← België

Arrest 266163 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 24/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.163 Rolnummer: A. 242130/X-18700 Zaak: Arrest 266163 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 24/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-27 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-18 06:08 Fiche Arrest nr 266.163 van 24 maart 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 266.163 van 24 maart 2026 in de zaak A. 242.130/X-18.700 In zake : R.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE HOLSBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf Van Hoornestraat 51 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 12 juni 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek van 23 mei 2024 houdende [het opleggen van] een last tot herstel van pad 65 te Kortrijk-Dutsel onder dwangsom aan [verzoeker] om binnen de 15 dagen na datum van de kennisgeving van het besluit over te gaan tot het wegnemen van alle obstakels en belemmeringen op zijn perceel te Kortrijk- Dutsel, […], die het gebruik van de publieke weg pad 65 hinderen” en “de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek van 6 juni 2024 houdende de handhaving van de eerste bestreden beslissing”. X-18.700-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 260.172 van 18 juni 2024 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 november
  3. Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Delphine Gardyn, die loco advocaat Bart De Becker verschijnt voor verzoeker, en advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. X-18.700-2/18 III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is eigenaar van percelen gelegen te Holsbeek (hierna: verzoekers terrein). Hij baat – naar eigen zeggen sinds anderhalf jaar – een speciaalzaak uit voor landbouw, tuinbouw en robotisatie, en staat daarbij onder meer in voor het ijken van de software van onbemande robottractoren van landbouwers en uitbaters van golfterreinen. Ongeveer 2ha10ca van verzoekers terrein is akkerland/grasland dat wordt gebruikt om er onbemande robottractoren te laten op rijden, met het oog op de ijking van hun software. Voorts bevindt zich op verzoekers terrein een paardenweide. Zowel de paardenweide als het akkerland/grasland zijn omheind. 3.
  6. Op de Atlas der Buurtwegen zijn de op elkaar aansluitende voetwegen nr. 65 en nr. 34 ingetekend, die een verbinding mogelijk maken tussen de Bredestraat en de Hogebosstraat te Holsbeek. Pad nr. 65 doorsnijdt verzoekers terrein en pad nr. 34 loopt aan de oostelijke grens van dit terrein. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit de Atlas der Buurtwegen, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-18.700-3/18 3.
  7. In het verzoekschrift wordt opgemerkt dat (de rechtsvoorganger van) verzoeker “al 25 jaar lang briefwisseling uit[wisselt] met de gemeente over de problematiek van de […] paden 34 en 65”. 3.
  8. In een e-mailbericht van 29 september 2017 aan verzoeker, waarin een vergadering op het gemeentehuis wordt bevestigd, stelt de bevoegde ambtenaar van de verwerende partij onder meer: “Wat het buurtwegendossier betreft […], indien deze zaak niet administratief kan worden afgerond binnen een redelijke termijn, is het openstellen en herstel van beide wegen [nrs. 34 en 65] de enige mogelijkheid, ik zou daar toch niet te lang mee wachten.” 3.
  9. Met een schrijven van 16 februari 2024 vraagt de verwerende partij verzoeker om tijdens een overleg op 13 maart 2024 te verduidelijken welke initiatieven hij als eigenaar op korte termijn plant om de publieke trage weg nr. 65 weer onbelemmerd openbaar toegankelijk te maken. Daarbij wordt het volgende vermeld: “Als eigenaar van de grond waarop de doorgang en het gebruik van een publieke weg wordt gehinderd, bent u ook verantwoordelijk voor het weghalen van de voormelde obstakels en belemmeringen. Een andere piste zou kunnen zijn dat u zelf het nodige doet om pad nr. 65 op uw eigendom te laten verleggen.” 3.
  10. Met een schrijven van 11 maart 2024 antwoordt verzoeker aan de verwerende partij wat volgt: “Naar aanleiding van uw schrijven […], was ik zeer verwonderd dat het onderwerp zijnde ‘pad nr 65’ voor mij een oude ‘losweg’ terug ter discussie staat. Dit terwijl ik ter goeder trouw meende dat deze teniet gedaan werd en dus afgesloten was nog voordat de nieuwe wetgeving ‘Gemeenteweg Decreet’ in werking ging dd. 01/09/
  11. Nu moet ik plots dit pad nr. 65 volgens U dienst openstellen en wordt dit pad aanzien als een gemeenteweg. Naar mijn gevoel komt dit nu opnieuw naar boven omdat de gemeente nu wel autonoom kan beslissen over alle gemeentewegen en paden. Om mijn verwondering te begrijpen, schets ik ter opfrissing wat er in het verleden gebeurde. X-18.700-4/18 Mijn grootvader […] heeft steeds naar voor geschoven dat pad nr. 65, een losweg was voor percelen […], die ooit een afzonderlijke eigenaar hadden. Nadien gebruikten de bewoners en omwonenden deze losweg als buurtweg maar dit gebruik stopte al meer dan 40 jaar geleden. Wat U diensten ook bevestigde bij eerdere vraag tot afschaffing van een deel van pad nr.
