id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.066 Rolnummer: A. 242087/IX-10752 Zaak: Arrest 266066 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-26 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-18 06:39 Fiche Arrest nr 266.066 van 18 maart 2026 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 266.066 van 18 maart 2026 in de zaak A. 242.087/IX-10.752 In zake : L.V. tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van de “technische test en de resultaten ervan voor de incompetitiestelling van 28-11-2022 van 14 betrekkingen waaraan de functie is verbonden van Attaché A2 – Fiscale fraudebestrijding (Inspectie) – btw (functieclassificatie: CF_022) bij de buitendiensten van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (P&O-code: A2-1022-097)”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. IX-10.752-1/18 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met één lid. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 februari
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en adviseur Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is als vast benoemd attaché (klasse A1) werkzaam bij de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) te Brussel. 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 28 november 2022, eerste editie, wordt de incompetitiestelling “bij wege van bevordering [naar] de hogere klasse” bekendgemaakt van – onder meer – “[veertien] betrekkingen waaraan de functie is verbonden van Attaché A2 – Fiscale fraudebestrijding (Inspectie) – btw (functieclassificatie: CF_022) bij de buitendiensten van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (P&O-code: A2-1022-097)”. IX-10.752-2/18 Het gaat om vier tweetalige betrekkingen, twee ééntalig Franstalige betrekkingen en acht ééntalig Nederlandstalige betrekkingen. De selectieprocedure omvat vier ‘fasen’. Voor deze zaak is het slechts relevant te verwijzen naar de eerste twee daarvan, die zich als volgt laten samenvatten. Vooreerst (‘fase 1’) wordt de ontvankelijkheid van de kandidaturen onderzocht. Vervolgens (‘fase 2’) worden van de ontvankelijk bevonden kandidaten de technische competenties, zoals omschreven in het toepasselijke functieprofiel, geëvalueerd. In dat verband vermeldt het dienstorder voor de betrekking van “[a]ttaché A2 – Fiscale fraudebestrijding (Inspectie) – btw” als vereiste technische competenties: “• een geavanceerde kennis hebben op het gebied van: - btw • een gebruikerskennis hebben in de volgende domeinen: - procedure btw - fraudemethodologie” Om tot het verdere verloop van de selectieprocedure te worden toegelaten, moeten de kandidaten minstens 50% behalen. 3.
- Verzoeker stelt zich op 19 december 2022 kandidaat voor de voormelde functie. 3.
- Op 9 maart 2023 meldt het bestuur aan verzoeker dat hij “voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden van [de] betrekking”. 3.
- Verzoeker neemt op 11 maart 2024 deel aan ‘fase 2’ van de selectieprocedure. IX-10.752-3/18 De drie technische competenties – ‘een geavanceerde kennis hebben op het gebied van: btw’, ‘een gebruikerskennis hebben in de volgende domeinen: procedure btw’ en ‘een gebruikerskennis hebben in de volgende domeinen: fraudemethodologie’ – worden geëvalueerd aan de hand van telkens twaalf meerkeuzevragen die binnen een tijdspanne van dertig minuten moeten worden beantwoord. 3.
- Op 21 maart 2024 deelt het bestuur aan verzoeker de resultaten van de evaluatietesten van de technische competenties mee. Verzoeker behaalt voor de competentie ‘een geavanceerde kennis hebben op het gebied van: btw’ een score van 27,27% (9 punten op 33). Voor de competentie ‘een gebruikerskennis hebben in de volgende domeinen: procedure btw’ scoort hij 50% (18 punten op 36). Wat de competentie ‘een gebruikerskennis hebben in de volgende domeinen: fraudemethodologie’ betreft, wordt verzoeker met een score van 63,64% (21 punten op 33) bedacht. Dat levert een totaal op van 46,97%. Nadat verzoeker eerst eraan wordt herinnerd dat “[o]m toegelaten te worden tot het vervolg van de procedure” de kandidaat onder meer “minstens 50% [moet] behalen voor de evaluatie in fase 2”, wordt hem meegedeeld: “Je bent niet geslaagd voor fase
- Je wordt uitgesloten van het vervolg van de procedure aangezien je niet voldoet aan de hierboven beschreven voorwaarden.” 3.
- Op vraag van verzoeker wordt hem dezelfde dag nog feedback bezorgd over de testen. Daarbij wordt aangegeven dat verzoeker voor het eerste onderdeel van de test vijf vragen juist en zes vragen fout heeft beantwoord. Eén vraag is “verwijderd wegens onduidelijkheid”. Voor het tweede onderdeel van de test heeft verzoeker zeven juiste en drie foute antwoorden gegeven; twee vragen heeft hij opengelaten. Wat het derde onderdeel van de test betreft, wordt hem meegedeeld dat hij acht keer juist en drie keer fout heeft geantwoord; andermaal is één vraag “verwijderd wegens onduidelijkheid”. IX-10.752-4/18 3.
