← België

Arrest 266079 - Plannen van aanleg - 19/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.079 Rolnummer: A. 247307/X-19264 Zaak: Arrest 266079 - Plannen van aanleg - 19/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-20 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-18 06:40 Fiche Arrest nr 266.079 van 19 maart 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 266.079 van 19 maart 2026 in de zaak A. 247.307/X-19.264 In zake:

  1. T.D.
  2. J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Wesemael kantoor houdend te 9300 Aalst Pontstraat 6, bus 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Charlotte Cams kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  3. de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. B.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jacqueline Meersman kantoor houdende te 9000 Gent Willem Tellstraat 22 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-19.264-1/16 I. Voorwerp van de vordering 1.
  5. De vordering, ingesteld op 11 maart 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het “[m]inisterieel Besluit d.d. 16.12.2025 waarbij de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Haaltert van openbaar nut wordt verklaard (Nr. HAT3006)”. 1.
  6. De verzoekende partijen vorderen tevens dat de Raad van State zou “zeggen voor recht dat geen werken mogen worden uitgevoerd op (de grens van) het perceel van verzoekende partijen, kadastraal gekend Haaltert, 1e Afdeling (Haaltert), sectie B, nr. 898C én dat het in het algemeen niet mag worden betreden”. II. Verloop van de rechtspleging
  7. Bij beschikking van 12 maart 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met verzoekschriften van 16 maart 2026 hebben de nv Aquafin en B.D. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026, om 10 uur. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. X-19.264-2/16 Advocaat Manon Van Vaerenbergh, die loco advocaat Jan Wesemael verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Charlotte Cams, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Sara Meersman, die loco advocaat Jacqueline Meersman verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Lise Vandenhende heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. Op 29 september 2023 heeft de nv Aquafin een omgevingsvergunning aangevraagd voor de uitvoering van, onder meer, de aanleg van een nieuwe gracht langs waar het regenwater afgekoppeld wordt van het afvalwater. 3.
  10. Op 7 februari 2024 wordt de gevraagde omgevingsvergunning verleend door de gewestelijke omgevingsambtenaar onder voorwaarden. De omgevingsvergunning vergunt (onder meer) het aanleggen van een nieuwe gracht voor de afvoer van regenwater naar de Molenbeek op een perceel dat grenst aan de achterzijde van het perceel van de verzoekende partijen. 3.
  11. Het door de verzoekende partijen tegen die beslissing bij de Raad van Vergunningsbetwistingen ingesteld vernietigingsberoep wordt verworpen bij arrest nr. A-2425-0352 van 9 januari
  12. X-19.264-3/16 3.
  13. Op 3 juli 2025 kopen de verzoekende partijen een deel van een achterliggend stukje landbouwgrond (aangeduid in blauw) dat grenst aan de achterzijde van hun perceel (nummer 73), en waarop de nieuwe gracht zal worden aangelegd. 3.
  14. Op 25 juli 2025 dient de gemeente Haaltert een aanvraag in om de verklaring van openbaar nut te verkrijgen voor het Aquafin-project: “HAT3006: ‘Haaltert: Afkoppeling Eilandje’”. 3.
  15. Het openbaar onderzoek heeft plaats van 4 september 2025 tot 6 oktober
  16. De verzoekende partijen dienen op 2 oktober 2025 een bezwaar in “omdat hun perceel op ondoordringbare [wijze] afgesloten wordt”. “Bovendien zou de erfdienstbaarheid een te grote last opleggen aan het perceel van [de verzoekende partijen]. De erfdienstbaarheid betreft immers een open gracht en een naastliggende strook voor onderhoud, in omstandigheden waarin perfect ook de gracht zou kunnen worden ingebuisd ter hoogte van het perceel van [de verzoekende partijen].” X-19.264-4/16 3.