  12. Voorheen besliste de provincie reeds dat pad 34 in zijn geheel als een officieel pad moest blijven omwille van zijn landelijk karakter dat op dit moment een meerwaarde geeft aan de wijndomeinen van de Arentop. Dit naar aanleiding van een vraag tot afschaffing van een deel van pad 34, die verworpen werd, […]. Ook Meneer [J.] gaf ooit te kennen dat het pad 36 (St. Peeters Rhode pad) met als verbinding Houwaartsebaan en Bredestraat zo te laten aansluiten aan het bestaand pad 34 en dit te verbinden met de hoge bosstraat langs perceel […], wat ik buitengewoon doordacht vond. Het pad nr. 34 werd bijgevolg in 2015 terug opengemaakt en was begaanbaar en zichtbaar. […] Daarom mijn verontwaardiging omtrent uw schrijven zeker gezien U dienst zelf toenmalig heeft aangehaald dat er een regeling was getroffen voor desbetreffende paden, […]. ‘Voor wat betreft het gedeelte tussen het punt waar pad nr 65 het pad nr 34 raakt en het punt waar het pad nr. 34 de buurtweg nr. 25 raakt, kwamen alle partijen het volgende overeen: De gemeente Holsbeek zal pad nr. 65 verleggen en de zuidelijke arm van pad nr. 34 afschaffen of omgekeerd zodat de verbinding tussen de Bredestraat en de Hogebosstraat behouden blijft.’ Gelet deze regeling, het toenmalig vrijmaken van pad nr. 34 en de markering van de paal aan het perceel […] pad nr. 34 was het voor mij duidelijk dat losweg nr. 65 afgeschaft was. De enige officiële voetweg pad nr. 34 bleef aldaar alleen bestaan, wat ik begrijp gezien de provincie enkel deze weg zag als een grote meerwaarde voor het landelijk karakter. […] Een extra aspect is dat ik nu als enige eigenaar al de percelen in mijn bezit heb waarover het betwiste pad nr. 65 loopt, dat zoals ik reeds aanhaalde al 40 jaar niet meer gebruikt werd. Nu worden deze losse percelen gebruikt als één geheel perceel en bijkomend als oefenterrein van mijn firma om mijn robotica landbouwmachines op te testen. Kan u bijgevolg eerst dit dossier grondig herbekijken gelet op mijn bovengenoemde argumentatie en mij feedback geven alvorens mij uit te nodigen op een vergadering. Met deze reden kan ik niet aanwezig zijn op de reeds door jullie geplande vergadering op woensdag 13 maart 2024 as. om 15u.” 3.
