← België

Arrest 266161 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 24/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 Rolnummer: A. 241898/XII-9716 Zaak: Arrest 266161 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 24/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-18 06:43 Fiche Arrest nr 266.161 van 24 maart 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 no lien 288471 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.161 van 24 maart 2026 in de zaak A. 241.898/XII-9716 In zake : M.R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Renette kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 15 bus 1.

  1. bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 10 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het departement Zorg van de Vlaamse overheid, afdeling Vlaamse Zorgkas en Zorgberoepen van 10 april 2024 waarbij de aanvraag van verzoeker tot erkenning als arts-specialist in de gynaecologie- verloskunde wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 260.770 van 24 september 2024 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-9716-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari
  4. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans Van Rompaey, die loco advocaat Steven Renette verschijnt voor verzoeker en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. In het arrest nr. 260.770 van 24 september 2024, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: XII-9716-2/15 “3.
  7. In november 2016 dient verzoeker bij het agentschap Zorg en Gezondheid een aanvraag in voor een erkenning van de beroepskwalificatie van arts-specialist in de gynaecologie en verloskunde. Op 1 augustus 2017 reikt de FOD Volksgezondheid, dienst Gezondheidsberoepen en Beroepsuitoefening een visum uit aan verzoeker dat hem toegang geeft tot het beroep van arts. Op 9 november 2017 wordt verzoeker ingeschreven bij de Orde der geneesheren. 3.
  8. In zitting van 14 december 2017 adviseert de erkennings-commissie gynaecologie-verloskunde, daarin bijgevallen door het agentschap Zorg en Gezondheid, de aanvraag negatief, op grond van de volgende overwegingen: ‘De erkenningscommissie heeft de aanvraag van XXXX onderzocht en geeft een negatief advies om volgende reden(en): Aangezien het voorgelegde diploma van de kandidaat geen Europees diploma betreft en dus ook niet voorkomt in de Bijlage V van de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, is de erkenningscommissie gynaecologie en verloskunde overgegaan tot de concrete vergelijking van de opleiding die de kandidaat gevolgd heeft met de vereiste[…] (algemene en bijzondere) criteria die aan de Vlaamse student worden opgelegd om uiteindelijk het beroep te mogen uitoefenen, zoals voorgeschreven bij “Ministerieel besluit van 23 april 2014 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van arts-specialisten, stagemeesters en stagediensten” en bij “Ministerieel besluit van 15 september 1979 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit van gynaecologie-verloskunde”. De erkenningscommissie heeft tijdens het interview op 14 december 2017 vastgesteld dat de kandidaat een specialisatie-opleiding in de gynaecologie en verloskunde gevolgd heeft van – toen nog – 4 jaar, met voorafgaand een 8-jarige opleiding als arts. Bijkomend behaalde de kandidaat ook een master in de fertiliteit in Spanje. Uit het dossier blijkt dat de kandidaat voldoet aan het aantal ingrepen dat de erkenningscommissie gynaecologie en verloskunde vastgelegd heeft in haar omzendbrief aan de assistenten in opleiding gynaecologie en verloskunde van 16/06/
  9. Bijkomend stelt zij vast dat de kandidaat een ruime kennis en competentie heeft in verloskunde en deze ervaring ook behouden heeft tijdens zijn missies met Artsen zonder Grenzen en dit tot oktober
  10. De voorbije zes jaar heeft de kandidaat echter geen gynaecologische activiteiten meer uitgevoerd, en bijgevolg is de kennis en competentie minder. Om voorgaande reden adviseert de erkenningscommissie gynaecologie en verloskunde dat de kandidaat één jaar bijkomende opleiding dient te volgen. Tijdens dit bijkomend opleidingsjaar zal de focus dus ook niet op verloskunde liggen, maar wel op de ontbrekende skills zoals bv. laparoscopie, endoscopie, … Er zal voor de kandidaat een traject uitgetekend worden met o.a. ook wachtdiensten. Op het einde van dit opleidingsjaar komt er een evaluatie, zowel door de lokale als door de coördinerende stagemeester. De kandidaat dient ook deel te nemen aan en te slagen voor het theoretische examen in juni. […].’ 3.
