id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 Rolnummer: A. 246964/VII-43127 Zaak: Arrest 266112 - Niet begeleide minderjarigen - 19/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-27 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-18 06:40 Fiche Arrest nr 266.112 van 19 maart 2026 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 no lien 288262 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 266.112 van 19 maart 2026 in de zaak A. 246.964/VII-43.127 In zake: R.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 5 januari 2026 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 6 november 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De beschikking van 9 januari 2026 stelt de procedurekalender vast. VII-43.127-1/14 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gérald Gaspart, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 27 augustus 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Eritrese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 5 december
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. Op 27 augustus 2025 heeft verzoeker eveneens een eerste onderhoud met een ambtenaar van de dienst Voogdij. Een tweede onderhoud vindt ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 VII-43.127-2/14 plaats op 15 oktober 2025, waarbij de twijfel over verzoekers leeftijd wordt bevestigd. Verzoeker weigert alsdan om een medisch leeftijdsonderzoek te ondergaan. Op 6 november 2025 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van de middelen Standpunten van de partijen
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet- begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), “te lezen conform” de artikelen 25 en 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU VII-43.127-3/14 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) “en de samenwerkingsplicht”, van “[h]et hoorrecht, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen van Unierecht”, van de artikelen 4, 7, 20, 24.2, 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van “de motiveringsplicht” zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), “evenals van de beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel”, en van de artikelen 3 en 8 iuncto 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).
- Wat de voorgehouden schending van de zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel betreft, verwijst verzoeker vooreerst naar het vluchtelingencertificaat uit Oeganda en de Belgische laissez- passer die hij overlegde aan de dienst Voogdij. In de bestreden beslissing baseert de dienst Voogdij zich op een advies van de dienst Vreemdelingenzaken over deze documenten, doch hij heeft geen verder onderzoek verricht naar deze documenten. Verzoeker benadrukt dat de geboortedatum op alle documenten dezelfde is. Hij wijst op de keuze van de dienst Voogdij om verzoekers leeftijd te beoordelen op basis van zijn fysieke verschijning en zijn weigering om een medische leeftijdstest te ondergaan. De dienst Voogdij laat dit primeren op verzoekers documenten, die volgens hem als authentiek beoordeeld werden, en op verzoekers verklaringen, zonder bijkomend onderzoek te verrichten en zonder te beschikken over concrete elementen die aantonen dat verzoekers documenten niet zouden overeenkomen met zijn echte leeftijd. Verzoeker beschouwt zulks als onredelijk en in strijd met de nood aan een nauwgezet onderzoek. Op zijn minst zijn bijkomend onderzoek en bijkomende motivering vereist. VII-43.127-4/14 De dienst Voogdij bevestigt zelf dat de bestreden beslissing louter is genomen op basis van verzoekers fysieke uiterlijk, zonder dat bijkomend onderzoek werd uitgevoerd. Dit vormt een zeer subjectieve beoordeling, hetgeen wordt onderlijnd door het observatierapport van het opvangcentrum Brussel Bordet. De dienst Voogdij heeft zich niet gebaseerd op objectieve elementen bij het nemen van de bestreden beslissing. Bovendien stelt de dienst Voogdij dat verzoekers verklaringen over zijn leven in Eritrea en Oeganda overeenstemmen met zijn verklaarde leeftijd. Dit blijkt uit het evaluatierapport naar aanleiding van een gesprek met verzoeker op 15 oktober
- Niettemin houdt de dienst Voogdij hiermee geen rekening in de bestreden beslissing. Verder blijkt uit het observatierapport van het opvangcentrum Brussel Bordet dat verzoekers gedragspatronen en persoonlijkheid overeenkomen met die van een minderjarige. Ten slotte vergeet de dienst Voogdij dat verzoeker twee jaar in Oeganda heeft geleefd met zijn verklaarde leeftijd. Hij heeft zijn geboortedatum niet “plotseling” gewijzigd bij aankomst in België maar verklaart deze al jaren als zijnde zijn geboortedatum. Het is ook op basis van die datum dat verzoeker in Oeganda een vluchtelingenstatuut en -certificaat heeft gekregen en vervolgens een laissez-passer en visum voor België. Verzoeker besluit dat de dienst Voogdij geen globale beoordeling heeft gemaakt van alle elementen in zijn dossier. Er werd geen of slechts zeer selectief belang gehecht aan verzoekers verklaringen en documenten en aan de opgestelde rapporten. Niettegenstaande de aanwezigheid van andere relevante elementen in verzoekers dossier beperkt de dienst Voogdij zich tot een subjectieve beoordeling van verzoekers fysieke uiterlijk om de bestreden beslissing te nemen. Hierdoor schendt de dienst Voogdij de zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsplicht. Volgens verzoeker is de bestreden beslissing genomen zonder kennis van zaken en zonder een correcte beoordeling van de juiste feitelijke gegevens.
