id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.065 Rolnummer: A. 247599/IX-10914 Zaak: Arrest 266065 - Varia (onderwijs en cultuur) - 18/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-20 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-06-18 06:39 Fiche Arrest nr 266.065 van 18 maart 2026 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 266.065 van 18 maart 2026 in de zaak A. 247.599/IX-10.914 In zake:
- de VZW FACULTEIT VOOR PROTESTANTSE THEOLO- GIE EN RELIGIESTUDIES
- XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NEDERLANDS-VLAAMSE ACCREDITATIEORGANI- SATIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leandra Decuyper kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 9 maart 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “
- Het besluit na bezwaar houdende negatieve accreditatie van de bache- loropleiding in de protestantse theologie en religiestudies (FPTR) met ken- merk NVAOVL20260294, dossiernummer VL13025325, definitief vastge- steld op 25 februari 2026 […];
- Het besluit na bezwaar houdende negatieve accreditatie van de master- opleiding in de protestantse theologie en religiestudies (FPTR) met ken- merk NVAOVL20260294, dossiernummer VL13025225, definitief vastge- steld op 25 februari 2026.” IX-10.914-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 10 maart 2026 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe- kende partijen en advocaat Leandra Decuyper en bestuurder Wouter Duyck, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marije Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is een ambtshalve geregistreerde instelling voor ho- ger onderwijs die de graden van bachelor, master en doctor mag verlenen in het studiegebied ‘godsdienstwetenschappen’. IX-10.914-2/13 Verzoeker verklaart door de Verenigde Protestantse Kerk in Bel- gië aangesteld te zijn als stadspastor in Antwerpen. De verwerende partij (NVAO) is de accreditatieorganisatie in de zin van artikel I.3, 3°, van de Codex Hoger Onderwijs (CHO), namelijk “de orga- nisatie die bij internationaal verdrag aangewezen is om de accreditatie van oplei- dingen te verlenen, de toets nieuwe opleiding en de instellingsreview uit te voeren”. 3.
- Op 2 juni 2023 ontvangt de verwerende partij een accreditatie- aanvraag van de Faculteit voor Protestante Theologie en Religiestudies (FPTR) voor de opleidingen bachelor en master in de protestantse theologie en religiestu- dies. De beoordeling van de opleidingen leidt voor elk ervan tot een “positief besluit opleidingsaccreditatie met een beperkte geldigheidsduur van twee jaar”, hetgeen betekent dat volgens de NVAO “op basis van het beoordelingsrap- port […] onvoldoende geborgd wordt dat de kwaliteitskenmerken, vermeld in arti- kel II.170/1, in de opleiding aanwezig zijn” (artikel II.170/18, § 4, 2°, CHO). 3.
- Op 28 januari 2025 ontvangt de NVAO een aanvraag voor de beoordeling van de opleidingen bachelor en master in de protestantse theologie en religiestudies van de FPTR. Het betreft een beoordeling ex artikel II.170/18, § 4, 3°, CHO na de eerder genomen positieve accreditatiebesluiten met beperkte gel- digheidsduur. De herbeoordeling resulteert zowel voor de bachelor- als voor de masteropleiding op 25 februari 2026 in een negatief accreditatiebesluit. Dat zijn de thans bestreden beslissingen. 3.