  11. De stageperiode neemt bijna 5 jaar in beslag op basis van gewijzigde/verlengde stageplannen (1/8/2018 – 31/7/2023). De stagerapporten over de eerste 4 stagejaren worden door de commissie telkenmale negatief geadviseerd, na horen van verzoeker, voor wat betreft de stagerapporten over de jaren 2 en
  12. In essentie is de erkenningscommissie van mening dat het niveau van verzoeker ontoereikend is. In zitting van 13 juni 2023 komt de erkenningscommissie tot de conclusie dat ook het vijfde en laatste stagerapport nog steeds significante tekortkomingen vertoont in onder andere de gynaecologische oncologie en de algemene heelkundige vaardigheden en wordt een heroriëntatie naar huisarts-geneeskunde geadviseerd. 3.
  13. Intussen, op 5 juni 2023, dient verzoeker een aanvraag in om te worden erkend ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 XII-9716-3/15 als arts-specialist. Deze aanvraag wordt door het departement Zorg als onvolledig beschouwd en bijgevolg niet geagendeerd. 3.
  14. Op 8 maart 2024 dient verzoeker een nieuwe aanvraag in om te worden erkend als arts-specialist. 3.
  15. In zitting van 25 maart 2024 adviseert de erkenningscommissie gynaecologie- verloskunde de erkenningsaanvraag negatief op grond van de volgende overwegingen: ‘Op 14 december 2017 werd de erkenningsaanvraag van XXXX grondig bestudeerd en negatief beoordeeld […]. Compenserende maatregelen werden voorgesteld waarbij hij met succes een aanpassingsstage van één jaar moest voltooien om de vastgestelde tekorten in kennis en uitvoering van gynaecologische procedures aan te pakken, en om de nog ontbrekende vaardigheden in diverse gebieden, zoals onder andere laparoscopie en endoscopie, te ontwikkelen. Een aanvullende vereiste was dat XXXX succesvol wachtdiensten kon uitvoeren en in de loop van zijn aanpassingsstage slaagde voor het theoretische examen. XXXX begon op 1 augustus 2018 aan zijn compensatiestage. Deze stage werd onderbroken en later voortgezet, echter zonder de te verwachte leerresultaten te bereiken en met aanhoudende tekortkomingen tot gevolg. Om deze reden keurde de erkenningscommissie op 15 maart 2021 een verlenging van het stageplan goed tot 31 juli 2022, om extra tijd voor verbetering te bieden. Het belang van het tijdig indienen van stagerapporten, voor een nauwkeurige opvolging van de voortgang, werd eveneens benadrukt […]. Tijdens de zitting van 14 maart 2022 werd het stagerapport jaar 1 van XXXX negatief beoordeeld […]. Er waren slechts minimale verbeteringen op chirurgisch gebied sinds het laatste overleg met de lokale stagebegeleider en XXXX was nog steeds niet in staat om zelfstandig wachtdiensten uit te voeren - een cruciale competentie voor de zelfstandige uitoefening van het beroep. Op basis van deze informatie en evaluaties werd geconcludeerd dat hij per 31 juli 2022 niet aan de erkenningsvoorwaarden zou kunnen voldoen. […]. Na het beoordelen van nieuwe stagerapporten op de zitting van 14 juli 2022, stelde de erkenningscommissie vast dat de bestaande tekortkomingen aanhielden. Een hoorzitting werd gepland om verdere stappen te bespreken […]. Na de hoorzitting op 14 september 2022 concludeerde de erkenningscommissie dat de gepresteerde aantallen en het behaalde niveau nog steeds ontoereikend waren om in aanmerking te komen voor erkenning, onder meer maar niet uitsluitend op gebied van hysterectomie, laparotomie en communicatie en dit ondanks inmiddels vier jaar opleiding. Een verlenging van het stageplan met nog één extra jaar tot 31 juli 2023 werd goedgekeurd […]. Tijdens de zitting van 13 juni 2023 toonde het laatste stagerapport nog steeds significante tekortkomingen in onder andere de gynaecologische oncologie en algemene heelkundige vaardigheden. De mogelijkheid tot heroriëntatie naar huisartsgeneeskunde werd overwogen en besproken met de kandidaat. Op de zitting van 25 maart 2024 stelt de erkenningscommissie vast dat, ondanks meerdere kansen en verlengingen, de gewenste leerdoelen niet worden bereikt. XXXX slaagde wel voor het theoretische examen, maar ernstige en niet- remedieerbare tekorten blijven op meerdere vlakken bestaan: zijn kennis en vaardigheden binnen onder meer gynaecologische oncologie, laparoscopie, hysteroscopie en communicatieve vaardigheden blijven ruim onvoldoende. XXXX is niet in staat om zelfstandig wachtdiensten te leiden. Op basis van alle bovenstaande redenen wordt de erkenningsaanvraag van XXXX zodus geweigerd.’ 3.