  13. Op 21 maart 2024 wordt verzoeker alsnog gehoord. 3.
  14. Bij schrijven van 12 april 2024 antwoordt de verwerende partij: “Aansluitend bij onze brief van 16 februari 2024 en in opvolging van de hoorzitting van 2l maart laatstleden op het gemeentehuis, richten we u deze brief. X-18.700-5/18 Tijdens de hoorzitting van 21 maart 2024 werd het volgende met u besproken: • De gemeente stelt vast dat u het gebruik van publieke weg nr. 65 te Kortrijk-Dutsel ter hoogte van uw eigendom belemmert, meer bepaald heeft u de bedding van de buurtweg hier ingenomen en afgespannen als paardenweide. Deze obstakels bevinden zich op het kadastraal perceel […], dat uw eigendom is. • Pad nr. 65 Kortrijk-Dutsel is opgenomen in de Atlas der Buurtwegen als openbare erfdienstbaarheid van doorgang met een breedte van 1,65 meter. • Als eigenaar van de grond waarop de doorgang en het gebruik van een publieke weg wordt gehinderd, bent u ook verantwoordelijk voor het onverwijld weghalen van voormelde obstakels en belemmeringen, zodat deze weg over de volledige breedte publiek toegankelijk is. • De gemeente stelde u als alternatief voor om pad nr. 65 op uw eigendom te verleggen en dit conform de verduidelijkingsschets die u als bijlage bij deze brief vindt. Een dergelijke officiële verlegging van pad nr. 65 over uw eigendom houdt in dat de breedte van het nieuwe paddeel (groene kleur op de schets) wordt bepaald in functie van de voorwaarde dat de oppervlakte van het te verleggen deel (roze kleur op de schets) en de oppervlakte van het nieuwe pad (groene kleur) gelijk moeten zijn. Wij manen u aan om tegen uiterlijk 30 april as. ons schriftelijk te bevestigen: • Ofwel dat u uw volle medewerking verleent voor de officiële verlegging van het pad nr. 65 onder de geschetste voorwaarden over uw eigendom. • Ofwel dat u tegen uiterlijk 15 mei as. het nodige doet om het huidige pad nr. 65 op uw eigendom vrij te maken van alle obstakels of belemmeringen zodat het over zijn volledige breedte weer publiek toegankelijk wordt. lndien u nalaat ons uw keuze tegen 30 april as. schriftelijk te bevestigen, dan zal de gemeente u in gebreke stellen om het huidige pad […] zonder verwijl vrij te maken. Het bestuur kan hierbij ook overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van dwangsommen op basis van de handhavingsbepalingen van het Gemeentewegendecreet.” 3.
  15. Met een brief van 28 april 2024 vraagt verzoeker om uitstel met betrekking tot verweersters vraag tot vrijmaking van het pad nr.
  16. Verzoeker wijst er onder meer op dat hij geen kopie kreeg van het reeds uitgetekende plan voor de verlegging van het pad, enkel een vage schets van het tracé van het nieuwe pad per mail, dat hij zich hierdoor “genoodzaakt [ziet] om nu zelf een landmeter aan te spreken om zo alles duidelijk te laten opmeten, zodat [hij] precies weet welke impact deze verlegging heeft op [zijn] perceel en [hij] alle mogelijkheden [kan] X-18.700-6/18 bekijken om zelf een goed tegenvoorstel te kunnen doen”, dat gezien zijn landmeter met verlof is tot 28 april 2024, hij pas na deze datum contact met hem kan opnemen om te vragen deze zaak te bekijken, reden waarom hij om uitstel vraagt “om zo verder overleg alle kansen te geven”. Hij geeft ook nog als “bijkomende informatie” mee dat het pad nr. 65 “eigenlijk al meer dan 54 jaar niet meer [wordt] gebruikt”, dat “[e]erdere schriftelijke overeenkomsten rond dit pad […] klaarblijkelijk nooit werden uitgevoerd” en hem niet duidelijk is waarom, dat “het verder tracé van deze voetweg, zijnde pad nr. 34, bij [zijn] omliggende buren, ook al jaren niet toegankelijk is of vrijgemaakt werd”, dat het voor hem “ook zeer onduidelijk [blijft] hoe de rest van pad nr. 34 dan definitief zal lopen”, dat het “pad nr. 65 [uiteindelijk] maar een stukje van dit geheel [betreft]”, dat “[d]it alles […] niet alleen impact [heeft] voor [zichzelf] maar ook een groot gevolg voor het verdere professioneel gebruik van deze velden door [zijn] firma” en dat hij “denk[t] aan de mogelijke overlast door de vele wandelaars die zullen afwijken van het pad en de velden oplopen waarbij autonome robotica taken uitvoeren”. 3.
