← België

Arrest 266075 - Niet begeleide minderjarigen - 18/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.075 Rolnummer: A. 246068/VII-43040 Zaak: Arrest 266075 - Niet begeleide minderjarigen - 18/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-24 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-06-18 06:08 Fiche Arrest nr 266.075 van 18 maart 2026 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 266.075 van 18 maart 2026 in de zaak A. 246.068/VII-43.040 In zake : M.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 6 oktober 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 6 augustus 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. VII-43.040-1/14 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de wnd. voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 23 januari 2026 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 12 maart
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 28 juli 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Guinese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 1 april
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoeker op 1 augustus 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker VII-43.040-2/14 “op datum van 01-08-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger”. Op 6 augustus 2025 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Hij licht dit toe als volgt: “De verwerende partij dient zijn beslissing op gemotiveerde wijze te nemen. De uitdrukkelijke motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft tot doel de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom de desbetreffende administratieve overheid tot de bestreden beslissing is gekomen zodat de betrokkene in staat is te weten of het wenselijk is zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn, wat betekent dat de motivering pertinent en draagkrachtig moet zijn. Het eerste houdt in dat de redengeving duidelijk in verband moet staan met de bestreden beslissing, het tweede dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De bestreden beslissing stelt: VII-43.040-3/14 ‘We hebben een medische test georganiseerd om te controleren of u jonger of ouder dan 18 jaar bent. Deze test vond plaats in het Universitair Ziekenhuis Pellenberg (KU Leuven). Het besluit van de test : ‘Op basis van het voorgaande kunnen we besluiten met een redelijke wetenschappelijke zekerheid dat [verzoeker] op datum van 01-08-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger. Immers eens de wijsheidstanden volgroeid zijn zal ook met toenemende leeftijd deze methode de werkelijke leeftijd onderschatten aangezien geen verdere veranderingen radiologisch optreden. Vandaar het belang van de radiografie van het sleutelbeen.’ De beslissing dient te motiveren in welke mate de resultaten van het desbetreffend onderzoek kan worden aanvaard rekening houdende met hun beperkte betrouwbaarheid, zeker voor wat betreft de verschillende resultaten voor personen met een andere afkomst. De motivering van de bestreden beslissing schiet hierin tekort. Verzoekende partij verwijst eveneens nog naar volgende passage: ‘Het resultaat van het medisch onderzoek heeft een subsidiair karakter. Als de NBMV een identiteitsdocument uit zijn land van herkomst bij heeft, waarvan de authenticiteit niet ernstig in twijfel werd gebracht, moet de dienst Voogdij in principe met de gegevens van dat document rekening houden boven het resultaat van een medisch onderzoek.’ ((http://www.caritas- int.be/sites/www.caritas-int.be/files/uploads/PDF/VluchtschriftNL/ vluchtschrift_juni_2009.pdf, p. 9, geraadpleegd op 13.07.2015, […] ). In het licht van bovenstaande argumenten zijn de redenen die worden aangegeven noch voldoende noch afdoende gemotiveerd zodat men kan besluiten dat de beslissing de motiveringsplicht heeft geschonden.” Beoordeling
  8. De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet) is genomen en dus niet met toepassing van de vreemdelingenwet.
  9. In de mate dat verzoeker een schending van artikel 8 van het EVRM aanvoert, zet hij in het middel niet uiteen op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met de bestreden beslissing. VII-43.040-4/14
  10. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Het is niet vereist dat de bestreden beslissing aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd of “in welke mate de resultaten van het desbetreffend onderzoek kan worden aanvaard rekening houdende met hun beperkte betrouwbaarheid”. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing aan verzoeker wordt betekend. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat en waarom de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd, dat verzoeker geen documenten kon voorleggen om zijn leeftijd te bewijzen en er geen elementen waren die de twijfel over zijn leeftijd konden wegnemen, dat verzoeker schriftelijk akkoord ging met het medisch onderzoek, en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen.