- Op 5 maart 2026 ontvangt verzoekster volgend bericht van haar regeringscommissaris: IX-10.914-3/13 “Ik contacteer u naar aanleiding van het negatief accreditatiebesluit van de NVAO van 25 februari 2026 voor de bachelor- en masteropleiding van de FPTR voor de periode 1 oktober 2025 tot en met 30 september
- De lijst met de opleidingen die door de instellingen kunnen worden aange- boden zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel II.170 § 2 CHO bevat voor academiejaar 2025-2026 de bachelor- en masteropleiding van de FPTR. Voor dit academiejaar zijn er bijgevolg voor de studenten geen formele gevolgen wat betreft het afwerken van het stu- dieprogramma en het behalen van een diploma. Voor het academiejaar 26-27 en volgende zijn de perspectieven minder eenduidig. Het bestuursorgaan van de FPTR besliste op 26 februari jl. de besluiten van de NVAO aan te vechten via de Raad van State. Zonder enige uitspraak te willen doen over gegrondheid van deze procedure wijs ik graag op de juridische context waarin de FPTR zich begeeft. Bij schorsing of vernietiging van de negatieve besluiten wordt verondersteld dat deze besluiten niet zijn afgeleverd en valt de FPTR terug op de tijdelijke accreditatie tot 30 september
- In dat geval beschikt de FPTR nog steeds niet over een positief accreditatiebesluit voor het academiejaar 2026- 2027 en volgende. Gelet op de uitgebreid geformuleerde inhoudelijke bezwaren is het immers niet waarschijnlijk dat de NVAO alsnog een positief accreditatiebesluit zal afleveren. Voor het academiejaar 2026-2027 en volgende bestaat bijgevolg geen rechtsgrond meer voor het verder afleveren van diploma’s door de FPTR. Ik verneem dat de FPTR de mening is toegedaan dat een arrest van de Raad van State zou kunnen impliceren dat de vandaag ingeschreven studenten alsnog hun opleiding binnen de FPTR zouden kunnen verderzetten in aca- demiejaar 2026-2027 en volgende. In afwachting van een uitspraak in deze zin vraag ik u om het decretale kader dat voorzien is bij beëindiging van een accreditatie te respecteren, in concreto uitvoering te geven aan art. II.170/18, § 4 3° CHO door een samenwerking met een andere instel- ling te zoeken die garandeert dat de studenten hun opleiding kunnen voort- zetten bij een andere instelling. Eveneens vraag ik u tot nader order geen nieuwe studenten voor de bachelor en masteropleiding te aanvaarden voor het academiejaar 2026-2027 en volgende. Om de impact van dit alles te kunnen inschatten vraag ik u nog mij een overzicht te bezorgen van de momenteel in bachelor en master ingeschre- ven studenten, uitgesplitst per opleidingsjaar. Dank alvast voor uw inzet in deze moeilijke periode voor de faculteit.” IV. Rechtsmacht van de Raad van State
- De bevoegdheid van de Raad van State om van de voorliggende zaak kennis te nemen is verre van duidelijk, nu de bestreden beslissingen op het IX-10.914-4/13 eerste gezicht niet uitgaan van een Belgische administratieve overheid, maar van een supranationale organisatie met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht, daartoe belast bij het verdrag van 3 september 2003 tussen de Vlaamse Gemeen- schap van België en het Koninkrijk der Nederlanden ‘inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Vlaamse en Nederlandse hoger onderwijs’. Hierna zal evenwel blijken dat de vordering moet worden ver- worpen bij gebrek aan spoedeisendheid en dus zonder dat kennis moet worden ge- nomen van en uitspraak worden gedaan over de aangevoerde onwettigheden. Om die reden mag er voorshands worden afgezien van een onderzoek, zelfs voorlopig, van de rechtsmacht van de Raad.
- De NVAO is door de Vlaamse Gemeenschap aangewezen als ac- creditatieorgaan als bedoeld in (thans) de Codex Hoger Onderwijs bij artikel 1 van voormeld verdrag van 3 september
- In die omstandigheden acht de Raad van State het ter wille van zijn volledige informatie wenselijk, zo hij zich alsnog ten gronde over zijn rechts- macht moet uitspreken, om ook de zienswijze te kennen van de Vlaamse Gemeen- schap. Indien één van de verzoekers na de hierna uit te spreken verwerping van de vordering tot schorsing alsnog zou besluiten om ten gronde een beroep tot nietig- verklaring in te stellen, dan dient de Vlaamse Gemeenschap als tussenkomende partij in gedwongen tussenkomst te worden geroepen, doch enkel om haar ziens- wijze aan de Raad voor te leggen over zijn rechtsmacht. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij werpt geen exceptie van onontvankelijk- heid op. Vooralsnog bestaat er ook geen noodzaak om er ambtshalve op te werpen. Inzonderheid rijst de vraag of verzoeker, die niet de adressaat is van de bestreden beslissingen, procesbevoegdheid heeft. Voorts, indien zijn vrees over de erkenning van zijn diploma ongefundeerd blijkt, rijst de vraag naar zijn belang. Een IX-10.914-5/13 onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een be- handeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima fa- cie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt ver- meld. VII. Spoedeisendheid en uiterst dringende noodzakelijkheid
- In het inleidend verzoekschrift worden de spoedeisendheid en het beroep op de uiterst dringende noodzakelijkheid toegelicht in twaalf rubrieken, die de volgende opschriften hebben: - A. Rechtsonzekerheid voor 32 studenten - B. De bijzondere positie van studenten die na juni 2026 verder moeten studeren - C. De tweede verzoekende partij – de heer X - D. De opleiding is uniek en onvervangbaar – geen alternatief beschikbaar - E. Het belang van de Verenigde Protestantse Kerk in België (VPKB) - F. Onmiddellijke dreiging van subsidie-intrekking en financiële ineenstorting - G. De Regeringscommissaris heeft reeds ingegrepen – de onomkeerbare gevolgen materialiseren zich nu - H. Onmiddellijke en onomkeerbare structurele gevolgen - H bis. Onmiddellijke en moeilijk herstelbare reputatieschade IX-10.914-6/13 - I. De gewone schorsingsprocedure komt onherroepelijk te laat - J. Het tijdsverlies is toe te rekenen aan de NVAO, niet aan de FPTR - K. Diligentie van de verzoekende partij.