- De verwerende partij laat in de nota met opmerkingen gelden dat geen van de door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur werd geschonden door het niet uitvoeren van andere onderzoeken. Op haar ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 VII-43.127-5/14 vraag heeft zij integendeel van het opvangcentrum Brussel Bordet een observatierapport over verzoeker ontvangen dat werd opgesteld door een multidisciplinair team. Verder heeft zij de dienst Vreemdelingenzaken om advies verzocht over verzoekers documenten. Uit dit advies blijkt dat het niet gaat om identiteitsdocumenten en deze documenten dus niet kunnen worden aanvaard. Niets stond verzoeker in de weg om bijkomende documenten over te leggen. Verder citeert de verwerende partij het advies van de dienst Vreemdelingenzaken over verzoekers documenten, waarin wordt uitgelegd dat er slechts bepaalde weigeringsgronden zijn om een Belgische laissez-passer te weigeren. Verzoekers fysieke verschijning vormt geen weigeringsgrond. De laissez-passer wordt afgeleverd op basis van de documenten waarover de betrokkene beschikt, te dezen een Oegandees vluchtelingencertificaat en een doopcertificaat. Volgens de verwerende partij werden beide documenten afgegeven op verklaring, waardoor zij weinig of geen bewijswaarde hebben voor wat verzoekers identiteit betreft. In dit verband wijst de verwerende partij nog op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover zij beschikt bij de beoordeling van de bewijswaarde van de voorliggende documenten. Zij was niet verplicht om nog verdere onderzoeken te verrichten naar verzoekers documenten. Wat de opgeworpen schendingen van de zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsplicht betreft, merkt de verwerende partij op dat de vaststellingen in de bestreden beslissing dat verzoeker fysiek ouder lijkt dan 18 jaar en geen documenten kan voorleggen om zijn leeftijd te bewijzen, gebaseerd zijn op de verslagen van de dienst Voogdij naar aanleiding van de twee gesprekken met verzoeker. De beoordeling of verzoeker op basis van zijn fysieke uiterlijk ouder lijkt te zijn dan 18 jaar betreft overigens een louter feitelijke appreciatie die de Raad van State niet vermag over te doen, aldus de verwerende partij. Waar verzoeker tracht te laten uitschijnen dat de dienst Voogdij in het evaluatierapport van 15 oktober 2025 stelt dat verzoeker zijn verklaarde leeftijd zou kunnen hebben door in dat verslag op te merken dat verzoekers verklaringen over zijn leeftijd in Eritrea en Oeganda overeenstemmen met zijn verklaarde leeftijd, berust verzoekers stelling op een onvolledige lezing van dat verslag. Het aannemelijk zijn van de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 VII-43.127-6/14 verklaarde leeftijd is gebaseerd op de overeenstemming tussen de onderwijs- en immigratiegegevens en de overgelegde documenten, doch niet op verzoekers uiterlijk. Het verslag vervolgt dat het redelijk is om verzoekers minderjarigheid in vraag te stellen. Verzoeker betwist trouwens niet dat hij geen identiteitsdocumenten kan overleggen. Hij heeft slechts documenten bijgebracht die werden afgeleverd op basis van zijn verklaringen. Tot slot, waar de bestreden beslissing verwijst naar het observatierapport van het opvangcentrum Brussel Bordet, betreft dit geen dragend motief van de bestreden beslissing. De bestreden beslissing vermeldt immers uitdrukkelijk dat het observatierapport is gebaseerd op subjectieve observaties en er dus geen enkel objectief element voorligt dat de minderjarigheid van verzoeker kan bevestigen. Volgens de verwerende partij kan verzoekers kritiek op het observatierapport dan ook niet dienstig worden aangevoerd om de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te tonen. Beoordeling
