← België

Arrest 266197 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 25/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.197 Rolnummer: A. 242583/XII-9737 Zaak: Arrest 266197 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 25/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.197 van 25 maart 2026 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.197 van 25 maart 2026 in de zaak A. 242.583/XII-9737 In zake : het VRIJ SYNDICAAT VOOR HET OPENBAAR AMBT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joost Bosquet en Gert Op De Beeck kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 262 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 18 mei 2024 waarbij de tussenkomende partij is bevorderd in de graad van hoofdcommissaris van politie, met ingang van 1 februari
  2. XII-9737-1/34 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XXXX heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari
  4. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Barbara Speleers, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Margot Van Gogh, die loco advocaten Joost Bosquet en Gert Op De Beeck verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. XII-9737-2/34 III. Feiten 3.
  6. De tussenkomende partij is sinds 1 maart 2020 commissaris van politie in een lokalepolitiezone. Bij ministerieel besluit van 13 januari 2021 wordt hij met ingang van 1 februari 2021 “aangewezen als lid van het technisch en administratief secretariaat geïntegreerde politie” bij de minister van Justitie. 3.
  7. Op 5 februari 2024 kent de directeur-generaal van het technisch en administratief secretariaat bij de minister van Justitie (hierna: SAT Justitie) de tussenkomende partij de eindbeoordeling ‘goed’ toe. 3.
  8. Op 6 februari 2024 onderschrijft de toenmalige minister van Justitie middels een “attest” de voormelde eindbeoordeling ‘goed’. Hij verklaart dat de tussenkomende partij, “verbindingsofficier van politie”, voldoet aan de voorwaarden van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: wet van 26 april 2002), alsook dat de tussenkomende partij beschikt over de nodige kwaliteiten en competenties van een hoofdcommissaris van politie. “Een bevordering in de graad van hoofdcommissaris van politie is bijgevolg gerechtvaardigd en aangewezen”, aldus datzelfde attest. 3.
  9. Op 6 februari 2024 richt de minister van Justitie een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken met de vraag om de tussenkomende partij de graad van hoofdcommissaris van politie toe te kennen. Deze brief vermeldt dat in toepassing van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 een “verbindingsofficier van politie” kan worden bevorderd in de graad van hoofdcommissaris van politie “mits het voldoen aan enkele voorwaarden”. Nog volgens deze brief blijkt uit de bij de brief gevoegde nota dat de tussenkomende partij “als verbindingsofficier van politie aan deze voorwaarden voldoet”. De bij de voormelde brief gevoegde nota luidt: XII-9737-3/34 “A. Situatie - [De tussenkomende partij] werd gedetacheerd vanuit de lokale politiezone […] en werd per Ministerieel Besluit vanaf 1 februari 2021 aangewezen als lid van het ATS Justitie, dit met het mandaat van verbindingsofficier van politie […]; - Hij voert opdrachten uit van een verbindingsofficier van politie, zo ook met mandaat van de beleidscel van de minister van Justitie. B. Wettelijke en reglementaire basis - Art. 135ter van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten; - Koninklijk Besluit van 10 mei 2007 tot instelling bij de minister van Justitie van een Technisch en Administratief Secretariaat; - Ministerieel Besluit van 13 januari 2021 houdende aanwijzing van de leden van het Technisch en Administratief Secretariaat (aanwijzing [tussenkomende partij]); C. Analyse - Met betrekking tot de uitgeoefende functie kan bevestigd worden dat [de tussenkomende partij] instaat voor het: o Uitvoeren van opdrachten beschreven in artikels 2 en 3 van het Koninklijk Besluit van 10 mei 2007; o Uitvoeren van opdrachten in opdracht van of namens de beleidscel als verbindingsofficier van politie zoals geattesteerd door de minister van Justitie […]; - Mandaat van 3 jaar: o Gedetacheerd als verbindingsofficier vanuit de lokale politiezone […]; o Benoeming van [de tussenkomende partij] als verbindingsofficier van politie per Ministerieel besluit van 13 januari 2021 vanaf 1 februari 2021 […]; - Evaluatie: o De evaluatie ‘goed’ met betrekking tot de volle drie jaar van het mandaat, opgesteld door de directeur-generaal ATS Justitie […]; o De evaluatie ‘goed’ werd bevestigd door de minister van Justitie […]; D. Conclusie De voorwaarden tot bevordering zijn voldaan.” 3.
  10. Bij koninklijk besluit van 18 mei 2024 wordt de tussenkomende partij bevorderd in de graad van hoofdcommissaris van politie met ingang van 1 februari
  11. Dit is de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst
  12. XXXX heeft belang bij de uitkomst van het beroep. Bijgevolg wordt het verzoek tot tussenkomst ingewilligd. XII-9737-4/34 V. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties van gebrek aan belang
  13. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie op van gebrek aan belang. Zij zet uiteen dat de verzoekende partij niet aantoont dat de belangen van haar leden zijn geschaad, meer bepaald dat haar leden ook aanspraak kunnen maken op de uitzonderingsregeling van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 om zo in concurrentie te komen met de tussenkomende partij. Evenmin toont de verzoekende partij aan dat haar leden geen of minder kansen hebben om te worden bevorderd tot hoofdcommissaris van politie. In de hypothese dat de prerogatieven van de verzoekende partij daadwerkelijk zouden zijn geschonden, toont de verzoekende partij niet aan welk concreet nadeel die onregelmatigheid heeft teweeggebracht, aldus de verwerende partij. In de laatste memorie herhaalt de verwerende partij dit op een parafraserende wijze, verwijst zij naar de beoordeling in het auditoraatsverslag van het belang en sluit zij zich aan bij de nieuwe exceptie opgeworpen door de tussenkomende partij in haar brief van 2 september 2025 aan de Raad van State.
  14. Ook de tussenkomende partij werpt een exceptie van gebrek aan belang op. Volgens de tussenkomende partij is er geen sprake van persoonlijke schade voor de leden van de verzoekende partij. Zij werpt voorts op dat vakorganisaties het recht hebben om collectieve belangen te verdedigen, maar dat dit recht niet inhoudt dat zij kunnen interveniëren in individuele zaken waarbij er geen duidelijk verband is tussen de beslissing in kwestie en de belangen van de leden als geheel. Ook de tussenkomende partij voert aan dat, in de hypothese dat de prerogatieven van de verzoekende partij daadwerkelijk zouden zijn geschonden, de verzoekende partij niet aantoont welk concreet nadeel die onregelmatigheid heeft teweeggebracht. XII-9737-5/34 In een brief van 2 september 2025 aan de Raad van State, alsook in de daarop volgende laatste memorie, wijst zij erop dat zij bij gemeenteraadsbesluit van 28 april 2025 werd aangesteld als directeur operaties in een lokalepolitiezone, een functie die werd opengesteld voor hoofdcommissarissen van politie. De verzoekende partij was vertegenwoordigd tijdens de selectieprocedure, doch heeft daar geen bezwaar geformuleerd noch heeft zij haar aanstelling aangevochten. Volgens de tussenkomende partij leidt dit tot het verlies aan actueel belang in de voorliggende procedure.
