← België

Arrest 266068 - Dierenwelzijn - 18/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.068 Rolnummer: A. 243009/IX-10790 Zaak: Arrest 266068 - Dierenwelzijn - 18/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-26 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-18 06:39 Fiche Arrest nr 266.068 van 18 maart 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.068 van 18 maart 2026 in de zaak A. 243.009/IX-10.790 In zake: de VZW ANIMAL RIGHTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Godfroid kantoor houdend te 2970 Schilde Drijverslaan 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Niels Lemaire kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 september 2024, strekt tot de nietig- verklaring van beslissing OVB/2024/154 van de beroepsinstantie inzake openbaar- heid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur, van 22 juli
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. IX-10.790-1/15 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 februari
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Anthony Godfroid, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Niels Lemaire, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een andersluidend ad- vies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 8 april 2024 richt verzoekster volgende vraag aan de minister van Dierenwelzijn: “In het kader van de wetgeving betreffende Openbaarheid van bestuur zou- den wij graag alle informatieformulieren met inbreuken m.b.t. dierenwel- zijn en de bijbehorende documenten en bijlagen (inclusief eventuele foto’s en videomateriaal) van slachthuis [AV] verkrijgen voor de periode januari 2023 tot op heden. Alvast bedankt om ons de gevraagde documenten te bezorgen.” Op 17 mei 2024 wordt het openbaarheidsverzoek gedeeltelijk in- gewilligd. Sommige informatie, in het bijzonder de locaties van het veetransport IX-10.790-2/15 onder rubriek 6.1 van het gevraagde informatieformulier, wordt afgeschermd met een zwarte balk. De leesbaar gebleven gegevens leren dat de dieren op transport zijn geplaatst voor “vertrek” op “17-5” om “21.30u”, dat op “18-5” om “10.45” voor een tijdsduur van “3H00” is gestopt voor “Rusten + voeren + water” en dat de “Aankomst” plaatsvond op “18-5” om “21.20u”. Verzoekster dient tegen deze beslissing op 13 juni 2024 een be- roep in. 3.
  7. Op 22 juli 2024 verklaart de beroepsinstantie inzake openbaar- heid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur (“de beroepsinstantie”) het beroep ontvankelijk, maar ongegrond. Zij verantwoordt haar beslissing, voor zoveel als hier van belang, als volgt: “De beroepsinstantie is […] van oordeel dat de afscherming van de ge- schrapte informatie uit de opgevraagde formulieren aangewezen was, in het licht van het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer of commerciële en industriële gegevens. Vooreerst dient voor wat betreft de schrapping van allerhande namen in de vermelde formulieren gewezen te worden op artikel II.34, 2° van het Be- stuursdecreet. […] De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat de openbaarmaking van voormelde gegevens afbreuk zou doen aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Be- stuursdecreet. […] Daar waar het niet gaat om natuurlijke personen maar om de vermelding van ondernemingen (rechtspersonen) betrokken bij de activiteiten van slachthuis [AV], dient er tevens gewezen te worden op artikel II.35, 3° en artikel II.36, § 1, tweede lid, 7° van het Bestuursdecreet. Deze uitzonderingsgrond beoogt de bescherming van de vertrouwelijke, aan een overheidsinstantie meegedeelde, commerciële en industriële gege- vens, die in globo als ‘ondernemingsgegevens’ kunnen beschouwd worden. Daarbij horen ook de handelsgeheimen. Het begrip handelsgeheim kan om- schreven worden als: ‘informatie die niet technisch van aard is, maar een commerciële waarde vertegenwoordigt zoals boekhoudkundige gegevens, lijsten van cliënteel en leveranciers, winstcijfers, omzet, stocks, enzovoort’. Het gaat dus in het algemeen om gegevens die voor de