerespecteerd. De stedenbouwkundige aanvraag voorziet geen uitbreiding van de bestaande schuur over de voetweg heen. De aanvraag bevat geen elementen die repercussies hebben op de staat van de vermelde voetweg.” 3.5.
  13. In de op 18 juli 2008 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle aan verzoekers verleende stedenbouwkundige vergunning wordt volgende voorwaarde opgelegd: “Het college van burgemeester en schepenen geeft de vergunning af aan de aanvrager, die ertoe verplicht is 1° Ten allen tijden rekening te houden met voetweg nr. 99 gelegen op de eigendom, waarvan de afpaling werd vastgelegd bij plan en proces-verbaal dd. 10.02.1984.” 3.
  14. Op 28 mei 2015 stuurt de stad Halle een brief aan eerste verzoeker waarin het volgende wordt gesteld: “Doorheen uw eigendom loopt de ‘voetweg nr. 99’. […] Wij kregen op 18 mei 2015 een bezwaar van de vzw Trage Wegen Zuid- West Brabant met het verzoek om onmiddellijk al het nodige te doen om inname van de voetweg nr. 99 ongedaan te maken en de openbare doorgang te herstellen. Zij wezen ons eveneens op de u op 18 juli 2008 afgeleverde bouwvergunning BH/2008/068 voor [uw] woning […], toegekend onder de voorwaarde van het respecteren van het tracé van deze voetweg. Ingevolge de ons toebedeelde wettelijke taak […], moeten wij u dus vragen om op uw eigendom de foute toestand volgens de Atlas [der Buurtwegen] recht te zetten. Wij zijn er ons van bewust dat een erfdienstbaarheid van publieke doorgang doormidden een eigendom een zware belasting is. U kan als eigenaar natuurlijk altijd een procedure opstarten om de voetweg op een gunstigere plaats te verleggen via een wijzigingsdossier op te maken door een landmeter-expert. […] alhoewel er voor het optreden van de Stad bij het inpalmen van een officiële voetweg wel degelijk een wettelijke basis is, geloven wij in overleg, X-18.607-5/17 eerder dan afgedwongen oplossingen via politie, vrederechter of administratieve sanctie. Daarom wachten wij op uw voorstel alvorens verdere stappen te ondernemen.” 3.
  15. Op 29 december 2015 sturen verzoekers een brief aan de stad Halle waarin het volgende wordt gesteld: “U zal het met [ons] eens zijn dat, in tegenstelling tot de principiële onmogelijkheid van verkrijgende verjaring van het openbaar domein, deze onverjaarbaarheid specifiek voor de buurtwegen niet geldt, nu artikel 12 [van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen] de onverjaarbaarheid van het openbaar domein der buurtwegen slechts aanvaardt zolang deze wegen dienen voor het openbaar gebruik. Buurtwegen zijn aldus wel degelijk vatbaar voor verkrijgende verjaring door de aangelanden van zodra het openbaar gebruik van deze weg de facto is gestopt. Mijn cliënte heeft van het bestaan van de weg, laat staan van enig onderhoud ervan nooit iets gemerkt. […] Met betrekking tot de plaats waar de weg langsheen de gebouwen van mijn cliënten moet hebben gelopen, heerst er ernstige twijfel over de vraag of deze weg wel het tracé volgt dat […] op de atlas staat aangeduid. […] Nu bij [ons] weten […] er nooit enig besluit werd genomen tot wijziging van het tracé van de buurtweg is de plaats waar nu nog een weg bespeurbaar is helemaal geen buurtweg meer, en werd de buurtweg opgeheven door het beëindigen van het openbaar gebruik […]. […] [Wij] twijfelen daarmee uiteraard niet aan de ernst waarmee de Stad zich aan haar taak tot het onderhoud van de buurtwegen op haar grondgebied wijdt, maar stellen wel dat de Stad, volkomen terecht, dit onderhoud beperkt tot de wegen die werkelijk nog een openbaar gebruik kennen. Voor wat betreft buurtweg 99 is dit sinds jaar en dag niet meer het geval.” 3.
