← België

Arrest 266151 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 24/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:

§ 6, § 8 en § 9.” Artikel II.246, §§ 1 tot 9, CHO luidt: “§ 1.

Voor een student aan wie verplichte remediëring als vermeld in artikel II.188/1, § 3, tweede en derde lid, werd opgelegd, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede, het derde en het vierde lid. Als een student niet heeft deelgenomen aan de hem opgelegde verplichte remediëring, kan de instelling hiermee rekening houden bij zijn deliberatie. Als een student niet heeft deelgenomen aan de hem opgelegde verplichte remediëring, kan de instelling bindende voorwaarden opleggen. Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van deze student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. §

  1. Voor een student in het hoger beroepsonderwijs gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede en het derde lid. Als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten van een oplei- ding van het hoger beroepsonderwijs verworven heeft in een vorig acade- miejaar, kan bij een inschrijving in een opleiding van het hoger beroepson- derwijs aan dezelfde of een andere instelling de instelling aan die student een bindende voorwaarde opleggen. Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van de student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. §
  2. Voor een student die bij elke eerste inschrijving in een bepaalde initiële bacheloropleiding geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen van die inschrijving, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewa- king, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid. Als een student na zijn eerste inschrijving geen creditbewijs of deliberatie- cijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen moet hij deze bij zijn tweede inschrijving in een vol- gend academiejaar in dezelfde opleiding verwerven. Deze bepaling blijft gelden als een student een keuzeopleidingsonderdeel bij zijn tweede in- schrijving heeft vervangen door een ander keuzeopleidingsonderdeel. Deze bepaling geldt niet als een student van afstudeerrichting of van onderwijs- vak als vermeld in artikel II.113, verandert. Als een student niet voldoet aan deze bindende voorwaarde, kan hij zich niet opnieuw inschrijven in de desbetreffende opleiding. Als een student na zijn eerste inschrijving een studierendement behaalt waaruit blijkt dat een volgende inschrijving in deze opleiding geen positief IX-10.658-7/16 resultaat zal opleveren, kan de instelling de inschrijving in dezelfde initiële bacheloropleiding weigeren. De instelling bepaalt autonoom de grens vanaf wanneer een inschrijving kan geweigerd worden en legt dit vast in het on- derwijsreglement. §
  3. Voor een student die niet in een opleiding van het hoger beroepsonder- wijs is ingeschreven, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewa- king, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid. Als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft in een vorig academiejaar, kan bij een nieuwe inschrijving aan een- zelfde of andere instelling de instelling een bindende voorwaarde opleggen. Als een student na twee inschrijvingen voor een opleidingsonderdeel geen creditbewijs of deliberatiecijfer verworven heeft of geen tolerantie ingezet heeft voor het betrokken opleidingsonderdeel, kan een volgende inschrij- ving geweigerd worden of kan bij een nieuwe inschrijving in dezelfde op- leiding aan dezelfde instelling de instelling aan die student een bindende voorwaarde opleggen. Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van deze student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. §
  4. Als uit de gegevens van het individueel dossier van een student blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan een instelling de inschrijving van de student op gemoti- veerde wijze weigeren. §
  5. De bindende voorwaarden die een instelling kan opleggen overeen- komstig dit artikel, worden autonoom bepaald door de instelling. Een in- stelling kan afwijken van het opleggen van een bindende voorwaarde of van het weigeren van een inschrijving van een student overeenkomstig dit artikel indien een student overmacht of bijzondere individuele omstandig- heden kan aantonen. §
  6. De maatregelen van studievoortgangsbewaking worden opgenomen in het onderwijsreglement, evenals de wijze waarop overmacht en bijzondere individuele omstandigheden kunnen worden ingeroepen. §
  7. De student van wie de inschrijving in een bepaalde opleiding is gewei- gerd conform paragraaf 3, derde lid, kan zich opnieuw inschrijven in de- zelfde opleiding als hij na de weigering tot inschrijving een diploma van het hoger onderwijs heeft verworven, of na een wachttijd van zes acade- miejaren die volgen op het academiejaar waarin de inschrijving is gewei- gerd. §
  8. De instelling kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als een student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschikt- heid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem opleidt. De student van wie de stage of het praktische opleidingsonderdeel met toe- passing van het eerste lid is beëindigd, heeft geen recht op een tweede exa- menkans als vermeld in artikel II.
  9. De beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen, wordt omstandig gemotiveerd.” IX-10.658-8/16
