← België

Arrest 266138 - Tucht (openbaar ambt) - 23/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 Rolnummer: A. 247004/XII-10001 Zaak: Arrest 266138 - Tucht (openbaar ambt) - 23/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-18 06:43 Fiche Arrest nr 266.138 van 23 maart 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 no lien 288452 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.138 van 23 maart 2026 in de zaak A. 247.004/XII-10.001 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5396 DEMERDAL - DSZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 13 januari 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid waarbij verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 20 januari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. XII-10.001-1/27 Auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker was eerste inspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.2. Op 5 oktober 2022 krijgt zowel de gewone tuchtoverheid als de hogere tuchtoverheid kennis van feiten die het voorwerp vormen van twee afzonderlijke opsporingsonderzoeken. 3.3. Op 21 september 2023 gelast de gewone tuchtoverheid een voorafgaand onderzoek. 3.4. Op 16 november 2023 legt de voorafgaand onderzoeker zijn verslag neer. 3.5. Bij brief van 31 januari 2024 (lees: 2025) bezorgt de advocaat- generaal bij het hof van beroep te Brussel aan de gewone tuchtoverheid een afschrift van het arrest van het hof van beroep van 13 januari 2025 betreffende verzoeker met de vermelding dat dit arrest kracht van gewijsde heeft. XII-10.001-2/27 3.6. Op 12 maart 2025 beslist de gewone tuchtoverheid om de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid. 3.7. Op 13 maart 2025 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit inleidend verslag wordt op 14 maart 2025 bij aangetekende zending aan de tuchtverdediger van verzoeker aangeboden. Verzoeker dient op 11 april 2025 een schriftelijk verweer in. Hij wordt op 16 april 2025 door de hogere tuchtoverheid mondeling gehoord. 3.8. Op 24 april 2025 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker bij aangetekende brief verstuurd op 2 mei 2025 een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.9. Op 26 mei 2025 meldt de secretaris van de Tuchtraad: “Bij gebrek aan een praktische mogelijkheid tot rechtsgeldige samenstelling van de Tuchtraad kan heden het verzoek tot heroverweging niet worden behandeld. Een oproepingsbrief zal u worden toegestuurd van zodra de Tuchtraad opnieuw in de praktijk rechtsgeldig kan worden samengesteld.” Op 3 september 2025 worden de partijen opgeroepen voor de zitting van de Tuchtraad op 15 oktober 2025. 3.10. Op 10 november 2025 adviseert de Tuchtraad: “dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1, bewezen zijn en aan [verzoeker] dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 TWP, dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is.” XII-10.001-3/27 3.11. Op 19 november 2025 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid 5. In het verzoekschrift zet verzoeker uiteen dat het ontslag van ambtswege met onmiddellijke ingang een einde stelt aan zijn tewerkstelling als statutair personeelslid, waardoor hij volledig zonder inkomen valt. Volgens verzoeker heeft de bestreden beslissing een sterke financiële impact die het hem moeilijk maakt om rond te komen. Hij licht dat toe aan de hand van zijn gezinssituatie en vaste kosten, en staaft één en ander met stukken. Voorts voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing hem onmiskenbaar een morele schandvlek en imagoschade berokkent, die onvoldoende zouden kunnen worden geremedieerd en derhalve onherroepelijk dreigen te worden als een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring moet worden afgewacht. Verzoeker acht zijn uiteenzetting bijzonder pertinent en prangend, daar hij reeds sinds 1992 in dienst is, op een “ietwat gevorderde leeftijd is gekomen” en zijn professionele vaardigheden zich beperken tot het politioneel landschap, wat het verwerven van een alternatieve tewerkstelling en inkomen uit arbeid ernstig bemoeilijkt. XII-10.001-4/27 6. De verwerende partij betwist de financieel-materiële impact van de bestreden beslissing op verzoeker niet. De morele schandvlek volgt volgens de verwerende partij weliswaar uit de definitieve strafrechtelijke uitspraak over de feiten, doch de verwerende partij besluit met het standpunt de spoedeisendheid niet te betwisten. Beoordeling 7. Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 XII-10.001-5/27 wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enig nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. 8. Het auditoraat besluit dat aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan op grond van de volgende overwegingen: “39. De opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege heeft voor verzoeker, zoals hij ook aan de hand van stukken […] afdoende aantoont, ingrijpende gevolgen op materieel-financieel vlak. Het kan bezwaarlijk worden betwist – en wórdt voor de goede orde door de verwerende partij ook niet betwist – dat het volledig wegvallen van verzoekers maandelijks beroepsinkomen op een wezenlijke wijze zijn levensstandaard aantast, en dat het volledig verlies aan wedde hem in een moeilijke financiële situatie plaatst. In het licht van dit alles maakt verzoeker voldoende concreet aannemelijk dat, gelet op zijn persoonlijke situatie sinds zijn ontslag, met de ermee gepaard gaande wezenlijke daling van de levensstandaard tot aan de datum van de uitspraak van de Raad van State over het beroep tot nietigverklaring, een ernstige precaire financieel-vermogensrechtelijke situatie is