id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.076 Rolnummer: A. 245531/VII-42985 Zaak: Arrest 266076 - Niet begeleide minderjarigen - 18/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-24 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-18 06:08 Fiche Arrest nr 266.076 van 18 maart 2026 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 266.076 van 18 maart 2026 in de zaak A. 245.531/VII-42.985 In zake : K.O. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine Ausloos kantoor houdend te 2000 Antwerpen Léon Stynenstraat 75C bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 augustus 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 12 juni 2025 waarbij wordt beslist verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. VII-42.985-1/12 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de wnd. voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 23 januari 2026 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 12 maart
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster komt België binnen en zij wordt op 2 juni 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Zij heeft verklaard van Eritrese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 30 mei
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoeksters voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoekster op 10 juni 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of zij al dan niet VII-42.985-2/12 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoekster “op datum van 10-06-2025 een leeftijd heeft van 21,7 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 12 juni 2025 beslist de dienst Voogdij verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Verzoekster bezorgt op 12 augustus 2025 een originele geboorteakte aan de dienst Voogdij. Deze laatste beslist op 10 september 2025 om verzoeksters document niet te aanvaarden en verzoekster op basis van het resultaat van het medisch onderzoek te beschouwen als ouder dan 18 jaar, zodat zij geen voogd zal krijgen. IV. Exceptie van niet-ontvankelijkheid – gebrek aan actueel belang
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het vernietigingsberoep niet ontvankelijk is omdat de dienst Voogdij op 10 september 2025 een nieuwe beslissing heeft genomen en deze door verzoekster “(vooralsnog)” niet is aangevochten. Uit het administratief dossier blijkt niet dat en wanneer de nieuwe beslissing van 10 september 2025 ter kennis werd gebracht van verzoekster. De verwerende partij toont derhalve niet aan dat deze beslissing reeds definitief is. De exceptie wordt verworpen. VII-42.985-3/12 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van “de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur” en van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de materiële motiveringsplicht”. Zij licht dit als volgt toe: “Algemeen. De Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen legt de administratieve overheden, in de zin van artikel 14, lid 1 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, de verplichting op hun bestuurshandelingen, zijnde alle éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die beogen rechtsgevolgen te hebben voor bestuurders of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de betrokken bestuurshandelingen ‘uitdrukkelijk’ moeten worden gemotiveerd. Dit impliceert dat de beslissing die ter kennis wordt gebracht aan de betrokkene niet enkel het dictum moet bevatten, maar tevens de redenen moet weergeven op grond waarvan de beslissing werd genomen (A. Mast, e.a., Overzicht van het Belgische Administratieve Recht, Kluwer Rechtswetenschappen, 14de druk, 1996, p. 556). Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 schrijft voor dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Voorts moet de aangehaalde motivering ‘afdoende’ zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de motivering ‘deugdelijk’, ‘pertinent’ en ‘draagkrachtig’ moet zijn. Een deugdelijke motivering vereist volgens de Rechtspraak van Uw Raad dat zij meer is dan een louter abstracte en vormelijke stijlformule (RvS 1 februari 1983, nr. 22.896,; RvS, 28 mei 1986, nr. 26.582.; RvS 2 maart 1988, nr. nr. 29.478). Bovendien moet de motivering pertinent zijn, wat wil zeggen dat zij duidelijk moet aansluiten bij en verbonden zijn met de beslissing (RvS 9 juni 1993, nr. 43.259) Het draagkrachtig zijn van de motivering houdt in dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen (RvS 3 maart 1995, nr. 42.143; RvS 18 april 1995, nr. 52.975; RvS 12 juni 1993, nr. 43.782). De motivering moet de betrokkene in staat stellen om met nuttig gevolg te kunnen opkomen tegen de bestuurshandelingen in kwestie en moet het de rechter mogelijk maken om de legaliteitscontrole uit te voeren VII-42.985-4/12 (RvS 3 maart 1995, nr. 42.143; RvS 18 april 1995, nr. 52.975; RvS 12 juni 1993, nr. 43.782.). Artikel 4 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht somt op limitatieve wijze op in welke gevallen de motiveringsplicht niet van toepassing is. Deze uitzonderingsgevallen dienen restrictief geïnterpreteerd te worden. De in de Wet van 29 juli 1991 voorziene formele motiveringsplicht, alsook de materiële motiveringsplicht zijn beide substantiële vormvereisten. De motivering is immers een substantiële vormvereiste als ze door een specifieke wetgeving is opgelegd (RvS, 1 februari 1989, nr. 31.882 ) en heeft, bij gebreke ervan, de nietigheid van de beslissing tot gevolg. Ook tijdens de parlementaire voorbereiding van de Wet van 29 juli 1991 is op dat gevolg gewezen (Gedr. St., Senaat, 1988, nr. 215/3, p.7). De door de Wet opgelegde motiveringsplicht, welke