id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.062 Rolnummer: A. 244272/IX-10631 Zaak: Arrest 266062 - Tucht (openbaar ambt) - 18/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-24 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-06-18 06:39 Fiche Arrest nr 266.062 van 18 maart 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.062 van 18 maart 2026 in de zaak A. 244.272/IX-10.631 In zake: R.L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thierry Van Noorbeeck en Annelies Vodderie kantoor houdend te 3290 Diest Leuvensestraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV HR RAIL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 25 februari 2026 (per post) en 26 febru- ari 2025 (elektronisch), strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de raad van beroep van de nv HR Rail van 3 december 2024 waarbij aan verzoeker “het tuchtrechtelijk ontslag met bekrachtiging van de preventieve schorsing” wordt op- gelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 263.204 van 6 mei 2025 is de vordering tot schor- sing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-10.631-1/22 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Iris Exelmans, die loco advocaten Thierry Van Noor- beeck en Annelies Vodderie verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laurent Generet, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke ver- schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is in 1991 in dienst getreden bij de Belgische Spoor- wegen. Hij is ten tijde van de bestreden beslissing werkzaam als rangeermeester in statutair verband bij de NMBS. IX-10.631-2/22 3.
- Op 4 oktober 2023 zendt LVS, de onmiddellijke chef van ver- zoeker, een e-mail naar het Compliance & Investigation Office van de NMBS (“CIO”) waarin hij meldt dat verzoeker mogelijk onterecht fietsvergoedingen zou aanvragen, hetgeen hij zelf niet kan controleren. Het CIO stelt in een verslag van 4 juli 2024 dat verzoeker onre- gelmatige aanvragen heeft gedaan tot het verkrijgen van een fietsvergoeding “op dagen dat betrokkene met de auto komt”. Volgens dit verslag gaat het om 69 van de 75 dagen waarvoor verzoeker deze vergoeding heeft aangevraagd in de periode van 20 juni 2022 tot 7 juli
- 3.
- Op 19 juli 2024 stelt de onmiddellijke chef van verzoeker voor om aan verzoeker de tuchtmaatregel ‘tuchtrechtelijk ontslag’ op te leggen. Op de- zelfde dag wordt voorgesteld om verzoeker preventief te schorsen. 3.
- Op 10 september 2024 wordt verzoeker preventief geschorst. 3.
- Op 23 september 2024 beslist de adjunct van de algemeen direc- teur van de verwerende partij om verzoeker tuchtrechtelijk te ontslaan. Verzoeker stelt daartegen beroep in bij de raad van beroep. 3.
- De raad van beroep beslist op 3 december 2024 om aan verzoe- ker het “tuchtrechtelijk ontslag met bekrachtiging van de preventieve schorsing” op te leggen. Dat is de bestreden beslissing. IX-10.631-3/22 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Een eerste middel is geput uit de schending van artikel 107 van de wet van 23 juli 1926 ‘betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen’ en de onbevoegdheid van de steller van de handeling. Volgens verzoeker moet de formele beslissing om zijn statutaire band te beëindigen, uitgaan van HR Rail, diens algemeen directeur of zijn afge- vaardigde. De formele beslissing tot tuchtrechtelijk ontslag werd niet genomen door de algemeen directeur. Niet werd aangetoond dat de algemeen directeur in de onmogelijkheid verkeerde om de bedoelde tuchtrechtelijke beslissing te nemen of dat zijn ontslagbevoegdheid in dat verband op rechtsgeldige wijze gedelegeerd werd aan de adjunct van de algemeen directeur. De bestreden beslissing is dan ook in strijd met artikel 107 van de wet van 23 juli 1926 nu deze uitgaat van een onbe- voegd persoon.
- Verzoeker herneemt zijn middel in de memorie van wederant- woord, zonder te reageren op het verweer in de memorie van antwoord.
- In zijn laatste memorie erkent verzoeker dat de bestreden beslis- sing uitgaat van de raad van beroep. Hij stelt echter te allen tijde middelen te mogen putten uit de voorbereidende werkzaamheden die geleid hebben tot de bestreden beslissing, “en indien deze uitgevoerd werden door personen die geen enkele be- voegdheid hadden dienaangaande, dan heeft dit ontegensprekelijk gevolgen voor de bestreden beslissing”. IX-10.631-4/22 Beoordeling
- De bestreden “formele beslissing om de statutaire band […] te beëindigen” gaat uit van de raad van beroep, niet van de adjunct van de algemeen directeur. Het middel mist in die mate feitelijke grondslag.