  15. In het verzoekschrift – wat zij herhaalt in de memorie van wederantwoord – wijst de verzoekende partij op haar procesbekwaamheid ter vrijwaring van haar prerogatieven en bevoegdheden en zet zij uiteen dat zij daadwerkelijk een schending van haar prerogatieven aanvoert. Het waken over en het vrijwaren van haar prerogatieven volstaat volgens de verzoekende partij, opdat er sprake is van het rechtens vereiste belang. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij daar aan toe dat zij niet moet aantonen dat sommige van haar leden in concurrentie zouden kunnen komen met de tussenkomende partij of nadelig zouden zijn beïnvloed. In de laatste memorie sluit de verzoekende partij zich aan bij het standpunt vertolkt in het auditoraatsverslag dat zij over het vereiste belang beschikt om op te komen tegen een miskenning van haar prerogatieven en dat zij in de vier middelen wel degelijk een schending aanvoert van de regelgeving betreffende haar prerogatieven. Voorts merkt de verzoekende partij met verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State op dat het belang niet op een te strikte of te formalistische wijze mag worden benaderd. Ter terechtzitting repliceert de verzoekende partij op de nieuwe exceptie in de laatste memorie van de tussenkomende partij met het standpunt dat het haar om de eerbiediging van haar prerogatieven als representatieve vakorganisatie te doen is en dat de aanstelling van de tussenkomende partij in een lokalepolitiezone daar los van staat. XII-9737-6/34 Beoordeling
  16. De verzoekende partij is een feitelijke vereniging. Een dergelijke vereniging heeft in beginsel niet de vereiste rechtsbekwaamheid om voor de Raad van State in rechte te treden, ook niet met het oog op de behartiging van de collectieve belangen van haar leden die zij zich tot doel zou hebben gesteld. Uitzonderlijk vermag een feitelijke vereniging toch ontvankelijk een bestuurshandeling met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State te bestrijden, namelijk voor zover de wetgever daarin heeft voorzien – wat te dezen niet het geval is – maar ook in de mate dat zij door de overheid is erkend en bij de werking van de openbare dienst is betrokken én in zoverre het belang waarvoor zij met haar beroep opkomt, verband houdt met dit erkend betrokken zijn bij de werking van de overheid, zoals ter vrijwaring van haar erkende prerogatieven en bevoegdheden. Aldus kan haar beroep ontvankelijk zijn voor zover zij middelen aanvoert waarin zij doet gelden dat prerogatieven en bevoegdheden die zij ontleent aan haar erkende betrokkenheid bij de werking van de openbare dienst, zijn miskend. Te dezen situeert de verzoekende partij haar belang in de miskenning van haar prerogatieven en voert zij vier middelen aan waarin zij de schending aanvoert van regelgeving die betrekking heeft op die prerogatieven. De opgeworpen exceptie van gebrek aan belang hangt derhalve samen met de grond van de zaak.
  17. In de mate dat de tussenkomende partij, daarin bijgevallen door de verwerende partij, in de laatste memorie nog aanvoert dat de verzoekende partij haar belang verliest, daar zij zich niet heeft verzet tegen de aanstelling van de tussenkomende partij als directeur operaties in een lokalepolitiezone, noch deze aanstelling van de tussenkomende partij heeft aangevochten, gaat zij eraan voorbij dat de verzoekende partij zich te dezen steunt op een functioneel belang, bestaande XII-9737-7/34 uit de miskenning van haar prerogatieven. Opdat de Raad van State een miskenning van de prerogatieven van de verzoekende partij door de bestreden beslissing zou kunnen vaststellen, is niet vereist dat de verzoekende partij ook de aanstelling van de tussenkomende partij in een lokalepolitiezone heeft aangevochten, ook al stond die functie enkel open voor personen bekleed met de graad van hoofdcommissaris van politie, graad die verzoeker pas door de bestreden beslissing heeft verworven. Zoals de verzoekende partij terecht aanvoert, is het haar enkel te doen om de vaststelling dat haar prerogatieven zijn geschonden en was dat niet het geval in het kader van de aanstelling van de tussenkomende partij in een lokalepolitiezone. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  18. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 3 van de wet van 24 maart 1999 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten’ (hierna: wet van 24 maart 1999) en van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 ‘tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten’ (hierna: koninklijk besluit van 8 februari 2001). Luidens artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) moet het verzoekschrift een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het voornoemde artikel 2, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het XII-9737-8/34 koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: koninklijk besluit van 21 juli 2023) dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verzoekende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. Het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord, als volgt samen: “Verzoekende partij zet uiteen dat om tot hoofdcommissaris (HCP) te kunnen worden bevorderd in toepassing van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna: wet 26 april 2002) er een mandaat moet voorliggen als verbindingsofficier, binnen de beleidscel van de minister en na een positieve evaluatie. Zij zet uiteen dat er geen mandaat voorligt van een aanstelling als verbindingsofficier en stelt dat het SAT justitie (Technisch en Administratief Secretariaat) niet de beleidscel van de minister is. De bevordering tot de graad van hoofdcommissaris (HCP) verlenen aan iemand die ‘in de feiten’ de verbindingsofficier is tussen de geïntegreerde politie en de minister (van justitie) is een wijze van bevordering die zich niet vereenzelvigt met een (eenvoudige) toepassing van artikel 135ter wet 26 april
  19. Ook […] stelt zich de vraag wie precies moet beoordelen dat er een evaluatie met de beoordeling ‘goed’ dient te volgen - de minister/beleidscel - het SAT - of de diensten geïntegreerde politie of nog iemand/iets anders zoals de AIG? Indien dergelijke zaken niet geregeld worden is het pure willekeur en loert vriendjespolitiek om de hoek. De bevordering tot de graad van hoofdcommissaris verlenen aan iemand die ‘in de feiten’ de verbindingsofficier is (volgens de benoemende overheid) tussen de XII-9737-9/34 geïntegreerde politie en de minister (van justitie) is aldus een wijze van bevordering/ verhoging in graad op zich welke niet is voorzien in enige statutaire regel welke voorafgaand aan onderhandeling is onderworpen. Nochtans voorziet art. 3 van de wet van 24 maart 1999 in samenlezing met art. 2 van voormeld KB van 8 februari 2001 dat de regelen inzake bevordering, verandering van graad, verhoging in graad, bevordering door overgang naar het hoger niveau, welk danig stelsel van opbouw loopbaan een grondregeling van het administratief statuut is welke slechts kan worden aangenomen na daartoe ter onderhandeling zijn voorgelegd op het onderhandelingscomité. Idem wat betreft de regeling van toepassing op personeelsleden die met een opdracht worden belast aangezien de bevordering van een zogenaamd verbindingsofficier ‘in de feiten’ een regeling is van toepassing op personeelsleden die met een opdracht zijn belast - zijnde dus beweerdelijk in deze de opdracht als verbindingsofficier. Dergelijke regeling dient dan o.a. de elementen te omvatten zoals hiervoor gesteld omtrent wie er de voorziene evaluatie dient te doen. Aldus zijn artikel 3 van de wet van 24 maart 1999 en het art. 2 KB van 8 februari 2001 voormeld geschonden. […] Het verweer van verwerende en tussenkomende partij komt er in essentie op neer dat er in casu sprake zou zijn van een reguliere benoeming in toepassing van art. [1]35ter wet van 26 april 2002 gelet alle voorwaarden daartoe zouden zijn vervuld. Zij stelt in haar memorie dat uit de aanwijzing van [de tussenkomende partij] als lid van het SAT ook voortvloeit dat hij werd aangewezen als verbindingsofficier binnen de beleidscel van de minister van justitie. Er kan daaromtrent dienstig worden verwezen naar arrest RvS nr. 235.849 van 27 september
  20. Bij dit arrest is de vordering behandeld van een verzoeker welke lid was van het SAT en meende in toepassing van art. 135ter wet 26 april 2002 in de graad van hoofdcommissaris te kunnen worden benoemd. Deze persoon deed daartoe een aanvraag en botste op een weigering. Het gaat ook al niet om via een achteraf methodiek te gaan stellen dat iemand die blijkt - na toevallig de daartoe vereiste tijdspanne van 3 jaar – ‘in de feiten’ de functie van verbindingsofficier te hebben uitgeoefend ook een verbindingsofficier was. Dat is geen toepassing van een benoemingsmogelijkheid ex art. 135 ter wet 2002 maar een benoemingsmogelijkheid sui generis (in feite pure willekeur) maar in elk geval een bijzonder benoemings/bevorderingsmogelijkheid welke niet aan voorafgaand syndicaal overleg onderworpen is geweest. Geen der voorwaarden van art. 135ter wet van 26 april 2002 is immers voorhanden: [De tussenkomende partij] is nooit formeel aangewezen voor een mandaat als verbindingsofficier binnen de beleidscel van een federaal minister of staatssecretaris. Deze heer is enkel aangewezen als lid van het SAT, niets meer en niets minder. Het enige mogelijke besluit is dat hier sprake is geweest van een bevorderingsmogelijkheid die los staat van een correcte en ernstige toepassing van art. 135ter wet 2002, een bevorderingsmogelijkheid die niet is vastgesteld na voorafgaandelijke syndicale onderhandeling.” In de laatste memorie voegt de verzoekende partij daaraan toe dat het concept van “in de feiten” verbindingsofficier te zijn een rechtsnorm is op grond waarvan de bestreden beslissing is genomen en die niet te herleiden is tot de XII-9737-10/34 toepassing van artikel 135ter van de wet van 26 april
  21. Die bevorderingsmogelijkheid “in de feiten” is een rechtsnorm die niet aan de voorafgaande syndicale onderhandeling is onderworpen. De verzoekende partij verwijst desbetreffend nog naar de notulen van het onderhandelingscomité van 26 juni
  22. De nood aan voorafgaande onderhandeling over deze nieuwe bevorderingsmogelijkheid blijkt volgens de verzoekende partij ook uit het gegeven dat het bestuur niet uitsluit dat in de toekomst nog wordt gebruikgemaakt van die mogelijkheid.