- Eveneens diezelfde dag ontspint zich tussen verzoeker en het bestuur een discussie over de schrapping van de twee vragen en de invloed die deze schrapping op de scores heeft gehad. Verzoeker vraagt daarbij om een “herziening van de puntenverdeling”, waarop het bestuur niet ingaat. Ook na de inzage van de tests formuleert verzoeker “opmerkingen, bedenkingen en vragen”, waarop het bestuur afwijzend antwoordt. De discussie en het e-mailverkeer daarover blijven ook na het instellen van het voorliggende beroep voortduren. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij vooreerst op wat volgt: “
- In het verzoekschrift deelt verzoeker mee dat hij ernstige vragen en bedenkingen heeft bij de technische test en bij de door de kandidaten behaalde resultaten in het kader van de selectieprocedure met betrekking tot de te begeven 14 betrekkingen waaraan de functie is verbonden van Attaché A2 – Fiscale fraudebestrijding (Inspectie) – btw (functieclassificatie: CF_022) bij de buitendiensten van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van de FOD Financiën. Tevens deelt hij feitelijke gegevens mee over de voornoemde selectieprocedure. Verzoeker deelt mee dat de selectieproef niet op dezelfde manier is georganiseerd en gequoteerd als voorgaande selectieproeven omdat er giscorrectie werd toegepast en de examenduur zeer kort was waardoor de examinandi onder tijdsdruk stonden. Dit heeft aanleiding gegeven tot een volgens verzoeker laag slaagpercentage, waardoor kandidaten die hebben deelgenomen aan de proef gedemotiveerd raken. Verder deelt verzoeker mee dat de overheid nagelaten heeft om mee te delen welke leerstof of materie de kandidaten moeten beheersen en waar die leerstof kan worden gevonden, zodat hen niet de kans werd geboden om zich voor te bereiden. Verzoeker bekritiseert tevens dat er a posteriori twee examenvragen werden geschrapt en deelt mee dat hij opmerkingen heeft geformuleerd over het examen, dat de overheid heeft gereageerd op zijn opmerkingen, doch dat hij zich niet kan vinden in de reactie van de overheid. IX-10.752-5/18 Tot slot deelt verzoeker mee dat hem geen volledige inzage werd verleend in de examendocumenten en hem een onjuiste score is toegekend.
- Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de vereisten van artikel 2, § 1, van het algemeen procedurereglement. Het verzoekschrift is opgebouwd uit een los geheel van vragen, bedenkingen, feitelijkheden en opmerkingen. Verzoeker wijst in zijn verzoekschrift niet met de voor een middel minimaal vereiste precisie, de rechtsregels of rechtsbeginselen aan die volgens hem door de bestreden beslissing worden geschonden en geeft evenmin een duidelijke uiteenzetting van de wijze waarop deze rechtsregels of rechtsbeginselen door de bestreden beslissing zijn geschonden. Alhoewel uit het verzoekschrift afgeleid kan worden wat het voorwerp van het beroep is, kan met andere woorden niet worden achterhaald welke regels of rechtsbeginselen verzoeker door de bestreden beslissing geschonden acht. Minstens kan niet worden afgeleid hoe deze regels of rechtsbeginselen geschonden zijn zodat verweerder zich niet op nuttige wijze kan verdedigen.” Beoordeling 5.
- Onder de titel ‘Feiten en middelen’ zet verzoeker in zijn verzoekschrift uiteen wat volgt: “
- Veel te hoge tijdsdruk Eerst en vooral is er het zéér nadelige tijdsaspect van slechts [een] half uur per onderdeel of competentie. Meteen na het examen voor A2 werd dit in allerijl nog vlak voor het examen A3 opeens aangepast naar maar liefst één uur (en dus maar liefst het dubbele) voor het examen A
- Dit omwille van opmerkingen hierover bij of na het examen A2 en op vraag van een Adviseur-Generaal die dat zelf dus duidelijk ook beaamde en zodoende ook effectief bewerkstelligde. Het feit dat die tijd ook effectief en bovendien zelfs maar liefst verdubbeld werd voor A3, toont en bewijst op zich al sowieso en afdoende dat de tijdsdruk (van zelfs maar de helft van de tijd) voor A2 dus sowieso echt wel véél te hoog was. Voor exact evenveel vragen. Dit kan dan uiteraard ook niet anders dan het resultaat en dus het al dan niet slagen beïnvloeden. Dat het louter werd aangepast voor A3 net na en omwille van A2, maakt het meteen duidelijk en dus op zich ook al reeds bewezen dat het een véél te hoge tijdsdruk voor dit examen A2 was. Na het examen A2 werden via interne kanalen opmerkingen gegeven en werd plots een e-mail uitgestuurd dat men voor A3 de tijd per competentie van 30 minuten naar 1 uur heeft opgetrokken. Dit ongeacht wat de jury op voorhand had vastgelegd of bepaald had als nodig voor een competentiemeting. De interventie van een externe partij (Adviseur-Generaal) heeft ertoe geleid dat men a priori al meende dat er te weinig tijd zou zijn, dit door de ervaringen van het examen A
- Los van het feit dat men binnen het examen een gelijke behandeling heeft bewerkstelligd, geeft dit soort van interventie blijk van een oneerlijke IX-10.752-6/18 behandeling voor individuele kandidaten. Dit wordt eveneens gesterkt door een aantal kandidaten die hogere scores behaalden voor een competentiemeting die moeilijker had moeten zijn inhoudelijk, maar door vormelijke en organisatorische reden meer individueel voordeel gaf. Op zich is door het aanpassen zelf dus al het bewijs geleverd dat de tijdsdruk véél te hoog was voor A2 en men zodoende veel te weinig tijd had en dat dit uiteraard ontegensprekelijk zeer negatieve en nefaste gevolgen heeft gehad voor het resultaat en het al dan niet slagen.
