← België

Arrest 266113 - Wegverkeer van goederen - 20/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.113 Rolnummer: A. 243224/XIV-39665 Zaak: Arrest 266113 - Wegverkeer van goederen - 20/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-18 06:40 Fiche Arrest nr 266.113 van 20 maart 2026 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 266.113 van 20 maart 2026 in de zaak A. 243.224/XIV-39.665 In zake :

  1. XXXX
  2. de BV D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Zuidstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend te 1210 Brussel Koning Albert II-laan 15 bus 420 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 14 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 4 september 2024 om aan [eerste verzoeker] een administratieve geldboete van 2.200 euro op te leggen wegens asoverlading en totaaloverlading van een voertuig en [de tweede verzoekende partij] burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld waarin de verwerping van het beroep wordt voorgesteld. XIV-39.665-1/10 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 6 februari 2026 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 11 maart
  5. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Eerste verzoeker rijdt op het ogenblik van de feiten als chauffeur voor de tweede verzoekende partij. 3.
  8. Bij proces-verbaal wordt op 26 september 2023 te Zelzate, E34 richting Antwerpen, een inbreuk vastgesteld in hoofde van eerste verzoeker, hierna de chauffeur, op het verbod om zich met een voertuig of een sleep op de openbare weg te begeven waarvan de massa onder één van de assen het bij goedkeuring vastgesteld maximum met meer dan vijf procent overschrijdt. Daarnaast wordt er een inbreuk vastgesteld op het verbod om zich met een voertuig of een sleep op de openbare weg te bevinden waarvan de massa in beladen toestand het toegestane maximum overschrijdt. XIV-39.665-2/10 3.
  9. Op 18 oktober 2023 heeft de wegeninspecteur de procureur des Konings en de wegeninspecteur-controleur op de hoogte gebracht van de door hem vastgestelde inbreuken. Op 22 november 2023 beslist de procureur des Konings om geen strafvervolging in te stellen en wordt het proces-verbaal voor verder gevolg overgemaakt aan de wegeninspecteur-controleur. 3.
  10. Op 20 februari 2024 stelt de wegeninspecteur-controleur de overtreder in kennis van zijn beslissing om ten gevolge van de inbreuk een administratieve geldboete van 2.200 euro op te leggen. Na bezwaar en oproeping om te worden gehoord, bevestigt de wegeninspecteur – controleur zijn beslissing. De tweede verzoekende partij wordt aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete. 3.
  11. Op 4 september 2024, na uitputting van het administratief beroep, beslist de Administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer dat het ingediende administratief beroep ontvankelijk maar ongegrond is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Rechtspleging
  12. Artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) voorziet dat een verzoekschrift een samenvatting van het middel moet bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. XIV-39.665-3/10 Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoert, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). Te dezen, bevat het verzoekschrift geen samenvatting van de middelen in de zin van artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling, terwijl de verzoekende partijen wel aan de hand van een verdere uiteenzetting nader ingaan op de argumenten die volgens hen het middel ondersteunen. Het komt aan de Raad van State niet toe om, in de plaats van deze partij, te doen wat die partij moet doen. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partijen moeten verdragen dat de Raad van State de grieven begrijpt zoals deze in het auditoraatsverslag en zoals hierna weergegeven, zijn begrepen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  13. De verzoekende partijen voeren in het eerste middel van hun verzoekschrift – waarin zij in hun memorie van wederantwoord “volharden” – de schending aan van artikel VIII.43 van het Wetboek van Economisch Recht (hierna: WER) en “het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’”.
  14. In het auditoraatsverslag wordt het middel als volgt samengevat: XIV-39.665-4/10 “In dit middel voeren de verzoekende partijen in essentie aan dat de overlading werd vastgesteld met een automatische asdrukweger die wettelijk onderworpen is aan ijkings-, herijkings- en controleverplichtingen wanneer gebruikt voor doeleinden van openbare orde en veiligheid. In dit dossier ontbreekt elk bewijs dat aan deze verplichtingen werd voldaan, aangezien de gebruikte weger niet geijkt of herijkt was conform de toepasselijke regelgeving. Aangezien de weegbon het enige bewijselement vormt en deze gebaseerd is op een niet-conform meetinstrument, kan de vaststelling niet als wettig en betrouwbaar bewijs dienen, aldus de verzoekende partijen”. Beoordeling
  15. Het auditoraat besluit op grond van de volgende overwegingen dat het eerste middel ongegrond is: “5.1.
  16. De Raad van State heeft reeds in talrijke arresten moeten vaststellen dat er niet is voorzien in een regeling inzake de ijking van automatische asdrukwegers die worden gebruikt met het oog op de vaststelling van inbreuken op het Decreet Bijzonder Wegtransport. 5.1.