  17. Met het eerste bestreden besluit van 23 mei 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij wat volgt: “Argumentatie • De gemeente staat in voor het beheer en onderhoud van de gemeentewegen op het grondgebied. • De publieke trage wegen (incl. private wegen met een publiekrechtelijk gebruik en/of publieke erfdienstbaarheid), maken deel uit van het gemeentelijk wegennet. De bestemming als trage weg geeft deze een openbaar karakter, ongeacht wie eigenaar is van de grond waarover de weg loopt. • Het college stelt vast dat het gebruik van publieke weg pad 65 te Kortrijk-Dutsel geheel wordt gehinderd door obstakels. Meer bepaald is deze weg over de volledige lengte van kadastraal perceel […] belemmerd door een draadafspanning die een paardenweide afbakent. Voormeld perceel is eigendom van [verzoeker]. • De eigenaar werd met deze vaststellingen geconfronteerd en hierover gehoord in zitting van 21 maart
  18. • De afspraken die tijdens de zitting werden gemaakt werden per aangetekende brief van 12 april 2024 door de gemeente bevestigd aan de eigenaar. Deze aangetekende zending bevatte tevens een aanmaning X-18.700-7/18 om tegen uiterlijk 30 april aan het bestuur te bevestigen of de eigenaar zijn volle medewerking zou verlenen aan een administratieve verlegging over eigen terrein van het pad, dan wel of hij tegen uiterlijk 15 mei 2024 het pad zou vrijmaken van alle obstakels. • Het college stelt vast dat de eigenaar tegen de deadline van 30 april 2024 geen afdoend antwoord heeft gegeven op de aanmaningsbrief van 12 april
  19. • Bij gebrek aan schriftelijke bevestiging van zijn keuze tegen 30 april 2024, stelt het college van burgemeester en schepenen, zoals vermeld in de aangetekende zending van 12 april de eigenaar in gebreke om het huidige pad nr. 65 zonder verwijl vrij te maken. Het bestuur kan hierbij ook overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van dwangsommen op basis van de handhavingsbepalingen van het Gemeentewegendecreet. BESLUIT Eenparig Artikel
  20. Het college van burgemeester en schepenen maant eigenaar [R.B.] aan om binnen de termijn van 15 dagen na datum van de kennisgeving van dit besluit over te gaan tot het wegnemen van alle obstakels en belemmeringen op zijn perceel […], die het gebruik van de publieke weg pad nr. 65 hinderen. Meer bepaald moet de eigenaar binnen deze termijn de volgende werken uitvoeren: • het integraal verwijderen van de draadafspanning en palen/weideomheining over de volledige oppervlakte van pad nr. 65 op het perceel […] • de wegbedding moet over de volledige breedte van 1,65 m worden geëgd en geëgaliseerd, zodat een normaal gebruik door weggebruikers onbelemmerd mogelijk is. Art.
  21. Indien de eigenaar nalaat om de voormelde werken uit te voeren binnen de gestelde termijn, zal een dwangsom van 500 euro per dag, met een maximum van 30.000 euro verschuldigd zijn. Deze dwangsom verbeurt zodra voormelde vooropgestelde uitvoeringstermijn wordt overschreden en voormelde werken/maatregelen niet volledig werden uitgevoerd. De dwangsom is invorderbaar bij dwangbevel.” 3.
  22. Met een e-mailbericht van 31 mei 2024 schrijft de raadsman van verzoeker de verwerende partij aan met de vraag “om oplossingsgericht de beslissing van 23/5 jl. in te trekken in ruil voor de akkoordverklaring van [verzoeker] met de verlegging van het zgn. (en betwiste) pad 65”, gezien deze “in ieders belang is”. Daarbij wordt er onder meer op gewezen dat pad nr. 65 “reeds meer dan 30 jaar in onbruik en derhalve verjaard” is en dat de stukken in verzoekers bezit hem “op het spoor [zetten] om 30 jaar onbruik te bewijzen”. Ten slotte acht X-18.700-8/18 hij “[d]e last onder dwangsom – disproportioneel zowel qua hoogte als qua termijn waarbinnen er gevolg zou moeten worden gegeven aan de last tot herstel – [en] bovendien onnuttig in die zin dat pad 65 doodloopt op een haag die zich op het tracé van pad 34 bevindt”, en meent hij dat “[i]n ieder geval […] de last onder dwangsom tot grote praktische problemen [strekt] voor [verzoeker] die zijn land bewerkt met een robottractor […]. Indien de omheining van zijn veld wordt verwijderd, dan kan die robottractor niet meer veilig worden ingezet”. 3.
  23. Met het tweede bestreden besluit van 6 juni 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij zijn standpunt te handhaven. Gelet op de tijdspanne tussen verzoekers vraag en de terugkoppeling van het college (in casu zeven dagen) beslist het college om de termijn van vijftien dagen waarbinnen de last moest zijn uitgevoerd, te verlengen met zeven dagen. Het besluit luidt: “Artikel
  24. Het college handhaaft onverminderd zijn besluit van 23 mei 2024 inzake de opgelegde last tot herstel onder dwangsom voor pad 65 t.a.v. de eigenaar-overtreder [R.B.] m.b.t. het perceel te Kortrijk-Dutsel, […]. Art.