- Antwoorden na inzage op de daarbij gegeven vragen en opmerkingen Dit voorgaande dan ook nog eens flagrant ontkennen in het antwoord op alle bemerkingen, vragen en opmerkingen van de kandidaten tijdens en/of na de inzage, is op zich dan ook weer een regelrechte aanfluiting in het gezicht van de kandidaten die hierdoor dus wél overduidelijk benadeeld zijn geweest en nog meer voor diegene die hierdoor inderdaad nét niet geslaagd zijn. Louter gewoon eventjes heel kort antwoorden en beweren dat dit allemaal ‘geen invloed’ heeft of kan hebben op het mogelijke slagen (zie email feedback bevorderingsprocedure van 8/5/24) is gewoonweg onbegrijpelijk en onaanvaardbaar. Dat is net de reden waarom bepaalde examens met bepaalde verhoogde tijdsdruk werken. Net om te zien of je onder verhoogde tijdsdruk ook nog kan presteren. Dit regelrecht ontkennen en tegenspreken getuigt van weinig respect en begrip. Net als het zeer beperkte antwoord op zich. Net als op alle concrete vragen die inhoudelijk bevraagd en becommentarieerd zijn geweest door de kandidaten n.a.v. van de inzage dan zomaar louter antwoorden dat al die concrete en inhoudelijke vragen en opmerkingen als ‘niet pertinent’ bevonden zouden zijn zonder meer (email feedback bevorderingsprocedure 8/5/24) eveneens een regelrechte kaakslag in het gezicht van de kandidaten is. Blijkbaar werd dit antwoord ook gewoon copy-paste gewijs naar alle kandidaten gestuurd als antwoord op al hun vragen en opmerkingen n.a.v. de inzage. Dit kan allemaal uiteraard niet door de beugel. Zulke manier van werken en omgaan met de kandidaten is ontegensprekelijk onaanvaardbaar. Bovendien spreken hun eigen antwoorden elkaar tegen. Eerst beweren ze dat vragen moeten geschrapt worden als ze onduidelijk zijn en er geen punten gegeven kunnen worden voor een ander of tweede juist antwoord. Vervolgens is gebleken dat ze dat net wel gedaan hebben en dit bovendien ook zonder dat naar de kandidaten toe te communiceren. Men kreeg m.a.w. dus ook gewoon geen volledige informatie en/of zicht op de eigen gekozen antwoorden en de punten daar al dan niet mee verkregen. Wederom helemaal geen transparantie en een totaal onaanvaardbare situatie en manier van werken en omgaan met de kandidaten.
- Geschrapte vragen Zoals vermeld werden er dan meteen na examen en nog voor het meedelen van de score al 2 vragen geschrapt. Het moge overduidelijk zijn dat dit uiteraard nog bijkomende negatieve gevolgen heeft gehad bovenop en mede dankzij de reeds negatieve gevolgen van de véél te hoge tijdsdruk. Immers, van die reeds veel te weinig beschikbare tijd spendeer je dan ook nog eens die zeer kostbare tijd aan vragen die er dan zelfs niet eens toe doen en waar je sowieso al geen punten mee kan scoren. Dat is nog eens extra nadelig en oneerlijk en overduidelijk mogelijke impact hebbende op het al IX-10.752-7/18 dan niet slagen. Zeker indien je net niet geslaagd bent en slechts 1 juist antwoord ontbreek[t] om dat wel te zijn. Erger nog, de vragen werden blijkbaar geschrapt wegens onduidelijk te zijn. Het is uiteraard ook net aan dergelijke onduidelijke vragen dat je veel meer tijd en energie verspeelt. Tijd die je dus sowieso al veel te weinig hebt. En dan ook nog eens totaal zinloos zit te verspillen, gezien je er toch niet eens punten mee kan halen. Dat geeft dus een driedubbel nadelig effect en speelt dus allemaal ontegensprekelijk mee in de score op een negatieve manier. Dit is dus totaal onterecht en op geen enkele manier aan de kandidaat zelf te wijten. Dit mag dus niet in zijn nadeel zijn. En dient dan ook gecompenseerd te worden. Er zou ook helemaal niet gewoon geschrapt mogen worden, maar gecompenseerd moeten worden door voor de meest gekozen antwoorden ook punten te geven. Zowel als het voor het voorziene juiste. Zoals dit ook exact en letterlijk zo gebeurde bij het eerdere zelfde examen A2 van golf 11 (A2-1118-070). Pas dit hier dan ook gewoon zo toe. Dat helpt de kandidaten tenminste i.p.v. van ze te benadelen voor iets waar ze zelf helemaal niets aan kunnen doen. Erger nog, door 2 vragen zomaar meteen te schrappen ontneem je