ontstaan, die door het wegvallen van de uit het ontslagen ambt verkregen inkomsten, onherroepelijk dreigt te worden indien verzoeker zou moeten wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. (cfr. RvS 14 maart 2025, nr. 262.612; RvS 28 november 2024, nr. 261.558) 40. Daarenboven berokkent de bestreden beslissing verzoeker onmiskenbaar een morele schandvlek en imagoschade die ontoereikend zouden kunnen worden geremedieerd en derhalve onherroepelijk dreigen te worden indien verzoeker zou moeten wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 XII-10.001-6/27 nietigverklaring. Het is immers aannemelijk dat het bestreden ontslag om tuchtredenen verzoekers beroepsgeschiedenis negatief kleurt en een ernstige schandvlek op hem legt, alsook dat de aldus door de tenuitvoerlegging van het ontslag om tuchtredenen veroorzaakte morele schade, onherroepelijk dreigt te worden indien verzoeker zou moeten wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. (cfr. RvS 14 maart 2025, nr. 262.612; RvS 10 september 2021, nr. 251.455) De opmerking van de verwerende partij dat de morele schandvlek in wezen zou volgen uit de definitieve strafrechtelijke uitspraak over de weerhouden tenlastelegging, doet niet anders oordelen. Het is pas met de thans bestreden beslissing dat daadwerkelijk wordt geoordeeld dat de aan verzoeker verweten gedragingen van dusdanige aard zijn dat een ontslag van ambtswege zich opdringt. 41. Voormelde vaststellingen volstaan (reeds) om te besluiten dat in dit geval aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan, zoals terecht niet wordt betwist door de verwerende partij.” 9. De verwerende partij betwist terecht niet dat aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat verzoeker aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 10. In het verzoekschrift voert verzoeker in het eerste middel de schending aan van artikel 20 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet) samen gelezen met artikel 23 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: wet van 7 december 1998) en artikel 58 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur). XII-10.001-7/27 Hij vat het eerste middel als volgt samen: “Verzoeker meent dat de burgemeesters welke het politiecollege vormen onbevoegd waren als burgemeester om het politiecollege te vormen en waardoor het politiecollege onbevoegd en dus onregelmatig was samengesteld en op haar beurt onbevoegd tot handelen.” Uit de toelichting bij het middel blijkt dat verzoeker in wezen aanvoert dat het politiecollege onregelmatig is samengesteld, omdat de twee burgemeesters die er deel van uitmaken, werden benoemd door de Vlaamse minister van Binnenland, Steden- en Plattelandsbeleid, Samenleven, Integratie en Inburgering, Bestuurszaken, Sociale Economie en Zeevisserij, terwijl zij hadden moeten worden benoemd door de Vlaamse regering. Volgens verzoeker verleent het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2024 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering’ (hierna: besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024) enkel delegatie voor het nemen van beslissingen voor de toepassing van onder meer besluiten van de Vlaamse Regering, doch niet voor het nemen van besluiten van de Vlaamse regering. Beoordeling 11. Artikel 20 van de tuchtwet luidt: “De hogere tuchtoverheid is: 1° wat de personeelsleden van de lokale politie betreft:

  1. a)voor de leden van het kader van agenten van politie, het basis- en middenkader, de officieren niet bedoeld onder b), en alle personeelsleden van het administratief en logistiek kader: de burgemeester of naargelang van het geval, het politiecollege. Voor de officieren niet bedoeld onder b), kan de burgemeester op het politiecollege op elk ogenblik van de procedure beslissen de zaak voor bevoegdheid over te dragen aan de minister van Binnenlandse Zaken;
  2. b)voor de hogere officieren en de korpschef: de minister van Binnenlandse Zaken; […]” Artikel 23 van de wet van 7 december 1998 luidt: “Het politiecollege wordt gevormd door de burgemeesters van de verschillende gemeenten die de meergemeentenzone vormen. Het mandaat van lid van het politiecollege vangt aan op het ogenblik van de eedaflegging als burgemeester. […]” XII-10.001-8/27 Artikel 58 van het decreet lokaal bestuur luidt: “§1. Met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in artikel 13 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie met de meeste zetels in de gemeenteraad behoort, door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als verschillende coalitiefracties het hoogste aantal zetels hebben, wordt de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie behoort waarvan de lijst het hoogste stemcijfer heeft behaald, door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester Als de verkozenen van de coalitiefracties met het hoogste aantal zetels verkozen zijn op dezelfde lijst conform artikel 36, §2, van dit decreet, en als die lijst het hoogste stemcijfer heeft behaald, wordt de verkozene voor de gemeenteraad van die lijst met het hoogste aantal naamstemmen door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als twee verkozenen van de grootste coalitiefractie een gelijk hoogste aantal naamstemmen hebben behaald, is de kandidaat die het hoogst gerangschikt stond op de lijst, de aangewezen burgemeester. Tot de eerstvolgende vernieuwing van de gemeenteraad wordt een fractie geacht hetzelfde aantal leden te behouden voor wat betreft het gewicht van de fracties en de daaruit volgende benoeming van de burgemeester. In het geval van verkiezing zonder stemming, is de hoogst gerangschikte kandidaat op de lijst met het