  16. Op 10 november 2021 ontvangt de stad Halle volgend e- mailbericht van het agentschap Onroerend Erfgoed van het Vlaamse Gewest: “Naar aanleiding van een adviesvraag over een natuurbeheerplan voor gronden bij het Hof te Wedem in de Wedemstraat stelden wij vast dat buurtweg nr. 99 niet meer functioneel is. De buurtweg […] is gedeeltelijk gelegen in het beschermde landschap ‘Kasteel van Budingen, kasteelhoeve en Hof te Wedem met omgeving’ […]. Ter hoogte van de woning[…] [op het betrokken terrein] is het tracé van de buurtweg […] versperd […]. Vanuit de bescherming als landschap is het niet wenselijk dat buurtwegen worden afgesloten. Meestal zijn het heel oude wegen die de toegankelijkheid van het gebied en de beleving van het landschap mogelijk maken. Mogen wij X-18.607-6/17 u daarom vragen om te bekijken of de wegen opnieuw functioneel kunnen worden gemaakt? […] Het herstel kan ook worden gemotiveerd vanuit de bescherming. Binnen de perimeter van het beschermde landschap geldt immers de onderhoudsplicht (het actiefbehoudsbeginsel). Die onderhoudsplicht geldt ook voor buurtweg nr.
  17. In het onroerenderfgoedbesluit behoren wijzigingen van wegen en paden tot de toelatingsplichtige handelingen.” 3.
  18. In zitting van 22 maart 2022 besluit de gemeenteraad van de stad Halle om het college van burgemeester en schepenen de opdracht te geven “om de nodige maatregelen te treffen tot herwaardering van voetweg nr. 99 […] rekening houdend met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet houdende de gemeentewegen van 3 mei 2019”. 3.
  19. Vanaf 2 maart 2023 wordt een intensieve briefwisseling gevoerd tussen de stad Halle en verzoekers. Daar waar verzoekers voorhouden dat ten zuiden van de verbouwde schuur op het betrokken terrein de voetweg nr. 99 teniet is gegaan als gevolg van verjaring, spreekt de stad dit uitdrukkelijk tegen. 3.
  20. Op 21 maart 2023 deelt de stad Halle het volgende mee aan verzoekers: “[U heeft] het recht om een verzoekschrift in te dienen bij de gemeente waarin gemotiveerd wordt dat een gemeenteweg, of een deel ervan, getroffen is door een dertigjarig niet-gebruik door het publiek. Het bewijs hiervan wordt geleverd door een rechterlijke uitspraak of met alle middelen van recht. Het is alsnog aan de gemeenteraad om te oordelen over een eventuele opheffing waarbij er dient rekening gehouden te worden met de basisdoelstellingen van het gemeentewegendecreet.” Verzoekers dienen geen dergelijk verzoekschrift in. 3.
  21. Op 11 augustus 2023 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle het bestreden besluit: “Aanleiding en doel Stad Halle voert een actief beleid ter herwaardering van het fijnmazig netwerk van trage wegen op haar grondgebied. X-18.607-7/17 In zitting van 22 maart 2022 besliste de gemeenteraad om het traject van voetweg nr. 99 tussen de Gaasbeeksesteenweg en de Wedemstraat te herwaarderen door aan het college van burgemeester en schepenen de opdracht te geven om het traject opnieuw begaanbaar en toegankelijk te stellen voor het publiek (ref: 2022GR00043). Een deel van het traject loopt langs de gevel van de gerenoveerde schuur (en hoeve) gelegen aan [het betrokken terrein]. Op 22 december 2006 besliste het college van burgemeester om voor het verbouwen van de hoeve een vergunning (BH/2006/206) af te leveren onder voorwaarden. Artikel 1 uit het besluit van deze vergunning stelt: ‘De aanvrager is ertoe verplicht ten allen tijde rekening te houden met voetweg nr. 99 gelegen op de eigendom, waarvan de afpaling werd vastgesteld bij plan en proces-verbaal dd. 10.02.1984.’ Ingevolge de aanvraag tot enkele wijzigingen aan voormelde vergunning werd op 18 juli 2008 een bijkomende vergunning (BH/2008/068) afgeleverd met opname van eenzelfde stelling over voetweg nr.