  23. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord uitvoerig. Luidens artikel 6, § 2, tweede lid, van het algemeen procedurereglement moet de memorie van antwoord een samenvatting van de argumenten van de verwerende partij bevatten als voor het antwoord op de middelen een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, is deze vereiste de tegenhanger van de wijziging die is aangebracht in artikel 2, § 1, van het algemeen procedurereglement. Net zoals in het kader van het verzoekschrift tot nietigverklaring geeft de niet-naleving van dat vereiste door de verwerende partij geen aanleiding tot de onontvankelijkheid van haar argumenten (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630), maar heeft ze – per analogie – tot enig mogelijk gevolg voor de verwerende partij dat de draagwijdte van haar argumenten niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest. Te dezen bevat de memorie van antwoord weliswaar een uiteenzetting van de argumenten van de verwerende partij, maar geen samenvatting in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verwerende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten ter beantwoording van het middel. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. XII-9737-11/34 Het auditoraat vat de essentie van de repliek, zoals uiteengezet in de memorie van antwoord, als volgt samen: “De argumentatie van verzoekster komt er in dit eerste middel in hoofdzaak op neer dat in de mate dat de bevorderingswijze van artikel 135ter Exoduswet ook openstaat voor een lid van het SAT Justitie, dit een bijkomende bevorderingswijze betreft waardoor het administratief statuut op een fundamentele wijze wordt gewijzigd en zodoende deze regeling het voorwerp diende te hebben uitgemaakt van onderhandelingen met de representatieve vakorganisatie, hetgeen in casu niet is gebeurd. Verweerster kan om evidente reden deze argumentatie geenszins bijtreden aangezien - in tegenstelling tot hetgeen verzoekster voorhoudt - het hier geheel niet gaat om een nieuwe of bijkomende bevorderingsmogelijkheid, doch de bevordering van de [tussenkomende partij] is geschied overeenkomstig artikel 135ter Exoduswet waarbij verweerster heeft vastgesteld dat er wel degelijk is voldaan aan alle daarin vooropgestelde voorwaarden en dat zo ook de [tussenkomende partij] beschikt over alle nodige kwaliteiten en competenties van een hoofdcommissaris van politie. Er kan niet worden betwist dat de [tussenkomende partij] wel degelijk met ingang van 1 februari 2021 het mandaat van ‘verbindingsofficier van politie’ werd toegewezen en dat hij dit ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend waarbij er duidelijk voldaan is aan alle voorwaarden van artikel 135ter Exoduswet. Verweerster is dan ook van oordeel dat de bevordering in de graad van hoofdcommissaris van politie overeenkomstig artikel 135ter Exoduswet, in casu wel degelijk gerechtvaardigd is. De stelling aldus van verzoekster dat de representatieve vakorganisaties ten onrechte niet werden geraadpleegd, kan dan ook niet in het minste worden aangenomen.” In de laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat zij van oordeel is dat de bevordering van de tussenkomende partij wel degelijk is geschied overeenkomstig artikel 135ter van de wet van 26 april
  24. Zij betwist dat het gegeven, dat sedert de oprichting van het SAT Justitie de leden van de dienst verbindingsofficieren van de geïntegreerde politie bij de beleidscel van de minister van Justitie zijn overgegaan naar het SAT Justitie, niet ter zake dienend zou zijn. Dat is volgens de verwerende partij wel degelijk van belang, daar zij dezelfde functie vervullen. Het loutere feit dat geen document voorligt waaruit de formele aanwijzing tot verbindingsofficier blijkt, betekent volgens de verwerende partij niet dat de betrokkene niet daadwerklelijk is aangesteld in het mandaat van verbindingsofficier bij de beleidscel van de minister van Justitie. Volgens de verwerende partij is er geen sprake van een bijkomende nieuwe bevorderingsmogelijkheid die niet het voorwerp heeft uitgemaakt van onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties. XII-9737-12/34
  25. De tussenkomende partij repliceert uitvoerig in het verzoekschrift tot tussenkomst. Luidens artikel 52, § 3, tweede lid, van het algemeen procedurereglement moet het verzoekschrift tot tussenkomst een samenvatting van de argumenten van de tussenkomende partij bevatten als voor het verzoekschrift tot tussenkomst een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, is deze vereiste de tegenhanger van de wijziging die is aangebracht in artikel 2, § 1, van het algemeen procedurereglement. Net zoals in het kader van het verzoekschrift tot nietigverklaring geeft de niet-naleving van dat vereiste door de tussenkomende partij geen aanleiding tot de onontvankelijkheid van haar argumenten (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.632-62.633), maar heeft ze – per analogie – tot enig mogelijk gevolg voor de tussenkomende partij dat de draagwijdte van haar argumenten niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest. Te dezen bevat het verzoekschrift tot tussenkomst weliswaar een uiteenzetting van de argumenten van de tussenkomende partij, maar geen samenvatting in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de tussenkomende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten ter beantwoording van het middel. Uit wat voorafgaat, volgt dat de tussenkomende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. Het auditoraat vat de essentie van de argumenten van de tussenkomende partij, zoals uiteengezet in het verzoekschrift tot tussenkomst, als volgt samen: “Verzoekende partij stelt dat de representatieve vakorganisaties foutief niet werden geraadpleegd, omdat er sprake zou zijn van een fundamentele wijziging van het administratief statuut. Dit argument gaat echter niet op. De bevordering in de graad van hoofdcommissaris van politie betreft een toepassing van de bestaande regelgeving, met name artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 en wijzigt XII-9737-13/34 geenszins het administratief statuut, noch raakt het de selectieprocedure voor de benoeming tot hoofdcommissaris van politie. De toekenning van deze bevordering aan een personeelslid dat als verbindingsofficier fungeert, doet geen afbreuk aan de geldende bevorderingsregels. Het betreft immers geen nieuwe bevorderingswijze, doch wel een correcte toepassing van de bestaande regelgeving. [De tussenkomende partij] voldoet dienaangaande wel degelijk aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 135ter van de wet van 26 april