  16. Op 10 april 2024 valt het departement Zorg dit advies van de erkenningscommissie, en de motivering ervan, bij en weigert het de aanvraag. Dit is de bestreden beslissing, waarbij het advies van de erkenningscommissie in bijlage is gevoegd.” XII-9716-4/15 IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  17. In het verzoekschrift tot nietigverklaring voert verzoeker in het derde middel onder meer de schending van de materiëlemotiveringsplicht aan. Luidens artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) moet het verzoekschrift een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het voornoemde artikel 2, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl verzoeker wel aan de hand van zeer omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens hem het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan.
  18. Verzoeker voert in wezen aan dat het negatief advies van de erkenningscommissie – dat in de bestreden beslissing wordt bijgevallen – niet beantwoordt aan de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker wijst erop dat het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 XII-9716-5/15 gunstig stageverslag van de stagebegeleider van juli 2023 niet in overweging werd genomen, daar het voormelde advies melding maakt van het laatste stagerapport op de zitting van 13 juni 2023, terwijl het finale verslag van de stagebegeleider van juli 2023 dateert en dus nog niet bekend kon zijn. Voorts voert verzoeker aan dat de inhoudelijke beoordeling en materiële motivering manifest in strijd is met de objectieve stukken van het dossier. Zo beweert de erkenningscommissie zonder enige nadere motivering dat de communicatieve vaardigheden van verzoeker “ruim onvoldoende” zijn, wat uitdrukkelijk wordt tegengesproken door: 1) het finale oordeel in juli 2023 van de stagebegeleider, die verzoeker twee jaar heeft begeleid en dus goed geplaatst is om hem en zijn progressie te beoordelen; 2) de 360° evaluatie door diverse medewerkers die nauw hebben samengewerkt met verzoeker tijdens de stageperiode; 3) het feit dat verzoeker minstens functioneert op het taalniveau B2 en 4) het feit dat verzoeker in staat is om zelfstandig artikelen in het Nederlands te publiceren in het officieel tijdschrift voor gynaecologie in Vlaanderen. Voorts wijst verzoeker erop dat de erkenningscommissie zonder nadere motivering adviseert dat verzoeker niet in staat zou zijn om zelfstandig wachtdiensten te leiden, terwijl: 1) verzoeker in zijn 360° evaluatie werd geprezen omwille van zijn zelfstandig werkethos en 2) zijn algemeen functioneren door de stagemeester “op niveau” werd beoordeeld, zodat daaruit blijkt dat verzoeker wel degelijk in staat is om zelfstandig wachtdiensten te doen, wat volgens verzoeker ook blijkt uit de brief van 12 oktober 2023 van zijn stagemeester aan de erkenningscommissie. Verzoeker besluit daaruit dat uit geen enkel objectief dossierelement kan worden afgeleid dat hij bij het einde van zijn stage de wachtdiensten niet zelfstandig kon vervullen. Verzoeker benadrukt nog dat de stagebegeleider hem beoordeelde, zowel in zijn functie als “medicus”, als “communicator” en als “manager” met een beoordeling “1”, wat betekent dat hij functioneert op het verwachte niveau. Het algemeen besluit van zijn stagemeester is dat hij geschikt is voor “gyn-verloskunde” zodat het negatieve advies van de erkenningscommissie in het geheel niet strookt met de gunstige evaluatie van de stagemeester en de andere objectieve elementen van het dossier. Ook de stelling van de erkenningscommissie dat de kennis van verzoeker binnen onder meer gynaecologische oncologie, laparoscopie en hysteroscopie ruim onvoldoende zou zijn, wordt niet gestaafd aan de hand van de dossierstukken. Deze