onderneming van belang zijn en waarvan de openbaarmaking van aard is haar nadeel te be- rokkenen. Deze uitzonderingsgrond wil dus verhinderen dat vertrouwelijke en bedrijfseigen informatie openbaar wordt gemaakt, om zo te vermijden dat, door inzicht te geven in de bedrijfsstrategie en de economische politiek IX-10.790-3/15 van de onderneming, aan concurrenten een competitief voordeel wordt ver- schaft, onder meer met het oog op de eerlijke mededinging bij toekomstige te gunnen overheidsopdrachten (zie bv. RvS 7 december 2018, nr. 243.181). De overheid zal de openbaarmaking van deze gegevens afwij- zen als ze een vertrouwelijk karakter hebben, dat wil zeggen als na afwe- ging blijkt dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de be- scherming van het ondernemingsbelang. Het moet gaan om de bescherming van een legitiem economisch belang, zijnde een belang dat gelegitimeerd is omwille van economische redenen. Ook de omvang van de mogelijke schade en het competitief voordeel dat aan mogelijke concurrenten zou worden gegeven door de openbaarmaking, zijn elementen voor de bepaling van het legitiem economisch belang. In casu werden er o.m. namen van bedrijven van oorsprong van het slacht- vee (leveranciers) en gegevens van vervoerders onleesbaar gemaakt […]. Het behoort in casu tot de ondernemingsbelangen van [AV], alsook tot deze van de op de informatieformulieren vermelde ondernemingen om de betref- fende gegevens, mede in het licht van de inhoud van de vermelde informa- tieformulieren, niet vrij te geven. De openbaarmaking van deze gegevens verleent inzicht in de betrokken partijen bij de (aan de kaak gestelde) acti- viteiten van het slachthuis [AV]. De beroepsinstantie is van mening dat er in casu geen openbaar belang, zoals geduid in de parlementaire voorberei- ding, gemoeid is met de openbaarmaking van de betrokken informatie. Er wordt geen algemeen belang gediend bij de openbaarmaking van deze ge- gevens. Bovendien gaf de beroeper zelf aan niet geïnteresseerd te zijn in commerciële informatie aangezien Animal Rights zich inzet voor het wel- zijn van dieren en zij niet geïnteresseerd is in commerciële contracten die m.b.t. deze dieren al dan niet zouden zijn afgesloten, zo stelt de beroeper. Ook de geschrapte, als commercieel te bestempelen informatie hoefde dan ook niet openbaar gemaakt te worden. Ook voor wat betreft overige onleesbare gemaakte informatie zoals certifi- caten voor intracommunautaire leveringen en oormerken moet het onder- nemingsbelang van [AV] en de betrokken partijen zoals vervoerders of ver- zenders geacht worden te primeren op het belang van de openbaarheid aan- gezien deze gegevens kunnen verwijzen naar de betrokken eigenaars of de herkomst van de dieren. Volgens artikel II.50, § 1, derde lid van het Bestuursdecreet dient de be- roepsinstantie alsnog de betrokkene(n) om toestemming aan te schrijven voor de vrijgave van de afgeschermde documenten, als dit nog niet is ge- beurd door de betrokken overheidsinstantie. Gelet op de ontvangen infor- matie van Dierenwelzijn en op de veelheid aan namen doorheen de docu- menten heeft de beroepsinstantie daarvan afgezien.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  8. De verwerende partij merkt in de memorie van antwoord op, na enige beschouwingen over de statuten van verzoekster, dat de “vraag” rijst “of deze IX-10.790-4/15 vordering wel toegelaten is en niet in strijd is met de statuten van verzoekende partij”. Zij verklaart zich “terzake” naar “de wijsheid van [de] Raad [van State]” te gedragen.
  9. Wie over de ontvankelijkheid van het beroep een “vraag” stelt en zich gedraagt naar ’s Raads wijsheid, werpt geen exceptie op. De Raad ziet geen reden om ambtshalve de onontvankelijkheid van het beroep op te werpen. Zoals in het auditoraatsverslag al is opgemerkt, heeft verzoekster belang en hoedanigheid om op te komen tegen een beslissing die haar verzoek tot openbaarmaking ontvankelijk, maar ongegrond verklaart en haar dus geen volledige voldoening geeft. De Raad van State acht het wijs het beroep te ontvangen.