  26. De zeer algemene formulering in artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 duidt op een dynamische verwijzing naar het wettelijke begrip ‘verbindingsofficier’. Alle latere wijzigingen aan het wettelijke begrip, zoals de overheveling van alle bevoegdheden naar een andere instantie, komen mee in aanmerking en moeten zodoende geïnterpreteerd worden alsof zij naar de nieuwe instantie verwijzen. Zo werd in het verleden reeds meermaals toepassing gemaakt van voormeld artikel om een lid van het SAT Justitie na drie jaar dienst en met een evaluatie ‘goed’ te bevorderen in de graad van hoofdcommissaris van politie. Op deze manier werden onder meer [J.D.], toenmalig verbindingsofficier op het SAT Justitie, bij KB van 19 maart 2012 […], [X.L.], toenmalig verbindingsofficier op het SAT Justitie bij KB van 15 juni 2018 […] en [C.W.], toenmalig verbindingsofficier op het SAT Binnenlandse Zaken, bij KB van 22 december 2022 […] bevorderd. [De tussenkomende partij] voldoet aan alle voorwaarden zoals gesteld in artikel 135ter van de wet van 26 april
  27. Verzoekende partij werpt bijkomend op dat er onduidelijkheid heerst over wie de evaluatie van het betrokken personeelslid juist moet uitvoeren en op basis van welke criteria. De evaluatie van een personeelslid binnen de geïntegreerde politie volgt de gebruikelijke evaluatieprocedures, waarbij het bevoegde bestuursorgaan deze taak op zich neemt. Verzoekende partij insinueert ten onrechte dat de afwezigheid van een specifieke wettelijke bepaling inzake de evaluatie van een lid van het SAT Justitie zou leiden tot willekeur en vriendjespolitiek. Er is echter geen enkele indicatie dat de geëigende evaluatieprocedure niet behoorlijk zou hebben plaatsgevonden in de voorliggende zaak. Er kan zodoende geconcludeerd worden dat de bevordering van [de tussenkomende partij] rechtmatig is verlopen volgens de bestaande procedures, zonder dat er sprake is van een wijziging van het administratief statuut met de plicht tot voorafgaand onderhandelen met de vakorganisaties.” In de laatste memorie sluit de tussenkomende partij zich eensdeels aan bij het auditoraatsverslag, maar oordeelt zij anderdeels dat de voorwaarden van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 zijn vervuld. Beoordeling
  28. Het auditoraat heeft het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, alsook de procedurestukken van de verwerende partij en de tussenkomende partij weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, nrs. 10-12). Partijen hadden in hun XII-9737-14/34 navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvattingen verricht.
  29. Artikel 3, eerste lid, van de wet van 24 maart 1999 bepaalt onder meer: “Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen en in de andere door Hem bepaalde gevallen, kunnen de bevoegde overheden alleen na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in het daartoe opgerichte comité, vaststellen: 1° de ontwerpen en de grondregelen met betrekking tot: a) het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling en het uniform; […].” Artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 bepaalt: “Als grondregelingen in verband met het administratief statuut worden beschouwd, de regels tot vaststelling van: 1° de voorwaarden waaraan men moet voldoen om als personeelslid te worden aangeworven, tot de stage of de opleiding te worden toegelaten of te worden benoemd, met inbegrip van de deelnemingsvoorwaarden voor de eventueel eraan voorafgaande vergelijkende examens, examens of proeven en de regels volgens welke die worden georganiseerd en de programma’s worden vastgesteld; […] 7° de regeling inzake evaluatie, waardebepaling of enig ander gelijkwaardig rapport; 8° de bepaling, de indeling, de rangschikking en de gelijkwaardigheid van de graden, ambten of functies en mandaten; 9° de regeling inzake overplaatsing, mobiliteit of enige andere vorm van wedertewerkstelling of beziging van de personeelsleden in andere overheidsdiensten dan die waartoe de personeelsleden behoren, alsook de regeling van toepassing op personeelsleden die met een opdracht worden belast; […] 11° de regeling inzake bevordering, verandering van graad, verhoging of terugzetting in graad, bevordering door overgang naar het hoger niveau en enig ander stelsel van opbouw van de loopbaan, alsook de uitoefening van een hoger ambt, de overgang naar andere al dan niet gespecialiseerde functies; […].”
  30. De verzoekende partij voert in wezen aan dat de bestreden beslissing geen bevordering is in toepassing van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002, omdat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling. Volgens de verzoekende partij behelst de bestreden beslissing een wijze van bevordering die niet is voorzien in enige statutaire regel die voorafgaand aan XII-9737-15/34 onderhandeling is onderworpen, terwijl de regels inzake bevorderingen een grondregeling zijn, die slechts kunnen worden aangenomen na voorafgaande onderhandeling. Derhalve rijst de vraag of de bestreden beslissing werd genomen in toepassing van een nieuwe of een gewijzigde grondregel in verband met het administratief statuut, waarbij de vakorganisaties – in strijd met de geschonden geachte rechtsregels – niet werden betrokken.
  31. Uit de bestreden beslissing blijkt dat ze steunt op artikel 135ter, eerste gedachtestreepje, van de wet van 26 april
  32. Deze bepaling luidt: “In afwijking van artikel 33, wordt de bevordering in de graad van hoofdcommissaris van politie verleend aan: - de personeelsleden die worden aangewezen voor een in artikel 66 bepaald mandaat of voor een mandaat van verbindingsofficier in België binnen de beleidscel van een federaal minister of staatssecretaris; of in het buitenland, of van Belgische politievertegenwoordigers in het buitenland, na afloop van het derde jaar van dat mandaat en voor zover zij een evaluatie met vermelding ‘goed’ krijgen met betrekking tot hun functioneren gedurende de eerste volle drie jaren van hun mandaat.” Uit artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 blijkt dat deze bepaling een uitzonderingsregeling bevat, die afwijkt van de normale rechtsregels om tot de graad van hoofdcommissaris van politie te kunnen worden bevorderd, zoals vervat in de artikelen 32 en 33 van diezelfde wet. Deze bepaling is aldus van restrictieve interpretatie. Ze is bovendien duidelijk en laat weinig ruimte voor interpretatie.