  25. In uitvoering van art. 49 van het Gemeentewegendecreet beslist het college - gelet op de tijdspanne die verlopen is tussen de e-mail van 31 mei en de terugkoppeling van dit collegebesluit - om de termijn van 15 dagen waarbinnen de last moest zijn uitgevoerd op te schorten met 7 kalenderdagen met ingang van 7 juni 2024 en eindigend op 13 juni
  26. De termijn waarbinnen de last tot herstel moet worden uitgevoerd herneemt derhalve op vrijdag 14 juni en loopt af op donderdag 20 juni 2024.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  27. Verzoeker voert in zijn enige middel de schending aan van de artikelen 38, 40 en 47 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeente- wegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de X-18.700-9/18 bestuurshandelingen’ (motiveringswet) en het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids-, redelijkheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker betwist dat er überhaupt sprake is van een bestaande gemeenteweg, nu hij en zijn voorgangers al minstens 24 jaar lang betogen “dat pad 65 reeds meer dan 30 jaar in onbruik is – en derhalve verjaard”. In een bezwaar van verzoekers rechtsvoorganger wordt vermeld “dat pad 65 al meer dan 30 jaar in onbruik is”. In een beslissing van de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 9 maart 2006 wordt vermeld “dat pad 65 niet- zichtbaar en begaanbaar is, zijnde de buitengerechtelijke bekentenis van de administratieve overheid dat vermelde gemeenteweg in onbruik en dus onbestaande is”. Ook blijkt er een dading met de verwerende partij te zijn gesloten “waaruit blijkt dat de gemeenteweg in onbruik is”, wat minstens als een rechtsfeit moet worden beschouwd. In ieder geval wijzen ook de terreinkenmerken uit “dat zowel pad 65 als pad 34 al meer dan 30 jaar in onbruik zijn aangezien de bedding van pad 34 waarop pad 65 zou moeten aansluiten, over zijn ganse breedte is ingenomen door een levende haag”. Verzoeker mocht erop vertrouwen dat hem geen last tot herstel zou worden opgelegd “in die zin dat de gemeente al 24 jaar weet dat verzoeker en diens rechtsvoorganger het bestaan van pad 65 betwisten”, zonder ook maar enig ogenblik te zijn tegengesproken, en dit zeker in het licht van de redelijke en constructieve houding van verzoeker en zijn bereidheid om het pad nr. 65 te verleggen naar de zuidkant van zijn eigendom, “maar waaromtrent verzoeker vanaf 2017 niets meer mocht vernemen”. De verwerende partij gaat ook voorbij aan verzoekers schrijven van 11 maart 2024 “waarin wordt opgemerkt dat […] pad 65 is afgeschaft, dat [dit] al 40 jaar in onbruik is, dat zijn roboticatractoren daar nu rijden, … […]”. In zijn brief van 28 april 2024 aan de verwerende partij heeft verzoeker vermeld dat hij een landmeter zal aanspreken om alles te laten opmeten, zodat hij precies weet welke impact de verlegging van het pad nr. 65 op zijn perceel heeft, en opdat hij alle mogelijkheden zou hebben om een goed tegenvoorstel te doen, erop wijzend dat de landmeter tot 28 april 2024 met verlof was. Verzoekers X-18.700-10/18 benadering was wel degelijk oplossingsgericht. De verwerende partij heeft dan ook ten onrechte gesteld dat verzoeker de aanmaningsbrief van 12 april 2024 – met de keuze tussen de openstelling van pad nr. 65 dan wel een akkoordverklaring met de verlegging ervan – niet heeft beantwoord. “Door geen acht te slaan op de werkelijke inhoud van het schrijven van 28 april 2024” heeft de verwerende partij het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel geschonden, en ondergeschikt ook de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Voorts acht verzoeker de last onder dwangsom disproportioneel en ongemotiveerd en dit zowel wat de hoogte van de dwangsom betreft als de termijn waarbinnen aan de last gevolg moet worden gegeven. Het houdt een schending in van artikel 47, § 2, laatste lid, van het gemeentewegendecreet en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Het dwangsombedrag van 500 euro per dag van niet-uitvoering is disproportioneel hoog, in die zin dat het niet alleen een afschrikkend effect heeft “maar gewoonweg de toegang tot de rechter uitholt”. Overeenkomstig artikel 48 van het gemeentewegendecreet zal de verwerende partij de dwangsommen kunnen innen bij dwangbevel, “waartegen verzoeker dan pas verzet zal kunnen doen bij de rechtbank van eerste aanleg, dus op het ogenblik dat de dwangsommen al zijn verbeurd”. Gelet op artikel 50, § 1, van het gemeentewegendecreet verjaart het vorderingsrecht van de gemeente om de dwangsommen bij dwangbevel te innen na zes maanden. Het maximumbedrag van de dwangsommen van 30.000 euro zal bereikt worden na 60 dagen niet-uitvoering van de last tot herstel. Het is kennelijk onredelijk dat verzoeker op het ogenblik dat hij voor het eerst verzet kan doen tegen de verbeurte van de dwangsom “meteen zou worden geconfronteerd met het risico dat zijn verzet wordt afgewezen en een bedrag van 30.000,00 euro aan dwangsommen moet betalen om dan alsnog tot de heropening van pad 65 te moeten overgaan”. Het zou volgens verzoeker anders zijn geweest indien de dwangsom 25 euro per dag had bedragen en na zes maanden ongeveer 4.500 euro zou bedragen.