- In zijn arrest nr. 252.279 van 1 december 2021 heeft de Raad van State het volgende overwogen: “Het tuchtreglement van het personeel van de nv HR Rail, het zogenaamde ARPS – Bundel 550, voorziet voor het betrokken personeelslid in de mo- gelijkheid om een beroep in te stellen bij de raad van beroep tegen onder meer tuchtmaatregelen van de tweede graad, zoals het tuchtrechtelijk ont- slag er een is, en de ordemaatregel van preventieve schorsing (paragraaf 44). Dat tuchtreglement bepaalt binnen welke termijn en in welke vorm dat beroep moet worden ingesteld (paragraaf 45). Gebeurt dit niet op de voor- geschreven wijze, ‘dan vervalt (het) recht op beroep voor de Raad van be- roep en wordt de beslissing definitief’ (paragraaf 46). Het tuchtreglement vereist ook dat wanneer een zaak aan de raad van beroep wordt voorgelegd, de onderzoeken volledig beëindigd zijn, het personeelslid zijn verweermid- delen heeft kunnen doen gelden en het dossier alle elementen bevat opdat de raad van beroep een beslissing kan nemen ‘met perfecte kennis van za- ken’ (paragraaf 49). Die beslissing van de raad van beroep moet ten slotte een gemotiveerde beslissing zijn (paragraaf 52). De aldus uitgewerkte beroepsmogelijkheid moet op het eerste gezicht wor- den gekwalificeerd als een georganiseerd administratief beroep. De raad van beroep heeft ingevolge de devolutieve werking van dat beroep, zelf de beslissingsmacht over de zaak, op dezelfde wijze als – in dit geval – de algemeen directeur en de adjunct van de algemeen directeur. Krachtens die- zelfde devolutieve werking komt de beslissing van de raad van beroep in de plaats van de beslissingen van de algemeen directeur en de adjunct van de algemeen directeur.”
- De Raad bevestigt die zienswijze ook voor de voorliggende zaak. Door het effectief instellen van een administratief beroep wordt de beslissingsbevoegdheid over de tuchtmaatregel overgedragen naar de bevoegde raad van beroep, die de zaak zelf opnieuw volledig onderzoekt en zijn beslissing IX-10.631-5/22 steunt op eigen motieven. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep komt de beslissing van deze raad van beroep volledig in de plaats van de beslissing waartegen het beroep is ingesteld, zodat deze laatste uit het rechtsverkeer verdwijnt.
- Omdat de beslissing die door de verwerende partij in eerste aan- leg werd genomen, geen rechtsgevolgen meer met zich meebrengt, dient in begin- sel ook geen acht meer te worden geslagen op mogelijke onregelmatigheden waar- mee de procedure in eerste aanleg zou zijn behept. Zulks belet niet dat verzoeker de onwettigheden mag inroepen die aan de in eerste aanleg genomen bestreden beslissing zouden kleven, in zoverre de bestreden beslissing steunt op diezelfde onwettigheden. Verzoeker toont evenwel niet aan waarom de eventuele onregel- matigheden die hij – al dan niet terecht – bespeurt in de procedure in eerste aanleg niet worden gedekt door de bestuursbeslissing in graad van beroep.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is geput uit de schending van de materiële- motiveringsplicht en de redelijketermijneis. Verzoeker werkt het middel uit als volgt: “Dat uit het verslag van de onderzoekers dd. 4 juli 2024 blijkt dat het on- derzoeksteam in kwestie reeds op datum van 4 oktober 2023 per e-mail ingelicht werd door [LVS, de onmiddellijke chef van verzoeker] over de tuchtrechtelijke tenlastelegging aangaande de fietsvergoedingen; Dat in dezelfde e-mail, [LVS] ook aangaf dat een eventueel misbruik van de fietsvergoedingen zou blijken uit de gegevens van de parking-badge; Dat het onderzoek waarmee het onderzoeksteam belast werd, dan ook be- perkt was tot het louter opvragen van de badge-gegevens van verzoeker voor de parking van Leuven en Aarschot om deze gegevens uiteindelijk te vergelijken met de dagen waarvoor een fietsvergoeding werd toegekend; IX-10.631-6/22 Dat deze onderzoeksmethode, welke zeer eenvoudig is, reeds onmiddelllijk gesuggereerd werd in de e-mail van 4 oktober 2023; Dat deze onderzoekshandeling zeer eenvoudig is en enkel betrekking heeft op de verrichtingen van verzoeker, niet meer of niet minder; Dat er geen sprake is van een complex onderzoek dossier, waardoor deze onderzoek handelingen dan ook op zeer korte termijn konden worden ge- realiseerd; Dat van zodra de vaststellingen geobjectiveerd waren er vervolgens een verhoor kon worden georganiseerd; Dat het uiteindelijk toch geduurd heeft tot 30 mei 2024, bijna 8 maanden nadat het onderzoeksteam was ingelicht van de ten laste legging, alvorens verzoeker een eerste maal werd verhoord aangaande de tenlastelegging en hij aldus met de onderzoeksresultaten werd geconfronteerd; Dat dienaangaande dient te worden opgemerkt dat een dergelijke houding van de tuchtoverheid en het aanzienlijke tijdsverloop niet te verenigen zijn met de gevraagde tuchtmaatregel van ‘ontslag’, nu van een administratieve overheid mag worden verwacht dat zij met bekwame spoed haar tuchton- derzoek voert; Dat verder opgemerkt dient te worden dat de administratieve overheid ini- tieel enkel de badge-gegevens van de parking van Leuven had opgevraagd