  17. Bij besluit van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw van 16 december 2025 wordt de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Haaltert van openbaar nut verklaard. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt wordt gemotiveerd: “Overwegende dat dit project HAT3006: ‘Haaltert: Afkoppeling Eilandje’ als doel heeft om een permanent debiet af te koppelen van de riolering in Eiland; dat daarnaast ook verschillende onverharde en de, langsheen het tracé gelegen, verharde oppervlaktes worden afgekoppeld; dat de bestaande gemengde riolering langs Eiland immers voor veel verdunning op het pompstation Eiland zorgt; Overwegende dat de DWA of droogweerafvoer in voormeld project HAT3006 aangesloten wordt op het bestaande pompstation Eiland (Aquafin-project 95445B: ‘Haaltert: Collector Kerksken aansluitend op Collector Kampstraat’) en van daaruit afgevoerd wordt naar de RWZI of rioolwaterzuiveringsinstallatie van Liedekerke (Aquafin-project 94203A: ‘Liedekerke: RWZI Liedekerke’); Overwegende dat de RWA of regenweerafvoer in voormeld project HAT3006 aangesloten wordt op de waterloop Molenbeek, een waterloop van de 2de categorie; Overwegende dat de werken de aanleg van een buffer- en infiltratiegracht tussen de Fonteinstraat en het kruispunt Mussenzele-Houtmarkt, waar aangesloten wordt op het Aquafin-project 23215: ‘Haaltert: Afkoppeling Eiland’, omvatten; Overwegende dat langs de zijstraat Eiland (buurtweg nummer 18 en voetweg nummer 67) een RWA-stelsel wordt aangelegd dat deels uit grachten en deels uit inbuizingen bestaat; dat hier eveneens een nieuwe DWA-riolering wordt aangelegd; dat gezien er een gescheiden stelsel gerealiseerd wordt, alle langsheen het tracé gelegen woningen op privaat terrein dienen afgekoppeld te worden; Overwegende dat op de percelen kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummers 879B, 898A, 898B en 897C, voor een buffer- en infiltratiegracht een erfdienstbaarheid voor boven- en/of gelijkgrondse infrastructuur wordt voorzien; dat om de gracht later te kunnen onderhouden hier eveneens een erfdienstbaarheid voor infrastructuur wordt voorzien die zal dienst doen als ruimingsstrook; dat om de werken te kunnen uitvoeren tevens een tijdelijke erfdienstbaarheid wordt voorzien; Overwegende dat de (eventuele) impact van voormeld project HAT3006 met betrekking tot de natuurwaarden, zoals het aantal te rooien bomen en het aantal gecompenseerde bomen, is opgenomen in de omgevingsvergunning; dat het ministerieel besluit houdende de verklaring van openbaar nut –dat het vestigen van wettelijke erfdienstbaarheden tot voorwerp heft– niet mag verward worden met de (aanvraag tot) X-19.264-5/16 omgevingsvergunning; dat beide procedures en bijhorende openbare onderzoeken afzonderlijk van elkaar gevoerd worden; Overwegende dat voormeld project HAT3006 een afkoppelingsproject van hemelwater op een gemengde riolering betreft; dat er bijgevolg geen lozingspunten worden gesaneerd; Gelet op de aanvraag van de gemeente Haaltert, die werd ingediend op 25 juli 2025, om de verklaring van openbaar nut te verkrijgen voor de oprichting van rioleringsinfrastructuur, op of boven private onbebouwde gronden, die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining, gelegen op het grondgebied van de gemeente Haaltert; dat de aanvraag ontvankelijk werd verklaard door de minister overeenkomstig artikel 3, §3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2024 tot vaststelling van de regels voor de uitvoering van werken door de waterleverancier, de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband en de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening met toepassing van artikel 2.2.3 en artikel 2.6.1.3.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018; Overwegende dat alle stukken bij de aanvraag werden gevoegd; Gelet op het openbaar onderzoek georganiseerd door de gemeente Haaltert van 4 september 2025 tot en met 6 oktober 2025 op basis van de grondinnemingsplannen nummers HAT3006/1-7.1/3 met revisie 13 van 6 juni 2025, HAT3006-1-7.2/3 met revisie 13 van 6 juni 2025 en HAT3006/1-7.3/3 met revisie 13 van 6 juni 2025, en de bijbehorende legende, plannummer HAT3006/1-3 met revisie 13 van 6 juni 2025; Gelet op het afsluitend proces-verbaal van het openbaar onderzoek dat werd opgesteld op 6 oktober 2025 door de algemeen directeur en de burgemeester van de gemeente Haaltert; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 2 schriftelijke bezwaren werden ingediend met name door: 1° meester [J.W.] […] voor [verzoekende partijen]; 2° [S.C.]; Overwegende dat meester [J.W.] […] voor [verzoekende partijen], bezwaar