  10. In haar laatste memorie, waarop noch het auditoraat noch ver- zoekster nog schriftelijk kunnen reageren, werpt de verwerende partij dan wél een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, die zij nu uitdrukkelijk koppelt aan de sta- tuten van verzoekster. Dit getuigt van deloyaal procesgedrag. De Raad, die zoals gezien geen ambtshalve reden ziet om aan de ontvankelijkheid van het beroep te twijfelen, hoeft op deze laattijdig opgeworpen exceptie niet te antwoorden. Niet het beroep, maar de exceptie is onontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van ar- tikel 32 van de Grondwet en artikel II.31 van het bestuursdecreet van 7 december 2018 (“bestuursdecreet”). IX-10.790-5/15 Zij merkt op dat zij de openbaarmaking heeft gevraagd van “alle informatieformulieren met inbreuken m.b.t. dierenwelzijn en de bijhorende docu- menten en bijlagen (inclusief eventuele foto’s en videomateriaal) van slachthuis [AV] […] voor de periode januari 2023 tot [8 april 2024]”. Zij kreeg slechts een afschrift van twee geredigeerde informatieformulieren. Uit ervaring weet verzoek- ster dat dit onrealistisch weinig is voor een periode van meer dan vijftien maanden. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom het de afdeling Dierenwelzijn toe- gestaan wordt om verschillende informatieformulieren achter te houden. Er zijn nu verschillende informatieformulieren achtergehouden zonder dat voor de betrokken achtergehouden informatieformulieren verduidelijkt is wat het weigeringsmotief is dat kan worden ingeroepen om ze aan de openbaarheid te onttrekken.
  12. In haar laatste memorie wijst verzoekster op een verklaring van de minister van Dierenwelzijn, dat het aantal inbreuken in slachthuizen met 61% is afgenomen. Ook dan is een afname in slachthuis AV van meer dan 95% volgens haar totaal ongeloofwaardig. Beoordeling
  13. Door erop te alluderen dat documenten door de verwerende par- tij worden “achtergehouden”, beticht verzoekster de verwerende partij van kwade trouw. De bewijslast daartoe rust bij wie de kwade trouw aanvoert. Verzoekster komt niet verder dan een loutere bewering. Zij weerspreekt overigens niet dat er een drastische afname is van het aantal vastgestelde inbreuken en maakt niet aan- nemelijk dat een grotere daling dan gemiddeld bij het betrokken slachthuis “totaal ongeloofwaardig” zou zijn.
  14. Het middel, zoals aangevoerd en toegelicht door verzoekster, kan niet tot nietigverklaring leiden. IX-10.790-6/15 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  15. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen II.31, II.34, 2°, II.35, 3°, II.36, § 1, tweede lid, 7°, en II.50, § 1, van het bestuursdecreet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Het middel is gericht tegen het onleesbaar gemaakte deel van rubriek 6.1 van het certificaat intracommunautaire handel, zoals gevoegd bij het informatieformulier van 19 mei
  16. In deze rubriek worden de plaatsen vermeld waar de dieren rusten. Deze informatie is nuttig omdat zo kan worden nagegaan of uitvoering wordt gegeven aan Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 de- cember 2004 ‘inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97’ (“Verordening 1/2005”). Ver- zoekster heeft er belang bij om de plaats te kennen waar de dieren kunnen rusten. Op die manier kan worden nagegaan of de acht- respectievelijk veertienurenregel werd nageleefd. Als dat niet het geval is, ligt een misdrijf voor. In elk land van de Europese Unie zijn inbreuken op Verordening 1/2005 strafbaar gesteld. Deze op- gevraagde gegevens – in principe volstaat een gemeentenaam, zo