stelling blijkt volgens verzoeker alvast evenmin uit de gunstige eindevaluatie van de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 XII-9716-6/15 stagemeester. Dat de kennis van verzoeker op dit gebied “ruim onvoldoende” zou zijn, is dus manifest in strijd met de beoordeling van de supervisoren van verzoeker tijdens de stage. In de “toelichtende memorie” herneemt verzoeker zijn argumentatie en voegt daaraan toe dat het niet duidelijk is op welke objectieve gronden de erkenningscommissie tot haar vernietigend oordeel komt. Verzoeker benadrukt dat de erkenningscommissie in ieder geval niet het laatste (en gunstige) stageverslag van juli 2023 vermeldt noch de gunstige brief die de stagemeester in oktober 2023 richtte aan de erkenningscommissie. Noch in de motivering van de erkenningscommissie noch in het voorafgaande bijzonder summiere verslag van 25 maart 2024 – stuk waarvan verzoeker pas na de neerlegging van het administratief dossier kennis kreeg – wordt melding gemaakt van deze twee documenten. Het is volgens verzoeker bijgevolg niet duidelijk op basis waarvan de verwerende partij in haar memorie van antwoord oordeelt dat deze dossiergegevens wel zouden zijn betrokken in het oordeel van de erkenningscommissie. Vervolgens overloopt verzoeker uitvoerig zijn concrete argumenten die volgens hem illustreren dat de inhoudelijke beoordeling en de materiële motivering manifest in strijd is met de objectieve stukken van het dossier. In de laatste memorie antwoordt verzoeker nog uitvoerig op het auditoraatsverslag. Wat de schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, herhaalt verzoeker dat het punt is dat het standpunt van de erkenningscommissie volstrekt haaks staat op: 1) alle beoordelingen in het evaluatieverslag, dat verzoeker op alle vlakken gunstig (+1) beoordeelt en op geen enkel vlak enige onvoldoende (-1) toekent, laat staan “ruim onvoldoende” (-2) en waarbij de stagebegeleider uitdrukkelijk vermeldt dat verzoeker op het verwachte niveau lijkt te functioneren in de operatiekamer; 2) de 360° beoordeling; en 3) de bijgebrachte beoordelingen door de supervisoren van de uitgevoerde operaties, enz. Volgens verzoeker mag men verwachten dat wanneer de erkenningscommissie tot een dergelijk vernietigend oordeel komt, zij dit ook kan onderbouwen op basis van objectieve stukken, wat volgens verzoeker niet het geval is. Volgens verzoeker doet dit vragen rijzen bij haar geloofwaardigheid. Verzoeker repliceert voorts dat het auditoraatsverslag ten onrechte vermeldt dat de stukken ervan doen blijken dat de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 XII-9716-7/15 verstaanbaarheid van verzoeker moeilijk blijft. Het is voor verzoeker niet duidelijk op basis van welke objectieve stukken dit dan wel zou blijken: zeker niet uit het evaluatieverslag van de stagemeester, zeker niet uit zijn schriftelijke beheersing van de taal die voldoende is om artikelen in wetenschappelijke tijdschriften te publiceren, zeker niet uit zijn taalniveau niveau B2, dat een objectieve garantie is dat hij zich in de praktijk duidelijk kan maken en geen moeite heeft om spontaan deel te nemen aan ieder gesprek (zijnde de officiële beschrijving van dit taalniveau), zeker niet uit de verklaringen van de artsen en administratie met wie hij in die periode heeft samengewerkt. Voorts wijst verzoeker erop dat hij op 23 september 2024 probleemloos een “universitair niveau C1 Nederlands” behaalde. Verzoeker besluit dat de Raad van State niet anders kan dan vaststellen dat er een enorme discrepantie bestaat tussen de inhoud van het evaluatieverslag en de 360° beoordeling eensdeels, en de conclusie van de erkenningscommissie, anderdeels. Verzoeker licht dit vervolgens nogmaals uitgebreid toe.