  33. De verzoekende partij betwist dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 is voldaan, met name betwist zij dat er sprake is van een aanwijzing in het “mandaat van verbindingsofficier […] binnen de beleidscel van een federaal minister”. Volgens de verzoekende partij is de tussenkomende partij niet formeel aangewezen als verbindingsofficier noch behoorde zij tot de beleidscel van een federaal minister. XII-9737-16/34
  34. Uit de bestreden beslissing blijkt geen verwijzing naar enige aanwijzing in het mandaat van verbindingsofficier. De bestreden beslissing verwijst wel naar het ministerieel besluit van 13 januari 2021 houdende aanwijzing van de tussenkomende partij “als lid van het Administratief-Technisch Secretariaat Justitie” met ingang van 1 februari
  35. Volgens zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij is de tussenkomende partij middels voormeld ministerieel besluit ook aangewezen in het mandaat van verbindingsofficier binnen de beleidscel van de minister van Justitie. Desondanks hebben noch de verwerende partij noch de tussenkomende partij dit ministerieel besluit aan de Raad van State voorgelegd, doch zich beperkt tot de neerlegging van de loutere bekendmaking van dit ministerieel besluit in het Belgisch Staatsblad, zodat de Raad van State bij zijn beoordeling ook enkel acht kan slaan op die bekendmaking. Uit de bestreden beslissing noch uit de bekendmaking van het ministerieel besluit van 13 januari 2021 houdende aanwijzing van de tussenkomende partij als lid van het Administratief-Technisch Secretariaat Justitie volgt dat de tussenkomende partij is aangewezen in het mandaat van verbindingsofficier en al evenmin dat hij werd aangewezen voor een mandaat binnen de beleidscel van de minister van Justitie. Het SAT Justitie werd opgericht bij koninklijk besluit 10 mei 2007 ‘tot instelling bij de Minister van Justitie van een Technisch en Administratief Secretariaat’ (hierna: koninklijk besluit 10 mei 2007). Het SAT Justitie is te onderscheiden van de beleidscel van een minister, opgericht in toepassing van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 ‘betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest’. Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit 10 mei 2007 vermeldt “[d]at dit Technisch en Administratief Secretariaat geen deel uitmaakt van de Beleidscel van de minister van Justitie maar er niettemin nauw mee zal samenwerken;”. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 10 mei 2007 vermeldt bovendien bij wijze van overgangsbepaling: “Bij de eerste installatie, worden de huidige leden van de dienst ‘Verbindingsofficieren’ van de XII-9737-17/34 geïntegreerde politie bij de Beleidscel van de minister van Justitie automatisch overgeheveld naar het SAT Justitie.” Uit wat voorafgaat, volgt dat geen bewijs voorligt dat de tussenkomende partij is aangewezen als verbindingsofficier noch dat de aanwijzing van de tussenkomende partij als lid van het SAT Justitie inhoudt dat hij deel uitmaakte van de beleidscel van de minister van Justitie. Deze vaststellingen volstaan om te besluiten dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 om de tussenkomende partij te kunnen bevorderen in de graad van hoofdcommissaris van politie.
  36. Het standpunt van de verwerende partij en de tussenkomende partij dat de tussenkomende partij “naast” de opdrachten als lid van het SAT Justitie “ook” opdrachten uitvoerde als verbindingsofficier van politie, dat de medewerkers van het SAT Justitie vaak ook worden belast met taken eigen aan de beleidscel, alsook dat de tussenkomende partij wel degelijk werd aangesteld als verbindingsofficier bij de beleidscel van de minister van Justitie, ook al ligt er geen formeel document voor waaruit die aanwijzing blijkt, doet niet anders oordelen. Deze argumenten kunnen immers geen afbreuk doen aan de duidelijke bepalingen van de wet, te dezen, artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 en de hiervoor gemaakte vaststelling dat aan de voorwaarden van die bepaling niet is voldaan. Het argument van de tussenkomende partij dat hij “in de feiten” wel als verbindingsofficier optrad en dat een strikte interpretatie van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 tot gevolg zou hebben dat de uitzonderingsprocedure op grond van die bepaling niet meer kan worden toegepast, doet evenmin anders oordelen. De ruimere en “dynamische” interpretatie van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 waartoe de tussenkomende partij de Raad van State uitnodigt, is immers in strijd met twee duidelijke toepassingsvoorwaarden van die bepaling, met name dat de tussenkomende partij moet zijn aangewezen als verbindingsofficier en dat hij deel moet uitmaken van de beleidscel van een federaal minister. Zoals hiervoor is vastgesteld, is aan geen van deze twee voorwaarden voldaan. XII-9737-18/34 Dat er precedenten van bevorderingen in gelijkaardige omstandigheden zouden zijn – zoals de tussenkomende partij betoogt, maar geenszins bewijst – kan evenmin de bevordering van de tussenkomende partij wettigen in strijd met de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 135ter van de wet van 26 april
  37. Nu is vastgesteld dat de bevordering van de tussenkomende partij niet wettig kan steunen op artikel 135ter van de wet van 26 april 2002, rijst de vraag of de verwerende partij, zoals de verzoekende partij aanvoert, toepassing heeft gemaakt van een andere rechtsregel waarover, in strijd met de geschonden geachte rechtsregels, niet voorafgaandelijk met de representatieve vakorganisaties is onderhandeld.
  38. De Raad van State stelt vooreerst vast dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat het bestuur zich bij het nemen van de bestreden beslissing steunde op rechtsregels die een wijziging van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 inhouden of op andere rechtsregels die een bijkomende, nieuwe bevorderingsmogelijkheid tot hoofdcommissaris van politie creëren. Er blijkt integendeel expliciet uit dat de bestreden beslissing steunt op artikel 135ter van de wet van 26 april
  39. De verzoekende partij, die te dezen één welbepaalde bevordering aanvecht, toont voorts niet aan dat aan deze bevordering een nieuwe grondregeling met een algemene draagwijdte ten grondslag ligt, die niet voorafgaand met de representatieve vakorganisaties is onderhandeld. Uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 ‘tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ blijkt dat deze wet “enkel de procedures van onderhandeling en overleg [heeft] willen opleggen voor maatregelen van algemene aard en niet voor beslissingen te nemen naar aanleiding van individuele toepassingsgevallen van die algemene reglementering” XII-9737-19/34 (BS 2 oktober 1985, 14.252). De parlementaire voorbereiding van de wet van 24 maart 1999 benadrukt dat het de bedoeling was van de wetgever dat de sui- generisregeling van de wet van 24 maart 1999 voor politieambtenaren “zo nauw mogelijk zou aansluiten bij de regeling van gemeen recht zoals die is vervat in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel” (Memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, KAMER, 1998-1999, 1 februari 1999, nr. 1959/1, 1), zodat wordt aangenomen dat ook met een “grondregeling” in de zin van artikel 3, eerste lid, van de wet van 24 maart 1999 en artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 derhalve enkel een regeling kan zijn bedoeld met een algemene draagwijdte die tot doel heeft voor een onbepaald aantal gevallen te gelden. Beslissingen over individuele gevallen zijn daarmee niet te vereenzelvigen. Het nemen van een individuele beslissing, waarvoor geen (wettige) grondslag bestaat, heeft niet ipso facto tot gevolg dat een (nieuwe) “grondregeling” betreffende het administratief statuut (al dan niet impliciet) zou zijn uitgevaardigd, noch dat een welbepaalde bestaande rechtsregel – te dezen artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 – middels een regeling met algemene draagwijdte zou zijn uitgebreid tot een nieuwe toepassingsmogelijkheid of gewijzigd, zoals de verzoekende partij aanvoert.
  40. In de mate dat de verzoekende partij in de laatste memorie verwijst naar de notulen van het onderhandelingscomité van 26 juni 2024 waaruit zou blijken dat de verwerende partij heeft gebruikgemaakt van een bevorderingsmogelijkheid die niet voorafgaand aan syndicale onderhandeling is onderworpen, stelt de Raad van State vast dat die notulen weliswaar blijk geven van een interpretatie door de verwerende partij van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 die hiervoor onwettig werd bevonden, doch dat uit die notulen niet blijkt dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing een nieuwe of gewijzigde grondregeling zou hebben toegepast, waarover niet werd onderhandeld met de representatieve vakorganisaties. XII-9737-20/34 In de mate dat de verzoekende partij in de laatste memorie voorts verwijst naar een e-mail van de directeur-generaal van het SAT Justitie waaruit zou blijken dat de verwerende partij de intentie heeft om in de toekomst nog van deze nieuwe bevorderingsmogelijkheid gebruik te maken, stelt de Raad van State vast dat dit argument geen verband houdt met de bestreden beslissing.