hoogste aantal zetels de aangewezen burgemeester. Vanaf de installatie van de schepenen is het raadslid waarvan sprake in het eerste lid aangewezen-burgemeester, draagt het de titel van ‘aangewezen-burgemeester’ en oefent het alle functies uit die aan de burgemeester worden toevertrouwd. De aangewezen-burgemeester wordt niet als schepen vervangen, indien hij als schepen werd verkozen. […] De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de al dan niet benoeming tot burgemeester nadat de aangewezen-burgemeester de eed heeft afgelegd en zij daarvan in kennis is gesteld door de gemeenteraad. In geval van benoeming tot burgemeester, kan hij als schepen worden vervangen conform artikel 49, §1. […]” 12. Uit de toepassing van artikel 20 van de tuchtwet en artikel 23 van de wet van 7 december 1998 op de voorliggende casus volgt prima facie dat in de lokalepolitiezone, die een meergemeentenzone is, op grond van artikel 20, 1°, a), van de tuchtwet het politiecollege de bevoegde hogere tuchtoverheid is ten aanzien van verzoeker, bekleed met de graad van (eerste) inspecteur van politie, alsook dat het politiecollege bestaat uit de burgemeesters van de twee gemeenten die samen de meergemeentezone vormen. Verzoeker betwist niet dat de bestreden beslissing uitgaat van het politiecollege noch dat het politiecollege is samengesteld uit de burgemeesters van de gemeenten die de meergemeentezone vormen. In de mate dat verzoeker de XII-10.001-9/27 schending aanvoert van artikel 20 van de tuchtwet en artikel 23 van de wet van 7 december 1998, is het middel derhalve prima facie niet ernstig. 13. Wat verzoeker wel betwist, is dat de burgemeesters die op het ogenblik van de bestreden beslissing in het politiecollege zetelden, wettig waren benoemd. Volgens verzoeker konden zij niet wettig door de Vlaamse minister bevoegd voor onder meer Binnenland worden benoemd, maar dienden zij door de Vlaamse regering te zijn benoemd. 14. Daargelaten of de wettigheid van de benoemingen van de burgemeesters die deel uitmaken van het politiecollege thans nog in het kader van een beroep tegen een beslissing van het politiecollege kan worden betwist – een vraag die in het kader van deze prima facie beoordeling geen antwoord behoeft – mist het middel prima facie juridische grondslag. 15. Volgens artikel 21, eerste lid, van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 ‘over de Vlaamse instellingen’ (hierna: bijzonder decreet van 7 juli 2006) regelt de Vlaamse Regering haar werkwijze, “[o]nverminderd de bepalingen van dit bijzonder decreet en van de bijzondere wet”, waarbij onder “de bijzondere wet” luidens artikel 2 van hetzelfde bijzonder decreet moet worden verstaan “de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen”. Artikel 22 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 luidt: “Onverminderd de door haar toegestane delegaties, beraadslaagt de Vlaamse Regering collegiaal, volgens de procedure van consensus, over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren.” Deze bepaling bevestigt het principe dat onder meer de gewestregeringen collegiale organen zijn en dat, in beginsel, beslissingen over alle zaken die tot hun bevoegdheid behoren, door de regering moeten worden genomen. De individuele regeringsleden hebben, eveneens in beginsel, alleen de bevoegdheid om die beslissingen voor te bereiden en uit te voeren; zij hebben in principe geen beslissingsmacht. Gelet op het eerste zinsdeel van de voormelde bepaling, geldt dit evenwel “[o]nverminderd de door haar toegestane delegaties”. De individuele regeringsleden hebben met andere woorden beslissingsbevoegdheid in de mate dat ze over door de Vlaamse Regering toegestane delegaties beschikken. XII-10.001-10/27 16. Wat de regeerperiode betreft die te dezen aan de orde is, worden de delegaties geregeld door het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024. Artikel 1, §§ 1 en 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024 luidt: “§ 1. Elk lid van de Vlaamse Regering oefent de beslissingsbevoegdheden die bij dit besluit worden gedelegeerd, uit in de aangelegenheden die hem of haar zijn toegewezen. De delegaties, vermeld in dit besluit, gelden ook voor beslissingen die betrekking hebben op aangelegenheden die aan verschillende leden van de Vlaamse Regering zijn toegewezen, en dus samen moeten worden genomen. § 2. De beslissingsbevoegdheden die bij dit besluit worden gedelegeerd, worden uitgeoefend binnen de perken en met inachtneming van de voorwaarden en modaliteiten die zijn vastgelegd in wetten, decreten, besluiten en omzendbrieven. Als in dit besluit de beslissingsbevoegdheid voor bepaalde aangelegenheden expliciet gedelegeerd wordt, strekt de delegatie zich ook uit tot: 1° de beslissingen die moeten worden genomen in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de bedoelde aangelegenheden; 2° de beslissingen van ondergeschikt belang of aanvullende aard die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheid of er inherent deel van uitmaken; 3° het sluiten van overeenkomsten.” Artikel 2, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024 luidt: “De leden van de Vlaamse Regering hebben delegatie voor: 1° het nemen van beslissingen voor de toepassing van de verdragen, EU- verordeningen, samenwerkingsakkoorden, wetten, decreten, verordeningen, koninklijke besluiten, besluiten van de Vlaamse Regering en ministeriële besluiten”. Uit deze bepalingen volgt prima facie dat een Vlaams minister bevoegd is om beslissingen te nemen voor de toepassing van onder meer de decreten en besluiten van de Vlaamse Regering, wanneer het gaat om een aangelegenheid die de minister is