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 VII-43.127-7/14 administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
- Na er in de bestreden beslissing op te hebben gewezen dat de dienst Vreemdelingenzaken op 27 augustus 2025 twijfel heeft geuit over verzoekers verklaarde leeftijd omdat zijn “fysieke verschijning […] niet overeen[komt] met die van een minderjarige” en dat de dienst Vreemdelingenzaken in een advies van 19 september 2025 stelt dat verzoekers Oegandees asielzoekerscertificaat en zijn doopcertificaat “beiden afgeleverd werden op verklaring en dus weinig of geen bewijswaarde hebben aangaande zijn identiteit”, overweegt de dienst Voogdij in de bestreden beslissing het volgende: “15.10.2025 We hebben de twijfel over uw leeftijd bevestigd. We hebben op de dienst Voogdij een gesprek met u gehad om : - uit te leggen waarom we een medische test moeten uitvoeren - wat de test inhoudt - wat de gevolgen zijn als u de test weigert. Dit gesprek vond plaats in aanwezigheid van een tolk en uw advocaat. U hebt geweigerd om de test te ondergaan. We hebben u eveneens gevraagd waarom u de test weigerde. Zonder deze medische test, moeten we de andere elementen van uw dossier analyseren om na te gaan of u ouder of jonger dan 18 jaar bent : - uw fysieke uiterlijk is deze van een persoon die ouder dan 18 jaar is - u hebt ons geen enkel document voorgelegd om uw identiteit aan te tonen. 29.10.2025 We hebben een observatierapport ontvangen van het Bordet-centrum. Het verslag van Fedasil opvangcentrum Bordet is gebaseerd op subjectieve observaties zonder medische of methodologische onderbouwing. Het beschreven gedrag (verlegenheid, behoefte aan hulp, emotionaliteit, sterke familieband) kan worden verklaard door de context van migratie en niet door de leeftijd. Ook de fysieke beschrijvingen zijn niet overtuigend. Er is dus geen enkel objectief element dat de minderjarigheid van [verzoeker] bevestigt. Integendeel, de waargenomen kenmerken zijn verenigbaar met een jongvolwassene.”
- De verwerende partij voert in navolging van het advies van de dienst Vreemdelingenzaken aan dat verzoekers documenten louter op basis van verklaringen werden afgeleverd. De dienst Voogdij lijkt zich hierbij aan te sluiten in de bestreden beslissing. VII-43.127-8/14 Nochtans is het door verzoeker overgelegde doopcertificaat op het eerste gezicht afgeleverd door de “Church Administrator” op 15 januari 2009, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat het een document betreft dat op verklaring werd afgeleverd. Zoals verzoeker opmerkt, blijkt uit het administratief dossier niet dat verder onderzoek werd verricht naar dit document. Meer concreet lijkt de authenticiteit ervan niet te zijn onderzocht, terwijl de dienst Vreemdelingenzaken in zijn advies, er prima facie zonder meer van uitgaande dat het doopcertificaat slechts op verklaring werd afgeleverd, aangeeft dat dit document om die reden “weinig of geen bewijswaarde [heeft] aangaande [verzoekers] identiteit”, doch de bewijswaarde ervan niet volledig ontkent.