  11. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. VII-43.040-5/14 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  12. In een tweede middel werpt verzoeker de schending op van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij licht dit toe als volgt: “Verzoekende partij bekritiseert de gehanteerde methode. Op medisch vlak bestaan er (in theorie) diverse methodes om de leeftijd van een bepaalde persoon te onderzoeken. Een van de oudste methodes betreft het leeftijdsonderzoek via een röntgenfoto van de linker hand en de pols, op basis waarvan, aan de hand van de atlas van Greulich en Pyl, iemands zogenaamde skeletleeftijd wordt vastgesteld (de rijping of volgroeiing van het skelet), waaruit men vervolgens de reële (of zogeheten chronologische) leeftijd van de betrokkene inschat. Nauw hiermee verwant zijn de medische testen waarmee iemands (skelet) leeftijd wordt nagetrokken via een onderzoek van de gebitsontwikkeling (volgroeiing van de wijsheidstanden). Andere leeftijdsonderzoeken zijn veeleer gericht op de externe kenmerken van de lichaamsbouw in het algemeen of op de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken. Er zijn ook testen, de zogenaamde sociaalpedagogische leeftijdsonderzoeken, waarbij hoofdzakelijk via vraaggesprekken, gepeild wordt naar het intellectuele ontwikkelingsniveau, evenals de psychologische en emotionele maturiteit van een persoon. Omtrent het inzetten van deze methodes om de leeftijd van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen vast te stellen, bestaat er nogal wat verzet in de medische wereld zelf. De aangevoerde bezwaren zijn zowel medisch- wetenschappelijk als medisch-ethisch van aard. Een eerste bezwaar, van wetenschappelijk-methodologische aard, luidt dat de medische leeftijdsonderzoeken, an sich niet ontwikkeld werden met de bedoeling om de reële leeftijd van een bepaald persoon zo precies mogelijk te kunnen vaststellen. Een tweede wetenschappelijk bezwaar houdt verband met het risico van een te grote foutenmarge. Nogal wat van de leeftijdsonderzoeken zijn geschraagd op onderzoeksgegevens vaak tientallen jaren geleden. Sindsdien verloopt de lichaamsontwikkeling van jongeren in het algemeen echter in een verhoogd tempo. Specifiek naar niet-begeleide minderjarige vreemdelingen toe stelt zich bovendien het probleem dat de ontwikkeling van de botstructuur mede afhangt van factoren die verband houden met de levenswijze, de voedingsgewoonten en vooral de etnische afkomst. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het gebit. Aangezien omzeggens alle medische leeftijdsonderzoeken (op basis van fysieke lichaamskenmerken) stoelen op onderzoeksgegevens omtrent de lichaamsontwikkeling van blanke Amerikaanse of Engelse jongeren uit de middenklasse en de biologische ontwikkeling van met name negroïde jongeren gemiddeld een sneller verloop VII-43.040-6/14 kent, is het risico reëel dat men de leeftijd op basis van de thans gehanteerde onderzoeksgegevens onnauwkeurig vaststelt. Bijkomend zouden de (fysieke) leeftijdsonderzoeken in onvoldoende mate rekening houden met groeistoringen op grond van ondervoeding, of ziekte, of nog met het verrichten van zware (fysieke) arbeid en de invloed daarvan op de lichaamsontwikkeling. Er is ook een gelijkaardig bezwaar: de onderzoeksmethode houdt onvoldoende rekening met de specifieke achtergrond van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, wordt ook geuit ten overstaan van het zogenaamd sociaalpedagogische leeftijdsonderzoek. Dergelijk onderzoek vereist allereerst en in nog sterkere mate dan bij lichamelijke leeftijdstesten, een kwaliteitsvolle communicatie tussen de onderzoeker en de betrokken minderjarige, hetgeen bij niet-begeleide buitenlandse minderjarige er helaas niet is. De kritiek op de uitgevoerde methode/test was jaren geleden reeds een punt van grote discussie maar de dag van vandaag is dit ook nog steeds het geval. Verzoekende partij verwijst hiervoor naar volgende passage (De waarde van medische beeldvorming bij de bepaling van de skeletleeftijd – 2009-2010; http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/458/904/RUG01- 01458904_2011_0001_AC.pdf, geraadpleegd op 13.07.2015): ‘Conclusies
  13. Er bestaan veel leeftijdsschattende methoden, met elk hun specifieke voor- en nadelen. De kwaliteit van de manuele methoden zijn meestal zeer vergelijkbaar. De grootste verschillen tussen de methoden zijn vaak te wijten aan de verschillen tussen de referentiepopulaties waarop ze gebaseerd zijn.
  14. Vooral de nutritionele toestand en de socio-economische status beïnvloeden de skeletale maturatiesnelheid. Een etnische invloed is nog niet volledig uitgesloten.
