← België

Arrest 266036 - Overheidsopdrachten - 16/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.036 Rolnummer: A. 247472/XIV-40104 Zaak: Arrest 266036 - Overheidsopdrachten - 16/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-17 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-06-18 06:39 Fiche Arrest nr 266.036 van 16 maart 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.036 van 16 maart 2026 in de zaak A. 247.472/XIV-40.104 In zake: de BV P. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist, Joris Claes en Joke Derwa kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV van publiek recht NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser en Emma Renglé kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 20 februari 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de verwerende partij van 6 februari 2026, waarbij de opdracht met als refertenummer WS2724077698 betreffende Opleidingen in kader van klantgerichtheid en agressiemanagement voor NMBS-medewerkers gegund werd aan [derden] en de offerte van de verzoekende partij geweerd werd wegens onregelmatigheid”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 23 februari 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-40.104-1/15 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026, om 15.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaten Barteld Schutyser en Emma Renglé, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur – afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij plaatst een overheidsopdracht in de markt met het oog op het sluiten van een raamovereenkomst voor diensten, met als onderwerp ‘Opleidingen in kader van klantgerichtheid en agressiemanagement voor NMBS-medewerkers’. Het betreft een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging. 3.
  5. Vijftien inschrijvers, waaronder de verzoekende partij dienen een offerte in. XIV-40.104-2/15 3.
  6. Op 6 februari 2026 gunt de verwerende partij de opdracht aan derden. Dit is de bestreden beslissing. Onder punt 3.
  7. en 3.2 ervan is het volgende gesteld: “
  8. Analyse van de ingediende offertes 3.
  9. Regelmatigheid van de offertes 3.1.
  10. Administratieve en technische regelmatigheid De ingediende offertes zijn vooreerst onderzocht op regelmatigheid. De offertes werden ondertekend door de daartoe bevoegde personen. De offertes bevatten de informatie zoals gevraagd in de opdrachtdocumenten en komen bijgevolg in aanmerking voor verdere analyse. 3.1.
  11. Nazicht/bevraging van de prijzen De eenheidsprijzen werden beoordeeld en er werden geen afwijkende prijzen vastgesteld. 3.
  12. Evaluatie van de selectiecriteria De kandidaten werden beoordeeld op basis van de selectiecriteria zoals vastgelegd in de aanbestedingsdocumenten: Technische en professionele capaciteit: […] De volgende leveranciers voldoen aan de selectiecriteria en gaan door voor de evaluatie van de gunningscriteria:
  13. [Een gekozen inschrijver]
  14. [XXX]
  15. [XXX]
  16. [de verzoekende partij]
  17. [Een gekozen inschrijver] ” Onder punt 3.
  18. ervan is het volgende gesteld: “3.
  19. Evaluatie van de gunningscriteria De NMBS kiest de regelmatige offerte die haar het voordeligst lijkt, rekening houdend met de hieronder vermelde gunningscriteria: Beschrijving Gewicht 1 Kwaliteit 60 % 1.
  20. Kwaliteit van de pedagogische aanpak aan 40 % de hand van de uitwerking van een specifiek opleidingstraject 1.
  21. De vaardigheden en relevante ervaring van 20 % het voorgestelde team (inbegrepen reeds ontwikkelde trainingen) XIV-40.104-3/15 2 Prijs 40 % De eindscore die aan elke offerte wordt toegekend, komt overeen met de som van de gewogen scores die zijn toegekend voor alle gunningscriteria. […] 3.3.