  22. Op 18 mei 2015 ontving het college van burgemeester en schepenen een melding van de Werkgroep Trage Wegen Zuid-West Brabant waarin onderstaande werd geformuleerd: ‘Bij een recente wandeling stelden we vast dat buurtweg 99, die een verbinding vormt tussen de Gaasbeeksesteenweg en de Wedemstraat ingenomen is bij tuinen van de woningen […], en bezet met planten. Hierdoor konden wij deze buurtweg niet gebruiken.’ […] Deze melding werd door de stad op 28 mei 2015 overgemaakt aan de eigenaars en bewoners van de hoeve aan de Gaasbeeksesteenweg 203 met het voorstel om de kwestie in consensus op te lossen en om de voetweg te willen heropenen. […] De overtreder werd via briefmelding van12/04/2022 in kennis gesteld van het voornemen van de gemeenteraad om over te gaan tot het herwaarderen van voetweg nr.
  23. De landmeter-expert aangesteld door stad Halle onderzocht de juridische ligging van de bedding van voetweg nr. 99 tussen de Gaasbeeksesteenweg en de Wedemstraat. Gedurende dit grensonderzoek werd rekening gehouden met een Proces-Verbaal van Afpaling van 10/02/1984 opgesteld door M.S.O.G. en beëdigd landmeter-expert [J.V.] (vert. der toenmalige eigenaars) en door beëdigd landmeter-expert [T.V.] (vert. Stad Halle). Via briefmelding van 2 maart 2023 werd aan de overtreders gemeld dat de stad belast is met het beheer van de gemeentewegen en het vrijwaren van de publieke doorgang over de volledige breedte van de gemeenteweg […]. De stad kan hierbij ook versperringen of andere belemmeringen die de toegang, het gebruik of het beheer van de gemeenteweg hinderen of verhinderen, verwijderen of laten verwíjderen. In voorkomend geval kan de stad de kosten terugvorderen van de aansprakelijke. Als reactie op bovenstaande melding ontving de stad op 6 maart 2023 een schrijven van de advocaat van de overtreders. In dit schrijven wordt het juridisch bestaan van voetweg nr. 99 betwist en wordt beweerd dat de stad X-18.607-8/17 de verkrijgende verjaring zou erkend hebben van de wegzate van voormelde voetweg. De juridische dienst van stad Halle formuleerde hierop op 21 maart 2023 een tegenschrijven om er steevast op te duiden dat de beweerdelijke erkenning van de stad onjuist is. Het is altijd het voornemen geweest om de verbinding te herstellen en opnieuw publiek toegankelijk te stellen. […] Op 26 mei 2023 reageerde de juridische dienst van stad Halle dat gelet op de uitvoering van het decreet houdende de gemeentewegen van 3 mei 2019 aan het college van burgemeester en schepenen zal voorgesteld worden om het dossier via bestuurlijke handhaving te voeren en niet via gerechtelijke weg. Hierop ontving de stad op 8 juni 2023 opnieuw een schrijven van de advocaat waarin aangehaald wordt dat de cliënten alle eerdere aangehaalde argumenten van de stad nog steeds betwisten en het standpunt aanhouden dat de voetweg door onbruik is tenietgegaan. […] Advies en motivering Met de inwerkingtreding van het decreet houdende de gemeentewegen op 1 september 2019 waarbij de wet op de buurtwegen van 10 april 1841 vervangen werd, is het voor lokale besturen eenvoudiger geworden om de beheers- en handhavingsmodaliteiten omtrent trage wegen te voeren. […] Het decreet houdende de gemeentewegen omvat in hoofdstuk 6 de instrumenten voor het beheer en de handhaving van de gemeentewegen. Zo is het verboden om […] de toegang tot een gemeenteweg of het gebruik en beheer ervan te belemmeren, te hinderen of onmogelijk te maken […] Er wordt voorgesteld om een last tot herstel op te leggen overeenkomstig artikel 40 gemeentewegendecreet. De last houdt concreet in dat al de belemmeringen en afsluitingen dienen worden weggenomen, in dit geval een totaal van 5 hindernissen zoals aangeduid op het bijgevoegd planuittreksel. […] Artikel
  24. Het college van burgemeester en schepenen beslist om een last tot herstel op te leggen cf. artikel 40 van het decreet houdende de gemeentewegen van 3 mei
  25. De opgelegde last tot herstel omvat: - het weghalen van alle hindernissen en obstructies (zoals o.a. afsluitingen en hagen) die de publieke doorgang verhinderen van het traject van voetweg nr. 99 uit de atlas der buurtwegen van Halle. Bij het verwijderen van de ingeplante haag dienen ook de wortels verwijderd te worden en het grondvlak genivelleerd te worden. De hindernissen en obstructies worden ter verduidelijking aangeduid op het uittreksel van het opmetingsplan van 27/04/
  26. De opgelegde maatregelen dienen uitgevoerd te zijn tegen uiterlijk vrijdag 6 oktober
  27. Bij niet of niet tijdig uitvoeren van de herstelmaatregelen, wordt er opgetreden door middel van de bestuursdwang overeenkomstig artikelen 43 en 44 van het gemeentewegendecreet. Concreet komt dit neer dat het college zal zorgen voor het feitelijk uitvoeren van de X-18.607-9/17 herstelmaatregelen op kosten van de overtreders. De kosten worden geraamd op 2.256,55 EUR. Artikel
  28. Dit besluit dient met een beveiligde zending te worden overgemaakt aan de overtreders.” Als bijlage bij het bestreden besluit wordt volgend grafisch plan gevoegd waarop de vijf te verwijderen obstakels worden aangeduid: IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  29. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 35, 38, 40 en 43 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet). 4.