heeft ingediend met het schrijven van 2 oktober 2025; dat [verzoekende partijen] een deel van het perceel kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummer 898A, hebben gekocht van [S. & E.C. – V.I. en J. & A. V.I. – D.V.]; dat door de verkoop het voornoemd perceel 898A werd opgesplitst in 2 delen, met name de kadasternummers 898C en 898D; dat bezwaarindieners eigenaars zijn van het perceel 898C; dat deze wijziging is terug te vinden op het grondinnemingsplan HAT3006/1-7.1/3 met revisie 15 van 5 november 2025; dat dit grondinnemingsplan HAT3006/1-7.1/3 met revisie 15 van 5 november 2025, het grondinnemingsplan HAT3006/1- 1/3 met revisie 13 van 6 juni 2025 vervangt; Overwegende dat op het perceel kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummer 898C, voor een buffer- en infiltratiegracht een erfdienstbaarheid voor boven- en/of gelijkgrondse infrastructuur, aangeduid in gele kleur, om de gracht later te kunnen onderhouden een erfdienstbaarheid voor infrastructuur als ruimingsstrook, aangeduid in X-19.264-6/16 groene kleur, en om de werken te kunnen uitvoeren tevens een tijdelijke erfdienstbaarheid, aangeduid in groene arcering, op het grondinnemingsplan nummer HAT3006/1-7.1/3 met revisie 15 van 5 november 2025, worden voorzien; Overwegende dat het tracé ter hoogte van de door de bezwaarindieners voornoemde percelen 879B, 898A (gesplitst in 898C en 989D), 898B en 897C, het meest verantwoorde tracé is; dat de gracht wordt voorzien op de grens tussen de gewestplanzones woonuitbreidingsgebied en agrarisch gebied; dat de aanleg van deze gracht geen significante ruimtelijke impact heeft aangezien de bestaande perceels landbouwgebruikblokgrenzen worden gevolgd; dat het tracé rekening houdt met de teeltgrenzen van de gewassen; dat de bezwaarindieners het voornoemd perceel 898C gekocht hebben van [S. & E. C. – V.I. en J. & A. V.I. – D.V.], die tevens bezwaar hebben ingediend met het schrijven van 30 september 2025; dat door de gemeente Haaltert aan de betrokken notaris werd meegedeeld dat ze niet akkoord kon gaan met de voorgestelde verdeling, zijnde de opsplitsing van het voormeld perceel 898A, en de verkoop van het voornoemde deel 898C; dat het hier gaat om de verdeling van een stuk landbouwgrond; dat het deel, zijnde voornoemd deel 898C, aangekocht wordt door de aanpalende eigenaars, zijnde [de verzoekende partijen]; dat in het aangetekend schrijven van notaris [D.D.] wordt vermeld dat de huidige bestemming van alle (in dat schrijven vermelde) percelen, de percelen kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummers 898A en 879B, zijnde landbouwgrond, behouden blijft; dat dit geldt voor zowel het deel dat verkocht werd, als het restant dat de verkopers in eigendom houden; dat door de aanleg van de gracht op de grens tussen de gewestplanzones woonuitbreidingsgebied en agrarisch gebied, de huidige bestemming, zijnde landbouwgrond, van de voornoemde percelen 898C, 898D en 879B, behouden blijft; Overwegende dat de omgevingsvergunning voor de aanleg van de afwateringsgracht met naastgelegen ruimingsstrook en tijdelijke erfdienstbaarheid, definitief werd bekomen op 7 februari 2024; dat het beroep voor de Raad van Vergunningsbetwisting door voornoemde bezwaarindieners op 9 januari 2025 werd verworpen; dat de akte voor de eigendomsoverdracht voor het voornoemd deel 898C toen nog niet verleden was; dat de bezwaarindieners bijgevolg op de hoogte waren van deze omgevingsvergunning en de geplande werken; dat tevens de bezwaarindieners hiervan op de hoogte moeten zijn gebracht door de betrokken notaris; Overwegende dat de bezwaarindieners een maximale inbuizing vooropstellen ter hoogte van voormeld perceel 898C; dat inbuizingen en een rechtstreekse afvoer van regenwater maximaal vermeden moeten worden; dat een vertraagde afvoer en grotere berging wordt gecreëerd door de uitvoering van dit project; dat het aanleggen van grachten de mogelijkheid tot infiltratie verhoogt; dat de buffer- en infiltratiecapaciteit berekend worden volgens enerzijds de door de Dienst Integraal Waterbeleid van de provincie Oost Vlaanderen opgelegde bufferings- en X-19.264-7/16 lozingsvoorwaarden, en anderzijds de richtlijnen van de Code van Goede Praktijk; Overwegende dat de in opdracht van de gemeente Haaltert uitgevoerde werken, werken van openbaar nut betreffen; dat de eventuele hinder die deze werken kunnen meebrengen dient getolereerd te worden door de omwonenden, voor zover deze opgelegde lasten niet groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang dient te dragen; Overwegende dat [S.C.], mede-eigenaar van de percelen kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummers 879B, 898A, 897C en 799F, bezwaar heeft ingediend met het schrijven van 30 september 2025; Overwegende dat op de percelen kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummers 879B, 898A 897C en 799F, voor een buffer- en infiltratiegracht een erfdienstbaarheid voor boven- en/of gelijkgrondse infrastructuur, aangeduid in gele kleur, om de gracht later te kunnen onderhouden een erfdienstbaarheid voor infrastructuur als ruimingsstrook, aangeduid in groene kleur, en om de werken te kunnen uitvoeren tevens een tijdelijke erfdienstbaarheid, aangeduid in groene arcering, op de grondinnemingsplannen nummers HAT3006/1-7.1/3 met revisie 15 van 5 november 2025 en HAT3006-1-7.2/3 met revisie 13 van 6 juni 2025, worden voorzien; Overwegende dat de gracht wordt voorzien op de grens tussen de gewestplanzones woonuitbreidingsgebied en agrarisch gebied; dat de door de bezwaarindiener vernoemde percelen, de percelen kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummers 879B, 898A, 898B en 897C, momenteel in gebruik zijn als akkerland; dat door de aanleg van deze gracht de exploitatiemogelijkheden volgens het gewestplan bijgevolg niet ingeperkt worden; Overwegende dat een billijke vergoeding werd voorgesteld met het oog op een minnelijke overeenkomst voor de aankoop van een deel van de percelen kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummers 879B, 898A, 897C en 799F; dat de gemeente Haaltert zich hiervoor baseert op het schattingsverslag opgemaakt door een beëdigd landmeter expert, zijnde [K.A.]; dat de gemeente Haaltert tevens een schadevergoeding voorziet voor de aangebrachte schade tijdens de werken; dat deze schadevergoeding berekend wordt volgens de tarieven bepaald in het overeenkomstprotocol dat werd overeengekomen tussen de Boerenbond, het Algemeen Boerensyndicaat en de nv Aquafin; Overwegende dat met uitzondering van de percelen waarnaar de bezwaarindiener verwijst, zijnde de percelen kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummers 879B, 898A (gesplitst in 898C en 898D), 898B en 897C, er met alle betrokken eigenaars en gebruikers een regeling in der minne werd bekomen; Overwegende dat de bezwaarindiener beweert dat bepaalde eigenaars onevenredig bevoordeeld werden; dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel; dat er, indien mogelijk, inderdaad nog wijzigingen aan de plannen kunnen gebeuren tijdens de onderhandelingsfase om een regeling in der minne te bekomen; dat het tracé ter hoogte van de door de bezwaarindiener voornoemde percelen 879B, 898A (gesplitst in 898C en X-19.264-8/16 989D), 898B en 897C, het meest verantwoorde tracé is; dat de gracht wordt voorzien op de grens tussen de gewestplanzones woonuitbreidingsgebied en agrarisch gebied; dat de bezwaarindiener het voornoemd perceel 898C, verkocht heeft aan eerder genoemde bezwaarindieners, zijnde [verzoekende partijen]; dat door de gemeente Haaltert aan de betrokken notaris werd meegedeeld dat ze niet akkoord kon gaan met de voorgestelde verdeling, zijnde de opsplitsing van het voormeld perceel 898A, en de verkoop van het voornoemde deel 898C; dat het hier gaat om de verdeling van een stuk landbouwgrond; dat er een deel, zijnde voornoemd deel 898C, verkocht wordt aan de aanpalende eigenaars, zijnde [verzoekende partijen]; dat in het aangetekend schrijven van notaris [D.D.] wordt vermeld dat de huidige bestemming van alle (in dat schrijven vermelde) percelen, de percelen kadastraal gekend als Haaltert, afdeling 1, sectie B, nummers 898A en 879B, zijnde landbouwgrond, behouden blijft; dat dit geldt voor zowel het deel dat verkocht werd, als het restant dat de verkopers in eigendom houden; dat door de aanleg van de gracht op de grens tussen de gewestplanzones woonuitbreidingsgebied en agrarisch gebied de huidige bestemming, zijnde landbouwgrond, van de voornoemde percelen 898C, 898D en 879B, behouden blijft; Overwegende dat de omgevingsvergunning voor de aanleg van de afwateringsgracht met naastgelegen ruimingsstrook en tijdelijke erfdienstbaarheid, definitief werd bekomen voor het verlijden van de akte; dat de bezwaarindiener hiervan op de hoogte moet zijn gebracht door de betrokken notaris; dat het beroep voor de Raad van Vergunningsbetwisting, ingediend door bezwaarindieners [verzoekende partijen] op 9 januari 2025 werd verworpen; Overwegende dat de in opdracht van de gemeente Haaltert uitgevoerde werken, werken van openbaar nut betreffen; dat de eventuele hinder die deze werken kunnen meebrengen dient getolereerd te worden door de omwonenden, voor zover deze opgelegde lasten niet groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang dient te dragen.” 3.