de kandidaten zelfs 2 kansen op 3 extra punten. Dus zéker in het geval van giscorrectie. Dus wederom zéér nadelig en oneerlijk voor hen. Vooral ook omdat ze daar wederom zelf helemaal niets aan kunnen doen. Dat is dus zeer onterecht dat zij daar dan zelf wél de dupe van moeten zijn. Zeker voor mensen die maar luttele puntjes tekort komen maakt dat zelfs het verschil tussen geslaagd en niet geslaagd. Ik moet hier niet verduidelijken dat dit uiteraard een gigantisch verschil is natuurlijk en zeer nefast uiteraard. Ze worden zomaar zonder dat zij daar zelf ook maar iets aan kunnen doen 2 kansen op slagen afgenomen. Dit is onaanvaardbaar. Verder werd ons gemeld dat er al meteen na het examen en nog voor het communiceren van de resultaten 2 vragen werden geschrapt, wegens opmerkingen en statistische analyse. Dit heeft ertoe bijgedragen dat wij tijd spendeerden aan onjuiste of zelfs onbeantwoordbare vragen, op een moment waar wij dus al over veel te weinig tijd beschikten. Door deze vragen te schrappen geeft de jury ook al aan dat die vragen niet in lijn liggen met wat een behoorlijke competentiemeting had moeten zijn. Per vraag had men in principe slechts gemiddeld 2,5 minuten (12 vragen per 30 minuten), hierbij is per geschrapte vraag (2 stuks) ook nog eens meerdere minuten extra verloren gegaan door onjuiste of zelfs onbeantwoordbare vragen. Wat zorgt dat men minstens één vraag per onderdeel waar een vraag geschrapt werd, niet ten gronde kon analyseren en eerder moest te snel antwoorden, dan wel gokken of de vraag openlaten. Bovendien ook nog eens vragen die ons uiteraard wel punten hadden kunnen doen opleveren en we dus wel door geslaagd hadden geweest als ze wel correct waren geweest en dus niet geschrapt waren geweest. We moesten met andere woorden onze veel te weinige tijd dan nog eens verliezen aan vragen die er niet eens toe doen en waarmee gewoonweg geen punten konden gescoord worden. Uitleg dienst promo: Na een examen dat is samengesteld uit (minstens een deel) meerkeuzevragen, en waarbij er een groep deelnemers is die statistisch als IX-10.752-8/18 significant beschouwd kan worden (minimaal 15), gebeur[t] er een statistische analyse op basis van de input in het testplatform. Over het geheel van alle kandidaten worden analyses gemaakt op de geselecteerde antwoorden door de kandidaten (%), het aantal kandidaten die het correcte antwoord kiest (%) en een link gemaakt tussen de kandidaten die het hoogst scoren (25% hoogste scores) en hoe zij op elk item scoren. Op basis daarvan worden [statistisch] enkele vragen uitgelicht die, omwille van het voorzichtigheidsprincipe, opnieuw grondig bekeken worden door de jury. Daarnaast kunnen er eventuele opmerkingen van kandidaten meegenomen worden. Opmerkingen, inhoudelijk, kunnen immers, mochten die gemaakt worden tijdens de testafname, niet [beantwoord] worden rechtstreeks aan kandidaten. Bovendien heeft elke kandidaat recht om feedback te bezorgen na het afleggen van een examen, of dat nu gebeur[t] voor of na de bekendmaking van het resultaat. Beide gegevens worden, zoals steeds op anonieme basis, bezorgd aan de jury voor een item-analyse, op basis waarvan er eventuele beslissingen genomen kunnen worden. Reactie: Van al deze informatie en dergelijke situaties en analyses meteen na het examen en het dan mogelijk en effectief op basis daarvan al meteen vragen te schrappen, waren geen van de kandidaten op de hoogte. Net als van de mogelijkheid tot feedback geven zowel tijdens als vlak na het examen. Dat is bij ons weten (nog) nooit zo gecommuniceerd geweest. Wel integendeel, onder andere gezien de personen die aanwezig zijn daar ook gewoon niets mee te maken hebben, werd ons altijd gecommuniceerd (en soms zelfs letterlijk nog eens aan het begin van het examen zelf) dat er geen feedback of dergelijke meer over de vragen of inhoud zelf van het examen gegeven kan of mag worden. Dat dit nu blijkbaar wel tot onze rechten behoort, is een totaal nieuw gegeven voor ons. Door dit nooit te communiceren benadeelt men ons als kandidaten, want dit had wel degelijk een manier van feedback kunnen