  30. Volgens verzoekers blijkt uit de formele motivering van het bestreden besluit dat hen niet wordt verweten het gebruik van een bestaande voetweg te belemmeren, op een dergelijke voetweg innemingen te hebben gedaan of enige daad te hebben gesteld die kan worden beschouwd als een handeling bedoeld in artikel 38 van het gemeentewegendecreet. Het enige wat hen blijkens X-18.607-10/17 de voornoemde motivering wordt verweten is dat zij weigeren hun medewerking te verlenen aan de door de verwerende partij in toepassing van artikel 35 van het gemeentewegendecreet benaarstigde heropening of herwaardering van een onbestaande buurtweg. Daarvoor kan geen in artikel 40 van dit decreet bedoelde last tot herstel worden opgelegd, daar een dergelijke last er uitsluitend toe mag strekken een overtreding te sanctioneren van de verbodsbepalingen in artikel 38 van hetzelfde decreet of van het reglement vermeld in artikel 36 van het decreet.
  31. In hun memorie van wederantwoord benadrukken verzoekers dat het middel wraakt dat de verwerende partij een in artikel 40 van het gemeentewegendecreet bedoelde maatregel oplegt, terwijl de in artikel 38 van dit decreet bedoelde handelingen een actieve daad veronderstellen en zij een dergelijke actieve daad niet hebben gesteld en zulke actieve daad hen in het bestreden besluit ook helemaal niet wordt verweten. Hen wordt enkel verweten zich niet te willen inspannen om een – volledig buiten hun weten om – in onbruik geraakte buurtweg weer open te stellen.
  32. In hun laatste memorie stellen verzoekers dat zij tot 2015 niet op de hoogte waren van het bestaan van de zate van voetweg nr. 99 ten zuiden van de schuur op het betrokken terrein. Beoordeling
  33. Het gemeentewegendecreet stelt: “Hoofdstuk
  34. Afpaling en beheer van gemeentewegen […] Afdeling
  35. Beheer van gemeentewegen […] Art. 35 - Eenieder heeft het recht om een verzoekschrift tot vrijwaring en herwaardering van een in onbruik geraakte gemeenteweg in te dienen bij de gemeente. […] De gemeenteraad oordeelt op welke manier gevolg gegeven wordt aan het verzoekschrift, hetzij door een opdracht aan het college van burgemeester en schepenen om de publieke doorgang over de volledige breedte van de gemeenteweg te vrijwaren, hetzij door het college van burgemeester en X-18.607-11/17 schepenen te belasten met het opstarten van een procedure tot wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg. Art. 36 - Gemeenten kunnen een gemeentelijk reglement opmaken voor de toegang, het gebruik of het beheer van de gemeentewegen. De gemeenten kunnen daarbij differentiëren naar categorie, zoals is opgenomen in het gemeentelijk beleidskader. […] Hoofdstuk
  36. Handhaving Afdeling
  37. Verbodsbepalingen Art. 38 - Het is verboden: 1° een gemeenteweg te wijzigen, te verplaatsen of op te heffen zonder voorafgaand akkoord van de gemeenteraad; 2° een gemeenteweg volledig of gedeeltelijk in te nemen op een wijze die het gewone gebruiksrecht overstijgt; 3° de toegang tot een gemeenteweg of het gebruik en beheer ervan te belemmeren, te hinderen of onmogelijk te maken; 4° op of in gemeentewegen werkzaamheden uit te voeren of gemeentewegen op welke wijze ook te beschadigen zonder voorafgaande toestemming van het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde. Afdeling
  38. Bestraffing […] Afdeling
  39. Bestuurlijke maatregelen Onderafdeling
  40. Last tot herstel Art. 40 - Het college van burgemeester en schepenen kan aan elke overtreder een last opleggen tot herstel van een overtreding van verbodsbepalingen als vermeld in artikel 38, of van het reglement, vermeld in artikel