en haar onderzoek aldus slechts partieel gevoerd heeft en pas na het verhoor van verzoeker op 30 mei 2024 overging tot het opvragen van de badge- gegevens van de parking te Aarschot; Dat verzoeker dienaangaande opnieuw verhoord werd op datum van 25 juni 2024 naar aanleiding van de gegevens die aan het licht zijn gekomen uit de analyse van de badge-gegevens van de parking te Aarschot; Dat hieruit voortvloeit dat deze badge-gegevens voor de onderzoekers al- dus snel konden worden opgevraagd en verwerkt nu verzoeker op 25 dagen tijd reeds geconfronteerd kon worden met de onderzoeksresultaten in kwes- tie; Dat hieruit aldus blijkt dat een onderzoek van maar liefst 7 maanden voor het opvragen van partiële badge-gegevens, overduidelijk onredelijk is; Dat een zorgvuldig handelende administratieve overheid […] in eerste in- stantie op korte termijn geverifieerd zou hebben welke gegevens [zij] nodig had om geïnformeerd een correcte beslissing te kunnen nemen; Dat in casu vastgesteld moet worden dat verzoeker pas op datum van 25 juni 2024 geconfronteerd werd met de onderzoeksresultaten, hetgeen aldus bijna 9 maanden na het gevoerde onderzoek is, hetgeen gelet op de eenvoud van het te voeren onderzoek en de gegevens welke vrijwel steeds voorhan- den zijn geweest voor verweerster, aldus in strijd is met de redelijke ter- mijneis; Dat daarenboven verzoeker al die tijd in onzekerheid diende te vertoeven en hij tevens preventief geschorst werd; Dat dit alles ook slechts op datum van 19 juli 2024 werd meegedeeld aan verzoeker, opnieuw bijna 10 maanden nadat verweerster kennis kreeg van de tenlastelegging; Dat in weerwil tot hetgeen weerhouden wordt in de bestreden beslissing, verzoeker zelf niet aan de oorzaak ligt van de vertraging in deze; IX-10.631-7/22 Dat zulks overigens ook geen rechtvaardiging vormt voor de vertraging in het onderzoek naar de feitelijkheden door verweerster; Dat verweerster kennis kreeg van de vermeende inbreuk per 4 oktober 2023; Dat de Raad van State in die zin reeds eerder geoordeeld heeft dat de rede- lijke termijneis als beginsel van behoorlijk bestuur niet alleen geldt voor het voeren van de eigenlijke tuchtprocedure vanaf het ogenblik dat het be- trokken personeelslid ervan op de hoogte is gebracht dat hem mogelijke tuchtfeiten ten laste gelegd worden tot de kennisgeving van de finale tucht- beslissing; Dat de redelijke termijn ook geldt voorafgaand aan deze procedure, wan- neer de tuchtoverheid feiten heeft vastgesteld of daarvan kennis genomen heeft en zij moet beoordelen of op grond van die feiten de tuchtprocedure tegen het betrokken personeelslid moet worden ingesteld; (R.v.S. 20 april 2022, nr. 253.528, RvS, 24 januari 2024, nr. 258.556, p. 11-12) Aangezien het in deze duidelijk is dat de redelijke termijn geschonden werd en de aangevoerde motivering ter zake niet afdoende is; Dat uit de e-mail van [LVS] dd. 4 oktober 2023 immers blijkt dat de feiten in kwestie reeds bekend waren aan de tuchtoverheid voordat het functione- ringsgesprek van verzoeker plaatsvond op datum van 26 september 2023, hoewel de precieze datum waarop de tuchtoverheid hiervan kennis nam, niet bekend is; Dat in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad van State, de re- delijke termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat de tuchtoverheid in kwestie kennis genomen heeft van de feiten welke zij dient te beoordelen; Dat de redelijke termijn in deze reeds een aanvang nam voor 26 september 2023, zodat de tuchtsanctie in deze – in een in essentie zeer eenvoudig dos- sier – aldus meer dan een jaar op zich heeft laten wachten; Dat daarbij opgemerkt dient te worden dat het onderzoeksteam niet volledig onafhankelijk opereert van de tuchtoverheid; Dat dit immers behoort tot de diensten van verweerster; Dat daarenboven duidelijke taken van de tuchtoverheid door verweerster gedelegeerd worden aan de onderzoeksdiensten in kwestie; Dat zulks tevens gebleken is uit het horen van verzoeker en het onderzoek naar de feiten zelf; Dat aldus duidelijk is dat de leden van het onderzoeksteam een verlengstuk van de tuchtoverheid zelf vormen; Dat eens te meer niet kan worden toegestaan dat de redelijke termijn zou worden verlengd door een loutere interne werklastverdeling van de tucht- overheid; Dat geen enkel bewijs bijgebracht wordt ter rechtvaardiging van deze schending van de redelijke termijn; Dat verweerster in deze gedurende de ganse periode tussen september 2023 tot en met juli 2024 volstrekt passief is gebleven, hetgeen niet verantwoord kan worden; Dat het uiteindelijke verhoor met 1,5 maand ingevolge ziekte in hoofde van verzoeker, hem allerminst kan worden verweten en geen excuus vormt voor de schending van de redelijke termijn in deze; IX-10.631-8/22 Dat de redelijke termijn in deze reeds flagrant overschreden was op het ogenblik dat de eerste uitnodiging voor verhoor aan verzoeker gericht werd; Dat de redelijke termijn in deze geschonden is en de bestreden beslissing tevens genomen werd in strijd met het motiveringsbeginsel, in de mate dat wordt voorgehouden dat de redelijke termijn niet zou zijn geschonden.”