toegewezen. Blijkens het te dezen toepasselijke artikel 4, § 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2024 ‘tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering’ is Vlaams minister Hilde Crevits - auteur van de beslissingen tot benoeming van de betrokken burgemeesters - bevoegd voor “het beleidsveld Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid, vermeld in artikel 3 van het organisatiebesluit”. Met “organisatiebesluit” wordt luidens artikel 1, tweede lid, van voormeld besluit XII-10.001-11/27 bedoeld het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 ‘met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie’ (hierna: besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005). Onder dit beleidsveld vallen, overeenkomstig artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005, onder meer “de binnenlandse aangelegenheden, vermeld in artikel 6, § 1, VIII van de bijzondere wet”, waarbij onder “de bijzondere wet” luidens artikel 1, 1° van het voormelde besluit moet worden verstaan “de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen”. Luidens artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, van deze bijzondere wet zijn de gewesten bevoegd voor “de samenstelling, organisatie, bevoegdheid en werking van de provinciale en gemeentelijke instellingen en van de bovengemeentelijke besturen […]”, waarop verder enkele uitzonderingen zijn bepaald. De decreetgever heeft deze bevoegdheid onder meer uitgeoefend middels het decreet lokaal bestuur. Uit wat voorafgaat, volgt prima facie dat het, samenvattend, tot de bevoegdheid van de Vlaamse minister bevoegd voor onder meer Binnenland behoort om – alleen – beslissingen te nemen over het al dan niet benoemen van de burgemeesters, zoals bedoeld in artikel 58 van het decreet lokaal bestuur. In tegenstelling tot wat verzoeker aanneemt, beperkt de verleende delegatie zich dus niet tot de loutere toepassing of uitvoering van beslissingen van de Vlaamse regering, maar omvat zij wel degelijk ook de beslissingen voor de toepassing van decreten, zoals artikel 58 van het decreet lokaal bestuur. In de mate dat het de schending van artikel 58 van het decreet lokaal bestuur aanvoert, is het eerste middel derhalve evenmin ernstig. 17. Uit wat voorafgaat, volgt dat het eerste middel niet ernstig is. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 18. In het verzoekschrift voert verzoeker in het tweede middel in hoofdorde de schending aan van artikel 45 van de tuchtwet en in subsidiaire orde de schending van de redelijketermijneis. XII-10.001-12/27 Hij vat het tweede middel als volgt samen: “verzoeker meent dat art. 45 tuchtwet politie is geschonden, minstens dat de redelijke termijn is geschonden derwijze de tuchtoverheid niet langer bevoegd was tot het treffen van de bestreden beslissing, de redelijke termijn is geschonden gelet op een onoorbare vertraging in de afhandeling op niveau van de Tuchtraad.” Verzoeker verduidelijkt dat hij de Tuchtraad heeft gevat middels een verzoek tot heroverweging verzonden op 2 mei 2025 en hij slechts op 3 september 2025 werd opgeroepen om voor de Tuchtraad te verschijnen op 15 oktober 2025. Luidens artikel 45 van de tuchtwet had verzoeker uiterlijk op de zestigste dag nadat hij de zaak aanhangig had gemaakt voor de Tuchtraad moeten verschijnen, terwijl dit in werkelijkheid meer dan vijf maanden later was. In hoofdorde voert verzoeker aan dat de termijn vervat in artikel 45 van de tuchtwet een vervaltermijn is, die werd overschreden, zodat de tuchtprocedure niet meer kon worden verder gezet. In subsidiaire orde voert verzoeker aan dat de redelijketermijneis is geschonden, daar ingevolge de vertraging in de oproeping voor de Tuchtraad de globale behandelingsduur van de tuchtprocedure vanaf het inleidend verslag van 13 maart 2025 onredelijk is vertraagd. Ook het einde van de tuchtprocedure heeft alzo onredelijk lang op zich laten wachten. Beoordeling 19. Artikel 45 van de tuchtwet luidt: “Het betrokken personeelslid wordt door de voorzitter van de kamer opgeroepen om voor de tuchtraad te verschijnen, uiterlijk op de zestigste dag nadat het personeelslid overeenkomstig artikel 51bis, de zaak bij de tuchtraad aanhangig heeft gemaakt. Een afschrift van de oproeping wordt aan de algemene inspectie en aan de tuchtoverheid waarvan de beslissing aangevochten wordt verstuurd. […]” Uit de parlementaire voorbereiding van de tuchtwet blijkt dat de termijn van zestig dagen werd ingevoegd bij amendement. De indieners achtten het “aangewezen in een strikte termijn te voorzien, teneinde ervoor te zorgen dat de procedure voor de tuchtraad binnen een redelijke termijn aanvangt” (amendement nr. 41, KAMER, 1998-1999, 2 maart 1999, nr. 1965/3, 15). De parlementaire XII-10.001-13/27 bespreking van dat amendement wordt in het verslag van de commissie als volgt weergegeven: “De heren de Donnéa en Reynders dienen een amendement nr 41 (stuk nr 1965/3) in ertoe strekkend te voorzien in een termijn waarbinnen het betrokken personeelslid voor de tuchtraad moet verschijnen (namelijk binnen de zestig dagen nadat de hogere tuchtoverheid de zaak bij de tuchtraad aanhangig heeft gemaakt). Volgens de heer de Donnéa moet er immers, zowel in het belang van het personeelslid als voor de goede werking van de dienst, voor gezorgd worden dat de procedure voor de tuchtraad binnen een redelijke termijn aanvangt. Op de vraag van de minister preciseert de heer de Donnéa dat het hier gaat om een termijn van orde en dat de overschrijding ervan dus niet leidt tot de nietigheid van de handeling. Dit amendement moet de tuchtraad er echter toe aanzetten een aanvaardbare termijn in acht te