  10. Artikel 81, § 1, eerste lid, OER 2024-25 luidt, voor zoveel als hier van belang: “Studenten die oordelen dat een henzelf betreffende ongunstige […] beslis- sing inzake het opleggen van bindende voorwaarden of een weigering tot inschrijving overeenkomstig artikel 24 van onderhavig reglement […] is aangetast door een schending van het recht, kunnen beroep instellen bij de Institutionele Beroepscommissie.” Artikel 24, §§ 1 en 9, OER 2024-25 luidt: “§
  11. Drempelvoorwaarden, bindende voorwaarden en weigering tot in- schrijving bij diplomadoelcontracten: 1° Drempelvoorwaarden bij elke eerste inschrijving in het eerste modeltra- jectjaar van een initiële bacheloropleiding: Als een student:
  12. na de eerste inschrijving geen creditbewijs heeft verworven voor alle opgenomen opleidingsonderdelen van het initieel vakkenpak- ket (cf. artikel 30 § 4, 1°) of
  13. niet werd gedelibereerd voor het eerste deliberatiepakket con- form artikel 67 § 2, moet deze bij de tweede inschrijving in een volgend academiejaar in de- zelfde opleiding of gemeenschappelijk aanloopstuk voor alle resterende op- leidingsonderdelen uit het initieel vakkenpakket dat deze student bij de eer- ste inschrijving opnam en die behoren tot het eerste deliberatiepakket van het voltijdse modeltraject van de bacheloropleiding een credit behalen dan wel gedelibereerd worden. Drempelvoorwaarden bij laattijdige inschrijving of heroriëntering waar- door de student bij de eerste inschrijving in een initiële bacheloropleiding niet alle vakken van het eerste deliberatiepakket kan opnemen: De student moet:
  14. bij de tweede inschrijving in een volgend academiejaar in de- zelfde opleiding of gemeenschappelijk aanloopstuk bovenop het initieel vakkenpakket alle resterende vakken van het eerste delibe- ratiepakket opnemen.
  15. voor deze resterende vakken van de tweede inschrijving binnen de twee inschrijvingsjaren (nl. het jaar van de tweede inschrijving en het daaropvolgende inschrijvingsjaar) een credit behalen dan wel gedelibereerd worden. Als een student niet voldoet aan deze drempelvoorwaarde, wordt een vol- gende inschrijving via een diplomadoelcontract voor dezelfde opleiding, voor het desbetreffende gemeenschappelijk aanloopstuk of voor een in- schrijving via creditdoelcontract voor de betreffende opleidingsonderdelen, geweigerd. IX-10.658-9/16 Deze bepaling blijft gelden als een student een keuzeopleidingsonderdeel bij de tweede inschrijving in dezelfde bacheloropleiding heeft vervangen door een ander keuzeopleidingsonderdeel. Deze bepaling geldt niet wanneer een student van afstudeerrichting of van talencombinatie (binnen de bachelor taal- en letterkunde of bachelor toege- paste taalkunde) verandert. 2° Bindende voorwaarden: Indien de student voor minder dan 50% van de opgenomen studiepunten credits behaalt (d.i. een studierendement van min- der dan 50%), zal bij de eerstvolgende inschrijving voor dezelfde opleiding een bindende voorwaarde worden opgelegd. De studievoortgang wordt af- zonderlijk per opleiding berekend (bv. bachelor, master, schakelpro- gramma …) conform het opleidingsaanbod zoals vastgelegd in artikel
  16. - De inhoud van de bindende voorwaarde wordt bepaald in het On- derwijs- en examenreglement geldig voor het academiejaar waarin de student een volgende keer inschrijft voor dezelfde opleiding. In het academiejaar 2024-25 houdt de bindende voorwaarde in dat de student voor minstens 50% van de opgenomen studiepunten cre- dits moet behalen. De studievoortgang wordt afzonderlijk per op- leiding berekend (bv. bachelor, master, schakelprogramma …) con- form het opleidingsaanbod zoals vastgelegd in artikel
  17. - Wanneer de student vervolgens niet voldoet aan de bovenver- melde bindende voorwaarde, wordt een volgende inschrijving via een diplomadoelcontract voor dezelfde opleiding geweigerd. […] §
  18. Tegen het opleggen van bindende voorwaarden alsook tegen weigering tot inschrijving, kan jaarlijks conform artikel 81 beroep worden aangete- kend bij de Institutionele Beroepscommissie die omwille van overmacht of uitzonderlijke individuele omstandigheden in hoofde van de betrokken stu- dent de inschrijving alsnog kan toestaan. Ingeval de institutionele beroeps- commissie aldus een weigeringsbeslissing ongedaan maakt, kan ze daarbij bindende voorwaarden opleggen.” b. tweede middelonderdeel
  19. In het tweede middelonderdeel van het eerste middel betwist ver- zoekster dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ken- nis mag nemen van het beroep, omdat geen studievoortgangsbeslissing voorligt. Het is passend om dit middelonderdeel eerst te onderzoeken.
  20. In het bestreden arrest heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen over zijn bevoegdheid om kennis te nemen van het geschil het volgende overwogen (voetnoten zijn weggelaten): IX-10.658-10/16 “De Raad beschikt over een toegewezen bevoegdheid. Hij is met name be- voegd om, de teruggave van leerkrediet terzijde gelaten, uitspraak te doen over beroepen die betrekking hebben op ‘studievoortgangsbeslissingen’, zoals omschreven in artikel I.3, 69° CHO. Artikel I.3, 69° CHO bevat een exhaustieve lijst. De Raad is dan ook enkel bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een beslissing die onder één van de categorieën valt die in artikel I.3, 69° CHO opgesomd worden. Eén van deze categorieën is ‘het opleggen van een individuele maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246, §