  41. De verzoekende partij situeert haar functioneel belang in het miskennen van haar prerogatieven bij het vaststellen van een grondregeling betreffende het administratief statuut, waarvan de bestreden beslissing een concrete toepassing zou zijn. Uit wat voorafgaat, blijkt dat de verzoekende partij niet aantoont dat aan de bestreden beslissing een nieuwe grondregeling met een algemene draagwijdte ten grondslag ligt. Bij gebrek aan een dergelijke grondregeling is er derhalve geen sprake van het schenden van de prerogatieven van de representatieve vakorganisaties, te dezen de onderhandelingsplicht bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet van 24 maart
  42. Uit wat voorafgaat, volgt aldus dat de verzoekende partij geen blijk geeft van het vereiste functioneel belang.
  43. Het eerste middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  44. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 15 van de wet van 24 maart 1999, artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 ‘tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: koninklijk besluit van 28 september 1984), van de omzendbrief XII-9737-21/34 GPI 20 van 22 april 2002 ‘betreffende de aanwezigheid van de representatieve vakorganisaties bij examens en vergelijkende examens’ (hierna: omzendbrief GPI 20 van 22 april 2002), alsook van artikel 3 van de wet van 24 maart 1999 en artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 februari
  45. Wat de verplichting tot samenvatting van het middel betreft, verwijst de Raad van State naar wat hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 10). Het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord, als volgt samen: “Aangezien [de tussenkomende partij] positief werd geëvalueerd was dat dan aan de hand van een regeling inzake de evaluatieprocedure welke niet voorafgaand met de syndicale organisaties werd onderhandeld. Alwaar nochtans dergelijke evaluatieregeling ex art. 2 KB van 08 februari 2001 een grondregeling is welke in toepassing art. 3 van de wet van 24 maart 1999 enkel wordt vastgesteld na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in het daartoe opgerichte comité. Zodoende is het syndicaal prerogatief van verzoeker geschonden, zijnde het art. 3 Wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, evenals van art. 2 Koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten. […] Luidens voormeld artikel 15 Wet van 24 maart 1999 en luidens art. 14 voormeld Koninklijk besluit van 28 september 1984 is het een prerogatief van de vakorganisaties aanwezig [te] zijn op de vergelijkende examens en op de examens welke voor de personeelsleden worden georganiseerd. Wat allemaal onder dergelijke examens dient begrepen is verder verhelderd door de omzendbrief GPI 20 en dit betreft onder andere de evaluatie, zowel als de selectie en de evaluatie van de mandatarissen. Verzoeker is nooit in kennis gesteld noch uitgenodigd voor de - ongetwijfeld - plaatsgevonden evaluatie waarbij verzoeker ook niet weet hoe deze is georganiseerd en verlopen. Zodoende was zij in de feitelijke onmogelijkheid om haar prerogatief tot aanwezigheid bij de evaluatie uit te oefenen en werd dit prerogatief geschonden. Zodoende is het syndicaal prerogatief van verzoeker geschonden, zijnde het art. 15 Wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, evenals art. 14 Koninklijk besluit van 28 september 1984, zo ook de omzendbrief GPI
  46. […] Voorts dient te worden vastgesteld dat verzoeker als syndicale organisatie - minstens in de feiten - is misleid aangezien zij nooit werd uitgenodigd voor een selectie als verbindingsofficier bij het kabinet van een federaal minister XII-9737-22/34 ex art. 135 ter wet 2002, gelet de oproep tot kandidering voor een mandaat bij het SAT hoegenaamd geen gewag maakt van dergelijke eventualiteit in de feiten. Alwaar verzoeker als syndicaal prerogatief heeft om aanwezig te zijn bij de selectie van mandatarissen is zij in haar prerogatief aangetast indien zij enkel kennis krijgt van een selectie als lid van het SAT alwaar dan 'in de feiten' blijkt dat de uitgeselecteerde de taak van verbindingsofficier ex art. 135ter wet 2002 zou hebben uitgeoefend. […] - Aangaande het belang bij het middel - Tussenkomende partij meent dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, nochtans is dat wel zo aangezien het hem gaat over het niet respecteren van verzoekers syndicale prerogatieven. - Ten gronde - Nergens is bepaald wie verantwoordelijk is voor de evaluatie in het kader van artikel 135ter van de wet van 26 april 2002, noch aan de hand van welke criteria dit moet geschieden. Er is geen competentieprofiel van de functie opgesteld op basis waarvan kan worden geëvalueerd. Dit betekent dat er geen evaluatieregeling is en die is ook nooit vastgesteld na onderhandelingen: het middel is gegrond. Verzoeker had moeten worden betrokken minstens uitgenodigd bij de evaluatie; Verzoekende partij werd misleid: zij was niet aanwezig bij de selectie van wat finaal een verbindingsofficier moet zijn geweest.”
  47. In de laatste memorie repliceert de verzoekende partij inzake haar belang dat dit belang is verbonden aan het respect voor haar prerogatieven. Of een nieuwe evaluatie met respect voor dit prerogatief al dan niet ten grondslag kan liggen aan een benoeming, doet in wezen niet ter zake. Zelfs in het geval dat men ervan zou uitgaan dat zulks wel zo is, dient, volgens de verzoekende partij, opgemerkt dat het gegeven van de evaluatie op zich kadert in een benoemingsmogelijkheid in toepassing of naar analogie van artikel 135ter van de wet 26 april 2002 en dat de aanwezigheid van een vakbondslid bij een dergelijke evaluatie tot het inzicht kan leiden bij de overheid dat dergelijke methodiek van bevordering wettelijk niet kan. Het respect voor het prerogatief van de verzoekende partij kan dus daadwerkelijk tot een nuttig resultaat leiden. Het prerogatief moet worden gerespecteerd en dat is het concrete voordeel dat de verzoekende partij wenst en ook kan halen bij het rechtsherstel na een eventuele vernietiging. Voorts benadrukt de verzoekende partij dat er pas een evaluatie kan zijn, indien er ook een specifieke evaluatieregeling bestaat, die voorafgaand syndicaal dient te zijn onderhandeld. Het syndicaal prerogatief wordt volgens de verzoekende partij niet enkel geschonden indien de overheid gebruikmaakt van een evaluatieregeling die niet vooraf aan syndicale onderhandeling is onderworpen, maar ook wanneer de XII-9737-23/34 overheid een ad-hocevaluatie doorvoert, zonder dat er een evaluatieregeling bestaat, die vooraf aan syndicale onderhandeling is onderworpen. Voorts zet de verzoekende partij uiteen dat haar belang erin bestaat dat haar prerogatieven worden gerespecteerd. Of het een evaluatieregeling dan wel een individuele bestuurshandeling is die met miskenning van haar prerogatieven wordt uitgevaardigd, is niet relevant. Er anders over oordelen, impliceert dat het syndicaal prerogatief kan worden geschonden, zoals te dezen het geval is. De bestreden beslissing kan niet bestaan zonder de voorafgaande (formele) aanwijzing als verbindingsofficier en de voorgeschreven evaluatie. Of er al dan niet sprake is van een “complexe rechtshandeling”, is niet relevant. Uit artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 volgt dat zonder evaluatie de bevordering niet kan worden bekomen. Bij het toekennen van de bevordering met miskenning van het syndicaal prerogatief, dringt de vernietiging zich op. Beoordeling Exceptie van gebrek aan belang bij het middel
  48. De tussenkomende partij verwijst naar haar exceptie van gebrek aan belang bij het beroep en werpt op dat de verzoekende partij om dezelfde reden geen belang heeft bij het middel. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nr. 8), situeert de verzoekende partij haar belang in de miskenning van haar prerogatieven De opgeworpen exceptie van gebrek aan belang hangt derhalve samen met de grond van de zaak. Ten gronde
  49. Het auditoraat heeft het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, nr. 27). Partijen hadden in hun XII-9737-24/34 navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht.