nemen.” (Verslag namens de tijdelijke commissie belast met het onderzoek van he wetsvoorstel tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, KAMER, 1998-1999, 19 maart 1999, nr. 1965/6, 26) 20. In hoofdorde voert verzoeker aan dat de termijn van zestig dagen bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de tuchtwet een vervaltermijn is. Om uit te maken of een termijn een vervaltermijn of een ordetermijn is, moet rekening worden gehouden met de expliciete of impliciete wil van de normsteller. Wanneer de norm bepaalt dat de beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen op straffe van nietigheid, verval of bevoegdheidsverlies gaat het om een vervaltermijn. In andere gevallen kan de wil van de normsteller blijken uit het doel of de formulering van de termijnstelling. Wanneer de termijn louter door het verstrijken ervan tot doel heeft rechtszekerheid te verschaffen, gaat het om een vervaltermijn. Het doel van de termijn kan men onder meer afleiden uit de ontstaansgeschiedenis of uit de aard van de gevolgen verbonden aan het overschrijden van de termijn. Indien er geen aanduidingen zijn over de wil van de normsteller en aan het verstrijken van de termijn geen gevolgen zijn verbonden, is dit een doorslaggevend argument om de termijn te beschouwen als een ordetermijn. 21. Te dezen blijkt uit artikel 45, eerste lid, van de tuchtwet niet dat aan het overschrijden van de erin vervatte termijn enige sanctie of gevolg is gekoppeld. De parlementaire voorbereiding leidt tot dezelfde conclusie. Er blijkt XII-10.001-14/27 daarentegen uit dat de wetgever tot doel had een ordetermijn in te voeren, ten einde de procedure voor de Tuchtraad binnen een redelijke termijn te doen aanvangen. Bijgevolg wordt prima facie vastgesteld dat de termijn van zestig dagen bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de tuchtwet een ordetermijn is, zodat de overschrijding ervan niet ipso facto tot de onwettigheid van de bestreden beslissing leidt. In de mate dat het tweede middel aanvoert dat de termijn van zestig dagen bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de tuchtwet een vervaltermijn is, is het niet ernstig. 22. In subsidiaire orde meent verzoeker dat de redelijketermijneis is geschonden ingevolge de overschrijding van de termijn bepaald in artikel 45, eerste lid, van de tuchtwet. 23. Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat de tuchtoverheid, wanneer, zoals te dezen, haar in de regelgeving daarvoor geen specifieke termijn is opgelegd, de tuchtprocedure tegen het betrokken personeelslid afhandelt binnen een redelijke termijn. Die termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat het betrokken personeelslid ervan op de hoogte wordt gebracht dat hem mogelijk tuchtfeiten ten laste worden gelegd en eindigt met het nemen en ter kennis brengen van de tuchtstraf. De redelijkheid van de termijn voor het afhandelen van de tuchtprocedure moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen. De verplichting om een tuchtzaak zonder verwijl af te handelen, houdt niet alleen verband met het beëindigen van de onzekerheid waarin een tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich bevindt, maar ook met de ordentelijke werking van de dienst, die vereist dat elke verstoring van de orde zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Als een redelijke termijn wordt beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak haar beslag te geven. Daarbij komt dat de redelijkheid van de termijn in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. XII-10.001-15/27 De vraag of een tuchtprocedure binnen een redelijke termijn is afgehandeld, moet in de eerste plaats in globo worden onderzocht, rekening houdend met de reglementair voorgeschreven procedurestappen en met de feitelijke stappen tijdens de besluitvorming vereist voor een zorgvuldig onderzoek, zoals het stellen van onderzoeksdaden. Een onderzoek van elk van die onderscheiden fasen en de al dan niet gegeven verantwoording voor de duur ervan, kan dan nodig zijn om tot een besluit te komen over het al dan niet redelijke karakter van het volledige tijdsverloop. Wanneer het totale tijdsbeslag op zich niet ervan doet blijken dat de redelijketermijneis geschonden is, kan die schending vervolgens toch blijken uit een onverantwoord lang stilzitten van het bestuur tijdens de ene of andere fase van de tuchtprocedure. Daartoe moet verzoeker evenwel aantonen dat hij wegens dit stilzitten een nadeel heeft geleden, bijvoorbeeld dat getuigen niet meer (betrouwbaar) ondervraagd konden worden, precies omwille van dit tijdsverloop. Hij moet, met andere woorden, aantonen dat de in die fase opgelopen vertraging niet is goedgemaakt door de afdoend snelle afhandeling van de totale procedure, in haar geheel beschouwd. 24. Te dezen is voor de verwerende partij de redelijke termijn voor de afhandeling van de tegen verzoeker ingeleide tuchtprocedure aangevangen met de kennisgeving van het inleidend verslag van 13 maart 2025. De op 13 maart 2025 ingeleide tuchtprocedure is afgesloten met de thans bestreden beslissing van de hogere tuchtoverheid van 19 november 2025. De tuchtprocedure heeft aldus iets meer dan acht maanden in beslag genomen. Verzoeker zet niet uiteen waarom deze termijn in globo de redelijketermijneis zou schenden. 