stelt verzoekster – hebben dan ook betrekking op milieu-informatie waarop inzonderheid artikel II.36 van het bestuursdecreet van toepassing is om desgevallend de vraag van ver- zoekster te weigeren. De verwerende partij blijkt algemeen in het kader van milieu- informatie een beroep te willen doen op het weigeringsmotief vastgelegd in artikel II.36, § 1, tweede lid, 7°, van het bestuursdecreet, zijnde “het vertrouwelijke ka- rakter van commerciële en industriële informatie”. Het kan niet worden ingezien hoe dit weigeringsmotief van toepassing kan zijn op rubriek 6.1, dit wordt nergens toegelicht in de bestreden beslissing. IX-10.790-7/15 Bovendien is de openbaarheid de regel en moeten de uitzonde- ringsgronden restrictief worden geïnterpreteerd, temeer daar de vermelde belangen moeten worden afgewogen tegenover het openbaar belang. Met dit “openbaar be- lang” wordt niet zozeer het private belang van de aanvrager bedoeld, maar wel het belang van de gemeenschap die er recht op heeft dat transparant wordt meegedeeld welke reisroute, inclusief rustplaatsen, dieren volgen alvorens ze worden geslacht. Een groot deel van de burgers is niet of onvoldoende op de hoogte van de lange reisroutes van grootvee in de Europese Unie. Het belang van de gemeenschap ligt hier onder andere in de veiligheid van de gezondheid, de grote maatschappelijke discussies rond dierenleed en de bescherming van het leefmilieu. Het valt niet te ontkennen dat dierenrechtenorganisaties wegen op de besluitvorming van de be- voegde wetgevende instanties. Zo wordt erkend dat dieren gevoelens hebben en dat dieren voortaan in een aparte categorie worden ondergebracht naast ‘mensen’ en ‘goederen’. Dieren zijn inmiddels ook vermeld in artikel 7bis van de Grondwet. Ook deze afweging is niet (naar behoren) gebeurd door de verwerende partij. De verwijzing naar artikel II.35, 3°, van het bestuursdecreet is volgens verzoekster niet relevant. Zij vraagt naar gegevens die milieu-informatie bevatten. In de hypothese dat de gegevens geen milieu-informatie zouden bevatten, volstaat het ook om te verwijzen naar wat zij heeft gesteld in het kader van het weigeringsmotief met betrekking tot “het vertrouwelijke karakter van commerciële en industriële informatie”, vermeld in artikel II.36 van het bestuursdecreet. Beide bepalingen zijn gelijkluidend. Voor zover de verwerende partij verwijst naar artikel II.34, 2°, van het bestuursdecreet, merkt verzoekster op dat zij geen persoonlijke gegevens van de betrokken personen opvraagt. Bovendien legt artikel II.50, § 1, derde lid, van het bestuursde- creet de verplichting op aan de beroepsinstantie om bij afwijzing op grond van artikel II.34, 2°, contact op te nemen met de betrokkene. De beroepsinstantie dient de vraag te stellen of de aanvrager toestemming krijgt om alsnog toegang te krijgen IX-10.790-8/15 tot het gevraagde bestuursdocument, als die toestemming nog niet is gevraagd door de betrokken overheidsinstantie. De verwerende partij stelt dienaangaande, gelet op de ontvangen informatie van de afdeling Dierenwelzijn en op de “veelheid aan namen” doorheen de documenten (meervoud), de toestemming van de betrokkenen niet te hebben gevraagd. Een dergelijke motivering is vaag, nietszeggend en louter een standaardmotivering: over hoeveel verschillende namen gaat het? Welke in- formatie heeft de beroepsinstantie ontvangen, gezien verzoekster slechts twee in- formatieformulieren en één inbreuk vermeld in een excel-bestand heeft ontvangen? Artikel II.50, § 1, derde lid, van het bestuursdecreet is dan ook geschonden, min- stens de materiëlemotiveringsplicht. 12.