  22. Vergelijking van aanbiedingen na onderhandeling Bieders moeten minstens 70% scoren (= 42 van de 60 punten). Bieders die minder dan 70% scoren voor één of meer elementen worden automatisch uitgesloten van de rest van de procedure en worden niet meegenomen bij de prijsbeoordeling. Op woensdag 17-12-25 werd een bevestigingsmail gestuurd naar de potentiële succesvolle bieders zodat zij de inhoud van hun bod konden bevestigen. De scores werden vastgesteld om de volgende eindbeoordeling te geven: […] Toekenningscriteria Weging
  23. [verzoekende partij]
  24. […] Kwaliteit 60 36 […] 1.1 Kwaliteit van de 40 24 […] pedagogische benadering... 1.2 Teamvaardigheden en 20 12 […] relevante ervaring Prijsstelling 40 / […] Totaal : 100 / […] Motivering voor de evaluatie van de gunningscriteria inzake kwaliteit: […]
  25. [De verzoekende partij] • 1.1 Kwaliteit van de pedagogische benadering : Pluspunten: - Gevraagde verschillende voorstellen, lesplan en storyboard gedetailleerd aanwezig - Initiatief tot onderdompeling van lesgevers (in voorbereiding) en deelnemers (opleidingstraject) in toekomstige werkomgeving Minpunten: - Aspect verankering slechts beperkt uitgewerkt - Neigt teveel naar ‘opvang’ van deelnemers (het apart spreken van deelnemers zowel tijdens als na de les) - Kostprijs van digitale ondersteuning (e-learning) blijkt niet te zijn opgenomen (in tegenstelling tot wat tijdens het gesprek werd geduid) • 1.2 Teamvaardigheden en relevante ervaring: Pluspunten: - Beknopt rapport en feedbackmails na elke sessie - Acteurs worden regelmatig gecoacht en komen minstens 1x per jaar samen om nieuwe werkvormen uit te testen - Het voorgestelde team voldoet aan de vereiste dat lesgevers lesgeven in eigen moedertaal Minpunten: - Uitwisseling verloopt niet steeds vlot op vlak van facturering - Het accent van de voorgestelde CV’s ligt meer op coachen wat niet volledig is afgestemd op wat gevraagd werd in het bestek XIV-40.104-4/15 • Prijsstelling: De offerte is onregelmatig en komt dus niet in aanmerking voor de prijsevaluatie. […].” 3.
  26. In de versie van de bestreden beslissing zoals die werd betekend aan de verzoekende partij is onder punt 3.
  27. ervan het volgende gesteld: “
  28. Analyse van de ingediende offertes 3.
  29. Regelmatigheid van de offertes 3.1.
  30. Administratieve en technische regelmatigheid De ingediende offertes zijn vooreerst onderzocht op regelmatigheid. De offertes werden ondertekend door de daartoe bevoegde personen. De offertes van XXXXX werden onregelmatig verklaard op basis van de evaluatie van de selectiecriteria. De offertes van XXXXXXX en [de verzoekende partij] werden onregelmatig verklaard op basis van de gunningscriteria. 3.1.
  31. Nazicht/bevraging van de prijzen De eenheidsprijzen werden beoordeeld en er werden geen afwijkende prijzen vastgesteld.” IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  32. Beide partijen vragen in hun respectievelijk processtuk om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken, die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt.
  33. Geen van de partijen heeft (ter terechtzitting) het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken gevraagd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  34. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende XIV-40.104-5/15 noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van het de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  35. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4, eerste lid en 147, § 5 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016), van het gelijkheidsbeginsel, het niet-discriminatiebeginsel, het transparantiebeginsel, van artikel 74 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de speciale sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 juni 2017), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en van het patere legem-beginsel. De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “De bestreden beslissing schendt de voormelde bepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur, doordat de offerte van de verzoekende partij geweerd wordt wegens onregelmatigheid, terwijl nergens uit de bestreden beslissing blijkt op basis van welke onregelmatigheden in de zin van het bestek of van het KB dit dan het geval zou zijn. Ook blijkt er nergens waarom -in geval van onregelmatigheid- een regularisatie niet mogelijk zou zijn, zoals voorzien in het bestek. Beoordeling