  28. Verzoeker erkent in de memorie van wederantwoord dat de betwisting of er sprake is van een dertigjarig niet-gebruik buiten de rechtsmacht van de Raad van State valt, maar stelt de vraag “of het getuigt van een behoorlijk X-18.700-11/18 en zorgvuldig bestuur om in die omstandigheden na al die jaren plots aan verzoeker een last tot herstel op te leggen, zeker omdat verzoeker zelf een voorstel van oplossing heeft gedaan”. Dat de betrokken buurtweg nooit formeel werd afgeschaft, betekent niet dat “het publiek karakter niet verloren kan zijn gegaan door verjaring”. Hoewel het niet aan verzoeker is om voorwaarden te stellen omtrent het al dan niet vrijmaken van een gemeenteweg, ging hij ervan uit dat de burgemeester “als burgervader een gerichte oplossing zou zoeken naar het water- /ophogingsprobleem dat zich situeert op de plaats waar de gemeente het pad zou herleggen”. Het getuigt van een onbehoorlijk bestuur dat verzoeker niet de kans heeft gehad om het verleggen van pad nr. 65 op een correcte manier te kunnen bespreken en onderhandelen. Het voelt alsof “de verwerende partij hem financieel straft voor jaren discussie over de ophogingen en afwatering, terwijl de verwerende partij op de hoogte is dat er geen riolering voorzien is voor de hoger gelegen woningen en landbouwbedrijf en dat daardoor de percelen van verzoeker het water allemaal moet[en] verwerken”.
  29. In de laatste memorie stelt verzoeker vooreerst dat hij ook kennis heeft genomen van de gevestigde rechtspraak dat het bestaan van een buurtweg in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet een juridisch bestaan is. “Daardoor is het al dan niet 30 jaar in onbruik zijn van pad nr. 65 inderdaad niet (meer) relevant voor de thans voorliggende vordering tot nietigverklaring”. Dit neemt volgens verzoeker evenwel niet weg dat er al vele jaren betwisting is over het dertigjarig niet-publiek gebruik, zoals blijkt uit de stukken. Verzoeker blijft erbij dat het niet getuigt van behoorlijk en zorgvuldig bestuur om in die omstandigheden na al die jaren plots aan hem een last tot herstel op te leggen, zeker omdat verzoeker zelf een voorstel van oplossing heeft gedaan. Beoordeling
  30. Artikel 38 van het gemeentewegendecreet luidt: “Artikel 38 X-18.700-12/18 Het is verboden: 1° een gemeenteweg te wijzigen, te verplaatsen of op te heffen zonder voorafgaand akkoord van de gemeenteraad; 2° een gemeenteweg volledig of gedeeltelijk in te nemen op een wijze die het gewone gebruiksrecht overstijgt; 3° de toegang tot een gemeenteweg of het gebruik en beheer ervan te belemmeren, te hinderen of onmogelijk te maken; 4° op of in gemeentewegen werkzaamheden uit te voeren of gemeentewegen op welke wijze ook te beschadigen zonder voorafgaande toestemming van het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde.” Artikel 40 van het gemeentewegendecreet bepaalt: “Artikel 40 Het college van burgemeester en schepenen kan aan elke overtreder een last opleggen tot herstel van een overtreding van verbodsbepalingen als vermeld in artikel 38, of van het reglement, vermeld in artikel
  31. De last tot herstel omvat: 1° de te nemen herstelmaatregelen; 2° het tijdskader voor het nemen van de herstelmaatregelen; 3° de gevolgen van het niet of niet tijdig uitvoeren van de herstelmaatregelen, namelijk ofwel de uitoefening van bestuursdwang in de zin van onderafdeling 2, ofwel de verplichting tot betaling van een dwangsom in de zin van onderafdeling 3; 4° in voorkomend geval de kosten die verhaald worden bij de toepassing van bestuursdwang. Het besluit tot het opleggen van de last tot herstel wordt met een beveiligde zending bekendgemaakt aan de overtreder.” De artikelen 47 tot 50 van het gemeentewegendecreet luiden: “Artikel 47 §