  17. In de memorie van antwoord trekt de verwerende partij het standpunt van verzoekster dat de afgeschermde informatie onder rubriek 6.1 voor haar essentieel is in twijfel, gelet op het feit dat enkel de locatie is afgeschermd; de respectievelijke data, uren en de gestelde handelingen zijn wel meegedeeld. Hieruit dient te worden afgeleid dat de locatie niet essentieel is voor het bereiken van het door verzoekster vooropgestelde doel. Aan de hand van de bekende gegevens kan worden nagegaan of aan de geldende regelgeving wordt beantwoord, met name of de transportduur wordt overschreden. Verzoekster heeft bijgevolg geen belang bij het middel. 12.
  18. Ten gronde betoogt de verwerende partij wat volgt. In het licht van artikel II.31, derde lid, van het bestuursdecreet is de opmerking in het verzoekschrift dat de gemeentenaam in principe volstaat, in strijd met de principes van deze bepaling. Ingaan op de vraag om “een gemeentenaam” mee te delen, gaat in tegen het principe dat enkel bestaande informatie moet worden meegedeeld. De kans is namelijk reëel dat in de eerste tabel de naam van een bedrijf, een private eigendom of een andere locatie vermeld staat, zonder dat de naam van de gemeente of stad hierbij staat. Ingaan op deze vraag zou dus vereisen dat het bestuursdocument wordt verwerkt, wat niet in overeenstemming is met de bevoegdheden die de beroepsinstantie heeft op grond IX-10.790-9/15 van het bestuursdecreet. Het feit dat deze informatie door een uitzonderingsgrond niet openbaar wordt gemaakt, laat dan ook niet toe dat zou kunnen worden verwacht dat zij het bestaande document aanpast opdat het wel openbaar zou kunnen worden gemaakt. De verwerende partij beroept zich voor het afschermen van deze informatie op artikel II.36, § 1, tweede lid, 7°, van het bestuursdecreet. Deze uit- zonderingsgrond houdt in dat de openbaarheid van de informatie niet opweegt te- gen het vertrouwelijke karakter van de commerciële en industriële informatie die beschermd wordt om gelegitimeerde economische belangen te vrijwaren. De verwerende partij is van mening dat de gevraagde informatie commerciële of industriële informatie inhoudt: “De rustplaats waar de transporteur halt houdt, is mogelijks niet alleen een vaste rustplaats maar ook verbonden met een ander bedrijf. Het meedelen van deze locatie zou er dus niet alleen voor kunnen zorgen dat kan achter- haald worden welke transporteur het vervoer doet, maar ook met welke an- dere onderneming deze transporteur samenwerkt. Dergelijke informatie over het trajectverloop zou dus een diepgaande inkijk bieden in de com- merciële relaties, niet alleen van de onderneming [AV], maar ook in die van de transporteur en nog eventueel daarmee verbonden ondernemingen.” De memorie van toelichting bij het bestuursdecreet vermeldt bij commerciële en industriële informatie onder meer “lijsten van cliënteel en leveran- ciers”. Uit de afweging die moet worden gemaakt om het “vertrouwelijke karakter” van de informatie na te gaan, blijkt dat er geen openbaar belang is dat het vrijgeven van de informatie belangrijker maakt dan het beschermen van de commerciële en industriële gegevens. Het feit dat verzoekster zelf stelt dat zij niet geïnteresseerd is in commerciële informatie, bevestigt de afweging van de beroepsinstantie dat het vrijgeven van de informatie niet opweegt tegen de door het decreet beschermde commerciële belangen. Voor zover verzoekster betoogt dat over de voormelde uitzonde- ringsgrond “geen enkele concrete uitleg” gegeven zou zijn, is deze bewering IX-10.790-10/15 volledig ongegrond. De motiveringsplicht vereist dat de feitelijke en juridische re- denen afdoende vermeld zijn opdat de bestuurde zou weten waarom deze beslissing genomen is. In de bestreden beslissing wordt dit op uitgebreide wijze gemotiveerd. De verwerende partij ziet niet in op welke wijze de beslissing om de locatiegege- vens te verbergen nog meer gemotiveerd moet worden, noch ziet zij in op welke wijze de formelemotiveringsplicht zou zijn geschonden.