- Verzoeker herneemt de aangehaalde toelichting woordelijk in de memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie, zonder te reageren op het verweer in de memorie van antwoord of op het voor hem ongunstige auditoraats- verslag. Beoordeling
- De redelijketermijneis als beginsel van behoorlijk bestuur is van toepassing wanneer in de regelgeving geen specifieke termijn is bepaald waarbin- nen door het bestuur moet worden gehandeld. In tuchtzaken geldt hij niet alleen voor het voeren van de eigen- lijke tuchtprocedure vanaf het ogenblik dat het betrokken personeelslid ervan op de hoogte is gebracht dat hem mogelijk tuchtfeiten ten laste worden gelegd tot de kennisgeving van de finale tuchtbeslissing, maar ook voorafgaand aan die proce- dure, wanneer de tuchtoverheid feiten heeft vastgesteld of daarvan kennis heeft genomen en zij moet beoordelen en beslissen of op grond van die feiten de tucht- procedure tegen het betrokken personeelslid moet worden ingesteld – althans wan- neer de regelgever niet uitdrukkelijk in een verjaringstermijn heeft voorzien, wat in deze zaak het geval is.
- Wat de duur van de redelijke termijn betreft waarover de tucht- overheid beschikt, bestaat er geen absolute drempel waaronder of waarboven de tijd die de tuchtoverheid zich toemeet, noodzakelijk als redelijk of onredelijk moet worden beschouwd. De beoordeling van het normale of abnormale karakter van die tijd dient te gebeuren in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van, onder meer, de complexiteit van de zaak, de houding van diegene lastens IX-10.631-9/22 wie het onderzoek wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het be- lang van de zaak voor de betrokken partijen.
- Het betoog van verzoeker heeft enkel betrekking op de schen- ding, al dan niet, van de redelijke termijn die nageleefd moet worden tijdens het vooronderzoek tussen de kennisname van de feiten en de start van de tuchtproce- dure. Verzoeker formuleert geen kritiek op de duur van de eigenlijke tuchtproce- dure.
- Het startpunt van de redelijke termijn als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – in de regel is dat dus het ogenblik waarop de tuchtoverheid kennis heeft van de tuchtfeiten – kan niet los worden gezien van de hiermee sa- menhangende eis dat de tuchtoverheid een adequaat beeld moet hebben van die feiten, welke voldoende precies en bewijskrachtig moeten zijn vastgesteld. Verzoeker kan dan ook niet nuttig verwijzen naar de e-mail van zijn onmiddellijke chef van 4 oktober 2023 als het aanvangspunt van de tuchtpro- cedure. Die e-mail luidt: “Volgens zijn collega’s in Leuven vraagt [verzoeker] fietsvergoeding, ter- wijl hij met de auto komt. Hij is in een functioneringsgesprek daarover aan- gesproken, en heeft toen geantwoord dat die info privé is, en hij daar niet wil op antwoorden. Ik kan zelf niet aan die gegevens, ik vermoed jullie wel. Als die met de auto komt, moet hij volgens mij sowieso zijn badge gebrui- ken om op de parking te geraken.” In tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt, kan hieruit geenszins worden besloten dat reeds sprake zou zijn van een daadwerkelijke vaststelling van tuchtfeiten. De auteur van de bewuste e-mail verwijst slechts naar wat collega’s van verzoeker beweren, de weigering van verzoeker om uitleg te geven en de on- mogelijkheid om zelf de gegevens te controleren. Daarmee is allesbehalve gezegd dat deze beweringen ook effectief met de werkelijkheid overeenstemmen. Om die reden ook wordt het CIO verzocht een onderzoek op te starten. IX-10.631-10/22
- Het verslag van het CIO dateert van 4 juli 2024 en het tuchtvoor- stel van de onmiddellijke hiërarchische chef volgt op 19 juli
- Nadat hij kennis kreeg van het eindverslag – en, bijgevolg, van de mogelijke tuchtvergrijpen – heeft de onmiddellijke chef dus na twee weken, dat is met passende spoed, zijn tuchtvoorstel opgesteld en alzo de tuchtprocedure tegen verzoeker ingeleid.