- Een verzoekende partij vermag niet de schorsing van een rechts- handeling na te streven om belangen van derden veilig te stellen. De aangevoerde redenen moeten rechtstreeks op de veiligstelling van belangen van de verzoekende partij zelf te betrekken zijn. Dat betekent dat met de nadelen die de verzoekers aanvoeren in hoofde van de studenten of de Verenigde Protestantse Kerk in België (VPKB) geen rekening wordt gehouden. Het betreft de rubrieken A, B, D en E in hun geheel en onderdelen van andere rubrieken, zoals hierna gepreciseerd. 10.
- Tweede verzoeker kan zich enkel beroepen op de gevolgen die hem persoonlijk treffen. Die heeft hij als volgt neergeschreven in rubriek C: “De [tweede verzoeker] is sedert 1 februari 2026 aangesteld als Stadspastor in Antwerpen door de VPKB, via de kerkordelijke weg van de ‘Diaken met bijzondere opdracht’. Een kerkordelijke vereiste voor deze functie is het bezit van een Bachelor in Theologie en Religiewetenschappen. De [tweede verzoeker] volgde aan de FPTR een bijzonder traject en legde zijn laatste examens af in januari 2026 […]. Het NVAO-besluit geldt formeel vanaf 1 oktober
- De [tweede verzoe- ker] behaalde zijn diploma in januari 2026 – na de ingangsdatum van het negatieve besluit. De Regeringscommissaris heeft weliswaar meegedeeld dat er voor academiejaar 2025-2026 ‘geen formele gevolgen’ zijn, maar deze mededeling heeft geen decretale grondslag. De Codex regelt niet of diploma’s behaald na de ingangsdatum van een negatief accreditatiebesluit geldig zijn. De [tweede verzoeker] verkeert aldus in dezelfde rechtsonze- kerheid als de overige studenten: de geldigheid van zijn diploma en daar- mee de rechtsgeldigheid van zijn kerkordelijke aanstelling als Stadspastor zijn onzeker zolang de bestreden besluiten niet zijn geschorst.” 10.
- Deze uiteenzetting mist elke precisie; verzoeker stelt enkel dat hij in onzekerheid verkeert. Hij erkent dat de regeringscommissaris ervan uitgaat dat er voor hem “geen formele gevolgen” zijn. Hij toont het tegendeel niet aan. Hij IX-10.914-7/13 beweert alvast niet dat hij al “formele gevolgen” ervaart. Verzoeker voert inzon- derheid geen enkel overtuigingsstuk bij, waaruit blijkt dat hij inderdaad is aange- steld als stadspastor, dat hiervoor een bepaald diploma vereist is en dat de VPKB wegens het gebrek aan dat diploma zijn aanstelling als stadspastor heeft beëindigd of met zekerheid zal beëindigen – een beslissing die dus alleszins in de toekomst ligt. Verzoeker zet niet uiteen wat het verlies van die aanstelling voor hem betekent – moreel, materieel – en waarom hij dat verlies niet kan verdragen gedurende de tijd nodig voor de behandeling van een beroep ten gronde. Er is bijgevolg hier en nu geen enkele spoedeisendheid aange- toond. Het instellen van een vordering tot schorsing is geheel voorbarig, wat ver- zoeker betreft. Louter ten overvloede mag worden opgemerkt dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen voorlopig aannemelijk maakt dat een negatief accreditatiebesluit ertoe leidt dat, conform artikel II.170, § 2, vijfde lid, 4°, CHO, de Vlaamse regering de betrokken opleiding niet langer opneemt in het kómende besluit tot vastlegging van de lijst van de bachelor- en masteropleidingen die per instelling worden aangeboden in het hoger onderwijs, maar de geldigheid van de geboden opleiding in het nú lopende academiejaar niet lijkt aan te tasten.