25. Volgens verzoeker is de overschrijding van de termijn om voor de Tuchtraad te verschijnen onredelijk. Hij voert aldus de schending van de redelijketermijneis aan in een specifieke fase van de tuchtprocedure. De overschrijding van de termijn om voor de Tuchtraad te verschijnen, bedraagt ongeveer drie en een halve maand. Nog daargelaten of deze termijnoverschrijding op zich als onredelijk kan worden beschouwd – temeer daarin de twee zomervakantiemaanden zijn vervat – maakt verzoeker prima facie niet aannemelijk dat hij wegens dit stilzitten enig nadeel heeft geleden of zijn belangen anderszins zijn aangetast. XII-10.001-16/27 26. In de mate dat verzoeker aanvoert dat door de voormelde vertraging ook het “finaal einde” van de tuchtprocedure – zijnde de bestreden beslissing – onredelijk lang op zich heeft laten wachten, stelt de Raad van State prima facie het volgende vast. Nadat verzoeker op 15 oktober 2025 voor de Tuchtraad is verschenen, werd de zaak door de Tuchtraad meteen in beraad genomen. Het advies werd door de Tuchtraad verleend ruim binnen de daartoe in artikel 53 van de tuchtwet voorziene termijn. De Tuchtraad lijkt daarmee een inspanning te hebben geleverd om de overschrijding van de termijn om voor de Tuchtraad te verschijnen, enigszins te compenseren. Een totale behandelingsduur van iets meer dan zes maanden voor de fase van de tuchtprocedure voor de Tuchtraad is geenszins onredelijk en verzoeker voert dat overigens ook niet aan. Vervolgens heeft de hogere tuchtoverheid reeds de negende dag na het advies van de Tuchtraad de bestreden beslissing genomen, terwijl zij daartoe luidens artikel 55 van de tuchtwet over een ordetermijn van dertig dagen beschikt, in de hypothese, zoals te dezen, dat zij het advies van de Tuchtraad volgt. Prima facie kan verzoeker dan ook niet worden gevolgd in het standpunt dat de overschrijding van de termijn om voor de Tuchtraad te verschijnen, tot gevolg heeft gehad dat ook de bestreden beslissing onredelijk lang op zich heeft laten wachten. 27. Uit wat voorafgaat, volgt dat het tweede middel niet ernstig is. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 28. In het verzoekschrift voert verzoeker in het derde middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij vat het derde middel als volgt samen: “verzoeker meent dat het ondeugdelijk is van de tuchtoverheid om haar oordeelsvorming te steunen op nota integraal alcohol- en drugbeleid gelet zij niet met de nodige zorgvuldigheid heeft overwogen of de opvolging welke in deze nota is voorzien geen ander soelaas kon bieden dan de tuchtprocedure.” XII-10.001-17/27 Verzoeker licht toe dat in de nota “integraal alcohol- en drugbeleid” van de politiezone onder het luik “opvolging” is voorzien dat bij een eenmalig feit, zoals te dezen, een functioneringsnota en een strikte opvolging een oplossing voor het probleem kan zijn. Gelet op de zorgvuldigheidsplicht bij de voorbereiding van de beslissing om een personeelslid tuchtrechtelijk te vervolgen, moest de tuchtoverheid oog hebben voor deze nota en minstens de afweging maken of te dezen tuchtvervolging wel gepast was en of zich niet eerder een functioneringsnota en strikte opvolging opdrong. Beoordeling 29. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. 30. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 XII-10.001-18/27 beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten, die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 31. In het derde middel viseert verzoeker de verwijzing in de bestreden beslissing naar de nota “integraal alcohol- en drugbeleid” van de politiezone. Het middel komt er in essentie op neer dat de tuchtoverheid ten onrechte zonder meer steunt op die nota en onzorgvuldig is geweest, door niet af te wegen of de opvolging voorzien in die nota niet meer soelaas kon bieden dan een tuchtprocedure. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. 32. De door verzoeker geviseerde verwijzing in de bestreden beslissing naar de nota “integraal alcohol- en drugbeleid” situeert zich onder de titel “[k]walificatie als tuchtfeit”. Artikel 3 van de tuchtwet luidt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij feiten en onachtzaamheden gepleegd door XII-10.001-19/27 politieambtenaren als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Uit de enkele lezing van artikel 3 van de tuchtwet volgt dat elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, een tuchtvergrijp kan uitmaken. Het loutere feit van tekort te komen aan de beroepsplichten of de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is bijgevolg in rechte voldoende opdat tuchtrechtelijk kan worden ingegrepen. Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht het bestuur om de tuchtprocedure binnen een bepaalde termijn op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. 33. Te dezen heeft de hogere tuchtoverheid op 13 maart 2025 de tuchtprocedure ingeleid met een inleidend verslag waarin het volgende tuchtvergrijp ten laste wordt gelegd: “Het op het grondgebied van de PZ Demerdal-DSZ op 14 april 2022 bij de heer [R.V.], een lokale drugsdealer, aankopen en in het bezit hebben van een onbepaalde hoeveelheid cocaïne zoals definitief voor bewezen gehouden in het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 13 januari 2025 hetgeen een vertrouwens- en veiligheidsrisico inhoudt voor het uitoefenen van de functie van politieambtenaar.” Dit tuchtvergrijp werd in het inleidend verslag op grond van de volgende formele motivering als een tuchtvergrijp gekwalificeerd: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf. Het is - in de eerste plaats - aan de tuchtoverheid om te oordelen of de feiten waarvan het bestaan genoegzaam vaststaat al dan niet als een tuchtfeit te beschouwen zijn. Binnen de PZ Demerdal-DSZ gelden de volgende waarden: […] De feiten lijken als ernstig tuchtvergrijp te kunnen worden gekwalificeerd die een ernstige tekortkoming inhoudt aan de beroepsverplichtingen en onverenigbaar is met de waardigheid van het ambt. Artikel 