vormen tijdens het examen. Zodat men de onduidelijke of onjuiste vragen minder tijd had toebedeeld. In verband met het meteen schrappen van vragen en eerlijkheids- of voorzichtigheidsprincipe, stel ik me toch ook wel nog enkele vragen. Want eigenlijk ontneemt men de kandidaten zo 2 extra kansen op 3 extra punten (zelfs al past men de totaal te behalen score ook aan). Deze twee extra kansen op 3 extra punten zijn voor mensen die nét niet genoeg hebben om te slagen dan ook 2 extra kansen om net wél te slagen. Door de vragen te schrappen, worden deze kansen ontnomen. Wat dus helemaal niet eerlijk of voorzichtig is op zich. Net daarom ook dat er (o.a. in dezelfde eerder[e] procedure A2-1118-070 – Attaché A2 – Fraudebestrijding – btw) dus wel voor geopteerd werd om i.p.v. vragen te schrappen net bijkomende punten te gaan toekennen. Die redenering werd toen gevolgd en toegepast. De logica erachter is immers ook dat kandidaten geen punten meer zouden kunnen ontnomen worden na afloop van het examen en dat ze er enkel zouden kunnen bijkrijgen. Of dat er niets gedaan zou mogen worden dat enige nadeel zou kunnen opleveren. Enkel voordeel. Bij het meteen schrappen van vragen is dit niet het geval. De kandidaten worden immers punten en kansen op punten ontnomen. Wij wijzen op het feit dat het wel degelijk in het verleden zo gedaan werd. IX-10.752-9/18 Bijvoorbeeld dus ook in diezelfde (eerdere) procedure A2-1118-070 – Attaché A2 – Fraudebestrijding – btw. Als het toen zo wel kon, zien wij niet in waarom het nu niet zo kan en al zeker ook niet waarom er nu dan beweerd wordt dat dit op zich al gewoonweg niet kan of gebeurt. Tenslotte is het principe eigenlijk ook gewoon dat kandidaten nooit benadeeld zouden kunnen of mogen worden. Wat hier nu dus eigenlijk wel het geval is en dus eigenlijk niet zou mogen.
- Ongelijke procedures over de jaren heen door bijkomende vormelijke en organisatorische aanpassingen Deze competentie meting benadeelde kandidaten op minstens 2 vlakken ten opzichte van voorgaande gelijkaardige A2 BBI btw competentiemetingen (A2-1118-070 en A2-1219-055). Voor de selectie van dienstorder 2018 werd geen gebruik gemaakt van giscorrectie, noch een arbitrair kort tijdlimiet van 30 minuten per competentie opgelegd. Voor de selectie van dienstorder 2019 werd giscorrectie ingevoerd, zonder motivatie, maar werd geen tijdslimiet opgelegd noch vragen geschrapt door statistische analyse en feedback.
- Inbreuken op de Wet Openbaarheid van Bestuur (11/04/1994) De kandidaten vroegen een inzage in hun afgelegde examen, op basis van de wet openbaarheid van bestuur. De inzage werd toegestaan en de kandidaten werden uitgenodigd voor een inzage. Maar slechts een beperkt deel van het examen werd getoond, hetzij de vragen die de kandidaat zelf fout of niet beantwoord had. Geen inzage in de rest van het examen en geen inzage in de geschrapte vragen. Er werden geen weigeringsgronden ingeroepen tijdens de inzage. Dit zijn inbreuken op de Wet Openbaarheid van Bestuur inzake bestuursdocumenten. Uit voorgaande selectieprocedures blijkt eveneens dat de dienst dit op voorgaande momenten wel anders deed, wel een inzage verleende in een volledig examen en hiervan ook een kopie verschafte indien men dat vroeg. Zelfs niet wanneer dat n.a.v. de inzage zelf door de kandidaten dan ook allemaal nog eens expliciet en letterlijk gevraagd werd en dit zelfs met verwijzing naar de Wet Openbaarheid van Bestuur erbij. Die zodoende dus meerdere malen met de voeten getreden wordt. Ze beweren en vinden bij hoog en laag dat het helemaal niet nodig is om de 2 geschrapte vragen noch de vragen die je juist hebt mee te geven bij de inzage. Enkel en alleen de foute en opengelaten vragen (zie bijlage
- A2 btw examen (inzage)) volstaan volgens hen dus zowel voor de rechten op mogelijke verdediging of aanvechting van alle persoonlijke of individuele foute of opengelaten vragen als op een volledige en afdoende manier om de totstandkoming van de uiteindelijke score (zie bijlage
- Resultaat (A2-1022-097 Resultaat fase 2).pdf) vast te kunnen stellen en te kunnen verantwoorden.