  18. Op 10 februari 2025 dienen de verzoekende partijen tegen deze beslissing bij de Raad van State een beroep tot vernietiging in. 3.
  19. Op 12 maart 2026 worden graafwerkzaamheden aangevat, hetgeen voor de verzoekende partijen de aanleiding is om de huidige vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen. X-19.264-9/16 IV. Tussenkomst
  20. De nv Aquafin blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. B.D. is pachter van het betrokken perceel en heeft om die reden belang bij de uitspraak over de vordering. Bijgevolg moet hun verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  21. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Ernst van de middelen Standpunt van de verzoekende partijen
  22. Het verzoekschrift tot vernietiging, waarnaar de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verwijst, formuleert het enig middel als volgt: “Enig middel, gegrond op de schending van: - Artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet van 29 juli 1991 - De materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur - Art. 2.2.
  23. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018 betreffende het integraal waterbeleid (hierna ‘decreet integraal waterbeleid[’]) X-19.264-10/16 - Art. 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna ‘gasdecreet’) Eerste onderdeel: schending van de motiveringsplicht Het bezwaar van verzoekende partijen handelde enerzijds over het feit dat hun perceel op ondoordringbare afgesloten is en anderzijds over het feit dat de erfdienstbaarheid een te grote last zou opleggen aan het perceel van verzoekende partijen. Het Ministerieel Besluit motiveert de ‘weerlegging’ van het bezwaar als volgt: […] Het ministerieel besluit antwoordt derhalve niet op alle onderdelen van het bezwaar van verzoekende partijen, met name antwoordt het niet op het gegeven van de afsluiting van het perceel, wat nochtans een essentieel element is bij de beoordeling van de verklaring van openbaar nut. Het middelenonderdeel is gegrond. Tweede onderdeel: schending van art. 2.2.
  24. decreet integraal waterbeleid, samen gelezen met art. 10 gasdecreet Art. 2.2.
  25. decreet integraal waterbeleid bepaalt: ‘De rechten en verplichtingen, vermeld in artikel 9 tot en met 15 en artikel 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten, en andere door middel van leidingen, zijn van toepassing op de waterleverancier bij de aanleg en de wijziging van een openbaar waterdistributienetwerk.’ Art. 10 gasdecreet bepaalt: ‘Na onderzoek kan de Koning van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven het geheel of een deel van de private niet bebouwde gronden en die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining.’ Verzoekende partijen gaven aan dat hun grond omsloten is met een ondoordringbare omheining. Het loutere feit van de aanwezigheid van een ondoordringbare afsluiting, verhindert dat de rioleringsinfrastructuur minstens voor het perceel van verzoekende partijen van openbaar nut wordt verklaard. Het middelenonderdeel is gegrond.” De volgende foto van de afsluiting wordt bijgevoegd: X-19.264-11/16 Beoordeling
  26. De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.
  27. Luidens artikel 4, § 1, 7°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bevat de vordering, indien het verzoekschrift tot nietigverklaring al is ingediend, niet alleen de verwijzing naar het beroep waarvan de vordering het accessorium vormt, maar ook “de aanduiding van het ernstige middel of de ernstige middelen die worden aangevoerd tot staving van deze vordering”. X-19.264-12/16
  28. De vordering bevat geen dergelijke aanduiding en licht evenmin toe om welke specifieke redenen de in het verzoekschrift tot nietigverklaring ingeroepen grieven prima facie de schorsing kunnen verantwoorden.