  15. De ontwikkelingsfasen van de mediale epifyse van de clavicula zijn zeer gespreid over verschillende jaren. Dit zorgt ervoor dat de meerwaarde van de techniek beperkt is. Preciezere resultaten kunnen verkregen worden door resultaten van soortgelijke maturiteitsindicatoren te combineren of verdere stratificatie van de ontwikkelingsfasen.’ En volgende passage in Niet-Begeleide minderjarige in België, Onthaal, terugkeer en Integratie (https://dofi.ibz.be/sites/dvzoe/NL/Documents/Brochure_mineur_NL.pdf, p. 28, geraadpleegd op 13.07.2015): ‘Er moet ook opgemerkt worden dat de test voor leeftijdsbepaling controversieel is. Sommige ngo’s zijn er tegen omdat er wetenschappelijk bewijs bestaat dat de medische tests niet betrouwbaar zijn omdat er vaak een foutenmarge van twee jaar is en omdat factoren zoals de socio-economische situatie, etnische of geografische afstamming, ziekte e.d. de ontwikkeling van een kind kunnen beïnvloeden. Er wordt gezegd dat de dienst Voogdij met deze medische test doorgaat omdat er geen alternatieven zijn. Momenteel zijn wetenschappers en medische onderzoekers met aanvullend onderzoek bezig.’ Er dient geconcludeerd te worden dat de betrouwbaarheid van de leeftijdsonderzoeken ernstig ter discussie staat, nu ook binnen de medische VII-43.040-7/14 wereld zelf aanzienlijke bezwaren en fundamentele kritiek worden geuit op deze methodes.” Beoordeling
  16. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling, doch beperkt zich tot algemene kritiek, zonder in te gaan op de concrete vaststellingen en gevolgtrekkingen in de huidige zaak. Hij onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde medisch onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of VII-43.040-8/14 de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Concreet wordt in het medisch verslag van 1 augustus 2025 met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 18 jaar”. Eerder in het medisch verslag staat wat dit betreft te lezen dat indien de skeletale groei beëindigd is, de betrokkene biologisch gezien matuur is, wat voor jongens impliceert dat zij ouder zijn dan 18 jaar en voor meisjes dat zij ouder zijn dan 16 jaar, zonder dat op basis van de handpolsradiografie kan worden bepaald hoeveel ouder zij zouden zijn. Aangezien niet kan worden bepaald hoeveel tijd er verstreek sinds de volledige beëindiging van de skeletale groei, telt het resultaat van de handpolsradiografie in dergelijke gevallen niet mee voor de eigenlijke leeftijdsschatting, zodat de resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken determinerend zijn. Uit het medisch verslag blijkt verder dat op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat “alle tanden volledig afgevormd zijn”, dat de vier wijsheidstanden aanwezig zijn en dat elk van die vier wijsheidstanden zich in ontwikkelingsstadium 10 bevindt. De arts besluit dat “[g]ezien dit gegeven bekomt men volgens onze eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 23,0 jaar. Het 95 % predictie-interval is 18,8 – 25,0 jaar met een kans van 99 % dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Ten slotte toont het radiologisch VII-43.040-9/14 onderzoek van het sternoclaviculaire gewricht volgens het medisch verslag dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen reeds verbeend is, wat volgens het onderzoek van Schmeling et al. […] overeenkomt met stadium type
  17. Volgens dit onderzoek stemt stadium 5 overeen met een gemiddelde leeftijd van 28,5 jaar met een standaarddeviatie van 1,5 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Te dezen is de eindconclusie dat verzoeker “op datum van 01-08-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger”. Met zijn algemene kritiek doet verzoeker wel blijken van een eigen standpunt of visie omtrent de opportuniteit van de keuze van de tripletest als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar hij doet evenwel niet blijken dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is of niet is gericht op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd noch dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoeker bekritiseert overigens niet in het minst de conclusie die de arts trekt uit de concrete testresultaten.
