← België

Arrest 266064 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.064 Rolnummer: A. 243279/IX-10565 Zaak: Arrest 266064 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-24 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-06-18 06:39 Fiche Arrest nr 266.064 van 18 maart 2026 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.064 van 18 maart 2026 in de zaak A. 243.279/IX-10.565 In zake : B.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Maxime Chomé, Jasper De fauw en Delphine Van Den Eynde kantoor houdend te 1050 Brussel Eugène Flageyplein 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van (

  1. i)“de beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp van 25 april 2024 waarbij verzoeker niet wordt toegelaten om deel te nemen aan de fysieke testen op dezelfde datum” en (
  2. ii)de beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp van 25 april 2024 waarbij de kandidaatstelling van verzoeker voor de bevorderingsprocedure tot de graad van luitenant wordt afgewezen. IX-10.565-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verzoekende partij en Jasper De fauw, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is statutair personeelslid van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp. Hij heeft de graad van sergeant en behoort tot de Nederlandse taalrol. IX-10.565-2/14 3.2. Bij dienstnota 2024-002 van 3 januari 2024 wordt een oproep tot kandidaatstelling bekendgemaakt aan het personeel van de voornoemde dienst met het oog op de toewijzing van onder meer twee betrekkingen van luitenant in de Nederlandse taalrol, in te vullen via bevordering. De dienstnota vermeldt onder meer dat het bevorderingsexamen in principe zal plaatsvinden in het eerste trimester van 2024 en dat uitsluitend de personeelsleden die ten laatste op de eerste dag van de eerste test van het bevorderingsexamen voldoen aan de meegedeelde deelnemingsvoorwaarden zullen worden uitgenodigd om aan de procedure deel te nemen. Één van die voorwaarden is “voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen”. 3.3. Onder anderen verzoeker stelt zich kandidaat. 3.4. De geldigheidstermijn van verzoekers tweejaarlijkse testen verstrijkt op 24 maart 2024. Verzoeker stelt dat hij zich inschrijft om deze testen af te leggen in de maand mei 2024. 3.5. Met een e-mail van 25 maart 2024 wordt verzoeker opgeroepen voor de proeven georganiseerd in het kader van de bevorderingsprocedure. Het examen zal plaatsvinden op 26 april 2024. Met een e-mail van 2 april 2024 wordt aan verzoeker het onderwerp van de af te leggen proef meegedeeld. 3.6. Op 25 april 2024 wordt verzoeker telefonisch en per e-mail ervan in kennis gesteld dat hij niet beantwoordt aan één van de bevorderings- voorwaarden, namelijk het afleggen van de tweejaarlijkse fysieke testen, en dat hij niet tot de proeven zal worden toegelaten. Dit wordt bevestigd in een aangetekend schrijven gedateerd dezelfde dag. Dat is de tweede bestreden beslissing. 3.7. Verzoeker verneemt dat diezelfde 25 april 2024 in het testcentrum fysieke testen worden afgenomen. Hij begeeft zich naar de brandweer- IX-10.565-3/14 school, maar wordt niet toegelaten tot deelname aan de testen. Deze mondeling meegedeelde beslissing van 25 april 2024 is de eerste bestreden beslissing. 3.8. Op 26 april 2024 biedt verzoeker zich aan op de brandweerschool om het bevorderingsexamen af te leggen, maar hij wordt verzocht om het gebouw te verlaten. Verzoeker noteert twee opmerkingen op de aanwezigheidslijst. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de “afwezigheid van rechtsgrond”. Verzoeker betoogt dat hij zich op 25 april 2024 heeft aangeboden bij het testcentrum met het oog op het afleggen van zijn fysieke testen, nadat hem was bevestigd dat er die dag testen werden afgenomen. Het was, zo stelt verzoeker, vanuit praktisch oogpunt dus perfect mogelijk om hem daaraan te laten deelnemen. Hij benadrukt dat het ad hoc afleggen van de fysieke testen, zonder voorafgaande inschrijving, een courante praktijk is bij de verwerende partij en dat het zelfs voorkomt dat tijdens een wacht snel twee inspecteurs “worden opgetrommeld” om de fysieke testen te komen afnemen van een operationeel personeelslid, zodat dit personeelslid ter zake in orde zou zijn. Verzoeker werd evenwel de deelname geweigerd omdat de instructeur die de testen afnam van de directie en de personeelsdienst op straffe van een tuchtprocedure verbod had gekregen om personen die niet op de lijst stonden tot de testen toe te laten. Die beslissing heeft volgens verzoeker geen enkele rechtsgrond, minstens is die rechtsgrond hem niet meegedeeld zodat de formelemotiveringsplicht is geschonden. IX-10.565-4/14 5. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker, wat de rechtsgrond betreft, dat noch uit de brief van 25 april 2024, noch uit de vóórmelde dienstnota blijkt waarom hij niet aan de fysieke testen op die dag mocht deelnemen. De door de verwerende partij aangevoerde plicht tot voorafgaande inschrijving om aan fysieke testen te mogen deelnemen, blijkt volgens verzoeker dan weer niet uit het arbeidsreglement. Verzoeker besluit dat er geen rechtsgrond voorhanden is om hem niet te laten deelnemen, noch een geldig motief. Dat de verwerende partij betwist dat er sprake is van een vaste praktijk om fysieke testen toe te laten zonder voorafgaande inschrijving, overtuigt verzoeker niet. Verzoeker weerspreekt het standpunt van de verwerende partij dat een ongeplande deelname aan fysieke testen onmogelijk is omdat eerst bij de medische dienst moet worden nagevraagd voor welke testen het personeelslid in aanmerking komt; dat kan immers eenvoudig worden nagegaan op de gezondheidsbeoordelingsfiche die op elk moment kan worden geraadpleegd. Beoordeling 6. Het eerste middel is enkel gericht tegen de eerste bestreden beslissing, zijnde de mondeling meegedeelde beslissing van 25 april 2024 dat verzoeker die dag geen fysieke testen kan afleggen. 7. De door verzoeker geschonden geachte formelemotiveringsplicht is enkel toepasselijk op eenzijdige administratieve rechtshandelingen die in een geschrift zijn geformaliseerd. In de mate dat verzoeker in het middel uitgaat van het standpunt dat de formelemotiveringsplicht is geschonden doordat hem bij de mondelinge mededeling van de beslissing van 25 april 2024 de motieven niet werden meegedeeld, gaat hij derhalve uit van een verkeerde opvatting van het recht. In dat opzicht faalt het middel. 8.1. Wat het door verzoeker aangevoerde gemis aan rechtsgrond betreft, overweegt de Raad van State wat volgt. IX-10.565-5/14 8.2. Artikel 304, §§ 1 en 2, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 augustus 2017 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de operationele personeelsleden van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp’ (“het administratief statuut”) luidt op het ogenblik van de eerste bestreden beslissing: “§ 1. De fysieke conditie van de leden van het operationeel kader wordt om de 2 jaar geëvalueerd aan de hand van fysieke testen of wanneer ze over een periode van 12 aaneensluitende maanden meer dan 6 maanden afwezigheid hebben gecumuleerd en minder dan 50% van de wachturen hebben gepresteerd dan hun uurrooster voorziet te presteren. In geval van overmacht, mag de directieraad beslissen om de geldigheid van de fysieke testen te verlengen. Zijn van deze fysieke evaluatie vrijgesteld:
  3. a)de wedertewerkgestelde ambtenaren,
  4. b)de ambtenaren die voltijds aan de dispatching zijn toegewezen,