- Onjuiste score Dat examen van mij dat mij dus ter inzage gegeven werd bij het inzagemoment (zie bijlage
- A2 btw examen (inzage)) bevat bovendien 11 foute vragen en 2 opengelaten vragen. Dat wil dus zeggen dat er (zonder de 2 geschrapte vragen) zodoende 21 juiste vragen zijn die ik dus niet te zien kreeg. Van de 34 resterende vragen heb ik er dus 21 juist, 11 fout en 2 open gelaten. De eerder gecommuniceerde score is zodoende ook nog eens volledig fout. Dat is immers geen 46,96% zoals zij beweren, maar wel 51% en dus wél geslaagd maw. Ik eis dan uiteraard ook in aller eerste instantie IX-10.752-10/18 en onmiddellijk dat dit recht gezet wordt en ik uiteraard ook toegelaten [word] tot de volgende ronde.” 5.
- Een volgend onderdeel van zijn verzoekschrift noemt verzoeker ‘Bijkomende vermelding (rechts)middelen’ en luidt als volgt: “Middel 1: Verzoeker baseert zijn klacht of verzoekschrift, alsook de daarin opgeworpen vragen, bemerkingen en tekortkomingen, op het algemene principe van de billijkheid. Dit is een rechtsgrond. Deze dient zelfs ambtshalve door de raadsheer te worden opgeworpen. Daarnaast kan verzoeker niet verondersteld worden de zeer specifieke overheidswetgeving rond examens voor bevordering exact te kennen. Indien de examenprocedure bepaalde nietigheden of onregelmatigheden inhoudt dient dit door de rechter ambtshalve te worden onderzocht, beoordeeld en met de wettelijke bepalingen te worden gemotiveerd. Middel 2: Verzoeker baseert zijn klacht of verzoekschrift, alsook de daarin opgeworpen vragen, bemerkingen en tekortkomingen, op algemene rechtsbeginselen. Deze kunnen eisen stellen aan het te formuleren beleid of regelgeving. Beleid of regelgeving dat onvoldoende aansluit op algemene rechtsbeginselen, is niet effectief en kan onhoudbaar blijken bij de rechter. Zo dient het onder andere te passen binnen de beginselen van: - Algemene beginselen van behoorlijk bestuur: Als belangrijkste algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden geformuleerd: het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het fair play beginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel. De bestuursrechter kan een genomen besluit door een bestuursorgaan of een lagere regeling toetsen aan deze beginselen en specifiek in dit geval onder andere voornamelijk het: ° Zorgvuldigheidsbeginsel: door het slecht opstellen van de vragen, laat dit veel ruimte voor discussie en zijn er mensen niet geslaagd, de periode die tot het opstellen [geleid] heeft, zou net moeten zorgen dat al meer zorgvuldigheid aan de dag gelegd zou kunnen worden, echter dit heeft enkel tot meer verwarring gezorgd. Het feit alleen al dat de kandidaten bijna 1,5 jaar hebben moeten wachten op een technische proef en bij de vorige procedure zelfs bijna 4 jaar (wat normaliter enkele weken of maximaal een paar maanden duurt) die zij zelf dan op hun beurt wel plots een paar weken later al meteen dienen af te leggen en waar dan ook plots (en dit zonder verwittiging) met giscorrectie gewerkt wordt, kan men op zich al inroepen als het schenden van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het soort vragen en de inhoud ervan alsook de antwoordmogelijkheden die niet waren afgestemd op het volledige doelpubliek eveneens. ° Motiveringsbeginsel: uit alles wat er voorgaande reeds aangehaald is geweest, blijkt overduidelijk dat de administratie en betrokken dienst helemaal niet voldoet aan haar motiveringsplicht zoals ook IX-10.752-11/18 duidelijk blijkt uit de gegeven antwoorden en vooral de niet gegeven antwoorden noch volledige inzage en informatie van het examen. - Gelijkheidsbeginsel: Zoals reeds geformuleerd bij het zorgvuldigheidsbeginsel, wordt door dit alles ook het gelijkheidsbeginsel geschonden. Ook dit werd reeds ruimschoots in al het voorgaande duidelijk gemaakt. Middel 3: Het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’. Dit verplicht het bestuur en de organen die ervan afhangen ertoe de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan. Iedereen is gebonden aan de eigen regels die hij zelf opstelde en dient deze ook te verdragen. Of m.a.w., de eigen regels, normen en waarden dienen in acht genomen. Dit beginsel werd geschonden gezien alle in het verzoekschrift aangehaalde zaken die niet echt stroken met de eigen algemene regels die de medewerkers zelf wel dienen en ook zo goed [mogelijk] trachten te volgen en toe te passen. Tenslotte druist dit alles ook regelrecht in tegen de eigen normen, waarden, principes en zelfs recent gecommuniceerde concrete actieplannen. De kernwaarden van FOD Financiën zijn correct, gedreven, dienstbaar en integer. Deze zijn in deze ver te zoeken. Erger nog. Zelfs het specifieke BBI-actieplan zoals nog maar net gecommuniceerd richt zich op 1) Carrière, 2) Samenwerking, kennis en opleiding en 3) Communicatie en erkenning. Wederom allemaal toch wel zeer ver te zoeken in deze.”