  50. De verzoekende partij voert vooreerst aan dat overeenkomstig artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 de tussenkomende partij moest worden geëvalueerd en dat zij ook werd geëvalueerd, doch dat die evaluatieregeling niet bestaat, zodat er a fortiori niet voorafgaand over werd onderhandeld met de representatieve vakorganisaties. Daarin ziet de verzoekende partij een eerste schending van haar prerogatieven.
  51. In de mate dat in deze grief van de verzoekende partij vervat zit dat de bestreden beslissing onwettig is, bij gebrek aan een wettige evaluatie zoals vereist door artikel 135ter van de wet van 26 april 2002, merkt de Raad van State op dat bij de beoordeling van het eerste middel reeds is vastgesteld dat artikel 135ter van de wet van 26 april 2002 geen wettige grondslag vormt voor de bestreden beslissing. De grief van de verzoekende partij dat bovendien de door diezelfde bepaling vereiste evaluatie onwettig is, kan niets toevoegen aan die beoordeling en dient derhalve niet te worden onderzocht.
  52. Daarenboven merkt de Raad van State op dat de vraag die te dezen voorligt, is of de verzoekende partij een functioneel belang kan laten gelden, doordat een van haar prerogatieven als representatieve vakorganisatie werd miskend. Wat deze eerste grief betreft, komt die schending volgens de verzoekende partij neer op een gebrek aan voorafgaande onderhandelingen over een onbestaande evaluatieregeling. Bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de verzoekende partij niet aantoont dat de bestreden beslissing werd genomen in toepassing van een nieuwe of afwijkende “grondregeling”, die voorafgaand aan onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties had moeten worden onderworpen. Dezelfde vaststelling geldt voor de evaluatieregeling die volgens de verzoekende partij had moeten zijn uitgevaardigd vooraleer de tussenkomende partij, met het oog op de toepassing van artikel 135ter van de wet van 26 april XII-9737-25/34 2002, kon worden geëvalueerd. Een evaluatieregeling waarvan niet wordt aangetoond dat ze bestaat, kan noch moet voorafgaand ter onderhandelingen aan de representatieve vakorganisaties worden voorgelegd. Derhalve toont de verzoekende partij met deze eerste grief niet aan dat haar prerogatieven zijn geschonden.
  53. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, voert de verzoekende partij aan dat het niet anders kan dan dat de tussenkomende partij werd geëvalueerd en dat het haar prerogatief is om daarbij aanwezig te zijn. Zij leidt dit af uit artikel 15 van de wet van 24 maart 1999 en artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september
  54. Daar de verzoekende partij hiervoor nooit werd uitgenodigd, meent zij dat haar prerogatief is geschonden.
  55. Artikel 15 van de wet van 24 maart 1999 luidt: “Onder de voorwaarden bepaald door de Koning en onverminderd de andere prerogatieven welke hun door deze wet worden toegekend, mogen de representatieve vakorganisaties: […] 3° aanwezig zijn op de vergelijkende examens en op de examens welke voor de personeelsleden worden georganiseerd onverminderd de prerogatieven van de examencommissies; […].” Artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 luidt: “Iedere representatieve vakorganisatie heeft het recht om zich door een afgevaardigde te laten vertegenwoordigen in de examencommissie van elk examen of vergelijkend examen voor werving van personeelsleden, alsook in de examencommissie van elk vergelijkend examen, van elke proef of van elk examen georganiseerd voor de personeelsleden die ze vertegenwoordigt. De afgevaardigde moet zich onthouden van iedere bemoeiing met het normaal verloop van het vergelijkend examen, van de proef of van het examen, en mag niet deelnemen aan de beraadslaging van de examencommissie. Hij mag geen kennis nemen van de notulen van de verrichtingen, noch een afschrift ervan ontvangen. Hij mag evenwel zijn opmerkingen over het verloop van het vergelijkend examen, van het examen of de proef doen aantekenen in een bijlage bij de notulen.” XII-9737-26/34 De omzendbrief GPI 20 van 22 april 2002 heeft tot doel de draagwijdte van de voormelde bepalingen toe te lichten en de begrippen ‘examen en vergelijkend examen’ nader te verklaren. Deze omzendbrief bepaalt onder meer: “
  56. Toepassingsgebied rationae materiae De examens en vergelijkende examens waarvan sprake betreffen alle testen of toetsen, onder welke benaming dan ook, die een schriftelijke of mondelinge, theoretische of praktische controle van de bekwaamheid van de kandidaten inhouden, met uitzondering van de controle ‘op stukken’. Onder kandidaten moet begrepen worden de kandidaten voor zowel statutaire betrekkingen als contractuele betrekkingen. De examens en vergelijkende examens die de representatieve vakorganisaties kunnen bijwonen, zijn diegene die georganiseerd worden, onder andere, in het raam van: 1° de rekrutering en de selectie; 2° de opleiding; 3° de mobiliteit; 4° de bevordering door overgang naar een hogere graad, hoger kader of niveau; 5° de evaluatie; 6° de selectie en de evaluatie van de mandatarissen.”
  57. De verzoekende partij gaat ervan uit dat de evaluatie van de tussenkomende partij een “examen” is in de zin van de voormelde bepalingen. Niettegenstaande de hiervoor weergegeven omzendbrief GPI 20 van 22 april 2002 een zeer ruime omschrijving geeft aan het begrip “examen”, blijkt uit het administratief dossier niet dat de tussenkomende partij is onderworpen geweest aan “testen of toetsen, onder welke benaming dan ook, die een schriftelijke of mondelinge, theoretische of praktische controle van de bekwaamheid van de kandidaten inhouden”, met andere woorden, dat zij aan een “examen” is onderworpen voorafgaand aan de evaluatie van 5 februari
  58. Ook de verzoekende partij toont dit niet aan. Daar niet blijkt dat de tussenkomende partij is onderworpen aan enig “examen”, kon de verzoekende partij geen prerogatief laten gelden om daarbij aanwezig te zijn.
  59. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij met de tweede grief evenmin aantoont dat haar prerogatieven zijn geschonden. XII-9737-27/34
  60. In wat als een derde grief kan worden beschouwd, voert de verzoekende partij aan dat zij nooit werd uitgenodigd voor de selectie van verbindingsofficieren bij het kabinet. Zij acht haar prerogatief om bij selectieprocedures aanwezig te zijn miskend, indien zij enkel kennis krijgt van de selecties voor leden van het SAT Justitie, maar niet van de selecties voor verbindingsofficieren.
  61. Deze kritiek van de verzoekende partij is niet gericht tegen de bestreden beslissing, maar tegen de aanstelling van de tussenkomende partij als verbindingsofficier. Nog daargelaten dat in het kader van de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat van die aanstelling geen bewijs voorligt, kan die kritiek de wettigheid van de bestreden beslissing niet meer in het gedrang brengen.
  62. In de mate dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten ter adstructie van haar in het verzoekschrift ontwikkelde middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat de verzoekende partij die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft de verzoekende partij aldus in wezen, op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze, een nieuwe grondslag aan haar middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet ontvankelijk. Conclusie
  63. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij met het tweede middel geen blijk geeft van het vereiste functioneel belang.