§ 6, § 8 en § 9 CHO’ (artikel I.3.

69°,

  1. f)CHO). In artikel II.246, § 3, tweede en derde lid CHO zijn vervolgens voor een student die voor de eerste keer ingeschreven is in een initiële bacheloroplei- ding, de volgende maatregelen van studievoortgangsbewaking opgenomen: als een student na zijn eerste inschrijving geen creditbewijs of deliberatie- cijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen, moet hij deze bij zijn tweede inschrijving in een vol- gend academiejaar in dezelfde opleiding verwerven; als een student niet voldoet aan deze bindende voorwaarde, kan hij zich niet opnieuw inschrijven in de desbetreffende opleiding. Deze decretale bepalingen zijn duidelijk en dus niet voor interpretatie vat- baar. Een student die zich in deze situatie bevindt, wordt dus in een tweede academiejaar onderworpen aan een bindende voorwaarde en zal na het tweede academiejaar desgevallend geweigerd worden om opnieuw in te schrijven. Voor zover als nodig stelt de Raad nog vast dat ook de parlementaire voor- bereiding geen enkele indicatie geeft dat, wat de decreetgever in artikel 246, § 3, tweede en derde lid CHO als ‘bindende voorwaarde’ benoemt, daarmee iets anders bedoeld zou worden dan de maatregelen die hij elders in de CHO met ‘bindende voorwaarde’ aanduidt. Dat de ‘drempelwaarde’ of ‘mijlpaal’ die is opgenomen in artikel II.246, § 3, tweede lid CHO, een bindende voorwaarde is, blijkt dan ook uit andere decretale bepalingen. Zo verwijst de decreetgever in artikel II.200, § 6 CHO verschillende keren naar ‘een bindende voorwaarde, als vermeld in artikel II.246, § 1, derde lid, § 3, tweede lid, en § 4, tweede en derde lid’. De hogeronderwijsinstelling stelt vervolgens een onderwijsreglement op dat minstens de interne beroepsprocedure bevat voor het opleggen van een in artikel II.246 CHO bedoelde maatregel van studievoortgangsbewaking (artikel II.221, § 1, 15°,
  2. d)CHO). Uit de artikelen 24, § 9 en 81, § 1 OER van de verwerende partij blijkt dan ook dat tegen het opleggen van een bindende voorwaarde intern beroep kan worden aangetekend. In dit geval tekent de verzoekende partij intern beroep aan tegen de ‘beslis- sing om (haar) voor academiejaar 2024/25 de specifieke voorwaarde op te leggen van 100% studierendement’ […]. Daarmee bedoelt de verzoekende partij de voorwaarde die volgt uit artikel II.246, § 3 CHO. Uit de interne beroepsbeslissing blijkt dat ook de interne beroepsinstantie dit op deze manier heeft begrepen. De verwerende partij bevestigt dit ook tijdens de zitting. IX-10.658-11/16 De interne beroepsinstantie besluit evenwel dat tegen de maatregel van ar- tikel II.246, § 3 CHO die bij de hogeronderwijsinstelling gedefinieerd wordt als ‘drempelvoorwaarde’, geen beroep mogelijk is, omdat: de drempelvoorwaarde geen bindende voorwaarde is zoals bedoeld in de artikelen 24, § 9 en 81, § 1 OER ; en […] Omdat de voorwaarde rechtstreeks voortvloeit uit het decreet en dus geen beslissing is die vatbaar is voor intern beroep, besluit de interne beroepsin- stantie dat het beroep om die reden onontvankelijk is. Het eerste motief kan echter niet standhouden, omdat de ‘drempelvoor- waarde’ wel degelijk een bindende voorwaarde is, zoals de Raad al heeft gesteld. […] Los van de vraag of de bindende voorwaarde in dit geval rechtstreeks volgt uit artikel II.246, § 3 CHO, geldt dat dus ook voor de bindende voorwaarde die de hogeronderwijsinstelling overeenkomstig artikel II.246, § 3, tweede lid CHO aan een student oplegt, omdat ook in dat geval het gaat om een bindende voorwaarde die opgelegd is ‘overeenkomstig’ artikel II.246 CHO. Dat uit artikel II.246, § 6, eerste zin CHO volgt dat de hogeronderwijsin- stelling (andere) bindende voorwaarden overeenkomstig dit artikel auto- noom kan bepalen, doet daar geen afbreuk aan. De interne beroepsinstantie heeft dan ook ten onrechte besloten dat het in- tern beroep onontvankelijk is. De beslissing om de verzoekende partij in te schrijven op grond van artikel II.246, § 3, tweede lid CHO, legt immers wel een bindende voorwaarde op die een aanvechtbare studievoortgangsbeslis- sing is.” 9. De Raad van State valt deze beoordeling volledig bij en maakt ze zich eigen. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen doet overeenkomstig artikel II.285 CHO als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die door studenten worden ingesteld tegen “studievoortgangsbe- slissingen”. Artikel I.3, 69°, f, CHO definieert ‘studievoortgangsbeslissing’ als “het opleggen van een individuele maatregel van studievoortgangsbewaking, be- doeld in artikel II.246, §