  36. In een eerste kritiek stelt de verzoekende partij dat “uit de bestreden beslissing […] nergens blijkt dat er een daadwerkelijk XIV-40.104-6/15 regelmatigheidsonderzoek plaatsgevonden heeft conform de vooropgestelde criteria [en dat] evenmin blijkt […] waarom de offerte van de verzoekende partij onregelmatig zou zijn.” Deze kritiek wordt niet bijgevallen, zoals hierna blijkt. Uit de bestreden beslissing, en inzonderheid uit het hierboven aangehaalde punt 3.1 ervan (zie supra, punt 3.3, blijkt op het eerste gezicht duidelijk dat de aanbestedende entiteit de regelmatigheid van de offertes heeft onderzocht en daarbij geen onregelmatigheden heeft vastgesteld. Tevens blijkt uit de bestreden beslissing dat de offerte van de verzoekende partij bij de regelmatigheidstoets niet onregelmatig is bevonden, en dat zij vervolgens inhoudelijk werd beoordeeld en getoetst aan de gunningscriteria, nadat eerst het selectieonderzoek was afgerond. Uit deze beoordeling van de gunningscriteria blijkt dat de verzoekende partij op beide kwaliteitscriteria minder dan 70% behaalde, zodat haar offerte niet werd meegenomen in de prijsbeoordeling. Door in dit kader formeel te stellen dat “de offerte […] onregelmatig [is] en […] dus niet in aanmerking [komt] voor de prijsevaluatie” is de aanbestedende entiteit niet teruggekomen op de eerdere beoordeling betreffende de regelmatigheid van de offerte. Door de offerte “onregelmatig” te verklaren wegens het niet behalen van de minimumscore van 70% op de kwaliteitscriteria, geeft zij immers aan dat de verzoekende partij, conform het bestek en de daarin uitdrukkelijk aangekondigde en door de verzoekende partij niet betwiste beoordelingsmethodiek, automatisch wordt uitgesloten van verdere deelname en dat de offerte niet meer in aanmerking komt voor evaluatie van de prijs. Het is correct dat in het aan de verzoekende partij meegedeelde (uittreksel uit de) bestreden beslissing, onder het opschrift “regelmatigheid van de offertes”, werd vermeld dat bepaalde offertes onregelmatig werden verklaard “op basis van de evaluatie van de selectiecriteria” en dat, inzonderheid, de offerte van XIV-40.104-7/15 de verzoekende partij onregelmatig werd verklaard “op basis van de gunningscriteria” (zie supra, punt 3.4). Een gebrekkige kennisgeving van de bestreden beslissing tast echter op zichzelf de wettigheid ervan niet aan. Bovendien blijkt niet dat de verzoekende partij door deze gebrekkige betekening werd benadeeld — te meer daar deze onvolkomenheid de kern van de beslissing niet raakt en in wezen neerkomt op een foutieve rubricering van de conclusie van de inhoudelijke beoordeling aan de gunningscriteria onder het opschrift “regelmatigheid van de offertes”. Uit het verzoekschrift blijkt immers duidelijk dat de verzoekende partij wel degelijk weet heeft van het feit dat zij van verdere deelname werd uitgesloten omdat zij op elk onderdeel minder dan 70% behaalde en zich hiertegen heeft verweerd.
  37. Aangezien de verzoekende partij is uitgegaan van de onjuist bevonden premisse dat haar offerte werd uitgesloten wegens (substantiële) onregelmatigheden in de zin van het door haar ingeroepen artikel 74 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017, kan ook haar tweede grief geen stand houden. Deze grief houdt in dat het voor haar niet duidelijk zou zijn waarom haar offerte, indien sprake zou zijn van een onregelmatigheid, niet meer in de mogelijkheid verkeerde om te worden geregulariseerd. De regularisatie waarop zij zich beroept, situeert zich evenwel op het niveau van het onderzoek naar de regelmatigheid in de zin van voormelde bepaling, terwijl de verzoekende partij niet om die reden van verdere evaluatie werd uitgesloten.
  38. Uit wat voorafgaat blijkt dat de offerte van de verzoekende partij niet werd geweerd omwille van onregelmatigheid van de offerte. Aangezien de verzoekende partij de schending van alle aangevoerde bepalingen en beginselen steunt op deze foutief bevonden premisse, kan geen ervan tot schorsing van de bestreden beslissing leiden. Het eerste middel is niet ernstig. XIV-40.104-8/15 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  39. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016, van het gelijkheidsbeginsel, het niet-discriminatiebeginsel, het transparantiebeginsel en het mededigingsbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “
  40. In ondergeschikte orde, indien Uw Raad van oordeel zou zijn dat er daadwerkelijk een zorgvuldig regelmatigheidsonderzoek is gebeurd – quod certe non – en de offerte van de verzoekende partij bijgevolg rechtsgeldig inhoudelijk kon worden beoordeeld, dient vastgesteld dat deze inhoudelijke beoordeling hoe dan ook onzorgvuldig is gebeurd: de zogenaamde minpunten die de verwerende partij heeft vastgesteld in de offerte van verzoekende partij en die een hogere score voor het gunningscriterium inzake kwaliteit verhinderen, zijn immers minpunten die geen stand kunnen houden.”