- Volgens verzoeker heeft het CIO evenwel te lang gedraald met het vooronderzoek, volstond een eenvoudige uitlezing van zijn badgegegevens en heeft het niettemin bijna acht maanden geduurd alvorens hij werd verhoord en met de onderzoeksresultaten werd geconfronteerd. Het CIO had dus sneller kunnen rap- porteren aan de tuchtoverheid. Verzoeker ziet hierbij de volgende overweging in de bestreden beslissing over het hoofd: “Overwegende dat beroeper in het kader van dat onderzoek op verschil- lende momenten voor een gesprek uitgenodigd werd; Overwegende dat uit het beroepsdossier blijkt dat het door verschillende aanvaardbare omstandigheden moeilijk was om met [verzoeker] een af- spraak in te plannen: • Afwezigheid (verlof) van 18/11/2023 t.e.m. 26/11/2023; • Afwezigheid (ziekte+ CX & RX) van 09/12/2023 t.e.m. 17/12/2023; • Afwezigheid (ziekte+ verlof+ CX & RX) van 29/12/2023 t.e.m. 07/01/2024; • Afwezigheid (ziekte+ CX & RX) van 11/01/2024 t.e.m. 14/01/2024; • Afwezigheid (2 x kredietdag + ziekte) van 24/01/2024 t.e.m. 03/04/2024; • Afwezigheid (RX & CX + ziekte) sinds 15/04/
- Overwegende dat de gemaakte afspraken voor een interview ook meer- maals dienden te worden uitgesteld: • Op 17/04/2024 werd [verzoeker] uitgenodigd voor een interview dat op 24/04/2024 zou plaatsvinden; • Op donderdag 18/04/2024 meldde [verzoeker] zich ziek (hij had al een RX en CX van 15/04/2024); • Om het onderzoek toch te kunnen laten plaatsvinden, werd [ver- zoeker] – tijdens zijn ziekteperiode – door het C&IO gecontacteerd IX-10.631-11/22 met de vraag of hij eventueel bereid en in de mogelijkheid was om voor een interview naar het kantoor van het C&IO te komen; • Op 22/04/2024 werd [verzoeker] (via zijn hiërarchie) op 07/05/2024 voor een interview uitgenodigd; • [verzoeker] kon op 07/05/2024 niet aanwezig zijn; • Op 21/05/2024 werd [verzoeker] (via zijn hiërarchie) nogmaals uitgenodigd, ditmaal voor een interview op 30/05/2024; Overwegende dat uiteindelijk op 30/05/2024 een interview kon plaatsvin- den en dat tijdens dit interview beroeper meedeelde dat hij ook de parking van Aarschot benutte; Overwegende dat beroeper de gelegenheid kreeg om zich daarover verder te verantwoorden en dat hij op 25/06/2024 opnieuw geïnterviewd werd; Overwegende dat het voormelde overzicht aantoont dat het onderzoeks- team, ondanks de gevoelige redenen voor de afwezigheden, toch pogingen ondernam om het onderzoek spoedig af te sluiten; Overwegende dat de Raad van Beroep van oordeel is dat het beginsel van hoor en wederhoor even fundamenteel is voor de behoeften van het objec- tieve onderzoek als voor de onderzochte persoon.” Verzoeker betoogt dat hij “zelf niet aan de oorzaak ligt van de vertraging”, maar hij weerspreekt niet dat hij van midden november 2023 tot einde mei 2024 wegens verlof of ziekte de facto niet beschikbaar was om ondervraagd te worden, noch de zienswijze van de verwerende partij dat dit horen “fundamenteel is voor de behoeften van het objectief onderzoek als voor de onderzochte persoon”. Bovendien bleek na het eerste interview op 30 mei 2024 dat een bijkomend onderzoek nodig was door de toen door verzoeker afgelegde verklarin- gen. Met de resultaten van dat onderzoek, waarin nieuwe tuchtfeiten werden vast- gesteld, werd verzoeker vervolgens op 25 juni 2024 geconfronteerd. Het eindver- slag, als gezien, volgt dan op 4 juli
- Voorts ziet verzoeker over het hoofd dat het onderzoek van het CIO ook betrekking had op een verwijt met betrekking tot een geluidsopname van zijn functioneringsgesprek en een verwijt dat hij op bepaalde dagen zijn dienst vroegtijdig verliet. Dat die verwijten vervolgens niet hebben geleid tot een tenlas- telegging, onderstreept het belang van een degelijk vooronderzoek voor verzoeker. IX-10.631-12/22
- Gelet op het voorgaande, kan verzoeker het niet doen voorkomen alsof enkel en alleen maar badgegegevens dienden te worden opgevraagd en dat die vergeleken konden worden met de dagen dat hij fietsvergoedingen aanvroeg.
- Ten overvloede mag nog worden vastgesteld dat verzoeker eerst op 10 september 2024 preventief geschorst is, zodat zijn opmerking dat hij “al die tijd” preventief geschorst was feitelijke grondslag mist en zijn preventieve schor- sing op geen enkele wijze een invloed heeft op het al dan niet redelijk karakter van de duur van het vooronderzoek.
- Een schending van de redelijke termijn tijdens het vooronder- zoek is niet aangetoond.