- De bestreden beslissing maakt tevens melding van het observatierapport van het opvangcentrum Brussel Bordet. Dit rapport, dat is opgesteld door een multidisciplinair team, hetgeen de verwerende partij ook bevestigt, en is gebaseerd op de dagelijkse opvolging van verzoeker in het centrum, bevat bevindingen over verzoeker op het vlak van autonomie, emoties, sociale vaardigheden en activiteiten, onderwijs en leerprocessen en zijn fysiek voorkomen. Op basis van deze bevindingen wordt erin besloten dat verzoeker minderjarig lijkt, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar coherente sociale en fysieke tekenen die overeenstemmen met minderjarigheid en naar jeugdige fysieke karakteristieken die getuigen van een leeftijd, geschat op minder dan 18 jaar : “[a]u regard des observations de l’équipe pluridisciplinaire, [R. B.] présente des signes comportementaux, émotionnels, sociaux et physiques cohérents avec la minorité. Son manque d’autonomie, sa forte émotivité, ses réactions impulsives et spontanées, son besoin constant de soutien ainsi que ses caractéristiques physiques encore juvéniles témoignent d’un âge présumé inférieur à 18 ans. Sur le base de ces éléments, il nous semble que [R. B.] est mineur”. Dit verslag is volgens de bestreden beslissing echter “gebaseerd op subjectieve observaties zonder medische of methodologische onderbouwing. Het beschreven gedrag (verlegenheid, behoefte aan hulp, emotionaliteit, sterke familieband) kan worden verklaard door de context van migratie en niet door de leeftijd. Ook de fysieke bevindingen zijn niet overtuigend”. Die “fysieke bevindingen” luiden in het observatierapport als ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 VII-43.127-9/14 volgt: “[s]ur le plan physique, [R. B.] présente des caractéristiques visiblement juvéniles: il a une peau encore très boutonneuse, un visage enfantin, et une corpulence arrondie, avec un corps non encore formé comme celui d’un jeune adulte. Ces observations, relevées par plusieurs membres de l’équipe, appuient l’hypothèse d’un développement encore adolescent”. Er wordt dus duidelijk aangegeven waarom verzoekers fysiek voorkomen als “zichtbaar jeugdig” wordt beschouwd, dat de hypothese van “de ontwikkeling van een adolescent” ondersteunt. Waar de bestreden beslissing stelt dat verzoeker op basis van zijn fysieke uiterlijk ouder is dan 18 jaar, is deze vaststelling volgens de verwerende partij gebaseerd op de verslagen die de ambtenaar van de dienst Voogdij heeft opgesteld naar aanleiding van de gesprekken met verzoeker. In het verslag van 27 augustus 2025 luidt het dat verzoekers fysiek voorkomen kennelijk meerderjarig (“manifestement majeur”) is en dat twijfel werd geuit over zijn leeftijd wegens zijn fysiek voorkomen (”en raison de son apparence physique”). In punt 6 van het verslag van 15 oktober 2025 stelt dezelfde ambtenaar van de dienst Voogdij op grond van de informatie over verzoekers scholing en migratietraject, de chronologische overeenstemming tussen de studies, onderbrekingen en voorgehouden duur en de bijgebrachte documenten vast dat verzoekers verklaarde leeftijd plausibel lijkt (“apparaît plausible”), dat de evaluatie verzoekers leeftijd situeert tussen 15 en 16 jaar bij aankomst in België en dat dit overeenstemt met de verklaarde leeftijd in verzoekers officiële documenten. In het onmiddellijk daarop volgende punt 7 geldt echter als advies op grond van het gebrek aan authentieke documenten, de tegenstrijdigheden in het school- en familierelaas in vergelijking met de fiche niet begeleide minderjarige vreemdeling, de maturiteit in verzoekers discours en de geuite twijfels betreffende verzoekers fysiek voorkomen, dat het redelijk is de door verzoeker ingeroepen minderjarigheid in vraag te stellen (“remettre en question”), dat het geheel van de incoherenties laat veronderstellen dat verzoeker minstens 17 à 18 jaar zou kunnen zijn (“pourrait être”) bij zijn aankomst in België, en dat zijn verklaarde leeftijd onderschat lijkt te zijn (“Son âge déclare […] semble sous-estimé”). VII-43.127-10/14 De vaststellingen in het verslag van 27 augustus 2025 (kennelijk meerderjarig) enerzijds en dat van 15 oktober 2025 (verzoekers verklaarde leeftijd is plausibel) anderzijds, zijn op het eerste gezicht tegenstrijdig. Het verslag van 15 oktober 2025 lijkt intern tegenstrijdig te zijn wat de evaluatie in punt 6 en de aanbeveling in punt 7 betreft. Er wordt ook nergens melding gemaakt van enige verifieerbare