  19. In haar laatste memorie argumenteert de verwerende partij om- standig waarom verzoekster geen belang heeft bij het middel. Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel
  20. Artikel 32 van de Grondwet bepaalt dat “[i]eder” het recht heeft elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regel bedoeld in artikel 134 van de Grondwet. Artikel II.31, eerste lid, van het be- stuursdecreet bepaalt dat de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, ver- plicht zijn aan “iedereen” die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhan- digen, of er uitleg over te verschaffen. Uit artikel II.40, § 3, van het bestuursdecreet volgt dat een persoon die het bedoelde recht wenst uit te oefenen, geen belang dient aan te tonen, behalve wanneer hij om de openbaarmaking verzoekt van documen- ten van persoonlijke aard. Hieruit leidt de Raad van State af dat het verzoek tot raadpleging van een bestuursdocument in principe volstaat om te doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de beslissing waarbij dat ver- zoek wordt afgewezen. Dat betekent ook, dat een verzoekende partij zonder dat op haar een bewijslast rust, belang heeft bij een middel waarvan de inwilliging bete- kent dat zij een nieuwe kans verwerft om de nagestreefde inzage te verkrijgen. IX-10.790-11/15 De verwerende partij toont niet aan waarom het tweede middel aan verzoekster niet die kans zou opleveren.
  21. De exceptie wordt verworpen. Het middel is ontvankelijk. b. gegrondheid van het middel
  22. Wat het verweer ten gronde betreft, bedenkt de Raad van State wat volgt. 17.
  23. De verwerende partij beroept zich op de uitzonderingsgrond “het vertrouwelijke karakter van commerciële en industriële informatie, als die infor- matie beschermd wordt om een gelegitimeerd economisch belang te vrijwaren, ten- zij degene van wie de informatie afkomstig is, met de openbaarheid instemt”. Die uitzonderingsgrond geldt voor elke aanvraag, zowel als die betrekking heeft op milieu-informatie (artikel II.36, § 1, tweede lid, 7°, van het bestuursdecreet) als wanneer die betrekking heeft op andere informatie (artikel II.35, 3°, van het be- stuursdecreet). In beide gevallen betreft het een belang dat afgewogen moet worden tegen het belang van de openbaarheid. De discussie of de in de context van dieren- welzijn opgevraagde plaatsnamen betrekking hebben op “milieu-informatie”, of niet, is dus niet relevant om te beoordelen of terecht steun wordt gevonden in deze uitzonderingsgrond. 17.
  24. Het betoog dat van de verwerende partij, wat de zwartgemaakte gegevens betreft van rubriek 6.1, niet mag worden verwacht dat zij het bestuursdo- cument zou “verwerken”, is geheel naast de kwestie. De bedoelde rubriek heeft betrekking op “Name of the place where animals are to be rested or transferred”, zijnde de vertrek- en rustplaatsen van het veetransport – plaatsnamen dus en niet “de naam van een bedrijf, een private eigendom of een andere locatie”. De verwe- rende partij heeft dit motief terecht niet aangewend in de bestreden beslissing en heeft goede reden om het in haar procedurestukken geheel in de hypothetische wijs te stellen en niet te beweren dat er in het onleesbaar gemaakte gedeelte van deze IX-10.790-12/15 rubriek iets ánders staat geschreven dan “Name of the place where animals are to be rested or transferred”. 17.