- Ook de aangevoerde schending van de materiëlemotiverings- plicht is niet aangetoond, aangezien verzoeker die schending enkel daarin gelegen ziet “dat wordt voorgehouden dat de redelijke termijn niet zou zijn geschonden”.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is geput uit de schending van de materiëlemo- tiveringsplicht en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt: “Aangezien de bestreden beslissing in deze tevens genomen werd in strijd met het evenredigheidsbeginsel; Dat de bestreden beslissing in deze geen enkele rekening houdt met het uitzonderlijke karakter van het tuchtrechtelijk ontslag in de publieke sector; Dat de bestreden beslissing verder geen enkele rekening houdt met de on- berispelijke staat van dienst in hoofde van concluant en de afwezigheid van enige tuchtrechtelijke inbreuk in de laatste 25 jaar van verzoeker; IX-10.631-13/22 Dat verzoeker gedurende meer dan 33 jaar in dienst is bij verweerster; Dat de bestreden beslissing verder ook geen enkele rekening houdt met de impact op verzoeker op financieel vlak, zowel onmiddellijk als indirect in- gevolge zijn preventieve schorsing; Dat de bestreden beslissing geen enkele rekening houdt met de beperkte omvang van het hem ten onrechte uitgekeerde bedrag, dit is 130,50 €; Dat de vergoeding van verzoeker reeds toelagen ontzegd werden waarvoor hij in aanmerking komt, meer bepaald de toelage voor speciale werken, welke het bedrag ten belope van 130,50 € ver overschrijden; Dat hieruit aldus kan worden afgeleid dat het tuchtrechtelijk ontslag geen evenredige sanctie betreft, welke in verhouding zou staan met de inbreuk zelf; Dat geen enkel[e] andere tuchtmaatregel in deze overwogen werd noch enig onderzoek daartoe gedaan werd; Dat een minder ingrijpende tuchtmaatregel in deze niet eens bekeken is ge- worden; Dat evenmin rekening gehouden werd met het aanbod van verzoeker om het onverschuldigd bedrag ten belope van 130,50 €, desgevallend [vermeer- derd] met de interesten, in mindering te brengen met de uit te betalen ver- goedingen; Aangezien de bestreden beslissing stelt dat de opgelegde tuchtsanctie wel degelijk in verhouding zou staan tot de feiten; Dat zij evenwel niets bepaalt omtrent het opleggen van enige minder ingrij- pende tuchtsanctie; Dat de bestreden beslissing aldus genomen werd zonder naleving van de formele motiveringsplicht; Dat evenmin aangetoond is noch gemotiveerd wordt waarom er sprake zou zijn van een onherroepelijke en definitieve vertrouwensbreuk; Dat de bestreden beslissing evenmin rekening houdt met de jarenlange, on- berispelijke staat van dienst in hoofde van verzoeker, noch met het gegeven dat verzoeker niet eenvoudig ander werk kan zoeken ingevolge zijn leeftijd en gezondheidstoestand, nu verzoeker tevens arbeidsongeschikt is inge- volge een arbeidsongeval dat hem is overkomen in 2012; Dat verzoeker daarenboven nooit correct vergoed is geworden voor dit ar- beidsongeval; Dat ook het onderzoeksteam enkel à charge te werk is gegaan en geen en- kele rekening gehouden heeft met de opmerkingen van verzoeker; Dat de bestreden beslissing in de gegeven omstandigheden niet evenredig is.”
- Verzoeker herneemt de aangehaalde toelichting woordelijk in de memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie, zonder te reageren op het verweer in de memorie van antwoord of op het voor hem ongunstige auditoraats- verslag. Enkel voegt hij eraan toe, zich niet van de indruk te kunnen ontdoen dat IX-10.631-14/22 de verwerende partij, “rekening houdend met de functioneringsgesprekken”, “zich hoe dan ook van verzoeker wenste af te maken”. Beoordeling
- In de bestreden beslissing verantwoordt de raad van beroep de evenredigheid van de strafmaat als volgt: “Overwegende dat paragraaf 27 van het ARPS Bundel 550 voorschrijft dat elke frauduleuze handeling tot een voorstel tot afzetting aanleiding geeft; Overwegende dat elk dergelijk feit op zichzelf al voldoende is om een voor- stel tot afzetting te rechtvaardigen; Overwegende dat gelet op de regelmatigheid en de ernst van de feiten de hiërarchische lijn van beroeper op basis van paragraaf 17 van bovenver- melde ARPS-bundel rechtsgeldig heeft kunnen besluiten dat de vertrou- wensband definitief en onherroepelijk verbroken was; Overwegende dat de hiërarchische lijn toch achtte dat beroeper het over- heidspensioen niet onwaardig was en bijgevolg het tuchtrechtelijk ontslag in plaats van de afzetting opgelegd heeft; Overwegende dat het tuchtrechtelijk ontslag waartoe initieel werd besloten, in overeenstemming is met paragrafen 27 en 28 van het tuchtreglement, het ARPS, Bundel 550; Overwegende dat het goede functioneren van beroeper en zijn blanco tucht- verleden niet voldoende zijn om de vertrouwensband te herstellen; Overwegende dat de Raad van beroep van mening is dat de gepleegde fei- ten, ongeacht de bedragen, dermate ernstig en veelvuldig zijn dat het tucht- rechtelijk ontslag wel degelijk in verhouding staat tot de feiten; Overwegende dat de Raad van beroep bevestigt dat de vertrouwensband met de werkgever definitief en onherroepelijk verbroken is en dat beroepers taken binnen de Belgische spoorwegen dienen te worden stopgezet, maar dat het overheidspensioen hem niet onwaardig is; Overwegende dat de Raad van beroep bijgevolg het tuchtrechtelijk ontslag als de enige passende sanctie beschouwt die in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten.”