  17. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’, waarop de verzoekende partijen zich beroepen, luidt thans: ‘De automatische weegwerktuigen, zoals gedefinieerd in bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten en die gebruikt worden voor het uitvoeren van meettaken uit overweging van openbaar belang, volksgezondheid, openbare veiligheid, openbare orde, milieu- bescherming, heffing van belastingen en andere heffingen, consumentenbescherming en eerlijke handel zijn onderworpen aan herijk en technische controle. De herijk wordt om de vier jaar uitgevoerd. Automatische weegwerktuigen gemonteerd op vrachtwagens, heftrucks, bulldozers en andere voertuigen worden om de twee jaar herijkt.’ Deze bepaling verwijst voor de afbakening van het toepassingsgebied van de verplichting inzake herijk en technische controle van automatische weegwerktuigen naar “[d]e automatische weegwerktuigen, zoals gedefinieerd in bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten”. Voormelde bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april 2016 ‘betreffende meetinstrumenten’ heeft, zoals bijlage MI-006 van het inmiddels opgeheven koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meetinstrumenten’ waaraan de verzoekende partijen nog refereren, slechts betrekking op vijf types van automatische weegwerktuigen, namelijk: automatische vangwegers, automatische weegmachines voor afwegen (voorheen automatische doseerweegwerktuigen), discontinue totalisators (voorheen discontinu totaliserende weegwerktuigen), continue totalisators (voorheen continu totaliserende bandwegers) en automatische spoorwegweegbruggen. De verzoekende partijen geven niet aan onder welk van deze vijf types van automatische weegwerktuigen de asdrukweger die de verweten inbreuk heeft vastgesteld, zou vallen. Het Auditoraat kan alleen maar vaststellen dat XIV-39.665-5/10 asdrukwegers niet worden vermeld onder de voormelde specifieke types van automatische weegwerktuigen, gedefinieerd in bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april
  18. De verzoekende partijen tonen bijgevolg niet aan dat de gebruikte asdrukweger onder het toepassingsgebied valt van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’. 5.1.
  19. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat, blijkens de stukken van het administratief dossier, de betrokken asdrukweger werd onderworpen aan een vrijwillige metrologische controle door de fabrikant van de asdrukweger. De verzoekende partijen brengen geen gegevens aan die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis door de fabrikant, waarvan de deskundigheid ter zake niet in vraag wordt gesteld, voldoende zekerheid verschaft omtrent de correctheid van de uitgevoerde weging. 5.1.5 De verzoekende partijen brengen ten slotte evenmin argumenten bij waaruit een schending zou blijken van artikel VIII.43 WER, dat bepaalt dat metingen in het economisch verkeer die tot doel hebben de hoeveelheid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen, met geijkte meetinstrumenten worden verricht en dat de Koning het gebruik van geijkte meetinstrumenten ook kan opleggen voor metingen buiten het economisch verkeer.” Na kennisneming van het auditoraatsverslag beperken de verzoekende partijen zich er, wat het eerste middel betreft, in hun laatste memorie toe te herhalen in het middel te “volharden”, zonder nog enige inhoudelijke repliek te geven. Zij hebben aldus niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven.
  20. De Raad van State ziet bijgevolg geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  21. De verzoekende partijen voeren in het tweede middel van hun verzoekschrift – waarin zij in hun memorie van wederantwoord “volharden” –, de schending aan van “art. 3, tweede lid en 17 e.v. van het Decreet Bijzonder Wegtransport [lees: decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet van 3 XIV-39.665-6/10 mei 2013)], juncto artikel 6 EVRM: er is niet voldaan aan de constitutieve elementen van het misdrijf: het moreel element werd niet afdoende vastgesteld”.
  22. In het auditoraatsverslag wordt het tweede middel als volgt samengevat: “In dit middel voeren de verzoekende partijen in essentie aan dat de eerste verzoekende partij niet betrokken was bij het laden van de betonmixer, de lading werd uitgevoerd door een derde onderneming buiten zijn toezicht of controle. Volgens de eigen richtlijnen van de Wegeninspectie mag een chauffeur in dergelijke omstandigheden redelijkerwijze vertrouwen op een correcte belading. Aangezien er geen bewijs is van een moreel element, ontbreekt een essentieel constitutief bestanddeel van het misdrijf en kan geen geldboete worden opgelegd.” Beoordeling
  23. Het auditoraat besluit op grond van de volgende overwegingen tot de ongegrondheid van het tweede middel: “Zoals de Raad van State al meermaals heeft geoordeeld, is wat de inbreuk betreft bedoeld in artikel 3, tweede lid, Decreet Bijzonder Wegtransport, niet vereist dat deze wetens en willens werd begaan. De schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid mag worden verweten. 5.2.