  32. Het college van burgemeester en schepenen heeft de bevoegdheid om te bepalen dat door het niet of niet tijdig uitvoeren van de opgelegde last tot herstel in de zin van onderafdeling 1 een dwangsom verschuldigd is. Het is niet mogelijk om te kiezen voor een dwangsom in plaats van voor bestuursdwang als, gelet op het belang dat geschonden wordt door de overtreding, het risico bestaat dat de overtreding ondanks de last tot herstel onder dwangsom nog zou worden voortgezet of herhaald. §
  33. Het college van burgemeester en schepenen stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het college van burgemeester en schepenen stelt ook een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. X-18.700-13/18 De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Artikel 48 §
  34. Een dwangsom wordt door de overtreder van rechtswege verbeurd op het ogenblik waarop de in de last gegeven termijn om de illegale situatie of handeling te beëindigen verstrijkt zonder dat aan de last uitvoering is gegeven, dan wel wanneer na het verstrijken van voormelde termijn een herhaling van de overtreding plaatsvindt. Verbeurte vindt plaats van rechtswege. §
  35. Verbeurde dwangsommen komen toe aan de gemeente. §
  36. Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen dertig dagen nadat ze van rechtswege is verbeurd. §
  37. Het college van burgemeester en schepenen kan van de overtreder bij dwangbevel het verschuldigde bedrag, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen, en wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing. Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de overtreder bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van de gemeente, bij de rechtbank van eerste aanleg van de gemeente. Dat verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet. Artikel
  38. Het college van burgemeester en schepenen dat een last tot herstel onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen als de overtreder blijvend of tijdelijk, volledig of gedeeltelijk in de onmogelijkheid verkeert om aan zijn verplichtingen te voldoen. Het college van burgemeester en schepenen dat een last tot herstel onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen als het besluit een jaar van kracht is geweest zonder dat een dwangsom is verbeurd. Artikel 50 §
  39. De bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop die bedragen zijn verbeurd. De verjaring wordt geschorst door faillissement en door ieder wettelijk beletsel voor de invordering van de dwangsom. §
  40. Als uit een besluit tot intrekking of wijziging van de last tot herstel voortvloeit dat een al genomen besluit tot invordering van de dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt dat invorderingsbesluit. Het college van burgemeester en schepenen kan een nieuw besluit tot invordering nemen dat in overeenstemming is met de gewijzigde last tot herstel.”
  41. Vooreerst wordt erop gewezen dat de betwisting of er sprake is van een dertigjarig niet-gebruik door het publiek van het pad nr. 65 een burgerlijk X-18.700-14/18 recht betreft, zodat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om erover te oordelen. Overigens, daar niet blijkt dat het pad nr. 65 uiterlijk op 1 september 2019 afgeschaft was volgens de in de buurtwegenwet van 10 april 1841 voorgeschreven procedure, betreft het een bestaande buurtweg in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet. Krachtens dit artikel wordt het pad nr. 65 geacht een gemeenteweg te zijn waarop het gemeentewegendecreet toepasselijk is. Het “bestaan” van buurtwegen in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet is met andere woorden een juridisch bestaan. Noch de feitelijke toestand van het terrein, noch de vraag of de wegzate van de buurtweg – vanuit het oogpunt van het eigendomsrecht – verjaard zou zijn is ter zake relevant.