  41. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partij bij dit middel, aangezien – samengevat – de verzoekende partij met haar aangevoerde grieven niet aantoont dat zij alsnog de minimumdrempel van 70% voor het gunningscriterium “kwaliteit” zou behalen. Beoordeling Betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel
  42. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie wat het middel betreft. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien het middel ernstig zou worden bevonden, hetgeen zoals hierna XIV-40.104-9/15 zal blijken, niet het geval is. Betreffende de schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht
  43. De verzoekende partij voert in het middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht, die zij afleidt uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
  44. Deze bepalingen verplichten de aanbestedende entiteit ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
  45. De verzoekende partij voert in het middel ook de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Die houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot XIV-40.104-10/15 haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Deze beoordeling moet worden gekaderd binnen de beoordelingsbevoegdheid ter zake die de aanbestedende entiteit heeft bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toetsing aan de gunningscriteria. Wat dat betreft, is het in de eerste plaats de aanbestedende entiteit die bepaalt wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt en om er dienovereenkomstig punten aan toe te kennen. De navolgende grieven van de verzoekende partij worden binnen dat kader beoordeeld.
  46. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de beoordeling van (de beide subgunningscriteria) van het gunningscriterium “Kwaliteit” steunt op een aantal plus- en minpunten. Die zijn hiervoor weergegeven (supra, punt 3.3). Er wordt naar verwezen De kritiek van de verzoekende partij richt zich tegen de “zogenaamde minpunten die de verwerende partij heeft weerhouden – en die een hogere score voor de beide subgunningscriteria verhinderen – in werkelijkheid geen stand houden.” Hierop bekritiseert zij puntsgewijs de genoteerde minpunten. Deze kritieken worden hierna op hun merites onderzocht.
  47. Inzake het eerste subgunningscriterium “Kwaliteit van de pedagogische aanpak aan de hand van de uitwerking van een specifiek opleidingstraject” noteert de bestreden beslissing drie minpunten. Wat betreft het bij dit subcriterium vermelde tweede minpunt — “neigt teveel naar ‘opvang’ van deelnemers (het apart spreken van deelnemers zowel tijdens als na de les)” — voert de verzoekende partij aan dat dit vaag en nietszeggend zou zijn. Deze stelling wordt niet bijgetreden. Op het eerste gezicht XIV-40.104-11/15 kan immers uit deze beoordeling worden afgeleid dat de aanpak die de verzoekende partij in haar plan van aanpak vooropstelt — namelijk individuele “opvang” van deelnemers, onder meer door het voeren van gesprekken tijdens of na de les — niet strookt met de benadering die de aanbestedende entiteit voor ogen heeft. Voorts sluit dit motief aan bij het in de bestreden beslissing wat verder vermelde minpunt waarbij wordt opgemerkt dat het accent in de voorgestelde cv’s meer ligt op coachen – en dus niet op training wat daarvan prima facie te onderscheiden is wat aanpak betreft -, terwijl duidelijk is geoordeeld dat dit niet volledig beantwoordt aan de verwachtingen van het bestek. Minstens uit de formele motivering in haar geheel, en in het bijzonder uit de samenlezing van beide voornoemde minpunten, had het voor de verzoekende partij dan ook duidelijk moeten zijn dat haar plan van aanpak volgens de aanbestedende entiteit niet, althans in mindere mate, aansluit bij haar verwachtingen. Aldus verschaft de motivering van het betrokken minpunt, samen te lezen met de gehele motivering, en geduid in de context en het voorwerp van de opdracht, op het eerste gezicht aan de verzoekende partij voldoende duidelijkheid over dit minpunt. Dit volstaat in het licht van de door de verzoekende partij aangehaalde formelemotiveringsplicht. Aldus is de door de verzoekende partij geformuleerde kritiek, afgeleid uit een beweerde schending van de formelemotiveringsplicht, voor wat dit minpunt betreft, niet ernstig. De verzoekende partij uit voorts kritiek op het minpunt “aspect verankering slechts beperkt uitgewerkt”. Ook deze kritiek is niet overtuigend. Vooreerst lijkt de inhoudelijke kritiek die de verzoekende