- Verzoekster voert in rubriek F een “dreiging” aan van intrekking van subsidie en vreest een “financiële instorting”. Ten eerste is er op dit ogenblik dus van een intrekking van sub- sidies nog geen sprake. Er is nog geen spoed, laat staan uiterst dringende noodza- kelijkheid. Ten tweede bevat het verzoekschrift geen enkele becijfering van de financiële situatie van verzoekster die de Raad in staat stelt de beweerde “finan- ciële ineenstorting” als een reëel risico te kunnen inschatten. In de regel immers kan een financieel nadeel worden hersteld na de gebeurlijke nietigverklaring. Het IX-10.914-8/13 valt een verzoekende partij toe om het tegendeel aan te tonen, met name door con- creet te preciseren waarom de financiële impact doet vrezen voor haar voortbestaan of om andere overtuigende redenen niet zolang gedragen kan worden. Het verzoek- schrift bevat hierover noch uiteenzetting, noch becijfering, noch overtuigingsstuk. Het gevreesde en beweerde financieel gevolg van de bestreden beslissingen overtuigt niet van de spoedeisendheid.
- In rubriek G wijst verzoekster op “onomkeerbare gevolgen” die zich “nu” al manifesteren ingevolge een ingrijpen van de regeringscommissaris. Dat ingrijpen refereert aan de sub 3.4 aangehaalde mededeling van de regeringscommissaris om tot nader order geen nieuwe studenten te aanvaar- den voor het academiejaar 2026-27 en om een samenwerking te zoeken met een andere onderwijsinstelling die garandeert dat de huidige studenten hun opleiding kunnen voortzetten. In zoverre dat een nadeel is dat mogelijke toekomstige studenten treft, komt het niet in aanmerking om de spoedeisendheid aan te tonen om de sub 9 aangegeven redenen. Voorts wil de Raad van State best aannemen dat de opgelegde stopzetting van een opleiding voor verzoekster een nadeel uitmaakt, aangezien het aanbieden van dit onderwijs de essentie van haar opdracht betreft. Het valt haar echter toe om ervan te overtuigen waarom zij dat nadeel niet tijdelijk kan onder- gaan in afwachting van een uitspraak ten gronde. Daarbij wordt ook bedacht dat verzoekster al was geconfronteerd met een accreditatie met een beperkte geldig- heidsduur, zodat zij zich erop heeft kunnen instellen dat ook de definitieve beslis- sing wel eens negatief zou uitvallen. 13.
- In rubriek H somt verzoekster de volgende “onmiddellijke en on- omkeerbare gevolgen” op: IX-10.914-9/13 “– Stopzetting van de opleidingen: De FPTR kan vanaf het academiejaar 2026-2027 geen nieuwe studenten meer inschrijven. De bestaande studen- ten krijgen een uitdovend traject. De stopzetting van de enige zelfstandige protestantse theologische opleidingen in de Vlaamse Gemeenschap is per definitie onomkeerbaar. – Wachtperiode van zes jaar: Conform de Codex Hoger Onderwijs kan na een negatief accreditatiebesluit gedurende zes jaar geen nieuwe aanvraag voor dezelfde opleiding worden ingediend. Dit maakt het nadeel structureel onomkeerbaar voor de gehele accreditatiecyclus. – Verlies van studenten en personeel: De 32 huidige studenten zullen on- middellijk alternatieven moeten zoeken, maar deze zijn er niet. Er bestaan verder geen predikantsmasters in Vlaanderen of België. Ook in Nederland gaan studeren is geen optie: het is financieel bijzonder moeilijk (hoger col- legegeld) en qua protestantse stroming niet mogelijk (pluriformiteit) om bijvoorbeeld in Nederland te gaan studeren, nog afgezien van de praktische reisconsequenties. Bovendien is er daar ook maar één predikantstoegang: de master van de Protestantse Kerk van Nederland en die is echt anders. Intrekken van de accreditatie betekent vrijwel direct beëindigen van de stu- die voor de huidige studenten. . Academisch en administratief personeel zal vertrekken. Dit menselijk en intellectueel kapitaal kan niet worden hersteld, zelfs niet bij een latere ver- nietiging van de besluiten. – Verlies van de unieke positie: De FPTR is de enige instelling die protes- tantse theologie op bachelor- en masterniveau aanbiedt in de Vlaamse Ge- meenschap. Het verlies van deze unieke positie is onherstelbaar en raakt het pluralisme in het Vlaamse hogeronderwijslandschap.” 13.