  42. Noch het feit dat (de rechtsvoorganger van) verzoeker het bestaan van het pad nr. 65 betwist, noch het gegeven dat hij zich bereid zou hebben getoond om dit pad te verleggen, doet aannemen dat hij er rechtmatig op mocht vertrouwen dat hem geen last tot herstel ingevolge de afsluiting van deze voetweg zou worden opgelegd. Dit geldt te dezen nog meer nu verzoeker, die zijn activiteiten pas sedert anderhalf jaar op het met dat doel omheinde perceel blijkt uit te voeren, ermee bekend was dat het pad nr. 65 aldaar duidelijk op de Atlas der Buurtwegen staat aangegeven en dat het openstellen en herstel van het pad nr. 65 door de gemeente een reële mogelijkheid was. Blijkens het e-mailverkeer tussen verzoeker en de gemeente Holsbeek van 28 en 29 september 2017 merkte de gemeente toen reeds op dat “indien deze zaak niet administratief kan worden afgerond binnen een redelijke termijn, […] het openstellen en herstel van beide wegen de enige mogelijkheid is” (zie randnummer 3.4). X-18.700-15/18
  43. Met het eerste bestreden besluit stelt de verwerende partij vast dat verzoeker met zijn brief van 28 april 2024 in gebreke is gebleven om “zijn keuze bekend te maken conform de aanmaning van 12 april 2024”, meer bepaald om tegen 30 april 2024 schriftelijk mede te delen of hij het pad nr. 65 zal vrijmaken, dan wel of hij zijn volledige medewerking zal verlenen aan de officiële verlegging van dit pad. Die conclusie van de verwerende partij is niet onterecht, nu verzoeker in zijn antwoordbrief van 28 april 2024 aan de verwerende partij uitdrukkelijk aangeeft “alle mogelijkheden [te willen] bekijken om zelf een goed tegenvoorstel te kunnen doen” en zodoende inderdaad nalaat om zijn keuze tussen de beide voormelde opties kenbaar te maken. Daarbij moet worden vastgesteld dat aan deze ontwijkende antwoordbrief een voorgeschiedenis van jarenlange correspondentie over voetwegen nrs. 34 en 65 voorafgaat, waarbij de verwerende partij – afgezet tegen de talmende houding van (de rechtsvoorganger van) verzoeker – bepaald geduldig is opgetreden. Mede in het licht daarvan, kan verzoeker niet met goed gevolg aanvoeren dat hem de kans werd ontnomen om de verlegging van pad nr. 65 “op een correcte manier te kunnen bespreken en onderhandelen”.
  44. Overeenkomstig artikel 47, § 2, laatste lid, van het gemeentewegendecreet dienen de dwangsombedragen “in redelijke verhouding [te staan] tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom”. Verzoeker houdt in zijn inleidend verzoekschrift een betoog over het gebrek aan proportionaliteit van de opgelegde dwangsom. Dit betoog overtuigt niet, in acht genomen de ernst van de inbreuk, waarbij de voetweg nr. 65 over de volledige lengte van verzoekers perceel wordt belemmerd door een draadafspanning die de weide afbakent, en gelet op de voorgeschiedenis van jarenlange correspondentie over deze voetweg tussen (de rechtsvoorganger van) verzoeker en de verwerende partij, waarbij deze laatste zich bepaald geduldig heeft opgesteld. Het blijkt niet dat het onterecht is dat de verwerende partij bij het bepalen van de hoogte van het dwangsombedrag rekening heeft gehouden met de X-18.700-16/18 jarenlange talmende houding van (de rechtsvoorganger van) verzoeker en het feit dat zij hem wel degelijk de kans heeft geboden om de voetweg op zijn terrein te verleggen. Verzoeker voert ook niet aan dat de dwangsombedragen niet in verhouding staan tot de kost van het (laten) uitvoeren van het herstel of tot zijn financiële draagkracht. Evenmin overtuigt verzoeker ervan dat de termijn waarbinnen de last tot herstel moet worden uitgevoerd disproportioneel zou zijn, temeer nu de tweede bestreden beslissing de initiële termijn van 15 dagen met zeven kalenderdagen heeft opgeschort. Verzoekers betoog dat het dwangsombedrag “de toegang tot de rechter” uitholt doordat het onredelijk hoog zou zijn, kan gezien de onjuistheid van zijn premisse inzake de disproportionaliteit geen bijval vinden. Waar verzoeker zich erover beklaagt dat hij overeenkomstig artikel 48 van het gemeentewegendecreet pas eerst bij de rechtbank van eerste aanleg verzet zal kunnen aantekenen tegen het dwangbevel tot betaling van de dwangsom, houdt zijn betoog een onontvankelijke kritiek in op dat decreet, voor de beoordeling waarvan de Raad van State niet bevoegd is.
  45. Het enige middel wordt verworpen. Gelet op de verwerping van het aangevoerde middel moet het beroep hoe dan ook worden verworpen. BESLISSING
  46. De Raad van State verwerpt het beroep.
  47. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van X-18.700-17/18 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.700-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.163 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.