bepaald is in het belang van zowel de bestuurde als het bestuur, kan dan ook als een substantiële vorm worden omschreven (G. DEBERSAQUES, ‘De sanctie verbonden aan het verzuim van een afdoende formele motivering in de zin van de uitdrukkelijke motiveringswet: enkele kanttekeningen’, T.B.P. 1993, p. 643 e.v.). Toegepast. De beslissing in casu van het Directoraat-generaal Wetgeving en Fundamentele Rechten en Vrijheden (DGWL), Afdeling Voogdij, d.d. 12 juni 2025 is onmiskenbaar een beslissing in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (Koninklijk Besluit 12 januari 1973, B.S., 21 maart 1973). Deze beslissing werd niet afdoende gemotiveerd. Verwerende partij beperkt zich tot een verwijzing naar de conclusie van de medische test. Dit betrof slechts één enkele zin: ‘Analyse van deze gegevens geeft mijn inziens aan dat [verzoekster] op datum van 10-06-2025 een leeftijd heeft van 21,7 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar’. De medische test zou aldus aantonen dat verzoekster ouder is dan 18 jaar. Enige verdere motivering werd hierbij niet gegeven. Verzoekster is van mening dat de beslissing van het DGWL niet afdoende werd gemotiveerd. Het medisch onderzoek dat in België gehanteerd wordt, is sterk bekritiseerd in de medische wereld. Het gaat terug op verouderd onderzoek dat plaatsvond in heel verschillende omstandigheden en voor andere doeleinden. Zo wordt er geen rekening gehouden met verschillen in botgroei die te wijten zijn aan etnische afkomst, ervaringen met armoede en trauma, zwangerschappen, omgeving en zo verder. Nochtans wijzen verschillende onderzoeken uit dat elk van deze factoren invloed heeft op de botgroei bij adolescenten, waardoor zij ouder of jonger geschat kunnen worden dan ze in werkelijkheid zijn. Verder is er geen wetenschappelijke consensus wat betreft de interpretatie van de radiografieën: de leeftijdsschatting hangt nog steeds in grote mate af van de desbetreffende arts. Ook het gevaar van X-stralen voor de gezondheid van de verzoeksters wordt niet voldoende ernstig genomen. Gelet op bovenstaande problemen die inherent zijn aan het medisch onderzoek, is het verontrustend dat die de factor bij uitstek is waarop de dienst Voogdij de leeftijdsbeslissing baseert. Hoewel de dienst Voogdij VII-42.985-5/12 volgens zijn website ook adviezen van maatschappelijk werkers van opvangcentra verzamelt, blijkt uit de rechtspraak dat die slechts zeer uitzonderlijk in aanmerking genomen worden. Ook vindt er niet systematisch een gesprek plaats met de jonge verzoeksters, in tegenstelling tot wat de website van de dienst Voogdij meldt. Slechts uitzonderlijk nodigt de dienst Voogdij de jongeren uit voor een grondig interview, bijvoorbeeld wanneer documenten worden voorgelegd, of wanneer er observaties zijn van sociaal assistenten of voogden. Echter is zelfs dat in casu niet gebeurd. De huidige praktijken van leeftijdsschatting zijn al meermaals veroordeeld door verschillende instanties, waaronder het Europees Parlement, de Nationale Raad van de Orde der artsen, de VN Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, de Raad van Europa en het VN Kinderrechtencomité. De consensus onder deze instanties luidt dat de drievoudige radiografie, die nu de hoeksteen van het leeftijdsonderzoek is, hoogstens als aanvullende factor in acht genomen kan worden bij een leeftijdsschatting, en dat enkel in geval van aanhoudende twijfel. In de plaats van enkel een medisch onderzoek moet er een holistisch en multidisciplinair onderzoek komen, met inbegrip van psychologische evaluaties, gesprekken met de verzoekster zelf en verslagen van sociaal werkers en (voorlopige) voogden. Er moet ook rekening gehouden worden met (identiteits)documenten, zoals in casu. Dit geldt des te meer gezien er geen formele motivatie nodig is bij het uiten van leeftijdstwijfel en er dus snel wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek. Los van het feit dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is en de uitgevoerde leeftijdstest geenszins sluitend kan worden geacht, beschikt verzoekster thans over haar officiële geboorteakte. Op het ogenblik van de beslissing was dit nog niet het geval. Zij heeft deze geboorteakte, via haar ouders, laten opsturen. Gezien de verzendingsmoeilijkheden in Eritrea, heeft haar moeder het document meegegeven aan een man genaamd […], die de geboorteakte vanuit Oeganda naar België heeft laten versturen. Een kopie van deze officiële geboorteakte werd als stuk 4 aan het dossier toegevoegd. Foto’s van de verzendbewijzen werden als stuk 5 overgelegd. De originele akte kan op eenvoudig verzoek aan uw Raad worden voorgelegd. Uit deze geboorteakte blijkt ondubbelzinnig dat [verzoekster] geboren werd op 30 mei 2009, en tevens wordt daarin de naam van haar moeder vermeld. Conclusie. De beslissing van 12 juni 2025 bevat geen enkele concrete en dragende reden die expliciet verantwoordt waarom verzoekster als meerderjarig wordt beschouwd. De motivering beperkt zich tot de vaststelling dat de DGWL de voorgelegde geboorteakte ‘niet aanvaardt’ en zich baseert op de resultaten van de medische test. Thans beschikt verzoekster over een officiële geboorteakte die haar werkelijke geboortedatum bevestigt. Om deze redenen stelt verzoekster terecht dat de bestreden beslissing niet beantwoordt aan de vereisten van een deugdelijke en toereikende motivering in de zin van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De beslissing dient om die reden te VII-42.985-6/12 worden vernietigd. Bovendien rust op de DGWL de verplichting om de door verzoekster overgelegde officiële bewijsstukken grondig te onderzoeken en, indien zij deze niet aanvaardt als bewijskrachtig, dit uitdrukkelijk en gemotiveerd te verantwoorden. Dit is van essentieel belang om verzoekster, gelet op haar kwetsbaar profiel, de bescherming te waarborgen die toekomt aan een minderjarige vluchteling.” Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoeksters voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoekster meer dan 18 jaar oud is. Het is niet vereist dat wordt aangegeven waarom verzoeksters voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken, noch welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoekster werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden VII-42.985-7/12 beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoekster voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat zij er geen kennis van kon nemen. In de mate dat verzoekster de formelemotiveringsplicht geschonden acht omdat “[d]e motivering [van de bestreden beslissing] beperkt [is] tot de vaststelling dat de [dienst Voogdij] de voorgelegde geboorteakte ‘niet aanvaardt’ en zich baseert op de resultaten van de medische test”, blijkt de bestreden beslissing dit motief niet te bevatten. Uit het administratief dossier blijkt immers dat verzoekster haar geboorteakte pas op 12 augustus 2025 heeft overgemaakt aan de dienst Voogdij. Uit geen enkel element blijkt dat verzoekster haar geboorteakte aan de verwerende partij heeft bezorgd dan wel dat deze laatste kennis had of moest hebben van dit document op het ogenblik dat zij de bestreden beslissing nam. Bovendien bevestigt verzoekster in de uiteenzetting van het middel uitdrukkelijk dat zij op het ogenblik van de bestreden beslissing nog niet beschikte over haar officiële geboorteakte. Om die reden kan met dit stuk dan ook geen rekening worden gehouden bij de boordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. Het enige middel is ongegrond wat betreft de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht, zoals deze ook is vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. VII-42.985-8/12 De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoekster onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoekster al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis VII-42.985-9/12 van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Concreet wordt in het medisch verslag met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 16 jaar”. Eerder in het medisch verslag staat wat dit betreft te lezen dat indien de skeletale groei beëindigd is de betrokkene biologisch gezien matuur is, wat voor jongens impliceert dat zij ouder zijn dan 18 jaar en voor meisjes dat zij ouder zijn dan 16 jaar zonder dat op basis van de handpolsradiografie kan worden bepaald hoeveel ouder zij zouden zijn. Aangezien niet kan worden bepaald hoeveel tijd er verstreek sinds de volledige beëindiging van de skeletale groei, telt het resultaat van de handpolsradiografie in dergelijke gevallen niet mee voor de eigenlijke leeftijdsschatting, zodat de resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken determinerend zijn. Dit neemt niet weg dat de handpolsradiografie wel degelijk onderdeel uitmaakt van het meervoudig onderzoek. Uit het medisch verslag blijkt verder dat op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat “alle tanden volledig afgevormd zijn”, dat de vier wijsheidstanden aanwezig zijn en dat elk van die vier wijsheidstanden zich in ontwikkelingsstadium 10 bevindt. De arts besluit dat “[g]ezien dit gegeven bekomt men volgens onze eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 23,5 jaar. Het 95 % predictie-interval is 19,6 – 25,0 jaar met een kans van 99 % dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Ten slotte toont het radiologisch onderzoek van het sternoclaviculaire gewricht volgens het medisch verslag dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen slechts partieel verbeend is in combinatie met de aanwezigheid van een zichtbare frissuur, wat volgens het onderzoek van Schmeling et al. […] overeenkomt met stadium type
- Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Dat VII-42.985-10/12 er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Te dezen is de eindconclusie dat verzoekster “op datum van 10-06-2025 een leeftijd heeft 21,7 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Zoals hoger eveneens werd opgemerkt, is de eindconclusie op grond van de verschillende deelonderzoeken van belang voor het bepalen van de jongste leeftijd. Verzoekster weidt nog uit over de voorgehouden onbetrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling, doch onderbouwt zij niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze zou zijn verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct zou zijn. Met haar algemene kritiek doet verzoekster wel blijken van een eigen standpunt of visie omtrent de opportuniteit van de keuze van de tripletest als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar zij doet evenwel niet blijken dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is of niet is gericht op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoekster al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoekster ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd noch dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoekster bekritiseert overigens niet in het minst de conclusie die de arts trekt uit de concrete testresultaten.
- Het enige middel is ongegrond. VII-42.985-11/12 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Frédéric Vanneste VII-42.985-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.076 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div