  41. De last tot herstel omvat: 1° de te nemen herstelmaatregelen; 2° het tijdskader voor het nemen van de herstelmaatregelen; 3° de gevolgen van het niet of niet tijdig uitvoeren van de herstelmaatregelen, namelijk ofwel de uitoefening van bestuursdwang in de zin van onderafdeling 2, ofwel de verplichting tot betaling van een dwangsom in de zin van onderafdeling 3; 4° in voorkomend geval de kosten die verhaald worden bij de toepassing van bestuursdwang. […].”
  42. Het middel mist feitelijke grondslag. In de formele motivering van het bestreden besluit wordt verzoekers immers wel degelijk verweten dat zij het gebruik van het betrokken segment van voetweg nr. 99 onmogelijk hebben gemaakt doordat zij op de zate van deze voetweg – met schending van de uitdrukkelijk in de stedenbouwkundige vergunning van 18 juli 2008 opgelegde voorwaarde (randnr. 3.5.2) – vijf “hindernissen en obstructies” hebben X-18.607-12/17 aangebracht, dit is een door artikel 38 van het gemeentewegendecreet verboden handeling.
  43. Voorts moeten verzoekers geacht worden minstens sedert de dag dat zij kennis hebben genomen van de stedenbouwkundige vergunning van 18 juli 2008 op de hoogte te zijn geweest van het landmetersplan uit 1984 waarop de zate van het betrokken gedeelte van voetweg nr. 99 is ingetekend.
  44. Het op een onjuist feitelijk uitgangspunt steunende middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 11.
  45. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet en van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). 11.
  46. Verzoekers voeren aan dat de Raad van State “de bevoegdheid ontbeert om het al dan niet nog juridisch bestaan van de betrokken buurtweg te beoordelen”. Het komt immers aan de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde toe om te oordelen over de al dan niet inbezitname van een in de Atlas der buurtwegen opgenomen tracé en over het tenietgaan van een dergelijk tracé door dertigjarig onbruik door het publiek voorafgaand aan de inwerkingtreding van het gemeentewegendecreet. Nochtans moet het bestreden besluit beoordeeld kunnen worden door een rechter met volle rechtsmacht, daar de in de artikelen 40 en 42 van het gemeentewegendecreet bedoelde herstelmaatregelen moeten beschouwd worden als strafmaatregelen in de zin van artikel 6 van het EVRM. Verzoekers voegen eraan toe dat de verwerende partij “voorafgaand aan welke bestuursmaatregel ook, via een juridische procedure de heropening van de buurtweg diende te pogen afdwingen in het kader waarvan in X-18.607-13/17 toepassing van artikel 144 van de gecoördineerde Grondwet de hiervoor bevoegde Rechtbank na tegensprekelijk debat kan oordelen over het al dan niet geopend zijn van [het betrokken segment] van buurtweg 99 […], minstens over het al dan niet tenietgegaan zijn van [dit segment] ingevolge 30 jarig publiek onbruik voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Decreet gemeentewegen”.
  47. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat er tot op vandaag betwisting wordt gevoerd over de vraag of het betrokken segment van buurtweg nr. 99 ooit door de gemeente geopend is geweest en over de vraag of deze weg – indien ooit geopend – niet door verkrijgende verjaring teniet is gegaan in toepassing van artikel 12 van de buurtwegenwet voorafgaand aan de inwerkingtreding van het gemeentewegendecreet. Volgens verzoekers is het evident dat het al dan niet bestaan van de betrokken voetweg dient te worden beoordeeld alvorens kan worden nagegaan of er met betrekking tot deze weg bestuurlijke dwang kan worden uitgeoefend.