- In een annulatiemiddel moet een verzoekende partij voldoende duidelijk aangeven welke rechtsregel of welk beginsel zij geschonden acht en op welke manier de bestreden beslissing die rechtsregel of dat beginsel schendt. Is over één van die aspecten onvoldoende duidelijkheid, dan is het middel onmogelijk te beantwoorden – in de eerste plaats voor de verwerende partij, maar ook voor de Raad van State. De rechten van verdediging eisen dan dat het middel onontvankelijk wordt verklaard. Wanneer het evenwel voor een welwillend verstaander niet onmogelijk is om een afdoend inzicht te verwerven in de essentie van de wettigheidsbezwaren die een verzoekende partij tegen het door haar bestredene laat gelden, zodanig dat op een gepaste wijze op die bezwaren kan worden geantwoord, bestaat er geen reden om het middel als onontvankelijk af te doen.
- Gewis is het zo dat verzoeker in zijn verzoekschrift de grieven die hij tegen de bestreden beslissing wil aanvoeren, niet op de gebruikelijke wijze en niet volgens het gebruikelijke stramien heeft uiteengezet. IX-10.752-12/18 Verzoeker moet, als gevolg van die keuze om een en ander niet op de gebruikelijke manier aan de Raad van State te presenteren, wél verdragen dat eventuele middelen slechts in aanmerking worden genomen en beoordeeld in de mate dat de Raad van State – als welwillend verstaander – ze in het verzoekschrift ontwaart. Hierna onderzoekt de Raad van State, daarbij acht slaande op het volledige verzoekschrift, of verzoeker daarin voldoende duidelijkheid brengt over zijn wettigheidskritieken. 8.
- Wat verzoeker onder ‘
- Veel te hoge tijdsdruk’ in zijn verzoekschrift toelicht, kan worden opgevat als kritiek op de wijze waarop de competentietesten van ‘fase 2’ van de selectieprocedure werden georganiseerd. Hij acht de duurtijd ervan te kort – dertig minuten per onderdeel – in relatie tot de gestelde vragen. Dat “kan […] uiteraard […] niet anders dan het resultaat en dus het al dan niet slagen beïnvloeden”, zo betoogt verzoeker. Aldus verwijt verzoeker aan de verwerende partij een onzorgvuldig handelen. 8.
- Verzoekers uiteenzetting over de “geschrapte vragen”, waar hij betoogt dat hij van zijn “veel te weinige tijd” er ook heeft verloren aan “onjuiste of zelfs onbeantwoordbare vragen” “die er niet eens toe doen en waarmee gewoonweg geen punten konden gescoord worden” en dat “door 2 vragen zomaar meteen te schrappen” aan de kandidaten “zelfs 2 kansen op 3 extra punten [zijn ontnomen]”, houdt eveneens verband met het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens verzoeker getuigt de schrapping van de twee vragen trouwens ervan dat ze “niet in lijn liggen met wat een behoorlijke competentiemeting had moeten zijn”, wat ook als een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan worden gelezen. 8.
- Verzoeker betoogt voorts dat de twee betrokken vragen “niet gewoon geschrapt [mochten] worden”, maar dat ze “gecompenseerd” moesten worden – “i.p.v. vragen te schrappen net bijkomende punten […] toekennen” – wat “exact en letterlijk zo gebeurde bij het eerdere zelfde examen A2 van golf 11 (A2- IX-10.752-13/18 1118-070)”. Daarmee voert verzoeker de schending van het gelijkheidsbeginsel aan. 8.
- Datzelfde gelijkheidsbeginsel is aan de orde voor zover verzoeker gewaagt van “[o]ngelijke procedures over de jaren heen door bijkomende vormelijke en organisatorische aanpassingen”. 8.
- In onderdeel ‘
- Antwoorden na inzage op de daarbij gegeven vragen en opmerkingen’ zet verzoeker wezenlijk uiteen dat er slechts “heel kort” is geantwoord op zijn opmerkingen door te “beweren dat dit allemaal ‘geen invloed’ heeft of kan hebben op het mogelijke slagen” en dat er “zomaar louter” wordt geantwoord dat zijn opmerkingen “niet pertinent” zijn “zonder meer”. Daarin moet – zonder twijfel – een schending van de formelemotiveringsplicht worden gelezen. Dat geldt ook voor de kritiek van verzoeker, wat de precieze gevolgen van de schrapping van twee vragen betreft, dat de “antwoorden elkaar [tegenspreken]”. 8.
- Verzoeker zet nog uiteen dat hem geen volledige inzage in zijn testen werd gegeven en dat de daaruit volgens hem voortvloeiende schending van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (“wet openbaarheid van bestuur”) afkleurt op de door hem bestreden beslissing. 8.