  25. Met de sub 3.2 aangehaalde motivering geeft de beroepsinstantie inzicht in de redenen waarom zij verzoekster inzage ontzegt in de gegevens die natuurlijke personen of ondernemingen vermelden, inzonderheid de “namen van bedrijven van oorsprong van het slachtvee (leveranciers) en gegevens van vervoer- ders”. Voorts erkent de beroepsinstantie het ondernemingsbelang van de betrokken partijen voor “certificaten voor intracommunautaire leveringen en oormerken”. Die motivering kan worden betrokken op de rubrieken van het informatieformulier die de naam bevatten van de expediteur en van de transporteur. Met dit middel beoogt verzoekster evenwel niet om die motieven te weerspreken of inzage te krijgen in die gegevens. Zij wenst enkel inzage van de gegevens vermeld in rubriek 6.1, dat zijn de plaats van vertrek, de plaats van “Rus- ten + voeren + water” en de plaats van aankomst. Dit zijn plaatsnamen, niet de namen van vervoerders of leveranciers. Over de reden om ook voor die plaatsnamen het vertrouwelijke karakter in te roepen, leert de motivering van de bestreden beslissing niets. Waarom een plaatsnaam commerciële informatie is of ermee verband kan houden, of inzage kan geven in de industriële activiteiten van de betrokken partijen: daarop wordt met geen woord ingegaan. Niets ook, uiteraard, leert de beslissing dan over enige afweging van de niet-openbaarmaking van die plaatsnamen tegen het alge- meen belang van de openbaarheid. Wat de verwerende partij daarover wél schrijft in haar memories – inzonderheid het argument dat een plaatsnaam zou helpen om een onderneming te identificeren en het argument dat een route van het transport ook te beschermen commerciële informatie vormt – is een post factum verantwoor- ding, die niet aan de beroepsinstantie kan worden toegeschreven en thans dus ook niet door de Raad moet worden beoordeeld. IX-10.790-13/15 17.
  26. Artikel II.50, § 1, derde lid, van het bestuursdecreet draagt de beroepsinstantie op om contact op te nemen met de betrokkene en te vragen of de aanvrager toestemming krijgt om alsnog toegang te krijgen tot het gevraagde be- stuursdocument, als die toestemming nog niet is gevraagd door de betrokken over- heidsinstantie. Voor zover de verwerende partij in de praktische onmogelijkheid om toepassing te maken van die bepaling een reden ziet om de weigering tot vrij- gave van de informatie te verantwoorden, neemt de Raad aan dat zij hiermee op- nieuw de vervoerders en verzenders bedoelt. Maar ook als deze overweging van de beroepsinstantie ziet op de plaatsnamen in rubriek 6.1, kan de Raad dit argument niet bijvallen. Zélfs als de beroepsinstantie zou kunnen aantonen, wat zij tot nu niet heeft gedaan, dat de plaatsnamen als bedrijfsgevoelige informatie onleesbaar moe- ten blijven, valt niet in te zien waarom het voor haar onmogelijk is om de betrok- kenen te contacteren: het gaat niet om een “veelheid aan namen doorheen de docu- menten”, maar, voor zoveel als de Raad kan afleiden uit het dossier zoals het hem is voorgelegd, om drie ondernemingen die met naam en adres op het éne formulier zijn terug te vinden – de veehouderij in Portugal, de transporteur en de bestemme- ling, aan verzoekster bekend – en eventueel de onderneming die de rustplaats be- heert. 17.
  27. Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat voor het onleesbaar ma- ken van de gegevens in rubriek 6.1, geen afdoende motivering is gegeven.
  28. Het middel is in de aangegeven mate gegrond, doch enkel wat het onleesbaar gemaakte deel van rubriek 6.1 van de bijlage bij het informatiefor- mulier betreft.
  29. De hierna uit te spreken nietigverklaring houdt, gelet op de ver- nietigingsgrond, voor de verwerende partij niet de verplichting in om aan verzoek- ster de door haar aangewezen gegevens ter inzage te geven. Het is niet uitgesloten dat, met een afdoende en deugdelijke motivering van een in te roepen uitzonde- ringsgrond en een passende belangenafweging, waar nodig, de aanvraag tot inzage alsnog kan worden geweigerd. IX-10.790-14/15 BESLISSING
  30. De Raad van State vernietigt beslissing OVB/2024/154 van de beroepsin- stantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinfor- matie, afdeling openbaarheid van bestuur, van 22 juli 2024, doch enkel wat het onleesbaar gemaakte deel van rubriek 6.1 van de bijlage bij informatie- formulier EG59/2023/075 van 19 mei 2023 betreft.
  31. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  32. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- zoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.790-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.