  19. De verwerende partij repliceert uitvoerig in de memorie van antwoord. Luidens artikel 6, § 2, tweede lid, van het algemeen procedurereglement moet de memorie van antwoord een samenvatting van de argumenten van de verwerende partij bevatten als voor het antwoord op de middelen een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, is deze vereiste de tegenhanger van de wijziging die is aangebracht in artikel 2, § 1, van het algemeen procedurereglement. Net zoals in het kader van het verzoekschrift tot nietigverklaring geeft de niet-naleving van dat vereiste door de verwerende partij geen aanleiding tot de onontvankelijkheid van haar argumenten (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630), maar heeft ze – per analogie – tot enig mogelijk gevolg voor de verwerende partij dat de draagwijdte van haar argumenten niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest. Te dezen bevat de memorie van antwoord weliswaar een uiteenzetting van de argumenten van de verwerende partij, maar geen samenvatting in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verwerende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten ter beantwoording van het middel. XII-9716-8/15 Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan.
  20. De verwerende partij voert aan dat er van een schending van de materiëlemotiveringsplicht geen sprake is. Zij wijst vooreerst op haar ruime discretionaire bevoegdheid. Volgens de verwerende partij draagt verzoeker zelf de verantwoordelijkheid om een erkenningsaanvraag in te dienen en hiervoor de nodige documenten af te leveren, zodat de erkenningscommissie een dienstig advies kan leveren. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, meent de verwerende partij dat het stageverslag van de stagebegeleider wel degelijk is meegenomen in de beoordeling, maar blijft de erkenningscommissie van oordeel dat verzoeker onvoldoende aan de vereiste voorwaarden voldoet en dat er verschillende tekortkomingen zijn. Wat de taalvaardigheden betreft, wijst de verwerende partij erop dat de erkenningscommissie op 25 maart 2024 oordeelde dat er nog steeds “communicatietekorten zijn met patiënten: verzoeker brengt de patiëntveiligheid in het gedrang in acute situaties.” Het gegeven dat verzoeker reeds in het Nederlands publiceert en een B2-niveau heeft bereikt, belet volgens de verwerende partij niet dat in acute situaties de talenkennis van verzoeker onvoldoende kan worden geacht. Ook het attest van de stagemeester werd gevoegd bij de aanvraag tot erkenning en dus beoordeeld door de erkenningscommissie op 25 maart
  21. Dit attest verklaart volgens de verwerende partij enkel dat verzoeker consequent zijn wachtdiensten vervulde, wat volgens haar niet belet dat verzoeker, gelet op de tekortkomingen in bekwaamheid en de beperkte communicatieve vaardigheden, niet kon erkend worden als arts-specialist. Het is volgens de verwerende partij niet omdat men tijdens de opleidingsjaren consequent aanwezig is op de vooropgestelde wachtdiensten, dat dit automatisch betekent dat verzoeker deze wachtdiensten zelfstandig op kwalitatieve manier kan doorlopen. Wat de vraag betreft of verzoeker over de vereiste kwaliteiten beschikt in het kader van gynaecologische oncologie, laparascopie en hysteroscopie, wijst de verwerende partij opnieuw op haar ruime discretionaire bevoegdheid en op het gegeven dat de erkenningscommissie bestaat uit een team van arts-specialisten die zeer bekwaam zijn om te beoordelen of verzoeker al dan niet aan de vereisten voldoet. Volgens de verwerende partij toonde de nieuwe erkenningsaanvraag van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 XII-9716-9/15 verzoeker niet aan dat verzoeker nu wel over de geschikte vaardigheden zou beschikken. De verwerende partij wijst er voorts op dat het de Raad van State niet toegestaan is om in de beoordeling van de feiten te treden en in de plaats van het bestuur te oordelen of verzoeker nu wel of niet voldoende bekwaam kan worden geacht. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe dat de beoordeling door de verwerende partij streng is, maar daarom niet onredelijk. De Raad van State kan – zoals vermeld in het auditoraatsverslag – wel rechtmatigheidstoezicht uitoefenen en nagaan of de beslissing van verwerende partij op draagkrachtige en correcte motieven berust, maar te dezen werden de verschillende aanvragen van verzoeker grondig bestudeerd en onderzocht. De vaststelling door de erkenningscommissie dat er verschillende niet-remedieerbare tekorten zijn en dat de communicatieve vaardigheden ruimschoots ondermaats zijn, kan volgens de verwerende partij niet anders dan leiden tot het advies dat niet zonder meer tot een erkenning kan worden overgegaan. Volgens de verwerende partij zijn alle pro’s en contra’s in de beoordeling betrokken en doet het feit dat in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk naar het evaluatieverslag van juli 2023 en de brief van de coördinatiestagemeester van oktober 2023 wordt verwezen, daaraan geen afbreuk. Hoewel verzoeker doet uitschijnen dat zijn beoordelingen zeer gunstig waren, merken de stageverslagen van de verschillende jaren volgens de verwerende partij telkens heel wat verbeterpunten op. Beoordeling