- Tot slot, betwist verzoeker de hem toegekende scores. Wat hem ter inzage is gegeven, zijn (alleen) de foute en opengelaten antwoorden, zo betoogt hij. Van de resterende 34 meerkeuzevragen stelt verzoeker dat hij elf foute antwoorden te zien kreeg; twee vragen had verzoeker opengelaten. Dat betekent volgens hem dat hij 21 juiste antwoorden gaf. Zulks levert een resultaat van 51% op, zo besluit verzoeker. Daarmee levert hij kritiek op de materiële motivering van het bestredene. IX-10.752-14/18
- Anders dan de verwerende partij het ziet, bevat de hiervóór sub 5.1 aangehaalde tekst wél een voldoende duidelijke omschrijving van de wijze waarop verzoeker meent dat het bestuur bij de voorliggende bevorderingsprocedure is tekortgeschoten. In de sub 5.2 weergegeven tekst brengt verzoeker vervolgens de beginselen bij die volgens hem in dat verband zijn geschonden. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het verzoekschrift ‘middelen’ bevat, in de zin van artikel 2, § 1, van het algemeen procedurereglement. Overigens biedt de verwerende partij in de memorie van antwoord “[i]n ondergeschikte orde” verweer op enkele van deze middelen.
- De exceptie is niet gegrond. V. De middelen
- “In ondergeschikte orde” bespreekt de verwerende partij in de memorie van antwoord wat verzoeker in het onderdeel ‘Bijkomende vermelding (rechts)middelen’ uiteenzet. Daarbij betrekt zij níét wat verzoeker in het onderdeel ‘Feiten en middelen’ van zijn verzoekschrift heeft aangevoerd. Het auditoraatsverslag doet dat evenmin. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de middelen niet in hun werkelijke omvang zijn onderzocht, zodat er grond is om het debat te heropenen en de auditeur-verslaggever de gelegenheid te bieden om aan de zaak een aanvullend onderzoek te wijden.
- Op het uitgangspunt dat de verwerende partij – en de auditeur- verslaggever – heeft nagelaten acht te slaan op het onderdeel ‘Feiten en middelen’ van het verzoekschrift, bestaan twee uitzonderingen. IX-10.752-15/18 Ten eerste betoogt de verwerende partij dat de aan verzoeker toegekende score juist is en dat verzoeker uit het oog verliest dat de drie delen van de test over de technische competenties evenveel wegen. Ten tweede doet de verwerende partij met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde schending van de wet openbaarheid van bestuur gelden dat “[d]e eventuele onregelmatigheid van de weigering om aan verzoeker volledige inzage of afschrift van zijn examen te verlenen, […] zonder invloed [is] op de wettigheid van de bestreden beslissing”. In het auditoraatsverslag wordt de verwerende partij in dat standpunt bijgevallen. Over die middelen zou de Raad van State zich bijgevolg thans reeds kunnen uitspreken, ware het niet dat dit, gelet op wat hierna wordt overwogen, voorbarig zou zijn.
- In het aanvullend onderzoek dient immers vooreerst te worden betrokken, de vraag hoe de voorliggende bevorderingsprocedure haar verdere verloop heeft gekend en of ze is uitgelopen in een rangschikking of een andere eindbeslissing. De verwerende partij wordt uitgenodigd om het administratief dossier aan te vullen en, meer in het bijzonder, de Raad van State te informeren over de beslissing waarbij finaal een rangschikking is vastgesteld, of en welke bevorderingen op grond hiervan zijn gebeurd en of de procedure heeft geleid tot een werfreserve voor de eventueel niet-bevorderde laureaten.
- Eveneens dient bij dat aanvullend onderzoek aan bod te komen de vraag of verzoeker met zijn e-mailbericht van 21 maart 2024, waarbij hij de schrapping van de twee vragen en de invloed die deze schrapping op de scores heeft gehad ter discussie stelt en vraagt om een “herziening van de puntenverdeling”, een willig beroep heeft ingesteld tegen de beslissing om hem IX-10.752-16/18 niet-geslaagd te verklaren en of enig daaropvolgend antwoord van het bestuur een meer dan louter bevestigende beslissing inhoudt. In bevestigend geval zal moeten worden nagegaan tegen welke beslissing(en) het verzoekschrift geacht moet worden gericht te zijn.
- Het aanvullend onderzoek moet, tot slot, oog hebben voor de middelen zoals de Raad van State ze in het verzoekschrift heeft onderkend en ze hiervóór heeft weergegeven. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Aan de verwerende partij wordt een termijn van vijftien dagen verleend, vanaf de kennisgeving van dit arrest, om het administratief dossier aan te vullen en, meer in het bijzonder, de Raad van State te informeren over de beslissing waarbij finaal een rangschikking is vastgesteld, of en welke bevorderingen op grond hiervan zijn gebeurd en of de procedure heeft geleid tot een werfreserve voor de eventueel niet-bevorderde laureaten.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast, na ontvangst van de door de verwerende partij bij te brengen informatie, een aanvullend verslag op te stellen. IX-10.752-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.752-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div