  18. Het tweede middel is ongegrond. VII-43.040-10/14 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  19. In een derde middel acht verzoeker artikel 8 van het EVRM geschonden. Hij licht dit toe als volgt: “Tenslotte dient te worden geoordeeld dat de bestreden beslissing van de Dienst Voogdij van 1 augustus 2025 onwettig is omdat zij uitsluitend steunt op een medische leeftijdstest, die volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een disproportionele inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privéleven. Het Hof heeft immers in het arrest F.B. t. België (EHRM, 1ste sectie, 6 maart 2025, nr. 47836/21) geoordeeld dat de Belgische praktijk van systematische botleeftijdstesten, zonder voorafgaand onderzoek naar minder ingrijpende alternatieven en zonder vrij en geïnformeerd consent van de betrokkene, in strijd is met artikel 8 EVRM. In het onderhavige geval werd verzoeker bovendien aan deze testen onderworpen zonder bijstand van een tolk. Hij was zich er niet van bewust dat hij het recht had de test te weigeren, zodat van een vrij en geïnformeerd toestemming geen sprake kon zijn. Verzoeker verkeerde in de veronderstelling dat hij een afspraak had in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming, maar werd onverwacht overgebracht naar het ziekenhuis voor de uitvoering van medische testen. Het aldus verkregen ‘akkoord’ kan dan ook niet als geldig consent worden beschouwd, hetgeen de onwettigheid van de medische leeftijdstest en, bijgevolg, van de bestreden beslissing nog versterkt.” Beoordeling
  20. In het arrest F.B. tegen België van 6 maart 2025 heeft het EHRM het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot een beslissing van de dienst Voogdij in die zaak om de betrokkene te beschouwen als ouder dan 18 jaar en hem geen voogd toe te wijzen, getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Het Hof overweegt in die zaak in de eerste plaats dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, hetgeen des te belangrijker is indien de betrokkene, die nog wordt geacht een niet-begeleide minderjarige te zijn en een verzoeker om VII-43.040-11/14 internationale bescherming is, niet wordt vergezeld door een vertegenwoordiger of een raadsman. De betrokkene moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek. Het EHRM oordeelt in de tweede plaats dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Volgens het EHRM zou een voorafgaand onderhoud met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij deze laatste in voorkomend geval kunnen toelaten enerzijds na te gaan of de twijfel over de leeftijd van de minderjarige kan worden opgeheven door minder ingrijpende middelen dan een leeftijdsonderzoek, en anderzijds zich ervan te vergewissen dat de betrokkene alle nodige informatie heeft ontvangen om zijn rechten op afdoende wijze te kunnen laten gelden.
  21. Te dezen blijkt uit het administratief dossier dat verzoeker de nodige informatie heeft gekregen over het medisch leeftijdsonderzoek en dat hem expliciet werd gevraagd of hij instemde met dat onderzoek, met de verduidelijking dat hij het recht had te weigeren en dat de dienst Voogdij in geval van weigering een beslissing zou nemen op basis van de elementen in het dossier. Naast de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” van 28 juli 2025, waaruit slechts blijkt dat verzoeker werd geïnformeerd over de geuite twijfel, dat hij een document heeft ontvangen dat hem informeert over het verloop van de leeftijdstest en dat hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het medisch onderzoek, bevat het administratief dossier namelijk een document van dezelfde datum “[a]ccord pour la réalisation d’un test médical d’évaluation de l’âge”, opgesteld door de dienst Voogdij en ondertekend door verzoeker, waarin voormelde elementen aan bod komen. Anders dan hoe hij het ziet, heeft verzoeker op vrije en geïnformeerde wijze ingestemd met het medisch onderzoek. Dat verzoeker zijn akkoord verleende zonder de bijstand van een tolk, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Verzoeker verklaarde zowel ten aanzien van de dienst Vreemdelingenzaken als ten aanzien van de dienst Voogdij dat hij Frans spreekt. Bovendien gaf verzoeker tijdens een gesprek dat hij had met een ambtenaar van de dienst Voogdij aan dat hij kan lezen VII-43.040-12/14 en schrijven in het Frans.
  22. Verder bevat het administratief dossier een verslag van het gesprek dat verzoeker op 28 juli 2025 had met een ambtenaar van de dienst Voogdij, waaruit blijkt dat enkele vragen werden gesteld aan verzoeker. Zo werd hem gevraagd of hij over identiteitsdocumenten beschikt, waarop verzoekers antwoord negatief luidde. Aangezien verzoeker niet over enig identiteitsdocument beschikt, wordt in het voormelde document geconcludeerd dat een medisch onderzoek noodzakelijk is om de twijfel omtrent zijn minderjarigheid te kunnen wegnemen. Anders dan hoe verzoeker het ziet, heeft de dienst Voogdij aldus onderzocht of de twijfel omtrent verzoekers leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. Aangezien verzoeker geen identiteitsdocumenten kon overleggen en bovendien verklaarde nooit in het bezit te zijn geweest van documenten die zijn leeftijd kunnen aantonen, achtte de dienst Voogdij een medisch onderzoek te dezen noodzakelijk. Dit blijkt eveneens uit de bestreden beslissing. Ook aan de tweede voorwaarde, gesteld door het EHRM in zijn arrest van 6 maart 2025, F.B. tegen België, is voldaan.
  23. Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  25. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-43.040-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-43.040-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.