  22. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan XII-9716-10/15 binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  23. De bestreden beslissing verwijst ter motivering van de weigering van de erkenning als arts-specialist naar het negatief advies van de erkenningscommissie. Uit dat advies (zie supra, nr. 3) blijkt dat de weigering steunt op de volgende motieven: 1) tijdens de zitting van 13 juni 2023 toonde het laatste stagerapport nog steeds significante tekortkomingen in onder andere de gynaecologische oncologie en algemene heelkundige vaardigheden, 2) op de zitting van 25 maart 2024 stelt de erkenningscommissie vast dat de gewenste leerdoelen niet worden bereikt, meer bepaald dat ernstige en niet-remedieerbare tekorten blijven bestaan op verschillende vlakken: de kennis en vaardigheden binnen onder meer gynaecologische oncologie, laparoscopie, hysteroscopie en de communicatieve vaardigheden blijven ruim onvoldoende, en 3) verzoeker is niet in staat om zelfstandig wachtdiensten te leiden. Verzoeker brengt tegen deze motieven in dat zij geen steun vinden in de objectieve stukken van het dossier, meer nog, dat zij in strijd zijn met de objectieve stukken van het dossier. Verzoeker verwijst daarbij in het bijzonder naar de brief van 12 oktober 2023 van professor D.T. die als stagemeester optrad, naar de evaluatie van het assistentschap gynaecologie-verloskunde tijdens de tweede helft van het academiejaar 2022-2023 van juli 2023 en naar de 360° beoordeling, ondertekend door professor D.T.
  24. Zoals hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 8) houdt de materiëlemotiveringsplicht onder meer in dat iedere bestuurshandeling, zoals de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 XII-9716-11/15 bestreden beslissing, moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen. Hoewel de Raad van State niet bevoegd is om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur, mag hij desgevraagd wel nagaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Te dezen stelt de Raad van State vast dat noch uit de bestreden beslissing noch uit het advies van de erkenningscommissie waarnaar de bestreden beslissing verwijst, blijkt op welke feitelijke gegevens of stukken de verwerende partij steunt om tot de conclusie te komen dat de gevraagde erkenning moet worden geweigerd. De erkenningscommissie oordeelt dat er op meerdere – nader genoemde – vlakken “ernstige en niet-remedieerbare tekorten” blijven bestaan, doch verduidelijkt geenszins op basis waarvan zij dat “[o]p de zitting van 25 maart 2024” heeft vastgesteld. Het administratief dossier bevat evenmin verifieerbare vaststellingen of stukken die de bevindingen van de erkenningscommissie staven, meer in het bijzonder betreffende de periode van 1 september 2022 tot 31 juli 2023, zijnde het extra stagejaar dat verzoeker werd opgelegd na de vorige beoordeling door de erkenningscommissie. Uit de stukken die zich betreffende die periode wél in het administratief dossier bevinden of die door verzoeker worden voorgelegd, zoals de evaluatie van het assistentschap van verzoeker tijdens de tweede helft van het academiejaar 2022-2023, blijkt integendeel dat verzoeker voor de onderdelen “medicus”, “communicator” en “manager” op een schaal van -2 tot 3 telkens de algemene beoordeling “1” krijgt toegekend, wat volgens het evaluatieformulier betekent “op verwacht niveau”, dat bijkomend in de beschrijvende evaluatie positieve punten worden vermeld, dat verzoeker als “algemeen besluit” eveneens telkens de vermelding “1” krijgt zowel voor het criterium “geschikt voor gyn- verloskunde” als voor “mate van functioneren op huidig niveau” én dat bij geen enkele van de drie beoordeelde onderdelen – “medicus”, “communicator” en “manager” – in de ruimte voorzien voor een beschrijvende evaluatie van de “verbeterpunten” ook maar enige opmerking is vermeld. Wat de rol als “communicator” betreft, vermeldt deze evaluatie “is heel veel vooruitgegaan op dit vlak; brieft correct, is betrouwbaar”. Voorts legt verzoeker ook een 360° beoordeling neer, die volgens verzoeker – daarin niet tegengesproken door de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 XII-9716-12/15 verwerende partij – dateert van “het einde van de stageperiode”. Wat de domeinen betreft waarop er volgens de bestreden beslissing ernstige tekortkomingen bestaan, vermeldt die beoordeling meermaals dat verzoeker doorheen de voorbije jaren een “enorme” of “zeer sterke” evolutie heeft doorgemaakt, zowel op het vlak van kennis, communicatie als zelfstandig werken.