§ 6, § 8 en § 9”.

Hieruit volgt dat de decreetgever de maatregelen van studie- voortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246, § 3, CHO óók beschouwt als een ‘individuele maatregel van studievoortgangsbewaking’, die aan de student wordt “opgelegd” en die met toepassing van artikel II.285 CHO onder de IX-10.658-12/16 toetsingsbevoegdheid valt van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen, na uitputting van de interne beroepsprocedure. Dat de decreetgever op het vlak van de beroepsmogelijkheden geen onderscheid heeft willen maken tussen “een maatregel [van studievoortgangs- bewaking] die verplicht wordt opgelegd (decretaal)” en die waarover de hogeron- derwijsinstellingen “autonoom kunnen beslissen er gebruik van te maken in functie van de eigen studentenpopulatie, instellingscontext en -noden en het eigen bege- leidings- en remediëringsbeleid”, vindt ook steun in de parlementaire bespreking: die maatregelen van studievoortgangsbewaking, zonder onderscheid, “blijven stu- dievoortgangsbeslissingen waartegen zowel intern als extern beroep kan worden ingediend door de student” (Parl.St. Vl.Parl. 2021-22, nr. 1337/1, 69 en 72).

  1. Door aan te nemen dat de betrokken maatregel geen maatregel van studievoortgangsbewaking is, omdat ze verplicht wordt opgelegd en dat ze daarom niet vatbaar is voor beroep, faalt het middelonderdeel naar recht. c. eerste middelonderdeel
  2. Ook uit de artikelen 24, § 9, en 81, § 1, OER 2024-25 blijkt vol- gens de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen dat tegen het opleggen van een bindende voorwaarde als bedoeld in artikel II.246, § 3, tweede lid, CHO intern beroep kan worden aangetekend. Volgens verzoekster steunt deze beoordeling op een verkeerde lezing van de genoemde bepalingen van het OER 2024-25, die een onderscheid maken tussen (beroepbare) bindende voorwaarden en (niet-beroepbare) drempel- voorwaarden.
  3. Uit de beoordeling van het tweede middelonderdeel volgt dat de betrokken voorwaarde een maatregel van studiebewaking is waartegen IX-10.658-13/16 overeenkomstig artikel II.285 CHO beroep openstaat bij de Raad voor betwistin- gen inzake studievoortgangsbeslissingen na uitputting van het intern beroep. Verzoeksters lezing van de artikelen 24, § 9, en 81, § 1, OER 2024-25 nodigt de Raad van State uit om hieraan een met de decreetgeving strijdige interpretatie te geven. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen kwalificeert de zogenaamde “drempelvoorwaarde” die volgt uit artikel II.246, § 3, CHO evenwel terecht als een bindende voorwaarde en stelt vast dat tegen bindende voorwaarden overeenkomstig de artikelen 24, § 9, en 81, § 1, van het OER 2024- 25 een georganiseerd beroep open staat. Verzoekster toont niet aan dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet tot deze wetsconforme interpretatie mocht besluiten.
  4. Ook het eerste middelonderdeel kan de nietigverklaring niet ver- antwoorden. d. besluit