  29. Het tweede middelonderdeel van het enige middel voert de schending aan van artikel 2.2.3 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’, gecoördineerd op 15 juni 2018, en van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen’ (hierna: de gaswet). Luidens deze bepalingen betreft de verklaring van openbaar nut niet bebouwde gronden “die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining”.
  30. Luidens het verzoekschrift tot nietigverklaring “gaven [de verzoekende partijen] aan dat hun grond omsloten is met een ondoordringbare omheining” en staat dit eraan in de weg dat de betrokken infrastructuur op het perceel van de verzoekende partijen van openbaar nut wordt verklaard. Zij voegen bij hun verzoekschrift tot vernietiging enkel een foto waarop een klassieke omheining te zien is.
  31. Artikel 1, 73°, van de gaswet definieert het begrip “ondoordringbare omheining” als volgt: “de omheining gelijkwaardig aan een muur bestemd om de toegang tot een private grond te verhinderen. De omheiningen van weilanden, velden of bossen worden, ongeacht het gebruikte materiaal, niet beschouwd als ondoordringbare omheiningen.” De parlementaire voorbereiding bepaalt daaromtrent: X-19.264-13/16 “De verklaring van openbaar nut kan betrekking hebben op het geheel of een gedeelte van een niet bebouwde privégrond, zijnde gronden waarop zich geen gebouwen bevinden waarvan de uitsluitende of hoofdfunctie is om op een duurzame wijze mensen te herbergen. Bovendien mogen deze gronden niet volledig ommuurd zijn met ondoordringbare muren of omheiningen, zijnde ofwel muren die de toegang tot een privégrond verhinderen ofwel omheiningen equivalent aan een muur die dienen om de toegang tot een privégrond te verhinderen, met uitsluiting van omheiningen van weiden, velden of bossen die niet beschouwd worden als ondoordringbare omheiningen. Tenslotte preciseert het nieuwe artikel het begrip van werken, zijnde werken betreffende de plaatsing van vervoerinstallaties.” (Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake energie, Kamer, 2013-2014, nr. 3511/1, 80)
  32. De verzoekende partijen, die in hun verzoekschrift aan het bepaalde in artikel 1, 73° van de gaswet voorbijgaan, lichten niet toe dat op grond van de aangeleverde foto moet worden besloten tot het bestaan van een “ondoordringbare muur of omheining”. In die omstandigheden kan niet tot de ernst van het betrokken middelonderdeel worden besloten.
  33. Gezien het voorgaande hebben de verzoekende partijen prima facie ook geen belang bij de grief, vervat in het eerste middelonderdeel van het enig middel, dat het betrokken bezwaar – dat toen niet door enige foto werd ondersteund – niet werd beantwoord.
  34. Het eerste middelonderdeel voert ook nog aan dat de bestreden beslissing niet ingaat op het bezwaar dat de gevraagde verklaring van openbaar nut “een te grote last zou opleggen aan het perceel van verzoekende partijen”.
  35. Het bestreden besluit overweegt ter zake onder meer dat het tracé ter hoogte van de percelen van de verzoekende partijen “het meest verantwoorde tracé is”, dat de aanleg van de gracht “geen significante ruimtelijke impact heeft [en] rekening houdt met de teeltgrenzen van de gewassen”, en dat “de huidige bestemming, zijnde landbouwgrond […] behouden blijft”. Ten aanzien van de door X-19.264-14/16 de verzoekende partijen voorgestelde inbuizing, overweegt de bestreden beslissing dat “inbuizingen en een rechtstreekse afvoer van regenwater maximaal vermeden moeten worden”. Door de voormelde overwegingen niet in het geformuleerde middelonderdeel te betrekken, overtuigen de verzoekende partijen niet van de ernst ervan.
  36. In geen van zijn onderdelen is het middel ernstig. VII. Besluit
  37. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
  38. Er is dan ook geen reden om “te zeggen voor recht dat geen werken mogen worden uitgevoerd op (de grens van) het perceel van [de] verzoekende partijen”. BESLISSING
  39. De verzoeken van de nv Aquafin en B.D. tot tussenkomst worden ingewilligd.
  40. De Raad van State verwerpt de vordering. X-19.264-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: David D’Hooghe, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq David D’Hooghe X-19.264-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.