- In de mate waarin deze uiteenzetting alweer betrekking heeft op de belangen van derden zoals studenten en personeel, wordt ze om de sub 9 aange- geven redenen niet in aanmerking genomen. Voorts doet verzoekster enkele constateringen over de implica- ties van de bestreden beslissingen. Het komt echter erop aan te overtuigen dat die gevolgen niet kunnen worden gedragen in afwachting van een uitspraak ten gronde. Daarin faalt verzoekster. Zij licht niet toe waarom de stopzetting van de opleidingen “per definitie onomkeerbaar” is. Bij een nietigverklaring van de bestreden beslissingen verwerft verzoekster immers een nieuwe kans op een positief accreditatiebesluit. IX-10.914-10/13 Hetzelfde geldt voor de wachtperiode van zes jaar, die mede uit het rechtsverkeer verdwijnt met de nietigverklaring van de bestreden beslissingen. Verzoekster beweert dat het vertrek van haar academisch en ad- ministratief personeel – wat momenteel ook niet méér is dan een gissing – niet kan worden hersteld na een nietigverklaring, maar laat na dit concreet te onderbouwen. Gelet op de zelfverklaarde “unieke positie” van verzoekster, is de bewering dat haar gespecialiseerde medewerkers, gesteld dat zij de instelling verlaten en niet zouden terugkeren, niet zonder meer geloofwaardig. Verzoekster wijst op haar unieke positie als aanbieder van deze opleidingen in de Vlaamse Gemeenschap die zij vreest te verliezen. Zij legt niet uit welke concurrent dan, in afwachting van een uitspraak ten gronde, die unieke po- sitie “onherstelbaar” van haar zou kunnen afnemen. 14.
- In rubriek Hbis maakt verzoekster gewag van reputatieschade. 14.
- Aangenomen wordt dat een moreel nadeel wordt hersteld door de morele genoegdoening van het latere vernietigingsarrest. Verzoekster zet niet uiteen waarom dat in deze zaak anders zou zijn. Overigens voert zij aan dat haar partnerschappen “in vraag wor- den gesteld” en dat haar positie “binnen het Europese netwerk van protestantse theologische faculteiten” rechtstreeks wordt “geraakt”, zonder hiervan enig bewijs te leveren. Het betreft alweer een hypothetisch nadeel. 15.
- Volgens de verzoekers komt de gewone schorsingsprocedure, zo luidt het in rubriek I, “onherroepelijk te laat”: “Een gewone schorsingsprocedure komt onherroepelijk te laat. De voorbe- reiding van het academiejaar 2026-2027 is thans volop aan de gang. In- schrijvingen voor nieuwe studenten openen zich nu in het voorjaar van
- IX-10.914-11/13 Zonder schorsing van de bestreden besluiten zal de FPTR niet in staat zijn nieuwe studenten in te schrijven, zullen de 32 huidige studenten hun studie niet met de nodige rust kunnen voortzetten en hun examens voorbereiden, zal de Vlaamse overheid mogelijk de subsidies intrekken, en zal [tweede verzoeker] zijn functie als stadspredikant niet kunnen opnemen. Een snelle beslissing dringt zich op om de studenten zo spoedig mogelijk duidelijkheid te geven of het huidige academiejaar constructief kan worden afgesloten en zij zich met de nodige rust kunnen voorbereiden op hun exa- mens.” 15.
- De verzoekers herhalen in deze rubriek slechts de nadelen die hiervóór om diverse redenen zijn verworpen.
- Dat het tijdverlies is toe te rekenen aan de NVAO, niet aan de FPTR (rubriek J) en dat verzoekster zelf diligent is opgetreden (rubriek K) zijn geen argumenten die ipso facto spoedeisendheid aantonen. Diligent optreden is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om van de uiterst dringende noodzakelijkheid te overtuigen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat noch verzoekster noch verzoeker, ieder wat haar of hem betreft, de spoedeisendheid aantoont, zodat de vordering niet kan slagen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de tweede verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.914-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.914-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.