  5. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  6. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel II.246, § 6, CHO evenals van artikel II.285, tweede lid iuncto artikel I.3, 69°, f, CHO: “Doordat, eerste onderdeel, het arrest beslist dat artikel II.246 § 6 Codex Hoger Onderwijs de hogeronderwijsinstellingen en dus verzoekster toelaat om in individuele gevallen af te wijken van de toepassing van artikel II.246 IX-10.658-14/16 § 3 al. 2 Codex Hoger Onderwijs in geval van overmacht of bijzondere individuele omstandigheden, terwijl artikel II.246 § 6 Codex Hoger Onderwijs enkel toelaat om af te wijken van het opleggen van een bindende voorwaarde, en dus van een be- slissing van de instelling om een bindende voorwaarde op te leggen. De litigieuze voorwaarde is evenwel niet opgelegd door verzoekster, maar volgt van rechtswege uit de toepassing van artikel II.246 § 3 al. 2 Codex Hoger Onderwijs, en doordat, tweede onderdeel, de Raad zich in het bestreden arrest bevoegd verklaart voor de beslissing om al dan niet een afwijking te verlenen van de toepassing van artikel II.246 § 3 al. 2 Codex Hoger Onderwijs, en derge- lijke beslissing dus beschouwt als een studievoortgangsbeslissing, ander- maal in de zin van artikel I.3, 69° f Codex Hoger Onderwijs, terwijl artikel I.3, 69° Codex Hoger Onderwijs een exhaustieve lijst bevat van beslissingen die als studievoortgangsbeslissingen kunnen worden be- schouwd in de zin van de Codex Hoger Onderwijs. Artikel I.3, 69° f brengt enkel het opleggen van een bindende maatregel onder het begrip ‘studie- voortgangsbeslissing’ maar het [lees: niet] de beslissing om een afwijking toe te staan op de toepassing van rechtswege van artikel II.246, § 3 al. 2 Codex Hoger Onderwijs.” Beoordeling
  7. Anders dan ten tijde van het bodemgeschil, betwist verzoekster in het middel niet langer haar bevoegdheid om ook in geval van een maatregel als bedoeld in artikel II.246, § 3, tweede lid, CHO de toepassing van het decreet te milderen in geval van overmacht of bijzondere individuele omstandigheden.
  8. Bij de beoordeling van het eerste middel, tweede onderdeel, is vastgesteld dat ook de maatregel bedoeld in artikel II.246, § 3, tweede lid, CHO een bindende voorwaarde is, die – weliswaar decretaal verplicht – wordt opgelegd door de onderwijsinstelling. Het eerste onderdeel van het tweede middel, dat uitgaat van een tegenovergesteld standpunt, faalt naar recht.
  9. De bevoegdheid van de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen om kennis te nemen van een beroep tegen een studievoort- gangsbeslissing omhelst ook de bevoegdheid om kennis te nemen van een geschil IX-10.658-15/16 dat de weigering betreft om een dergelijke studievoortgangsbeslissing te nemen of de weigering, te dezen, om zich in het kader van een dergelijke studievoortgangs- beslissing uit te spreken over overmacht of bijzondere individuele omstandigheden die door de student worden ingeroepen en aldus af te wijken van het opleggen van de bindende voorwaarde. Ook het tweede onderdeel van het tweede middel faalt.
  10. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  12. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig maart tweeduizend zesen- twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.658-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.