  5. c)de vrouwelijke ambtenaren tussen de kennisgeving van hun zwangerschap aan de directeur-generaal en het akkoord van de arbeidsarts voor een herneming van de wacht na de bevalling,
  6. d)de ambtenaren die geen wachtdienst doen. § 2. Het arbeidsreglement bepaalt de inhoud en de organisatie van de fysieke testen zolang de minister van Binnenlandse Zaken de modaliteiten van deze testen niet vastlegt.” In artikel 5, § 3, 5°, van het arbeidsreglement is te lezen: “De personeelsleden moeten zorgen dat ze steeds over een fysieke conditie beschikken die hen in staat stelt hun opdrachten in alle veiligheid te vervullen, voor zichzelf, hun collega’s en de te redden personen. Daartoe wordt hun fysieke conditie om de twee jaar geëvalueerd op basis van fysieke testen. Voor de organisatie van en vereisten gerelateerd aan de fysieke testen wordt verwezen naar bijlage 7 van dit reglement.” In de artikelen 5 tot en met 11 van bijlage 7 bij het arbeidsreglement zijn de criteria voor de fysieke testen als volgt bepaald: “Artikel 5 Conform het operationeel statuut wordt de fysieke conditie van de personeelsleden om de 2 jaar geëvalueerd op basis van ‘fysieke testen’. Artikel 6 Fysieke testen hebben tot doel te testen in hoeverre de fysieke conditie en stressbestendigheid van de personeelsleden voldoende is voor de uitoefening IX-10.565-6/14 van hun functie en worden opgenomen in het permanent bijscholingsprogramma. Artikel 7 Voor de uitvoering van deze fysieke testen wordt een test toegepast, genaamd ‘fysiek en technisch parcours’ (FTP), waarvan de inhoud wordt bepaald door de directieraad en die de vereisten bevat die vastgelegd zijn door de federale regelgeving ter zake. Artikel 8 De FTP-test bestaat uit drie varianten. De ambtenaren voeren de variant van de FTP-test uit conform hun medische geschiktheid die beoordeeld werd in de gezondheidsbeoordelingsfiche, opgesteld door de arbeidsgeneeskunde tijdens het jaarlijks medisch onderzoek volgend op de ‘inspanningstest’. Artikel 9 FTP actief brand: fysiek en technisch parcours moet succesvol worden afgelegd waarbij het ademhalingstoestel met gelaatsmasker op het gezicht wordt gedragen indien de ambtenaar door de arbeidsgeneeskunde geclassificeerd is voor actief brand. Artikel 10 FTP niet-actief brand: fysiek en technisch parcours moet succesvol worden afgelegd waarbij het ademhalingstoestel zonder gelaatsmasker op het gezicht wordt gedragen indien de ambtenaar door de arbeidsgeneeskunde geclassificeerd is voor niet-actief brand. Artikel 11 FTP niet-drager: fysiek en technisch parcours moet succesvol worden afgelegd zonder het dragen van het ademhalingstoestel indien de ambtenaar door de arbeidsgeneeskunde geclassificeerd is als niet-drager.” Aldus schrijft het arbeidsreglement voor dat de fysieke conditie van de personeelsleden om de twee jaar wordt geëvalueerd aan de hand van fysieke testen en dat de inhoud van de drie testen door de directieraad wordt bepaald. Daaruit volgt dat de verwerende partij bevoegd is om de fysieke proeven te organiseren, wat inhoudt dat zij, binnen de reglementaire voorschriften, ook bevoegd is voor de uitwerking van de praktische voorwaarden ervan. 8.3. Uit het administratief dossier blijkt dat op geregelde tijdstippen fysieke testen worden georganiseerd – bijvoorbeeld op dertien verschillende data tussen 11 januari 2024 en 25 april 2024 – en dat wordt gewerkt met inschrijvingen. Verzoeker moge in zijn tweede middel dan wel beweren dat de door de verwerende partij voorgebrachte lijst “geen enkele bewijskracht” heeft, uit de beoordeling van dat middel hierna zal blijken dat verzoeker het stuk niet van valsheid beticht, zodat zijn argumentatie inzake de bewijskracht niet kan overtuigen. IX-10.565-7/14 De rechtsgrond voor de door het bestuur gekozen werkwijze kan worden gevonden in de hiervóór aangehaalde bepalingen van het arbeidsreglement. In dat opzicht is het middel ongegrond. 