  25. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker aan de hand van de evaluatie van zijn assistentschap tijdens de tweede helft van het academiejaar 2022- 2023 en de neergelegde 360° beoordeling, voldoende aanwijzingen verschaft die het vermoeden wettigen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. In die omstandigheden verschuift de bewijslast en moet het bestuur aantonen dat zijn beslissing steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die beslissing in aanmerking kunnen worden genomen. Zoals hiervoor is vastgesteld, is aan die bewijslast te dezen niet voldaan.
  26. De verwerende partij verwijst meermaals naar haar ruime discretionaire beoordelingsvrijheid. Deze is evenwel geen vrijgeleide die ontslaat van de materiëlemotiveringsplicht. Dezelfde vaststelling geldt voor het standpunt van de verwerende partij dat de erkenningscommissie bestaat uit artsen- specialisten die zeer bekwaam zijn om te beoordelen of de aanvrager van een erkenning aan de vereisten voldoet.
  27. De verwerende partij voert voorts aan dat zij wel degelijk rekening heeft gehouden met de brief van de stagemeester van oktober 2023 en met het evaluatieverslag van juli 2023 en dat het gegeven dat de bestreden beslissing daar niet naar verwijst, daaraan geen afbreuk doet. Uit wat zou moeten blijken dat met die twee documenten rekening is gehouden, verduidelijkt de verwerende partij evenwel niet. Uit het gegeven, zoals de verwerende partij aanvoert, dat het evaluatieverslag bij de aanvraag was gevoegd, volgt immers niet ipso facto dat de verwerende partij dat stuk bij haar beoordeling heeft betrokken. De bestreden beslissing geeft daar alleszins geen blijk van. Dit argument overtuigt derhalve niet. XII-9716-13/15
  28. Wat de taalvaardigheden van verzoeker betreft, benadrukt de verwerende partij dat die dermate tekortschieten dat in acute situaties de patiëntenveiligheid in het gedrang komt. Uit wat dit zou blijken en hoe dit standpunt te rijmen valt met de eindbeoordeling in juli 2023 door de stagemeester dat verzoeker als “communicator” “op verwacht niveau” presteert en “heel veel [is] vooruitgegaan op dit vlak”, verduidelijkt de verwerende partij niet. Ook dit argument overtuigt derhalve niet.
  29. Het argument dat de vaststelling door de erkenningscommissie dat er verschillende niet-remedieerbare tekorten zijn en dat de communicatieve vaardigheden ruimschoots ondermaats zijn, niet anders kan dan leiden tot het advies dat niet tot een erkenning kan worden overgegaan, doet evenmin anders oordelen. Dit argument gaat er immers aan voorbij dat te dezen niet de vraag voorligt of, gelet op de in het advies van de erkenningscommissie vermelde tekorten, een erkenning kan worden geweigerd, maar wel of de verwerende partij bij het nemen van die beslissing is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
  30. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij niet aantoont dat de bestreden beslissing op een deugdelijke materiële grondslag berust. Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  31. De Raad van State vernietigt de beslissing van het departement Zorg van de Vlaamse overheid, afdeling Vlaamse Zorgkas en Zorgberoepen van 10 april 2024 waarbij de aanvraag van verzoeker tot erkenning als arts- specialist in de gynaecologie-verloskunde wordt geweigerd. XII-9716-14/15
  32. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9716-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.161 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.770 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.