  24. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij het moreel bestanddeel van de inbreuk aanwezig acht, omdat de eerste verzoekende partij de overlading, gezien de omvang ervan, had moeten opmerken als normale, redelijke, voorzichtige en professionele vrachtwagenbestuurder. Omtrent de lading door een derde wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk geoordeeld dat wanneer een transport niet door de vrachtwagenbestuurder of de eigen firma wordt geladen, dit de vrachtwagenbestuurder tot extra voorzichtigheid moet aansporen. Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa op de assen niet meer bedragen dan wat maximaal is toegelaten, ook al heeft betrokkene het voertuig niet zelf geladen. De verzoekende partijen gaan op geen enkele van deze overwegingen nader in. Zij tonen dan ook niet aan dat deze overwegingen niet zouden volstaan om de aanwezigheid van het moreel element van de inbreuk aan te nemen. 5.2.
  25. In de mate dat de verzoekende partijen verwijzen naar ‘de eigen richtlijnen van de Wegeninspectie zelf’, tonen zij de relevantie daarvan niet aan. De geciteerde passus uit deze ‘richtlijnen’ betreft immers het geval waarin een transport wordt geladen door de eigen firma van de vrachtwagenbestuurder, wat in casu niet zo was, zoals de verzoekende partijen overigens zelf aanvoeren. 5.2.
  26. De verzoekende partijen tonen dan ook niet aan dat de bestreden beslissing niet op goede gronden besluit tot de aanwezigheid van het moreel element van de vastgestelde inbreuk.”. XIV-39.665-7/10 Na kennisneming van het auditoraatsverslag beperken de verzoekende partijen zich er toe, ook wat het tweede middel betreft, in hun laatste memorie enkel te herhalen in dit middel te “volharden”, zonder nog enige inhoudelijke repliek te geven. Zij hebben aldus niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven.
  27. De Raad van State ziet bijgevolg geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  28. De verzoekende partijen voeren in het derde middel van hun verzoekschrift – waarin zij in hun memorie van wederantwoord “volharden” – de schending aan van “art. 18 van het [decreet van 3 mei 2013] juncto de artikelen 1 tot en met 7 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’[hierna: de wet van 29 juli 1991] : de geldboete diende minstens geheel met uitstel te worden opgelegd”.
  29. In het auditoraatsverslag wordt het derde middel als volgt samengevat: “In dit middel voeren de verzoekende partijen in essentie aan dat de bestreden beslissing het uitstel van de geldboete onwettig koppelt aan bijkomende voorwaarden die niet in het [decreet van 3 mei 2013] zijn voorzien, wat een schending van artikel 18 inhoudt. De eerste verzoekende partij voldoet wel degelijk aan de enige decretaal vereiste voorwaarde, namelijk een negatieve referentieperiode, en heeft bovendien gemotiveerde elementen ter ondersteuning van het uitstel aangevoerd. De beslissing is dan ook onwettig én ondeugdelijk gemotiveerd, zodat zij vernietigd moet worden.”. Beoordeling XIV-39.665-8/10
  30. Het auditoraat besluit op grond van de volgende overwegingen tot de ongegrondheid van het derde middel: “5.3.
  31. Op grond van artikel 18 [van het decreet van 3 mei 2013] kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. 5.3.
  32. Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen inzake overladingsinbreuken. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel. Zoals de Raad van State al vele malen heeft geoordeeld in verband met overladingsinbreuken is het uitgangspunt van de betrokken regelgeving alleszins niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Het is immers niet de bedoeling geweest van de decreetgever dat de verwerende partij systematisch uitstel zou verlenen voor de administratieve geldboetes zoals bepaald in het decreet. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. 5.3.
  33. Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in ondergeschikte orde gevraagd om de administratieve geldboete volledig met uitstel op te leggen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent, in essentie omdat de verzoekende partijen geen elementen aanreiken die verzachtende omstandigheden uitmaken, noch de gunst van uitstel rechtvaardigen. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen.”. Na kennisneming van het auditoraatsverslag beperken de verzoekende partijen zich er toe, ook wat het derde middel betreft, in hun laatste memorie enkel te herhalen in dit derde middel te “volharden”, zonder nog enige inhoudelijke repliek te geven. Zij hebben aldus niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. XIV-39.665-9/10
  34. De Raad van State ziet bijgevolg geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde en laatste middel ongegrond. BESLISSING
  35. De Raad van State verwerpt het beroep.
  36. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 24 euro.
  37. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van eerste verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.665-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.