9. Verzoeker voert tot slot aan dat er binnen de diensten van de verwerende partij een gebruik bestaat dat personeelsleden zich ad hoc – zonder voorafgaande inschrijving – kunnen aanbieden om de fysieke testen af te leggen. De verwerende partij betwist zulks en wijst erop dat verzoeker zijn bewering niet bewijst. Bovendien legt zij twee stukken neer die verzoekers bewering weerspreken. Enerzijds is er een e-mail van 30 april 2024 waaruit blijkt dat een ander personeelslid zonder inschrijving in de week van 22 tot 26 april 2024 evenmin de vrijgekomen plaats van een afwezig personeelslid mocht innemen om fysieke testen af te leggen. Anderzijds gaat het om een uittreksel uit het proces- verbaal van de directieraad van 7 mei 2024 waaruit blijkt dat niet alleen aan Nederlandstalige kant een kandidaat bij het bevorderingsexamen werd afgewezen wegens “administratief niet in orde” (verzoeker), maar dat ten aanzien van een Franstalige kandidaat eenzelfde beslissing werd genomen. Daargelaten dat verzoekers kritiek veeleer steunt op de materiëlemotiveringsplicht – waarvan in het middel niet de schending wordt aangevoerd – is de conclusie hoe dan ook dat verzoeker gelet op het voorgaande niet aantoont dat fysieke testen zonder voorafgaande inschrijving worden afgenomen. Het is daarbij zonder belang of de onderliggende beweegreden die de verwerende partij voor de door haar gekozen werkwijze aanvoert, namelijk dat de medische dienst eerst moet bepalen welke testen moeten worden afgenomen, al dan niet overtuigt. Ook in dat opzicht kan het middel niet worden aangenomen. 10. Het eerste middel is ongegrond. IX-10.565-8/14 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. Verzoeker steunt een tweede middel op een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het “principe van de fair play” en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de beslissing om hem niet te laten deelnemen aan de bevorderingsprocedure steunt op het feit dat hij op de eerste dag van de eerste proef voor het bevorderingsexamen (26 april 2024) niet voldeed aan de tweejaarlijkse fysieke testen, wat overeenkomstig artikel 58 iuncto artikel 54 van het administratief statuut een voorwaarde is om aan het bevorderingsexamen te kunnen deelnemen. Verzoeker stipt aan dat hij op het ogenblik van zijn inschrijving voor het bevorderingsexamen echter wél aan deze voorwaarde voldeed, aangezien de geldigheid van zijn fysieke testen pas verstreek op 24 maart 2024, en dat hij zich ook had ingeschreven om nieuwe fysieke testen af te leggen, maar dat de eerste beschikbare datum pas in mei 2024 was. Toen op 25 maart 2024 werd meegedeeld dat de proeven in het kader van het bevorderingsexamen werden afgenomen op 26 april 2024, dus vóór de geplande datum voor de fysieke testen, heeft verzoeker de nodige stappen gezet om nog vóór 26 april 2024 de fysieke testen af te leggen, wat mogelijk was maar hem werd verboden. Verzoeker stelt dat van een zorgvuldig, redelijk en eerlijk handelende overheid mag worden verwacht dat wanneer de deelname aan een bevorderingsexamen afhankelijk is gesteld van het voldoen aan fysieke testen, zij de kandidaten voor de bevordering toelaat om tijdig deze testen af te leggen. Door zulks te weigeren, handelt de verwerende partij volgens verzoeker in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. 12. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat hij uit de uitnodiging voor het bevorderingsexamen mocht afleiden dat hij aan de deelnemingsvoorwaarden voldeed – wat op het ogenblik van zijn inschrijving alleszins het geval was. Verzoeker acht het niet zorgvuldig van het bestuur om dan daags vóór het examen mee te delen dat hij alsnog niet aan de voorwaarden IX-10.565-9/14 voldeed: men had hem in de uitnodiging kunnen wijzen op de gevolgen van het verstrijken van de geldigheid van de testen. Voor zover de verwerende partij een lijst van beschikbare data voorlegt waaruit moet blijken dat er voor verzoeker mogelijkheid was om tijdig de fysieke testen af te leggen, stelt verzoeker enerzijds dat het gaat om een schermafdruk van een programma waarin iedereen met de vereiste machtigingen aanpassingen kan doorvoeren – zodat dit stuk geen bewijskracht heeft – en anderzijds dat hij in de praktijk enkel op 18 januari en 8 februari 2024 de testen had kunnen afleggen, momenten waarop zijn testen nog geruime tijd geldig waren. 13. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker nog dat in de oproep tot kandidaatstelling in de dienstnota is gesteld dat het bevorderingsexamen in het eerste trimester van 2024 zou plaatsvinden, “dus uiterlijk tegen eind maart 2024”, en dat zijn fysieke testen nog geldig waren tot 24 maart 2024, zodat hij bij inschrijving ervan mocht uitgaan dat hij aan de voorwaarde zou voldoen. Door het bevorderingsexamen in strijd met de dienstnota pas op 25 (lees : 26) april 2024 te organiseren, heeft de verwerende partij volgens verzoeker gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Beoordeling 14. De artikelen 54, § 1, en 58 van het administratief statuut luiden, voor zover hier relevant, op het ogenblik van de bestreden beslissingen als volgt: “Artikel 54 § 1. De voorwaarden die de ambtenaar moet vervullen om bevorderd te kunnen worden tot de graad van luitenant worden vastgelegd in artikel 56, 4° van het federaal statuut. Bovendien moet de ambtenaar, om bevorderd te kunnen worden tot de graad van luitenant, voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° voldoen aan de opleidingsverplichtingen voorzien op basis van titel X; 2° voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen. Artikel 58 Het bevorderingsexamen beoogd in artikel 57 van het federale statuut wordt georganiseerd door het opleidingscentrum van de Brusselse brandweer. Het omvat geschiktheidstesten waaronder een praktische proef. De functioneel IX-10.565-10/14 bevoegde minister bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze bevorderingsproeven zolang de minister van Binnenlandse Zaken de inhoud van de bevorderingsproeven van het federaal statuut zelf niet heeft vastgelegd. Enkel de personeelsleden die ten laatste op de dag van het examen voldoen aan de in dit hoofdstuk bedoelde bevorderingsvoorwaarden, mogen aan deze proef deelnemen. […]” 15. Hieruit volgt dat een kandidaat slechts aan het bevorderingsexamen mag deelnemen indien hij ten laatste op de dag van dat examen voldoet aan de voorwaarde van de tweejaarlijkse fysieke testen. Verzoekers betoog dat deze voorwaarde op het ogenblik van zijn kandidaatstelling was vervuld, is derhalve zonder pertinentie. Verzoeker betwist niet dat hij op het ogenblik van het examen niet aan de voorwaarde inzake de fysieke testen beantwoordde. Die vaststelling volstaat om te besluiten dat het bestuur geen andere mogelijkheid had dan verzoeker de toegang tot het examen te weigeren en dat het middel dus niet kan slagen. 16. Verzoeker betoogt daarnaast dat hem met miskenning van de aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur de kans werd ontnomen om de fysieke testen (tijdig) af te leggen. Ook in dat opzicht overtuigt het middel niet. 17. Vooreerst moet worden vastgesteld dat in de dienstnota 2024- 002 die de oproep tot kandidaatstelling bevat, is aangegeven dat het bevorderings- examen “in principe” en “onder voorbehoud van wijziging” zou plaatsvinden in het eerste trimester van 2024. Verzoeker wist, of behoorde te weten, dat het examen alleszins ook in de week van 25 tot 29 maart 2024 kon plaatsvinden – ogenblik waarop zijn fysieke testen waren vervallen – en mogelijk zelfs later. Voorts