51, Wet RPol schrijft voor dat elk personeelslid is onderworpen aan de Deontologische code van de politiediensten. Voor zover als nodig kan aanvullend nog worden verwezen naar de volgende bepalingen uit de Deontologische code van de politiediensten 10 mei 2006: […] In de interne dienstnota ‘Integraal alcohol- en drugbeleid’ van 06 november 2015 staan de volgende uitdrukkelijke richtlijnen: ‘… 2. Regelgeving ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 XII-10.001-20/27 a. Illegale drugs i. De regels beschreven in het strafwetboek, en bijzondere wetten gelden hier integraal. ii. Zowel op het werk als in de privésfeer geldt voor de medewerkers een absoluut verbod tot het binnenbrengen, bezit, gebruik, bewaren, verkoop of verdelen van illegale drugs. iii. Dit standpunt staat los van het maatschappelijk debat en het geldende vervolgingsbeleid door het openbaar ministerie. Een zeer concreet voorbeeld: de politiezone kan niet aanvaarden dat haar medewerkers cannabis zouden gebruiken in privéomstandigheden. (…) 3. Procedures a. Illegale drugs i. Conform het strafrecht geldt een absoluut verbod. Bij vaststelling of kennisname van drugsfeiten wordt een proces-verbaal opgemaakt. ii. Statutaire medewerkers zullen bij dergelijke feiten het voorwerp uitmaken van een tuchtprocedure. Contractuele medewerkers stellen zich bloot aan een ontslag wegens dringende reden. ...’ In het Zonaal Veiligheidsplan 2020-2025 is de strijd tegen ‘de lokale drugshandel’ als een prioriteit aangemerkt. Zowel het bestrijden van overlast naar aanleiding van drugsgebruik als het beheersen van het fenomeen drugs vormen prioritaire doelstellingen naar aanleiding van een stijgend aantal geregistreerde feiten: […]” In het verzoekschrift betwist verzoeker noch de materiële grondslag van het tuchtvergrijp noch de kwalificatie ervan als tuchtvergrijp. Verzoeker betwist voor de Raad van State met andere woorden niet dat de ten laste gelegde feiten werden begaan noch dat ze als een tuchtvergrijp kunnen worden gekwalificeerd. In die omstandigheden behoort het prima facie tot de discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid om daarvoor een tuchtprocedure in te leiden en een tuchtsanctie op te leggen. De zorgvuldigheidsplicht reikt prima facie niet zo ver dat de tuchtoverheid bovendien, voorafgaand aan het inleiden van de tuchtprocedure, de afweging moet maken of de feiten – die zij meent te kunnen bewijzen, kwalificeren als een tuchtvergrijp en toerekenen aan het personeelslid in kwestie – niet op een andere manier kunnen of moeten worden geremedieerd, laat staan dat zij daarbij bepaalde elementen in overweging zou moeten nemen. 34. Ook de verwijzing naar het luik “opvolging” van de nota “integraal alcohol- en drugbeleid” doet prima facie niet anders oordelen. Verzoeker toont immers prima facie niet aan dat de tuchtoverheid op grond van deze nota ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 XII-10.001-21/27 ertoe gehouden zou zijn om voorafgaand aan het inleiden van de tuchtprocedure de afweging te maken of een functioneringsnota in combinatie met een strikte opvolging geen betere oplossing was om de vastgestelde feiten te remediëren. Integendeel blijkt uit voormeld luik “opvolging” expliciet dat, naast de voorziene mogelijkheden tot opvolging, “[e]en tuchtprocedure […] hierbij niet [kan] uitgesloten worden”. 35. Uit wat voorafgaat, volgt dat het derde middel niet ernstig is. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 36. In het verzoekschrift voert verzoeker in het vierde middel in hoofdorde de schending aan van de formelemotiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), subsidiair van de materiëlemotiveringsplicht, alsook van het recht van verdediging. Hij vat het vierde middel als volgt samen: “Verzoeker ent dit middel op het feitelijk gegeven dat bij de bestreden beslissing is geoordeeld dat de tuchtstraf het ontslag van ambtswege ingaat op 25 oktober 2022, aldus retroactief als zijnde de datum van ingang van de opgelegde ordemaatregel voorlopige schorsing (met verlies van wedde). Alwaar dit tevoren nooit aan de orde is geweest lopende de tuchtprocedure, de tuchtoverheid nooit haar intentie of voorstel dienaangaande heeft tot uiting gebracht en dit gegeven nooit voorwerp is geweest van debat.” Verzoeker licht toe dat artikel 65 van de tuchtwet slechts de mogelijkheid biedt om terugwerkende kracht te verlenen aan de tuchtstraf, zodat de tuchtoverheid hierover moet oordelen en de beslissing desbetreffend afdoende formeel gemotiveerd moet zijn, wat volgens verzoeker te dezen niet het geval is. Ondergeschikt voert verzoeker aan dat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden, omdat noch artikel 65 van de tuchtwet noch de feitelijke vaststelling dat de tuchtstraf aansluit op een telkens verlengde voorlopige schorsing een XII-10.001-22/27 “deugdelijke kracht” vormen om daadwerkelijk te beslissen tot het opleggen van de tuchtstraf met terugwerkende kracht. Het recht van verdediging acht verzoeker geschonden, daar doorheen de tuchtprocedure nooit gewag werd gemaakt van de intentie om terugwerkende kracht te verlenen aan de tuchtstraf, zodat verzoeker nooit enig verweer desbetreffend heeft kunnen voeren. Beoordeling 37. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Hoewel de formelemotiveringsplicht de tuchtoverheid er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door de politieambtenaar tijdens de tuchtprocedure opgeworpen argumenten, moet uit haar beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Hieruit volgt dat de tuchtoverheid niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten, noch moet elk argument van verzoeker uitdrukkelijk worden weerlegd. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. XII-10.001-23/27 Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. 38. De draagwijdte van de materiëlemotiveringsplicht werd hiervoor uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 29). 39. In deze context houdt het recht van verdediging in dat in principe niets wat medebepalend kan zijn voor de beslissing van de bevoegde overheid aan het op tegenspraak gevoerde debat onttrokken mag blijven. 40. Artikel 65 van de Tuchtwet luidt : “Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald. Indien in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in weddeschaal, ontslag van ambtswege of afzetting opgelegd wordt, dan heeft de tuchtstraf uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de voorlopige schorsing is ingegaan; het bedrag van de tijdens de voorlopige schorsing eventueel ingehouden wedde wordt in mindering gebracht op het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf; indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.” Voormeld artikel 65 van de tuchtwet heeft tot doel aan te geven “hoe [de] voorlopige schorsing na afloop van de tucht- of strafprocedure moet worden verrekend” (Memorie van toelichting, KAMER 1998-1999, 4 februari 1999, nr. 1965/1, 21). De voorlopige schorsing is immers een tijdelijke, bewarende ordemaatregel, die noodzakelijk moet resulteren, hetzij in een tuchtstraf, hetzij in een beslissing waarbij de voorlopige schorsing wordt beëindigd. Wordt een lichte tuchtstraf, geen tuchtstraf of niet aansluitend een tuchtstraf opgelegd, dan wordt de voorlopige schorsing ongedaan gemaakt. Indien daarentegen de voorlopige schorsing “aansluitend” wordt gevolgd door een zware tuchtstraf, geeft deze tuchtstraf een definitieve rechtsgrond aan de voorlopige schorsing. Dat de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 XII-10.001-24/27 terugwerkende kracht van een zware tuchtstraf het logische uitvloeisel vormt van de voorlopige schorsing, blijkt prima facie uit zowel de bewoordingen van artikel 65 van de tuchtwet – “ten vroegste” – als uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling waarin wordt overwogen dat “[w]anneer het ambtshalve ontslag of de afzetting wordt uitgesproken […]de wedde of het weddegedeelte dat aan betrokkene werd betaald gedurende de periode van schorsing, niet [zal] worden teruggevorderd” (Memorie van toelichting, KAMER 1998-1999, 4 februari 1999, nr. 1965/1, 21). De vraag of de gedurende de periode van schorsing uitbetaalde wedde kan worden teruggevorderd, rijst immers enkel in de hypothese dat aan de tuchtstraf terugwerkende kracht wordt verleend. 41. De bestreden beslissing legt de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op met uitwerking vanaf 25 oktober 2022, zijnde de datum waarop de voorlopige schorsing is ingegaan. Daargelaten of het gegeven dat de tuchtstraf met terugwerkende kracht wordt opgelegd wel onder de toepassing valt van de wet van 29 juli 1991 – een vraag die in het kader van deze prima facie beoordeling onbeantwoord mag blijven – volgt uit wat voorafgaat dat die terugwerkende kracht in de lijn der verwachting ligt. De bestreden beslissing verwijst expliciet naar artikel 65, tweede lid, van de tuchtwet en zet uiteen dat aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan. Dit volstaat te dezen prima facie ter formele motivering van de terugwerkende kracht van de opgelegde tuchtstraf. 42. In de mate dat verzoeker de schending aanvoert van de materiëlemotiveringsplicht, stelt de Raad van State prima facie vast dat de bestreden beslissing verwijst naar de bepaling uit de tuchtwet waaruit de terugwerkende kracht volgt en uiteenzet dat aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling is voldaan. Verzoeker zet voorts niet uiteen uit wat zou blijken dat de bestreden beslissing daarbij niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens of die niet correct heeft beoordeeld, en alzo niet binnen de perken van de redelijkheid tot de terugwerkende tracht van de tuchtstraf kon besluiten. Prima facie toont verzoeker geen schending van de materiëlemotiveringsplicht aan. XII-10.001-25/27 43. In de mate dat verzoeker de schending van het recht van verdediging aanvoert, brengt de Raad van State in herinnering dat het recht van verdediging te dezen impliceert dat niets wat medebepalend kan zijn voor de beslissing van de bevoegde overheid aan het op tegenspraak gevoerde debat onttrokken mag blijven. Gelet op artikel 65, tweede lid, van de Tuchtwet wist verzoeker of had hij moeten weten dat de tuchtstraf met terugwerkende kracht kon worden opgelegd, en meer nog, dat dit in de concrete omstandigheden van de zaak zelfs in de lijn der verwachting lag. Niets belette verzoeker om die terugwerkende kracht in zijn verweer voor de hogere tuchtoverheid of in het kader van zijn verzoek tot heroverweging te betrekken en desgevallend te pleiten voor het milderen van de toepassing van artikel 65, tweede lid, van de tuchtwet. Voorts maakt verzoeker prima facie niet aannemelijk dat het recht van verdediging inhoudt dat hij op voorhand moest worden gewezen op de terugwerkende kracht van de voorgestelde tuchtstraf of dat hij uitdrukkelijk moest worden uitgenodigd zich daarover te verweren. Van een schending van het recht van verdediging is derhalve prima facie evenmin sprake. 44. Uit wat voorafgaat, volgt dat het vierde middel niet ernstig is. VII. Conclusie 45. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-10.001-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Ann Coolsaet XII-10.001-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.