  64. Het tweede middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. XII-9737-28/34 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  65. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 3 en 8 van de wet van 24 maart
  66. Wat de verplichting tot samenvatting van het middel betreft, verwijst de Raad van State naar wat hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 10). Het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord, als volgt samen: “Verzoekster voert aan dat het functieprofiel van een verbindingsofficier in België binnen de beleidscel van een federaal minister of staatssecretaris ex artikel 135ter voorafgaandelijk moest worden onderhandeld met de representatieve vakorganisaties. Zodoende is artikel 3 Wet van 24 maart 1999 geschonden. Minstens is artikel 8 geschonden dat bepaalt dat slechts na overleg met de representatieve vakorganisaties beslissingen tot vaststelling van de personeelsformatie kunnen worden getroffen. […] - Aangaande het belang bij het middel - Tussenkomende partij meent dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, nochtans is dat wel zo aangezien het hem gaat over het niet respecteren van verzoekers syndicale prerogatieven. - Ten gronde - Uit het administratief dossier meerbepaald het evaluatieformulier blijkt dat er in de feiten een profiel van verbindingsofficier bestaat. Het functieprofiel behoort tot het vaststellen van een personeelsformatie; De betreffende verordeningsbepalingen enz. moeten onderworpen zijn aan voorafgaande onderhandelingen met de vakorganisaties. Het functieprofiel van verbindingsofficier werd niet voorafgaandelijk onderhandeld.”
  67. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij daaraan toe dat het correct is dat er geen formele aanstelling tot verbindingsofficier bestaat, maar dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij ervan uitgaat dat de tussenkomende partij voldoet aan de voorwaarden van artikel 135ter van de wet van 26 april
  68. De verzoekende partij herhaalt dat over het functieprofiel van verbindingsofficier niet voorafgaand werd onderhandeld. De miskenning van dit prerogatief impliceert dat de functie van verbindingsofficier niet rechtsgeldig XII-9737-29/34 kan worden uitgeoefend en dus geen grondslag kan zijn voor de bestreden bevordering. De verzoekende partij wijst erop dat uit het administratief dossier blijkt dat de evaluatie gebeurde aan de hand van een profielbeschrijving, die evenwel tot stand is gekomen met miskenning van het syndicaal prerogatief. Beoordeling Exceptie van gebrek aan belang bij het middel
  69. De tussenkomende partij verwijst naar haar exceptie van gebrek aan belang bij het beroep en werpt op dat de verzoekende partij om dezelfde reden geen belang heeft bij het middel. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nr. 8), situeert de verzoekende partij haar belang in de miskenning van haar prerogatieven. De opgeworpen exceptie van gebrek aan belang hangt derhalve samen met de grond van de zaak. Ten gronde
  70. Het auditoraat heeft het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, nr. 43). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht.
  71. Deze kritiek van de verzoekende partij is niet gericht tegen de bestreden beslissing, zelfs niet tegen de aanstelling van de tussenkomende partij als verbindingsofficier, maar tegen het (ontbreken van het) functieprofiel van de functie van verbindingsofficier op het kabinet. Nog daargelaten dat in het kader van de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat van een aanstelling in een functie van verbindingsofficier geen bewijs voorligt, zodat de vraag naar de wettigheid van de vaststelling van het bijhorende functieprofiel te dezen niet rijst, XII-9737-30/34 kan die kritiek de wettigheid van de bestreden beslissing niet meer in het gedrang brengen. Conclusie
  72. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij met het derde middel geen blijk geeft van het vereiste functioneel belang.
  73. Het derde middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  74. In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 8 van de wet van 24 maart 1999 en artikel II.7-3 van de Codex over het welzijn op het werk. Wat de verplichting tot samenvatting van het middel betreft, verwijst de Raad van State naar wat hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 10). Het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord, als volgt samen: “Het hoog overlegcomité (dan wel comité voor preventie en bescherming op het werk ‘CPBW’) diende een voorafgaand advies te kunnen uitbrengen m.b.t. de arbeidsorganisatie, arbeidsinhoud enz. en de interpersoonlijke relaties op het werk die psychosociale risico’s met zich kunnen meebrengen. Wat betreft ‘verbindingsofficier in België in de beleidscel van een federaal minister of staatssecretaris’ – al dan niet in de feiten - ligt er geen functieprofiel voor. Het noodzakelijk advies werd niet uitgebracht. […] - Aangaande het belang bij het middel - Tussenkomende partij meent dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, nochtans is dat wel zo aangezien het hem gaat over het niet respecteren van verzoekers syndicale prerogatieven. Verwerende partij meent dat het belang ontbreekt: nochtans maken de representatieve vakorganisaties, waaronder verzoekster, deel uit van het Hoog XII-9737-31/34 overlegcomité en het verlenen van dergelijk advies is eveneens een syndicaal prerogatief. Het middel is relevant in het licht van de bestreden beslissing aangezien de benoeming gesteund is op o.a. een evaluatie, doorgevoerd aan de hand van een ‘profielbeschrijving’ waar het functieprofiel niet is voorgelegd aan het Hoog overlegcomité.”
  75. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij daaraan toe dat het middel wel degelijk is gericht tegen de bestreden beslissing, daar enkel door deze beslissing duidelijk is geworden dat ze tot stand is gekomen op basis van een gunstige evaluatie die toepassing maakt van een profielbeschrijving die feitelijk gezien een functieprofiel is. Dit functieprofiel werd echter niet voorgelegd aan het comité voor preventie en bescherming op het werk, te dezen het Hoog Overlegcomité (hierna: HOC), zodat dit geen (noodzakelijk) voorafgaand advies heeft kunnen uitbrengen. Dit vitieert volgens de verzoekende partij de bestreden beslissing. Het belang van de verzoekende partij kan enkel worden gevrijwaard door een vernietiging, in het andere geval is de schending van haar prerogatief een feit en wordt dit niet gesanctioneerd. Beoordeling Exceptie van gebrek aan belang bij het middel
  76. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij als representatieve vakorganisatie geen belang heeft om een dergelijke schending aan te voeren. De tussenkomende partij verwijst naar haar exceptie van gebrek aan belang bij het beroep en werpt op dat de verzoekende partij om dezelfde reden geen belang heeft bij het middel. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nr. 8), situeert de verzoekende partij haar belang in de miskenning van haar prerogatieven. De opgeworpen exceptie van gebrek aan belang hangt derhalve samen met de grond van de zaak. XII-9737-32/34 Ten gronde
  77. Het auditoraat heeft het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, nr. 50). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht.
  78. De in dit vierde middel aangevoerde kritiek van de verzoekende partij is niet gericht tegen de bestreden beslissing, zelfs niet tegen de aanstelling van de tussenkomende partij als verbindingsofficier, maar tegen het ontbreken van een voorafgaand advies van het HOC over een functieprofiel van de functie van verbindingsofficier op het kabinet, waarvan de verzoekende partij in het verzoekschrift tot nietigverklaring zelf aanvoert dat het niet bestaat. Nog daargelaten dat in het kader van de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat zelfs van enige aanstelling in een functie van verbindingsofficier geen bewijs voorligt, zodat de vraag naar de wettigheid van de vaststelling van het bijhorende functieprofiel te dezen niet rijst, kan die kritiek de wettigheid van de bestreden beslissing niet meer in het gedrang brengen. Conclusie
  79. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij met het vierde middel geen blijk geeft van het vereiste functioneel belang.
  80. Het vierde middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. BESLISSING
  81. Het verzoek van XXXX tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  82. De Raad van State verwerpt het beroep. XII-9737-33/34
  83. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  84. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de tussenkomende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9737-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.