tegenstrijdigheid tussen de gesprekken met de dienst Voogdij en het eerste onderhoud met de dienst Vreemdelingenzaken wat verzoekers school- en migratierelaas betreft. In de huidige stand van het geding is, zeker in het licht van de tegenstrijdig lijkende vaststellingen in de verslagen van de dienst Voogdij, helemaal niet duidelijk wat in het verslag van 15 oktober 2025 wordt bedoeld met “het geheel van de incoherenties” (“l’ensemble des incohérences”). Hoewel de bestreden beslissing stelt dat de dienst Voogdij “alle elementen uit [het] dossier [heeft] bekeken”, lijkt zij niettemin uitsluitend te steunen op verzoekers fysieke uiterlijk. Waar in het observatierapport van het opvangcentrum Brussel Bordet wordt verduidelijkt op basis van welke fysieke kenmerken, vastgesteld door meerdere leden van het team, wordt besloten tot de minderjarigheid van verzoeker, acht de dienst Voogdij deze vaststellingen niet overtuigend, doch beperkt hij zich tot de stelling dat verzoekers fysieke uiterlijk “deze [is] van een persoon die ouder dan 18 jaar is”, die volgens de verwerende partij steunt op de verslagen van de ambtenaar van de dienst Voogdij. In de mate dat de dienst Voogdij van oordeel is dat geen rekening kan worden gehouden met het observatierapport van het opvangcentrum Brussel Bordet, omdat het stoelt op subjectieve observaties zonder medische of methodologische onderbouwing en het beschreven gedrag kan worden verklaard door de context van migratie en niet door de leeftijd van verzoeker, lijkt hij louter een eigen mening te poneren, zonder rekening te houden met de gedetailleerde vaststellingen in dat verslag betreffende verzoekers fysiek voorkomen.
- Zonder zelf over te gaan tot een nieuwe beoordeling van verzoekers fysieke verschijning, is de Raad van State van oordeel dat de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet steunt op deugdelijke motieven, noch op een ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 VII-43.127-11/14 zorgvuldige wijze tot stand lijkt te zijn gekomen.
- Het enige middel is ernstig wat betreft de opgeworpen schending van de zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
- Verzoeker wijst er eerst op dat hem geen voogd werd toegewezen. Ten tweede kan verzoeker zich niet beroepen op de waarborgen die zijn voorzien voor minderjarigen tijdens de behandeling van zijn asielprocedure. Verder wijst verzoeker erop dat hij het recht op gezinshereniging met zijn ouders niet zal kunnen uitoefenen indien hij wordt erkend als vluchteling of hem de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend. Iedere vertraging bij de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming is nefast voor de uitoefening van zijn recht op gezinshereniging. Ten slotte moet worden vermeden dat de huidige procedure de asielprocedure zou vertragen of dat afbreuk wordt gedaan aan onderzoeksmaatregelen zoals een interview. Samenvattend kan verzoeker ingevolge de bestreden beslissing niet genieten van de beschermingsmaatregelen en voordelen waarop minderjarigen in België aanspraak kunnen maken, met in het bijzonder de bijstand van een voogd.
- De verwerende partij bespreekt de vereiste van de spoedeisendheid niet in de nota met opmerkingen. Beoordeling
- De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat verzoeker wordt beschouwd als meerderjarige en niet kan genieten van de bijstand van een voogd. Uit het onderzoek van het enige middel blijkt echter dat de dienst Voogdij prima facie niet aantoont dat hij rechtmatig heeft beslist dat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 VII-43.127-12/14 verzoeker ouder is dan achttien jaar, zodat de bestreden beslissing verzoekers belangen ernstig schaadt. Verzoeker houdt immers voor een niet-begeleide minderjarige te zijn, doch kan hij gelet op de bestreden beslissing niet genieten van de beschermende maatregelen en voordelen waarop minderjarigen in België aanspraak kunnen maken, en met name van het voordeel van de bijstand van een voogd zoals voorzien in de artikelen 9 en volgende van de voogdijwet. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat te dezen aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. VII. Conclusie
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 6 november 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. VII-43.127-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.127-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.112 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div