partij op dit minpunt formuleert, reeds op zich te weerspreken dat dit motief “vaag en nietszeggend” zou zijn. Wat betreft de inhoudelijke beoordeling, blijkt uit het bestek dat het aspect “verankeren van het geleerde” moet worden begrepen als de analyse van de elementen die de overdracht van het geleerde naar het dagelijkse werkleven van de deelnemers bevorderen, alsook van de verankering van het nieuwe leren in de tijd (bijv. via herhalingen, nuggets, ontwikkelingspistes, enz.). Het komt aan de verzoekende partij toe aan te tonen dat het motief dat dit aspect in haar offerte slechts beperkt werd uitgewerkt, feitelijk of in rechte niet kan standhouden. Hoewel de verzoekende partij in haar verzoekschrift betoogt dat verankering in haar offerte XIV-40.104-12/15 “centraal staat”, beperkt zij zich ter zake tot loutere beweringen en algemeen geformuleerde stellingen die weliswaar doen blijken van een eigen standpunt, maar niet aantonen dat dit minpunt feitelijk of in rechte foutief is. Ter staving van haar standpunt verwijst zij voorts weliswaar in globo naar haar document “Aanpak en opleidingsplan”, zonder hierbij ook maar enigszins te preciseren op welke passages in dat stuk haar standpunt zou steunen. Het is evenwel niet aan de Raad van State — en zeker niet in het kader van een procedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid — om zich in een soort fact‑finding mission te begeven en zelf in het betrokken stuk op zoek te gaan naar passages die het standpunt van de verzoekende partij zouden kunnen onderbouwen, om deze vervolgens te beoordelen en te toetsen aan het bestreden minpunt. Hieruit volgt dat de verzoekende partij met haar kritiek niet aantoont dat de verwerende partij haar hiervoor nader bepaalde beoordelingsbevoegdheid heeft miskend. De grief moet derhalve als niet ernstig worden aangemerkt. De verzoekende partij uit voorts kritiek op het derde minpunt inzake het eerste subcriterium, met name dat “de kostprijs van digitale ondersteuning (e‑learning) [niet] blijkt […] te zijn opgenomen (in tegenstelling tot wat tijdens het gesprek werd geduid)”, stellende dat zij nooit heeft beweerd dat die kostprijs in de prijs zou zijn inbegrepen. Met deze kritiek vertrekt zij echter, op het eerste gezicht, van een onjuiste lezing van dit minpunt. Anders dan de verzoekende partij voorstaat, vloeit dit minpunt niet voort uit een vermeende foutieve voorstelling tijdens de besprekingen, maar wel uit het feit dat het gaat om betalende opties. De kritiek faalt derhalve in feite, zodat die om deze reden alleen al niet overtuigend is. Ook deze grief is niet ernstig.
  48. Uit het voorafgaande volgt dat het middel, voor zover het kritiek uit op de minpunten met betrekking tot het eerste subcriterium, niet ernstig is. De verzoekende partij formuleert eveneens kritiek op de minpunten inzake het tweede subcriterium “teamvaardigheden en relevante ervaring”. Het bestek bepaalt evenwel dat “inschrijvers die op één of meerdere XIV-40.104-13/15 onderdelen een score van minder dan 70% behalen, automatisch van verdere deelname worden uitgesloten en niet meer in aanmerking komen voor de prijsevaluatie.” Uit de hierboven weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing (supra, punt 3.3) blijkt dat de verzoekende partij 24 op 40 behaalde voor het eerste subcriterium. Nu de kritieken op het eerste subcriterium niet ernstig zijn bevonden, blijft de gedane beoordeling ervan onverkort gelden en staat derhalve vast dat de verzoekende partij op dit onderdeel nog steeds de vereiste minimale score niet haalt. Hieruit volgt dat, zelfs indien de door de verzoekende partij aangevoerde kritiek met betrekking tot de wettigheid van de beoordeling van het tweede subcriterium ernstig zou zijn, dit niet kan leiden tot het ernstig bevinden van het middel in zijn geheel. De overige geschonden geachte bepalingen en beginselen.
  49. De verzoekende partij voert in het middel ook de schending aan van nog andere bepalingen en beginselen, doch zij bouwt in het verzoekschrift ter zake geen specifieke argumentatie op, zodat deze grief ofwel geacht moet worden samen te vallen met wat hiervoor al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Conclusie
  50. Het tweede middel is niet ernstig. VII. Besluit
  51. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  52. De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-40.104-14/15
  53. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-40.104-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.