- De in het middel aangevoerde schending van de materiëlemoti- veringsplicht wordt in de toelichting door verzoeker niet uitgewerkt. Dat verbaast ook niet, aangezien een schending van het evenredigheidsbeginsel vooronderstelt dat de beslissing steunt op in rechte aanvaardbare feiten, maar dat ze in wanver- houding staat tot die feiten. Of de beslissing op deugdelijke grondslagen berust, is met andere woorden vreemd aan de toetsing van het evenredigheidsbeginsel. Wat de materiëlemotiveringsplicht betreft, is het middel niet ontvankelijk. IX-10.631-15/22
- Niet in het middel, maar in de toelichting ervan acht verzoeker dan weer de formelemotiveringsplicht geschonden omdat de bestreden beslissing “niets bepaalt omtrent het opleggen van enige minder ingrijpende tuchtsanctie”. De formelemotiveringsplicht vereist evenwel van een tuchtoverheid niet om te ex- pliciteren waarom zij iets níét beslist, enkel om te verantwoorden wat zij wél be- slist. Overigens, indien de tuchtoverheid terecht uitgaat van een onherroepelijk ver- broken vertrouwensband, is er geen “minder ingrijpende tuchtsanctie” dan het ont- slag. Voorts wenst verzoeker een nadere motivering van de onherroe- pelijke en definitieve vertrouwensbreuk. Aangezien de verwerende partij in de be- streden beslissing refereert aan de toepasselijke bepalingen van het tuchtreglement en erop heeft gewezen welke ernst zij toeschrijft aan de veelvuldig gepleegde tucht- vergrijpen waardoor dit leidt tot het ontslag, vraagt verzoeker hiermee een zoge- naamde “motivering van de motieven” hetgeen de formelemotiveringsplicht niet vereist. In zoverre de schending is aangevoerd van de formelemotive- ringsplicht is het middel hoe dan ook ongegrond.
- Bij het opleggen van een tuchtstraf van feiten die zij als tucht- rechtelijk te beteugelen beschouwt, beschikt een tuchtoverheid over een grote be- leidsvrijheid. Die discretionaire bevoegdheid is begrensd door het redelijkheidsbe- ginsel, wat impliceert dat de tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredig- heid moet staan tot de tuchtfeiten. De Raad van State is geen beroepsinstantie die, opnieuw oorde- lend in de plaats van het bestuur, de naar zijn oordeel meest passende tuchtsanctie oplegt. Als wettigheidsrechter mag de Raad van State zelfs niet de door het bestuur opgelegde straf toetsen aan zijn eigen opvattingen ter zake. Dat zou de Raad doen als hij de opgelegde tuchtstraf zou afmeten aan wat hij zelf als de ene meest even- redige straf beschouwt en ze zou vernietigen indien ze daarvan afwijkt. De Raad IX-10.631-16/22 van State mag in het kader van zijn wettigheidscontrole enkel nagaan of het oordeel van de verwerende partij binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Er kan dan slechts sprake zijn van schending van het rede- lijkheids- of evenredigheidsbeginsel, wanneer de beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het nor- male beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldige overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen.
- Aangezien het aan de Raad van State niet toevalt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredig- heid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden be- slissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door de verzoe- kende partij in het middel aangevoerde argumenten, die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de tuchtoverheid.
- Niet wordt betwist dat verzoeker onterecht fietsvergoedingen heeft aangevraagd, hetgeen in de bestreden beslissing wordt gekwalificeerd als een frauduleuze handeling in de zin van paragraaf 28 van het tuchtreglement – het voormelde ARPS Bundel
- Dat het gaat om fraude heeft verzoeker trouwens erkend naar aanleiding van de verhoren die werden afgenomen door het CIO. Het mag aannemelijk heten dat het aan verzoeker ten laste ge- legde feit van het frauduleus aanvragen van fietsvergoedingen, dat als zodanig vaststaat, het vertrouwen dat de verwerende partij in hem moet kunnen hebben, op een ernstige wijze aantast. Verzoeker toont het tegendeel niet aan. IX-10.631-17/22
- Wat die frauduleuze handelingen betreft, bepaalt paragraaf 27 van het ARPS Bundel 550 – als beginsel – dat elke frauduleuze handeling aanlei- ding geeft tot een voorstel tot afzetting van het schuldige personeelslid. Aldus blijkt uit het tuchtreglement de beleidslijn van de verwe- rende partij om tegen fraude streng op te treden, zodat de thans bestreden beslissing niet afwijkt van het normale beslissingspatroon van de verwerende partij zelf, zoals zij dat in haar tuchtreglement heeft vooropgezet. Financiële verduisteringen kunnen redelijkerwijze leiden tot het verbreken van de vertrouwensband tussen de betrokkene en het bestuur. De verwerende partij gaat in die omstandigheden de grenzen van haar ruime beoordelingsvrijheid dan ook niet te buiten, wanneer zij oordeelt dat “de vertrouwensband definitief en onherroepelijk verbroken was” en een verdere samenwerking met verzoeker om die reden uitgesloten is. Dit heeft de verwerende partij noodzakelijk ertoe gebracht een tuchtstraf op te leggen die een einde maakt aan die onmogelijk geworden samenwerking. Niettemin kreeg verzoeker niet de afzetting als tuchtsanctie op- gelegd, zoals bepaald in het tuchtreglement, maar wel het ontslag van ambtswege “omdat de hiërarchische lijn toch achtte dat [verzoeker] het overheidspensioen niet onwaardig was”.