  48. In hun laatste memorie voegen verzoekers toe dat uit het arrest van het Hof van Cassatie van 20 juni 2002 (zaak C.01.0061.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030620.5/1) volgt dat slechts wegen die ook effectief door de gemeentelijke overheid in bezit zijn genomen volgens de voorwaarden gesteld in de artikelen 2229 en 2265 van het oude Burgerlijk Wetboek, buurtwegen zijn die bestaan op 1 september 2019 in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet. Beoordeling
  49. Artikel 85 van het gemeentewegendecreet luidt: “Alle gemeentelijke wegen en buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen die bestaan op 1 september 2019, worden voor de toepassing van dit decreet geacht een gemeenteweg te zijn.” X-18.607-14/17
  50. Zoals reeds is geoordeeld in ’s Raads arresten nrs. 262.458 en 262.463 van 21 februari 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.458/ ARR.262.463), is een in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetweg die uiterlijk op 1 september 2019 niet is afgeschaft volgens de in de buurtwegenwet van 10 april 1841 voorgeschreven procedure, een bestaande buurtweg in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet. Het “bestaan” van buurtwegen in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet is met andere woorden een juridisch bestaan. Noch de feitelijke toestand van het terrein, noch de vraag of de wegzate van de buurtweg – vanuit het oogpunt van het eigendomsrecht – verjaard zou zijn, noch de vraag of de gemeente deze zate ooit in bezit heeft genomen, is ter zake relevant.
  51. Te dezen is (het betrokken segment van) voetweg nr. 99 niet afgeschaft volgens de in de buurtwegenwet van 10 april 1841 voorgeschreven procedure, zodat het gaat om een bestaande buurtweg in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet, waarop de bepalingen van dit decreet toepasselijk zijn, inbegrepen het als volgt luidende artikel 14, § 2, eerste en tweede lid, van het gemeentewegendecreet: “Art. 14 - […] §
  52. Eenieder heeft het recht om een verzoekschrift in te dienen bij de gemeente waarin gemotiveerd wordt dat een gemeenteweg, of een deel ervan, getroffen is door een dertigjarig niet-gebruik door het publiek. Het bewijs wordt geleverd door een rechterlijke uitspraak of met alle middelen van recht. De gemeenteraad die op grond van een verzoekschrift als vermeld in het eerste lid vaststelt dat er sprake is van een dertigjarig niet-gebruik door het publiek, oordeelt over de wenselijkheid van de opheffing van de gemeenteweg of het deel ervan, rekening houdend met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4, en in voorkomend geval het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel
  53. Een eventuele opheffingsprocedure verloopt overeenkomstig afdeling 3.” X-18.607-15/17
  54. Het is de keuze van verzoekers om geen verzoekschrift in de zin van het hiervoor geciteerde artikel 14, § 2, eerste en tweede lid, van het gemeentewegendecreet in te dienen, ondanks het feit dat de verwerende partij hen daartoe uitdrukkelijk heeft uitgenodigd (randnr. 3.11). Zij maken in het middel niet aannemelijk dat de verwerende partij, alvorens het bestreden besluit te nemen, een vordering had moeten instellen bij de rechter van de rechterlijke orde.
  55. Voorts is de stelling van verzoekers dat de Raad van State “de bevoegdheid ontbeert om het al dan niet nog juridisch bestaan van de betrokken buurtweg te beoordelen” onjuist. De Raad van State kan immers binnen zijn rechtsmacht het juridisch bestaan van (het betrokken segment van) voetweg nr. 99 wel degelijk beoordelen en heeft dit hiervoor (randnr. 16) gedaan. Overigens heeft het Hof van Cassatie zich in het door verzoekers ingeroepen arrest van 20 juni 2002 niet uitgesproken over (artikel 85 van) het meer dan zestien jaar later aangenomen gemeentewegendecreet.
  56. Enige schending van de aangevoerde bepalingen wordt niet aannemelijk gemaakt.
  57. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  58. De Raad van State verwerpt het beroep.
  59. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-18.607-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.607-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.017 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030620.5 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.458 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.