vermeldt de dienstnota uitdrukkelijk de bevorderings- voorwaarden, waaronder het “voldoen aan de tweejaarlijkse fysieke testen”, alsook IX-10.565-11/14 de regel dat uitsluitend de personeelsleden die ten laatste op de eerste dag van de eerste test van het bevorderingsexamen voldoen aan de deelnemingsvoorwaarden zullen worden uitgenodigd om aan de procedure deel te nemen. Daarover kon verzoeker bijgevolg niet onwetend zijn. De door verzoeker ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur verplichten het bestuur in die omstandigheden niet ertoe om vervolgens in de e- mail van 25 maart 2024 houdende de oproep voor de proeven nogmaals expressis verbis te vermelden wat de gevolgen zijn van het verstrijken van de geldigheid van de fysieke testen. Het nalaten om in die omstandigheden onmiddellijk na kennisname van de oproep tot kandidaatstelling nieuwe fysieke testen in te plannen, maar integendeel te wachten tot de mededeling van de examendatum op 25 maart 2024 – ogenblik waarop zijn fysieke testen reeds waren verstreken – komt op het conto van verzoeker. 18.1. Verzoekers stelling dat hij zich slechts in mei 2024 voor de fysieke testen kon aanmelden, wordt tegengesproken door de stukken van het dossier. Uit een door de verwerende partij voorgebracht overzicht blijkt immers dat tussen 11 januari 2024 en 25 april 2024 op niet minder dan dertien verschillende dagen fysieke testen werden georganiseerd waarvoor de betrokken personeelsleden zich konden inschrijven. 18.2. Verzoeker repliceert in de memorie van antwoord dat het slechts gaat om een schermafdruk van een programma waarin iedereen met de vereiste machtigingen aanpassingen kan doorvoeren – zodat dit stuk geen bewijskracht heeft – en dat hij in de praktijk omwille van wachtdiensten en opleidingen enkel op 18 januari en 8 februari 2024 de testen had kunnen afleggen, momenten waarop zijn testen nog geruime tijd geldig waren. Wat de bewijskracht betreft, moet worden vastgesteld dat verzoeker het desbetreffende stuk van het administratief dossier niet van valsheid IX-10.565-12/14 beticht. De loutere beweringen die verzoeker wél aanvoert, volstaan niet om de bewijswaarde van dit stuk aan het wankelen te brengen. Voorts volstaat verzoekers erkenning dat hij alleszins op twee van de opgelijste data aan de fysieke testen had kunnen deelnemen om te besluiten dat de verwerende partij het tijdig afleggen van die testen geenszins heeft verhinderd. Verzoeker maakt niet inzichtelijk waarom de geldigheidsduur van de voorheen afgelegde fysieke testen maximaal moest worden uitgeput alvorens nieuwe testen in te plannen. De inschatting om de fysieke testen zo laat mogelijk af te leggen is, zoals sub 17 is overwogen, voor rekening van verzoeker; de gevolgen ervan evenzeer. Overigens toont verzoeker niet aan dat hij minstens heeft gevraagd om een wachtdienst of een opleiding te verplaatsen zodat hij alsnog tijdig voor de fysieke testen kon inschrijven, of dat hij de directieraad met toepassing van artikel 304, § 1, eerste lid, van het administratief statuut heeft gevraagd om de geldigheid van de fysieke testen te verlengen op grond van overmacht. 19. Verzoekers kritiek in zijn laatste memorie dat de organisatie van het bevorderingsexamen op 25 april 2024 in strijd is met de dienstnota, mag buiten beschouwing blijven. Met dat betoog geeft verzoeker immers een nieuwe wending aan het tweede middel zoals hij dat in het verzoekschrift formuleerde. Die nieuwe invulling, die ook al in het verzoekschrift kon zijn gegeven, is te laat en dus onontvankelijk. 20. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.565-13/14 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro , een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.565-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.