- De elementen die verzoeker in de toelichting bij het middel aan- brengt om niettemin van de disproportionaliteit van de straf te overtuigen – en dus aan te tonen dat het gedragspatroon van de verwerende partij niet dat is wat van een redelijk bestuur kan worden verwacht – zijn de volgende: - het uitzonderlijke karakter van het tuchtrechtelijk ontslag in de publieke sector - zijn staat van dienst - de financiële impact van het ontslag - de beperkte omvang van het ten onrechte uitgekeerde bedrag IX-10.631-18/22 - de volgens verzoeker hem onterecht ontzegde vergoeding voor speciale werken - de gezondheidstoestand van verzoeker en zijn geringe perspectieven op ander werk. Zoals hierna wordt toegelicht, kan die uiteenzetting niet overtui- gen.
- Verzoeker, die wijst op het uitzonderlijke karakter van een tucht- rechtelijk ontslag, laat na toe te lichten waarom dit van het hém gegeven ontslag een onevenredig zware straf maakt. Het mag gelukkig heten dat in de openbare sector het plegen van ernstige tuchtvergrijpen niet met zo een regelmaat gebeurt dat een ontslag niet meer uitzonderlijk mag worden genoemd.
- Verzoekers staat van dienst en de geringe omvang van het door de verwerende partij geleden financiële nadeel zijn elementen die de tuchtoverheid wel degelijk in overweging heeft genomen bij de hiervóór sub 27 aangehaalde ver- antwoording van de strafmaat. De raad van beroep stelt verzoekers “goede functi- oneren”, “zijn blanco tuchtverleden” en de bedragen van de fraude tegenover het “ernstig en veelvuldig” karakter van de gepleegde tuchtfeiten. Verzoeker toont niet aan dat de raad van beroep binnen zijn beleidsruimte die balans niet in redelijkheid in zijn nadeel mocht laten doorhellen.
- De financiële impact van de tuchtstraf betreft het aan de opge- legde tuchtstraf eigen zijnde bestraffende karakter. Deze pecuniaire gevolgen doen, gelet op de door de tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten en haar appreci- atiebevoegdheid inzake de daarvoor op te leggen tuchtstraf, op zich niet besluiten dat het veroorzaakte pecuniaire leed van dien aard is dat de tuchtoverheid hierdoor de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan.
- Dat aan verzoeker andere vergoedingen ten onrechte zijn ont- houden, is een loutere bewering die verzoeker niet uitwerkt, noch staaft. Zelfs IX-10.631-19/22 indien die bewering enige grond heeft, geeft dat verzoeker nog geen vrijgeleide om buiten alle rechtsmiddelen om het recht in eigen handen te nemen en zich op we- derrechtelijke wijze een compensatie te verschaffen. De Raad ziet dan ook geen reden waarom de tuchtoverheid met dit feit rekening moest houden bij het vaststel- len van de strafmaat.
- Onterecht ontvangen vergoedingen moeten worden terugbe- taald. Er valt niet in te zien waarom de opgelegde straf onredelijk zou zijn, omdat verzoeker spontaan een terugbetaling voorstelt die hem hoe dan ook te doen staat.
- Verzoekers situatie op de arbeidsmarkt is in zijn beroepschrift bij de raad van beroep (stuk 9 van het administratief dossier) niet ter sprake ge- bracht, zodat het de raad van beroep niet kan worden verweten dat hij er niet op ingegaan is. Dat gegeven is voorts ook vreemd aan de gepleegde feiten, zodat het moeilijk een onevenredigheid kan aantonen tussen die feiten en de opgelegde straf.
- De overheid heeft zich bij de toepassing van de strafmaat beslist streng betoond. Een tuchtstraf is echter niet onevenredig om de enkele reden dat ze streng is of omdat de feiten ook met een lichtere straf hadden kunnen worden be- straft. Andere besturen zouden misschien een grotere mildheid aan de dag hebben gelegd, maar dit wijst niet ipso facto uit dat de verwerende partij een te zware straf heeft opgelegd; straftoemeting is een kwestie van appreciatie en appreciatie houdt nu eenmaal de mogelijkheid in van uiteenlopende meningen die elk geacht kunnen worden bínnen de redelijkheidsgrenzen van de appreciatievrijheid te blijven. Met de door verzoeker aangevoerde gegevens slaagt hij er niet in de onevenredigheid van de opgelegde tuchtstraf aan te tonen. Hij maakt niet aannemelijk dat geen an- dere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden dezelfde tuchtstraf zou opleggen.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-10.631-20/22 D. Besluit
- Geen van de aangevoerde middelen is gegrond gebleken, zodat het beroep hoe dan ook moet worden verworpen. V. Kosten
- Gelet op artikel 30/1, § 2, tweede lid, RvS-Wet, vraagt verzoeker op goede grond om de door hem verschuldigde rechtsplegingsvergoeding te her- leiden tot het wettelijke minimumbedrag. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van vordering tot schor- sing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 185 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. IX-10.631-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.631-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.062 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.